Skip to main content

Full text of "Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenschappen, Amsterdam"

See other formats


S ^\i- 



BIJDRAGEN 

TOT DE 
NATUURKUNDIGE 

WETENSCHAPPEN, 



VERZAMELD DOOR 



H. C. VAN HALL, W. VROLIK, 

EN 

G. J. MULDER. 






TE AMSTERDAM, bu 

DE Erven H. GARTMAN, 

1828. 






riLLÜ^/- 



.iclA 



flIAIf' 









VOORBERIOT. 



£Len werk, waarvan het plan rijpelijk is overwo- 
gen, en dat geene andere verandering ondergaat, 
dan dat het jaarlijks met een Beel vermeerderd wordt , 
heeft geen telkens herhaald voorberigt noodig. Wit 
hebben ons daarom ook in het vorige jaar van eene 
voorrede voor ons tweede Deel onthouden, en zou- 
den nu even zoo gehandeld hebben, ware het niet, dat 
de verandering van Uitgever, ons noodzaakte aan 
onze lezers bekend te maken , dat ons Tijdfchrift in 
denzelfden vorm , op denzelfden tijd, en in gelijke 
grootte voortgaat uitgegeven te worden. 

De algemeenmaking van een derde Deel, is zelve 
reeds een genoegzame waarborg dat wij verre van re- 
den te hebben, 07is over den uitflag onzer pogingen te 
bedroeven , integendeel, ons over het wel/lagen der- 
zelve mogen verheugen. Wij hebben gedurende twee 
jaren de hulp en het vertrouwen der uitjlekendjle en 
ijverigfie geleerden van onzen tijd, zoo wel inde noor- 
delijke als zuidelijke Provinciën, mogen genieten. Wij 
zijn hierdoor in jiaat geweest de vruchten hunner 
fiafporingen ten fpoedigfie en op eene gefchikte wijze 
aan een verlicht publiek mede te deelen. Zoo mj hier- 
door iets tot den bloei der Wetenfc happen , welke wij 

be- 



IV VOORBERIGT. 

beoefenen^ in ons Vaderland hebbenbijgedragen ^ zul- 
len mj om, ^GtiQ^gzaflyi^ymr ^ moeiten en opoffe- 
ringen i^'^^ke 'aan de' uitgave van t$n Tydfchrift 
verknocht zijn , beloond rekenen. Even als aan alle 
menfchelijke zaken , zal zeker ook aan onzen ar- 
beid ^ veel onvolmaakts verknocht zijn. Aangenaam 
echter zal het ' ons zijn , de fouten , aan welke wij 
ons fchuldig gemaakt hebben , te leeren kennen , zul- 
lende wij de aanwijzing der zelve met die onpartij- 
digheid ontvangen , welke , naar ons inzien , ee^ der 
hoofdirekken van de Redactie eens Tijdfchrifts behoorp 
te zijn. Op de verdere medewerking onzer Land» 
genooten vertrouwende., en dat 'wij dit magen doeiij^ 
ieert êns de dagehjkfche ondervinding , eindigejiy;^ dit 
kort Voorberigt , mei- het verzoek aan hen ^ die ons 
met hunne by dragen willen vereeren ^ van voortaan 
dezelve, het zij aan onze onderfcheidene adresfen^ 
het zij aan onze tegenwoordige Uitgevers de Erva» 
H., Gartman vrachtvrii te wille^ doen toekomeju Ai 

.ii^ «r^ti i'.t Be Redactie. 



:iVi(i 



.Sl\-i ^-v. 




-ruac."g;iowa^, r.a'i iV.^ti-^ 


*■' 


-*fcavj 


';'<.\"0 1 


■'.i'ifk üi WïV> 






\ .' ■ 


. .•;-:i(i-\\ii4 




w-4;-«i 


• ij' - - - - ■ 


avvö" 






.■"^. n^ - 





B IJ DRAGEN 



TOT DE 



NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN. 



bVER HET GEBRUIK vAi*» DEN STOOM BIJ HET 
KUIPEN DER VATEN, 

Door F. HAGEMAN , Kuiper U Nijiiiegeil. 

Medegedeeld door c. M. van dijk , Apotheker 
te Utrecht. 



Xn het afgeloopen jaar vervoegde zich de kuiper 
HAGEWAN bij mij , en deelde mij zijne nieuwe wijze 
van kuipen door (loom mede, waarbij hij mij tevens 
opgaf de belangrijke voordeelen , die deze bewerking 
boven de oude vooruit had, vooral met betrekking 
tot de vaten en het bewaren van verfchillende vloei- 
flofFen in dezelve. Offchoon ik weinig of geene ken- 
nis van zijn beroep had, kwam mij zijne vinding be- 
langrijk genoeg voor , om aan het publiek medegedeeld 
te worden. Alzoo de man nimmer iets voor het pu- 
bliek gefchreven had, was hem mijn aanbod, om 
dit , als uit zijn' naam te doen , zeer welkom ; ik ver- 
zocht hem dus mij zijne wijze van werken , vergezeld 
van zijne aanmerkingen, fchriftelijk mede te deelen. 
De man voldeed hieraan , op zijne wijze, en hetgeen ik 
den lezer nu zal voordragen , is , offchoon in een' 
anderen vorm, oorfpronkelijk van hem zelvcn. 
Een ieder weet, dat de kuipers, ten einde de dui- 

I5rjDRAGEN,D. Ilf. ST. I. A g^ 



C = ) 

gen biiigznam te maken en vast in elkander te wer- 
ken, zich van viuir bedienen, en te dien einde cenc 
zekere hoeveelheid krullen of fpaanders, tusfchen ijze- 
ren (laven, gelegd en in het midden van het vat ge- 
plaatst, verbranden. Door dit branden nu, ontdaan 
meest altijd blaren in het hout, en het vat wordt 
hier en daar verkoold. Ten einde het daarvan te be- 
vrijden, moet de kuiper het vat met de ronde fchaaf 
goed beloopen , of wel het vuur zoo befluren , dat 
de bla.ren knappen, breken; dit laatfte, echter s gebeurt 
zelden , naardien dit werk meestal aan leerlingen wordt 
overgelaten , die het nadeel dezer blaren niet kennen. 
De eerftc bewerking , met de ronde fchaaf namelijk , 
is daarom in alle gevallen het noodzakelijkfte : hier- 
door echter , verliest het hout veel van deszelfs dikte, 
en diensvo'gens het vat veel van deszelfs waarde, 
zoo zelfs, dat fommige biervaten, na driemaal brou- 
wens, ih den buik verfleten zijn. Offchoon liet 
hieruit reeds duidelijk is, dat deze wijze van werken 
voor de vaten zeer fchadelijk is, en de kuiper niet 
altijd meester is dit voor te komen; zoo blijkt het 
ondoelmatige en nadeelige, om bij het kuipen vuur 
te gebruiken , nog meer uit de verfchijnfelen , die men 
ontwaart , wanneer men verfcbillende vloeiftofFen in 
zoodanige vaten korter of langer tijd bewaart. Zoo, 
bij voorbeeld, zal men een kennelijk onderfcheid 
ontwaren tusfchen verfcbillende vaten bier, al is het 
dat dezelve van een en hetzelfde brouwfel zijn; want, 
terwijl het eene vat zuiver blijft, hoe lang het ook 
blijft liggen , zal het andere eenen vuilen wrangen 
fmaak aannemen, of ook wel ftinken. De reden 
hiervan is , volgens de ondervinding van hageman, 

al- 



^ 



( 3 ) 

Siteèh 'm de blaren gelegen., die niet zorgvuldig ge- 
noeg zijn of konden weggenomen worden, en waarin 
zich de moer van het bier verzamelt, en zoo vast 
izet, dat zij bij het fchoonmaken der vaten niet kan 
worden weggenomen, althans niet op de gewone 
wijze met den bezem; men kan, ja, den bodem uit- 
flaan , maar alsdan kan het van dit vuil nog niet an- 
ders worden gezuiverd, dari met de ronde fcbaaf , en 
loopt dit alzoo weder ten nadeele van het vat uit. 

Om deze ongemakken zoo veel mogelijk voor te 
komen, kwam hageman op de gedachten, om vuur 
door ftoom te doen vervangen. Hij beloofde zich 
van deze bev/erking een' goeden uitflag, naardien hij 
wist, dat men zich hier en daar in Frankrijk van heet 
water bediende, om de duigen buigzaam te maken. 
Het werktuig, dat hij voor zijne floombewerkingver- 
vaardigde , is , zoo als de teekening aanduidt , zeer een- 
voudig. 




A a 



( 4 ) 

A is een ketel , die tot op de helft met water g(v 
vuld en voor een gedee|te in een gemetfeld fornuis 
G geplaatst is; het water wordt met afval , krullen , 
fpaanders enz. aan d« kook gebragt , waartoe men een 
derde minder branddof noodig heeft, dan op de ge- 
wone -manier. B is eene pijp, die den ftoom in een 
groot gekuipt vat C voert. In dit vat worden de va- 
ten geplaatst, die men kuipen wil; een dekfel, niet 
een' ijzeren rand omgeven,, fluit de opening vrij digt; 
het te. kuipen vat F fiaat, op een' driepoot, hetgeen 
noodzakelijk is , naardien -hetzelve anders in het water 
zoude ftaan, dat zich door verdikking van den ftoom op 
den bodem verzamelt. Dit water kan door middel vnn 
eene kraan worden. afgetapt. Aan de andere zijde vnn 
den ketel ziet men de pijp D , die in het vat E , 
met water gevuld, uitkomt, en dient, om het ver- 
dampte water weder aan te vullen. Wanneer, name- 
lijk , de bewerking afgeloopen , het vuur uitge- 
doofd, en de kraan a gefloten is, zal het vocht uit 
het vat E opklimmen, naarmate het water in é^'^ 
ketel verkoelt , en dezen eindelijk tot op de bepaalde 
hoogte vullen, wanneer dezelve geheel koud gewor- 
den is. 

Deze toeflei , hoogst eenvoudig , beantwoordt volko- 
men aan deszelfs oogmerk, en hageman bedient er 
zich niet alleen met voordeel van , maar levert ook 
aan eene der brouwerijen in Nijmegen geene andere 
biervaten, dan die op deze wijze gekuipt zijn. 

Na het geen hierboven gezegd is, omtrent het na- 
deel van de gewone wijze van kuipen, zal men de 
voordeelen der flioombcwerking in deze gemakkelijk 
kunnen opmaken. 

Voor- 



( 5 ) 

Vooreerst , toch , behoudt het vaatwerk zijne oor- 
fpronkelijke dikte en kan langer duren. 

Ten tweede , loopt men geen het minfte gevaar , dat 
hetzelve blaren zal trekken , en bederf in de vloei- 
ftoflen te weeg brengen. 

. Volgens proefnemingen van hageman , zoude het 
water daarin zeer goed blijven , en meent hij , dat 
het voor watervaten op zeefchepen zeer dienftig zoude 
zijn. Daar men zich echter tegenwoordig met goed 
gevolg van ijzeren waterkisten bedient, fchijnt het 
gebruik van geftoomd vaatwerk onnoodig. 

Ten derde, worden de duigen zoo buigzaam en 
moeijig, dat zij zonder moeite in elkander kunnen 
gedreven worden , en zetten zich daarbij zoo rond 
naar de banden , dat men aan de binnefide en buiten- 
fte oppervlakte geene platte plaats on;.dekken kan. 

Ten vierde, is de ftoombewerking in deze ook 
zeer gefchikt, om een groot gedeelte van den zooge- 
naamden eik of eek uit het hout te trekken , waardoor 
een nadere uitkoking onnoodig wordt. Uit deze 
voordeden zouden wij, dunkt mij, met hageman 
kunnen bed uiten , dat het gebruik van ftoom bij het 
kuipen der vaten , voordeehger en doelmatiger is , dan 
het aanwenden van vuur , en dat de door ftoom ge- 
kuipte Vaten niet alleen te verkiezen zijn, ter bewa- 
ring van verfchillende vloeiltoffen , maar ook ter verzen- 
ding van fommige zelfftandigheden naar Oost en West. 
Om over de waarde van de hierop gegevene bewer- 
king beier te kunnen oordeelen , heb ik mij een vat 
op deze nieuwe wijze doen vervaardigen. Nimmer, 
dit moet ik bekennen , heb ik iets fchooners van 
dien aard gezien ; het va't was zoo blank als men 
verlangen kan , de duigen zoo glad en zoo vast in 

A 3 "cr- 



( 6 ) 

elkander gewerkt , dat ik alleen aan de letters , die 
aan den ondcrlcant van de: duigen ingedrukt waren; 
deze laatfte kon onderfcheiden. 

Meer over deze bewerking te zeggen is onnoodig, 
dezelve is eenvoudig, en door iederen kuiper gemakke- 
lijk te begrijpen. Aangenaam is het mij in de gele- 
genheid te zijn , een bekwaam en nijver handwerksman 
deze dienst te kunnen bewijzen. Mogt hageman 
zich hierdoor aangemoedigd vinden voort te gaan in 
de verbetering en volmaking van zijn noodzakelijk 
beroep, en mogt het eene aanfporing zijn voor vele 
handwerkslieden , om hun bedrijf met oordeel uit te 
oefenen, en een nuttig gebruik te maken van uitvin- 
dingen en ontdekkingen , waarin onze eeuw zoo rijk is. 

NASCHRIFT OP DE BESCHRIJVING VAN DEN TOE- 
STEL , OM MET STOOIM TE KUIPEN, 

Door G. MOLL. 

i?let bijzonder welgevallen heb ik de vvelgeflaagde 
poging van den Nijmeegfchen kuiper hageman, om 
(loom tot het buigen van duigen te gebruiken, ver- 
nomen. Te Glasgo')v fchijnt de ftoom tot het kuipen 
gebruikt te worden ; of echter de duigen door (loom , 
of op eene andere wijze gebogen worden, blijkt niet 
uit de zeer oppervlakkige befchrijving, die mij hier- 
van bekend is. Daarenboven meen ik ook , dat het 
liout , tot den. fcheepsbouw , op Engelfche werven , 
mogelijk ook op de onze , door beftooming buigzaam 
gemaakt wordt. Het is duidelijk , dat de toeftel van 
HAGEMAN voor gfoote verbetering vatbaar is , vooral , 
wanneer men dez? inrigting in 't groot wilde invoe- 
ren. 



( 7 .) 

ren. De (loomketel zoude, mijns inziens, omtrent 
dezelfde gedaante, als die van eene floorauiachine 
moeten hebben , ten einde brandftof te fparen. Men 
zoude dan ook den (loom tot wat hooger drukking, 
bij voorbeeld tot 5 pond op den vierkanten duim kun- 
nen gebruiken , en het zoude ook niet moeijelijk zijn , 
om het verdikte water uit het groote vat , waarin 
de ton, die men kuipen wil, geplaatst is, tot voe- 
ding naar den ketel te leiden. Wanneer hageman 
eens in de gelegenheid is , om eene ftoommachine te 
befcliouwen , zullen hêra deze en vele andere verbe- 
teringen van zelf in 't oog vallen- Zij zullen zoo 
wel dienen om de bedooming fpoediger en gemakkelij- 
ker te doen plaats hebben, als om brandftof te fparen. 
Bij de veelal billijke klagten, over het gebrek aan 
nijverheid bij onze handwerkslieden, ontwaart men 
met groot genoegen zulk eene nuttige , en zoo ik 
vertrouw, voordeelige verbetering eener nutte kunst, 
door een' kuiper daargefleld. De kunst van kuipen , 
hoewel oud, is zeer vernuftig; indien dezelve niet 
bekend was, zoude de grootfte werktuigkundige mis- 
fchien verlegen ftaan , wanneer hem het volgende 
voordel werd opgegeven: „Uit losfe Hukken hout, 
alleen door dezelve naast elkander te flellcn , en door 
drukking te vereenigen , zonder nagel of fpijker, een 
hol ligcliaam te vervaardigen, niet alleen volkomen 
waterdigt , maar gefchikt om wederdand te bieden 
aan de perfing van gistende vloeiftofFen." In de op- 
losfing van dit voordel , beflaat het bedrijf van den 

kuiper. (*) 

Over 

(*) Zie Mim, de V Acad. d. Sc, 1763. p. 140. 

^4 



( 8 ) 



OVER DE SNELHEID VAN PAARDEN , EN IN 'T HiJ- 
ZONDER OVER DIE ONZER HARDDRAVERS. 

DoQf; G, MOLL, 

Van alle tijden heeft men fchier bij alle volken, die 
het paard wisten te temmen, behagen gefchept in de 
meerdere of mindere fnelheid , waarmede deze uit- 
muntende dieren, in een' gegevenen tijd eene gegeven 
ruimte, nu eens met, dan eens zonder ruiter , veeltijds 
voor den wagen doorliepen. Van, alle deze fpelcn der 
oudheid, waarvan ons homerus en virgilius zulke 
fchoone befchrij vingen hebben gegeven , hebben de wed- 
loopcn met paarden zich bijna alleen ftaande gehouden. 

Bij de Noord-Nederlanders en bij de Engelfchen 
is het wedrennen , tot op den huldigen dag in zwang 
gebleven , en hoevvel onze harddraverijen op verre 
na niet bij de wedloopen der Engelfchen te vergelij- 
ken zijn , en deze liefhebberij zeker ook federt vele 
jaren merkelijk is verminderd, blijft echter dit over' 
oud gebruik nog vooral in Holland^ Vriesland en 
Groningen aanhoudend in zwang. 

Toen er den lo April 1827 hier te Utrecht eene 
harddraverij in de Maliebaan plaats had, kwam het 
mij niet onbelangrijk voor de fnelheid van de vlugfte 
dravers, die daar liepen, waar te nemen, en dezelve 
te vergelijken met het geen men van de fnelheid 
wist van andere paarden, zoo wel binnen als buiten 
's lands. 

De Hoogleeraar aan 's Rijks veeartfenijfchool p. j. j. 
DE FREMERIJ CD ik, deden deze waarnemingen te za- 

men 



c 9 y 

men ,: en de leden der Regering van 'Utrecht , aan 
wie het opzigt over den wedloop was opgedragen , 
hadden de goedheid ons hiertoe eene gefchikte gele- 
genheid te verleenen. 

De baan , door ons naauwkeurig gemeten , werd 
bevonden lang te zijn, 102 Rijnlandfche roeden. 

== 1224 Rijnlandfche voeten. 

= 1261 Engelfche voeten. 

= 384% 28. 
Deze ruimte werd door fommige paarden, met 
mam, door dat, hetwelk den prijs behaalde, en 
Ijctwelk, geloof ik , de Morra genaamd werd , in 34" 
doorloopen. Dierhalve liepen deze harddravers mei 
ccne fnelheid van 
3Ó Rijnlandfche") 
37 Engelfche j"^"'^'" of 11 -,3 in eene fekunde. 

Dit is zekerlijk , voor paarden , die draven , al vrij 
fnel; doch men moet in aanmerking nemen, dat de 
baan korter is , dan de meeste andere renperken. Men 
mag zekerlijk twijfelen of deze paarden eene langere 
baan , met dezelfde fnelheid zouden doorloopen heb- 
ben, bij voorbeeld: 

204 Rijnlandfche in 68" of 
306 Rijnlandfche roeden in 102^ 
Men heeft toch bij langer wedloopen opgemerkt, 
dat vele paarden in de laatfte helft beginnen te ver- 
ilaauwen, en de grootlle fnelheid flechts korten tijd 
kunnen volhouden. Berkhey (*) verhaalt ons ook, 
dat doorgaans de ridden op 150 roeden genomen wor- 
den, 

(*) Natüurl. Historie van Hollafid , T. IV. pag. 268. 

^5 



( 10 ) 

den , terwijl dezelve hier flechts even meer dan loo 
roeden bedroegen. 

Do beroemde Hollandfclie harddravers , waarvan ik 
iiielding vindt gemaakt, waren de bekende Maiïe 
Jan^ wiens afbeelding in plaat is gebragt, en een 
ander, waarvan BSRKHEYfprepkt, en dien hij den ruin 
van de Iloogelmd noemt. (*) Men zegt , dat deze 
paarden 40 voeten , waarfchijnlijk rijnlandfche , in de 
fekiindc afliepen. Dit is zeker vrij wat meer dan 
onze Utrechtfche dravers; Malle Jan zoude, volgens 
deze rekening-, de 102 roeden in 3o",6 hebben afge- 
legd. Elders (*) vind ik opgeteekend , dat dravers te 
Leeuwarden flechts 29^ voet Rijnlandsch , of 9 ", 2 of 
30,2 Engelfche voeten, in eene fekunde doorliepen. 

Het fnelfte, hetwelk ik van Engelfche dravers heb 
gehoord, is van 16 Engelfche mijlen in het uur, 
en ik geloof, dat men dit veilig als het ulterfle mag 
ftcllen. Doch 16 mijlen .in het uur komt overeen 
met 23,47 Engelfche voeten in de fekunde, terwijl 
onze dravers 37 Engelfche voeten in denzelfden tijd 
alleggen. Zoo vind ik een' wedloop van twee Engel- 
fche dravers opgeteekend, waarvan de fnellle in 36I 
minuten 10 Engelfche mijlen aflegde, dat is eene fnel- 
hcid van 7™, 3 of 24,1 Engelfche voeten in de fe- 
kunde had. Doch de rid was hier vrij wat grooter, 
of 16090 meters of 2 uren 55' gaans , terwijl dezelve 
hier te Utrecht maar 384 m. bedroeg. Indien onze 
harddravers , met de fnelheid, die zij hier vertoonden, 
een uur konden voortgaan, zouden zij eene ruimte 

van 

(*) Bertciiey, ibid, pag. 279. 

(t) Pasteur, Natuurlijke Hütoric , T. I. p. 225. 



r( II ) 

van meer dan 25 Engelfche mijlen in dien tijd af* 
leggen , iets , hetwelk ik niet geloof,; dat im mei- 
gedaan zij. 

Ik heb vergeefs in de boeken , die mij ten diende 
ilaan, eenig nieuw en omllandig berigt, aangaande 
de fnelheid der Engelfche renpaarden gezocht. Al 
wat ik er van kon opfporen , was letterlijk nage- 
fchreven van een verflag dienaangaande door maty , 
fecretaris van de Koninklijke Maatfchappij it Londen^ 
aan LACONDAMiNE gegeven. (*) De heer blumenbach 
en de fchrijvers van de Encyclopedia Brittannica, 
ophetwoordü^ctf , die toch nieuwere berigten hadden 
kunnen bekomen, hebben dit berigt van maty kort- 
weg overgenomen. Te Ncwmarkei , zegt dit ver- 
haal, zijn twee banen, de eene, the long cmrfe ^ is 
regilijnig , de andere , the round courfe , loopt rond. 
De long courfe is lang 4 mijlen en 380 yards, 
dat is 22a6o Engelfche voeten r= 6784 nieters, of 
een uur 13' gaans. De ronde baan bevat 6640 yards 
z= 19920 Engelfche -voeten =: 6075 meters. Ge- 
woonlijk doorloopen de paarden de lange baan in 
7 '50' en de korte in 7' (of de fnelheid in de lange 
baan is 47,3 Engelfche voeten = 14,™ 4 in i" en in 
de korte baan 47,4 Engelfche voeten of omtrent 14 ",6 
in 1". Maar Childers , een der fnelst) loopende paar- 
den der voorgaande eeuw, befteedde 7^30" voor de 
lange , en 6/40" voor de korte baan , dat is , hij had 
eene fnelheid van 49,47 voeten in de fekunde , in de 
lange en 49,8 voeten in de korte baan. Dit verfchil 

van 

C*) Mem, de rAcad. dei Sq. 1754, p. Z9^ 



( 12 ) 

van de fnclheid van Childcrs in de lange regtlijnige, 
en de kortere ronde baan , doet dadelijk reeds zien , 
dat paarden met de iiiterfle fnellieid niet lang kunnen 
loopen, en dat hét dierhalve niet te denken is, dat 
onze liarddravers hunne fnellieid van 36 Rijnlandfche , 
37 Eugeirche voeten of 11 ^, 3 in defekundelang zou- 
den hebben kunnen volhouden. Hetfchijnt , dat deze 
Childcrs voor eenen korten tijd nog veel fneller heeft 
kunnen loopen ,hij legde dan tot SaiEngelfche voeten 
in 1" af, dat is veel meer dan eens zoo fnel als onze 
harddravers. Een ander Engelsch renpaard , Md iSVcr- 
ling , hield men nog voor voortreffelijker ; het door- 
licp flechts 46I Engelfche voeten in 1" , doch het 
werd, zegt men, nooit moede, overliep zich nim- 
mer, bleef zich altoos gelijk, en had, in 't geheel, 
nooit deszelfs wedergade gehad. Van de tegenwoor- 
dige Engelfche renpaarden , en van die genen , welke 
voor eenige jaren , ik had bijna gezegd , gebloeid 
hebben , vind ik geene fnelheid opgegeven ; zulke be- 
roemde paarden waren Eclipfe , en de twee mededin- 
gers Diamond en Hambletonian , beiden meermalen 
in plaat gebragt, en waarvan het geflacht thans nog 
den roem hunner vaderen ophoudt. 

Te Rome houdt men, gedurende het karnaval, 
paardenwedloopen. Deze paarden dragen geen' ruiter; 
en dus vervalt het voordeel , hetwelk van de kunst , 
behendigheid en moed des rijders afhangt. Behalve 
door hunne eigene eerzucht, worden deze paarden 
van den Romeinfchen Corfo^ aangeprikkeld door bol- 
len met ftekels voorzien , die hen over den rug aan 
ecne koord tegen de zijden hangen. Zij loopen op 
den ren , en de rid is van 865 teifes of i68ó meters 

= 447 



C 13 ) 

■, ^=r 447. RijnlancUcheroederié 
= 1,041 Engelfche mijl (♦). 

•-=: 5,528 Eiigelfche voeten. :,. 

-■ tlft CONDAMINE zag dczÉii lid door Barbarijfche parif-" 
den of Barhes, in <2.i^i" doorloopen (**), of 11 °^, 96 

= 38 voeten Rijnlandsch. 

= 39 voeten Engelsch in de fekunde. 

Dus rennen deze Romeinfche paarden veel minder 
foei dan de Engelfche, doch wederom fncller dan de 
Morra draafde, doch Malle Jan en de min van de 
Hoogclind draafden weder fneller, dan die in den 
Corfo renden. Daarentegen is deze Corfo tusfcheii 
de vier en vijfmalen grooter dan de ridden bij onze 
harddraverijen. 

De Vriefche fchaatferijders overtreffen nog dé 
Morra in fnelheid. Ik vind aangeteekend , dat in ' 
een' wedloop op fchaatfen 'm Friesland , de baan van 
175 meters of 557 Rijnlandfche voeten, in 15" werd' 
afgelegd, dat is, met eene fnelheid van bijna 11™, 7 
of 37 Rijnlandfche voeten in x". Bij eene andere 
wedloop op fchaatfen itLeemvarden, door een' man 
en eene vrouw te gelijk , werd de baan van 60 Rijn- 
landfche roeden of 226 ™ in 26" afgelegd , dat is , bijna 
28 Rijnlandfche voeten , of 8 ""j 69 in i". 

Het rendier is beroemd wegens deszelfs fnelheid 
niet alleen, maar ook wegens den tijd, welken het 
deze fnelheid kan uithouden. 

He 

(*) Engelfche ftatute miles van 5280 Engelfche voeten, 
of omtrent idop m. 
(**) Mém, de i^Acad. des Sciences 1757. p. 394. 



C 14 ) 

Het grootftc voorbeeld van fpocd door een dezer die- 
ren , waarvan men zegt , dat de afbeelding in het pa- 
lcis van Broititigholm bewaard wordt, wordt opge- 
geven te zijn i£4 Zweedfche of bijna 800 Engclfche 
mijlen (*^ in 48 urep, of ^6, 6 mijl in het uur, 
pleisteren er onder begrepen, dat is 24,3 Engel- 
fche voet , of 7 «, 4 in i". Het dier ftortte echter 
bij de aankomst dood neder, (fj Pictet verhaalt, 
dat hij in Lapland een' wedloop met Rendieren heeft 
bijgewoond, waarin het fnelfte'dier in 2' een' afftand 
van 30S9 Engelfche voeten 8,9 duim doorliep, dat is 
25,74 Eng. voeten in i". 

Het blijkt dus , dat onze fchaatfenrijders en hard- 
dravers, de fnelheid van het Rendier op eenen korten 
weg overtreffen; doch zeker wordt er geen paard 
gevonden , hetwelk in ftaat zoude zijn , om 800 En- 
gelfche mijlen, dat is, 222 uren gaans in twee etmalen 
af te leggen, dit is eenfpoed, die onbegrijpelijk is, en 
waaraan ik moeite heb onbepaald geloof te hechten. 

Wij kunnen met dit alles de gewone fnelheid, 
waarmede een niet beladen mensch op een' waterpas- 
fen weg, gaat vergelijken. Onze Nederlandfche uren 
gaans, volgens welke de afftanden der fteden op den 
officiëlen af fiands wijzer opgegeven zijn, zijn van 20 
op eenen graad, hetgeen op 5555 ™j 55<5 of 5556^ 
of op I474j Rijnlandfche voeten uitkomt. De heer 
AENEAE heeft, meen ik, zulk eene bepaling bij het 
Gouvernement in der tijd doen aannemen , en dezelve 

is 

(*) Brooke , on the Rendier in the Edinburg new phil, 
journ. June 1827. p 3Ö. 
(t) 800 Engelfche mijlen =: 1287200". 

= 231 uren gaans. 



( 15 ) 

is fedért onveranderd gebleven. Volgens deze bepa- 
ling geeft het uur gaans, eene fnelbeid van 4,9 Rrjn* 
landfche , of 5, c6 Engelfche of 4, 7 Franfche voeren 
of i,"54 in 1". 

Hét zoude mij echter toefchijnen, dat dit uyr wat 
te groot is genomen, en dat men moeite zoude heb- 
ben om, gedurende eenen eenigzins langen tijd, die 
uren, uur op uur, te gaan. De uren in Z>///Vj<;/i/^/?^ en 
Zwhferland zijn. veel kleiner, en bedragen flechts4444"»4 

Meer naauwkeurig en gemakkelijker tevens in de 
berekening zoude het geweest zijn, indien men, zoo 
als de Heer van swinden voorftelde , het luir op 
5 kilometers had gefield, dat is, op 1327 Rijnland- 
fche roeden, dat is, 4,45 Rijnl. voeten of 1^,39 of 
4, 25 Franfche voeten in 1". Voorheen plagt men ook 
het uur gaans op 1500 rijnlandfche roeden of 5651™ 
te (lellen , hetgeen eene fnelheid gaf van 5 rijnland- 
fche voeten of 1,^57 in i". 

De Heer van swinden plagt te verhalen , hoe h^j 
in Panjs een' üiellooper 24 voeten (ik weet niet of 
het Rijnlandfche of Franfche waren,) in 1" zag afleg- 
gen ; dit koQTit uit op 7'",53. 

Eindelijk, de kameel reist, volgens rennel, in 
de Arabifche woestijnen doorgaans met eene fnelheid 
van 2| Engelfche mijl in het uur , dat is omtrent 
3, 7 Engelfche voeten , of v^,i in de fekunde. 

Ik hoop, diat degenen, die in het vervolg met het 
toezigt over toekomstige harddraverijen hier te Utrecht 
zullen belast worden, mij ook weder gelegenheid 
zullen geven , om nadere waarnemingen , aangaande 
de fnelheid onzer paarden, in vergelijking van an- 
dere , te doen. In de Tafel, welke hierbij is ge- 
voegd 



C ï6 ) 

voegd, heeft men de Iheliieden van vcrfchillcndê die- 
ren, voor zoo verre mij die bekend waren, onder , 
ééïï oogpunt en in yerfchiilende maten, vereenigd. 

TAFEL van de fnelheden van eenige ' verfchilcndc diercA ^ 
"Voornamelijk van paarden. 



DIEREN. 


Sneliieid in ééne fekunde. 


Lengte 
der baan 
in meters. 


AANMERKINGEN. 




Meters 


Rijnl. 
voeten 


Eng. 
voeten 


Fr. 
voeten 




De Murra^ 

een harddra- 

ver, Utrecht 

1827. 


11,3 


36 


37 


34.75 


384,3 






De 

liarddravers 
Mc.llejan, 
en de ruin 

van de 
Hoogelind. 


12,56 


40 


41.2 


33,67 


376 i 565 






Vriefclie 
dravers te 

Leeuwarden. 


9, 2 

7,16 


29! 
22,75 


30,2 


28,33 


idem. 


Volgens rASTEüit. 




EngèUche 
tkavers. 


23,47 


22 


16090 






Engelfclie 
renpaarden te 
Ne-ivmarkec, 


14,4 
14,6 


45 
47,75 


47,3 
47,4 


44,25 
46,16 


6789 
6075 


In de long eoursé. 
In de round coutse. 




Cliilders. 
>> 


15,08 
15,19 

25.17 


48 
48,35 

80,16 


4'J,47 
49.8 

82I 
461 


46,41 
46,75 

77,-33 


67Ö4 

6075 


Ih de lung coiirse, 
In de round coUrse. 
Deze snelheid ion', 
ilechla kort morden - 
volgehouden. 




Sterling. 


14,28 


45,5 


43,91 




Werd , zegt men, nooit 
moede 




Te llovie ia 
don Corfo. 


11,96 


38 


39 


37 


1686 


Rennen ionder ruiler. 




Sehaat(l.-nrij; 

dcrs in 

Vriesland. 

Andere fcliaat- 

fcnrijdcrs. 


11,7 
8,69 


37.1 

28 


38,39 
28,5 


36 
26,75 


175 

226 


......i 




llardlooper 
te Parijs. 


7,53 


24 


24,7 


23,16 


onbekend. 






Rendier. 
Rendier. 


7,4 


23,5 


24.3 
25,74 


22,75 


1287200 


Stierf na de reis. 




K:imc(.l. 


1,1 


,»5 


3.7 


3,34 




Reizende in de woes- 
tijn , vclgem REMNiit- 





( 17 ) 
OVER SCHEIKUNDIGE NOMENCLATUUR. 

Door G. Ji MÜLDERi 

U it hoofde van het verfchil der voorwerpen , heeft 
men namen noodig, om aan anderen mede te kunnen 
deelen , welke van dezelve wij bedoelen. — Deze 
namen worden nu uit de taal, waarin wij fpreken, 
genomen, zoo zij hierin voorhanden zijn; anders 
buiten dezelve, en van daar, waar de meesten ge- 
makkelijk de afleiding van den naam zullen kunnen 
vinden. Is men in het kiezen dezer namen nu niet 
aan zekere regelen gebonden, zoo neemt men ze het 
best van in het oog loopende en merkwaardige eigen- 
fehappen der voorwerpen. Want iedereen, die den 
naam weet, zal hierdoor min of meer het voorwerp 
leeren kennen» en hij, die het voorwerp kent, zal 
gemakkelijker den naam onthouden, en fomtijds zelf 
kunnen opmaken. 

Niet altijd heeft men echter zoo over het geven 
van namen aan voorwerpen kunnen denken. Voor- 
dat er vele voorwerpen, die met elkander verwant 
zijn, bekend waren, voordat er eene zekere eenheid 
in de rangfchikking en kennis dezer voorwerpen was 
voorafgegaan , kon men ook geene algemeene regels 
in acht nemen in het geven van namen , omdat er 
hiertoe geene aanleiding was. Doch na de daarftel- 
ling van deze eenheid moest eene goede nomencla- 
tuur de zuster der befchrijving en uitbreiding der 
kennis van de voorwerpen zelve zijn, en wij zien 
ook hiervan in alle ^ wetenfchappen de doorjlaandfle 

;. ByDRAOENjD. III. S. [. B blïj^ 



( 18 ) 

blijlccn. — Het is welligt het kenmerk van den flaat 
der wctenfchap. Want, naarmate er meer orde en 
eenheid in de wctenfchap heerscht , naar die mate zijn 
de namen der voorwerpen, of onderwerpen natuurlijker, 
meer met derzclvcr aard overeenkomflig en dus beter. 

In de fcheikunde van vroegere jaren, die geens- 
zins den naam eener wetenfchap verdiende , waren de 
namen als uit de lucht gegrepen. Willekeur en wan- 
orde was het kenmerk der nomenclatuur, zoowel als 
van de geheele wetenfchap. Doch was er geene wan- 
orde voorafgegaan, zoo kon er nooit orde volgen. 
Men kende de ligchamen toen niet , zoo als er waar- 
fchijnlijkheid voor derzelver beftaan was, maar men 
kende ze, zoo als men ze kende, dat is, zoo als een 
of ander ze wilde bekend maken. Hoe zou men ook 
voor al hetgeen de natuur oplevert, en dat aanfchei- 
kundig onderzoek kan onderworpen zijn , goede na- 
men hebbenlkunnen geven, daar men vier grondftof- 
fen , door eeuwen heen, had aangenomen, en uit de- 
ze alle andere ligchamen deed ontftaan en beftaan. 

De namen van zout, zuur, aarde, metaal, die na- 
derhand "veel "omvattend werden, waren toen van be- 
perkte beteekenis. Men kende toen niet hetgeen ook 
hierdoor moest uitgedrukt kunnen worden. — De na- 
men plumbum , ferrum , fiilphiir en2. waren van 
de oudheid ontleend, die geene de minste kennis de- 
zer ligchamen konde hebben. Intusfchen heeft de 
oudheid hier boven de reden gezegepraald, en men 
heeft deze namen behouden. Voor oude namen is 
ook veel meer voor, dan voor oude zaken. Deze 
laatften moeten op zich zelven goed zijn , of de oud- 
heid geeft hier geenen voorrang. 

De 



( 19 ) 

De enkelvoudige ligchamen , voor een gedeelte aan 
'de Ouden , offchoon niet als zoodanig bekend , zijn 
'dus met de eenmaal verkregene namen fteeds genoemd 
geworden. De nieuwe heeft men of willekeurig , of 
naar eene der hoofdeigenfcliappen genoemd. Doch de 
zamengeftelde ligchamen, door de vorming en funde- 
ring der fcheikunde , eerst voor nog geen 50 jaren 
voorgevallen, konden hunne namen, vroeger ontvan- 
gen , geenszins behouden , omdat derzelver aanzien 
nii geheel en al was veranderd geworden. 

GuYTON-MORVEAu was in 1780 de eerflie vormer 
eener goede nomenclatuur. Hij droeg hiervan een 
plan aan de Académie des Sciences voor, en ber- 

THOLLET , FOURCROY CO LAVOISIER , in COmmisfic 

gefield, om met hem deze nomenclatuur te onder- 
zoeken , hebben , na veel moeite , bijna de hedendaag- 
fche als zoodanig, ten minste de hoofdtrekken van 
dezelve, gevestigd, en de wetenfchap zal niet ge- 
makkelijk deze kunnen ontberen. Grooier dienst is de 
fcheikunde en geene wetenfchap welligt ooit bewe- 
zen. Hierin is de natuurlijke historie vooral ten ach- 
teren , die nog , met onbegrijpelijke moeijelijkheden 
worstelende, reden heeft het gebrek eener goede no- 
menclatuur zeer te betreuren. De verwarring in de 
fcheikunde hield eensklaps op, en de nomenclatuur. 
Voor al wat er toen bekend was , en voor bijna alles , 
wat er ooit bekend kan worden, gevormd, wees met 
den vinger aan , wat er was en welligt kon zijn. In 
welke wetenfchap iis de wederga der fcheikunde in 
dit opzigt te vindeil ? 

De enkelvoudige ligchamen , wier getal thans aan- 
merkelijk is aangegroeid, hebben fomtijds niets , fom- 

B a tijd 9 



C =0 ) 

tijds weinig bctcc1<enendc, fomtijds ook zeer oneigen- 
lijke en ondoelmatige namen. De mercnrius ^ het 
plumbum enz. behooren tot de eerde. Tot de tweede 
het azotum; tot de laatfle het oxygcnitim ^ hydro- 
genitim enz. Vele latere namen, aan ook later 
ontdekte zelfftandigheden gegeven , drukken eene 
hoofdeigenfchap van het enkelvoudige ligchaam uit, 
en zijn dus te verkiezen boven de anderen. Hiertoe 
behooren het chlorium^ iödium enz. 

Er beftaat een hoofdregel voor het geven van na- 
men aan nog te ontdekken enkelvoudige ligchamen, 
dien men niet mag over het hoofd zien, zij is deze: 
dat men geheel onbeteekenende namen moet nemen , 
indien men niet dezulke kan uitkiezen, die ons bij 
de befchouwing van het ligchaam duidelijk in het oog 
moeten vallen. De enkelvoudige ligchamen immers 
zijn niet zoo groot in getal, en voor dezen behoeft 
men dus in het zoeken naar namen niet zoo karig te 
zijn. — Kortheid is echter altijd een hoofdvereischte , 
even eens als gemakkelijkheid in het fpreken en fchrij- 
ven. Want dit enkelvoudige ligchaam kan welligt 
met vele andere vereenigd worden, en dit onder ver- 
fchillende evenredigheden, en omdat de naam dan 
uit noodzakelijkheid lang kan worden, moet men 
hierin , zoo veel mogelijk , te hulp komen. Lange 
namen kosten tijd, die verloren is. Wat zal men 
b. V. met de namen manganefium , antimomum te 
fchrijven meer tijd moeten verfpillen dan met plutn- 
bum^ auriim? En welke reden beftaat er voor, om 
lange namen te bezigen? 

ïn de natuurlijke historie heeft men de gewoonte 
de namen van dengenen , die eene foort het eerst ge- 

von- 



C ^i ) 

vonden Iieeft , of die vele v^erenfcbappelijke verdiens- 
ten heeft, aan de voorwerpen te geven. Men meent 
hiermede deze groote mannen eene dienst te doen. 
— Het zij ons vergund hierop te zeggen, dat indien 
zij waarlijlc groot zijn, hun door deze kleinigheid geene 
dienst kan bewezen worden, en wordt hun hier- 
door dienst gedaan , zij niet groot zijn , en dus niet 
als groot behoeven aangezien te worden. Het is ooic 
waarlijlc al weinig, als men een fluk mineraal of 
eene planten- of dierfoort , zijnen naam ziet dragen : 
eenen naam , die toch met den perfoon niets gemeen 
heeft , maar hem bij erfenis is ten deel gevallen. 
Heeft men groote zaken, b. v. planeten ondekt, zoo 
beftaat er eenige uitzondering, om het ontzag ver- 
wekkende van hetgeen men heeft lecren kennen, en 
de moeite, die men aan deze ontdekkingen heeft ge- 
had, endenamen van HERSCHEL, riAzzi, olbers en 
HARDING hoort men ook gaarne, aan planeten , die zij ons 
leerden kennen, door fommigen geven; door anderen 
worden echter deze ook wederom verworpen. Bovenge- 
melde opmerkingen zijn hierop niet toepasfelijk , en deze 
wijze verdient dus navolging, indien de naam van 
den ontdekker aan hetgeen hij ontdekt heeft gege- 
ven wordt, en men geenen redelijken grond voor 
eenen anderen naam vinden kan. Daar dit echter 
met aardfchc voorwerpen nooit het geval is, zoo 
durven wij , deze wijze van doen in de natuurlijke 
gefchiedenis , voor geheel ondoelmatig verklaren. 

Bovendien ziet men wel eens, en nog wel dik- 
wijls, de onderfcheiding der foorten veranderen; zoo- 
dat geleerde planten -namen ook wel eens fpoedig 
vervallen. Indien dit Hechts eenmaal kon gebeuren, 

B 3 moest 



( aa ) 

moest men voor altijd van deze gewoonte afL-cCchrikt 
zijn. Hot zou fpoticn kunnen genoemd worden met 
deze namen, indien men het geven van zulke namen, 
vcreeren der perfonen noemt. 

Eindelijk, geeft men dezelve aan hem , die het 
eerst eene dier- of plantfoort vond , zoo zal dit toch 
wel niet veel beteekenen ; want had hij het niet ge- 
daan, zoo was er voorzeker iemand na hem geko- 
men , die dit werk zou hebben verrigt , en het eerst 
iets vinden , beteekent dus weinig. — INIen moet toch 
niet vragen, of men ook iets heeft gedaan ^ en wel 
iets, hetwelk een ander nog niet deed; maar of men 
eenige dienst aan de wetenfchap heeft gedaan, die 
aanmerkelijk is; of men niet gemakkelijk deze dienst 
van anderen zal kunnen erlangen. Beoefenaars im- 
mers vinden de wetenfchappen wel , maar niet altijd 
bijzondere, eenige, uitftekende beoefenaars. Deze 
alleen verdienen groote onderfcheiding. 

Gelukkig onthoudt de fcheikunde zich van deze ge- 
woonte. Doch nu dezelve zoo algemeen wordt , is 
hier waarlijk veel vrees voor te hebben. Men hui- 
vert op het denkbeeld. Stellen wij ons eens voor, 
dat men aan het antimonium den naam van bouil- 
L0N-LA-GR.ANGE gaf, ZOO ZOU de fiilphur auratimi 
moeten genoemd worden : fuMydrofulphas fulphuror 
fin protoxydi Bouillon- la^Grangn ! Waarlijk , wij 
hebben al meer dan genoeg aan den naam fub-hydro» 
fnlphas fnlphurofus protoxydi anümonii ! Het zou 
ons leed doen, als wij de verdienden' van groote 
mannen niet wenschten op prijs te ftellen, zoo ver 
ons vermogen dit toelaat ; maar hiervoor zijn andere 
wegen , en welligt geene betere , dan te trachten , 

om 



C 23 ) 

om hunne voetflappen te drukken , en dit met al ons 
vermogen te trachten. Hierdoor zullen hunne namen 
ons telkens voor den geest blijven , en niet fledits 
nu en dan eens door het hooren noemen eener plant 
worden herinnerd. Dit is veel te weinig voor groote 
mannen. 

De heer balard heeft ons onlangs nog een goed 
voorbeeld gegeven voor het door hem gevonden Bro- 
tmum , en gecnen enkelen fcbeikundigen is het , zoo ver 
wij weten, op de gedachte gekomen ^ dit .Bromium 
Balardinum te noemen* Men fchijnt althans töt 
nog toe in de fcheikunde hierop geen plan te hebben. 
Doch welke namen men ook aan de enkelvoudige 
irgchamen geven moge: er beftaat nog een hoofd- 
vereischte, waarvan men niet mag afwijken. Dit 
is, dat men eenheid hierin beóoge, dat men niet 
twee of meer namen voor dezelfde zelfllandigheid 
willekeurig bezige. Want, behalve dat dit het ge- 
heugen bezwaart, 200 blijven mingeoefenden mee- 
nigmaal onkundig van het geen zij hier of elders 
van eene, bij hen bekende zclfflandigheid vinden 
opgeteekend , indien men eenen anderen naam , dan 
dien zij kennen, voor deze zelfllandigheid ge- 
bruikt. Het geeft ook menigmaal aanleiding tot ver- 
warring, die anders te vermijden is. De woorden 
mercurius en hydrargyrtim , antimonium en jiibium 
en anderen behooren hiertoe, met nog vele anderen, 
uit welke allen men eene goede keuze moest doen, 
en de andere ongebruikt achterlaten. ' 

Dit dus in het algemeen over het geven van namen 
aan enkelvoudige., het zij bekende, het zij nog te 
ontdekken ligchamen. V/ij moeten echter, voor dat 

B 4 wij 



r 24 ) 

wij over de zamengcftelde woorden fprckcn, eers! 
nog het een en ander over deze enkelvoudige opr 
merken. 

Vooreerst heeft het gebruik gewild , dezen in het 
Latijn te noemen, althans Latijnfche uitgangen aan de- 
zelven te geven. De woorden echter zelve zijn voor 
velen van Griekfchen oorfprong. Dit geeft vooral den 
letterkundigen een onaangenaam gevoel, inzonderheid 
als zulk een Latijnsch-Grieksch woord nog bovendien 
verfranscht of verduitscht wordt. Wij Nederlanders 
zitten er intusfchen het ongelukkigfte mede. Wij 
kunnen dezelve moeijelijk eenen Nederduitfchen uit- 
gang geven, en volgen dan meestal maar de Fran- 
fchen. Het woord Oxyde, bij voorbeeld, hetwelk 
van o^vg (^fcherp) komt, moet beteekenen eene ver- 
binding van zuurftof met een metaal, of, zoo als de 
beteekenis in latere jaren is vastgefteld : eene ver- 
eeniging van zuurftof met een ander enkelvoudig lig- 
chaam, in welke geene zuurftof genoeg is, om een 
zuur te kunnen vormen. Intusfchen is noch ieder 
oxyde fcherp, noch de zuurftof, waaruit het gedeel- 
telijk wordt gevormd , fcherp , en dus is deze naam 
voor deze zelfftandigheid zeer onjuist. Beteekent 
oxyde nu eene vereeniging van zuurftof met een 
ander enkelvoudig ligchaam , hetwelk echter geene 
zure eigenfchappen heeft, bij voorbeeld, de oxyda 
azoti, zoo is er geene de minfte overeenkomst tus- 
fchen den naam en deszelfs beteekenis; want deze 
verbindingen zijn verre van fcherp te zijn (*). 

Wat 

(♦) Dat THiNARD ten onregte de oxyda die zelfflandighe- 
den noemt, die de roodgemaakte phntenkleuren weder 



C 25 ) 

Wat nu den uitgang van het woord aangaat, deze 
is in het Latijn oxydum. De Franfche fcheikundigen 
laten dit um weg en plaatfen hiervoor eene e. Geen 
van beiden is zuiver ; doeh de eerfte meer gebruilcelijli 
en overeenkomftig met de gewoonte , om Griekfche 
namen te verbuigen. Het on der Grieken wordt im- 
mers door de Latijnen meermalen in um veranderd. 
Het was dus voor ons verkieslijker het woord op um 
te laten uitgaan, te meer, daar het dan, wanneer 
het met andere woorden wordt zaraengefteld , kan ver- 
bogen worden. 

Deze oxyda dan, die uit verfchillende hoeveelhe- 
den zuurftof kunnen gevormd worden , worden door 
de woorden />ro/o , deuto, trito en per onderfchei- 
den. Dit laatfte woord, hoewel voor het laatRe 
oxydum van eenig enkelvoudig ligchaam dikwerf ge- 
bruikt, is, omdat het te onbepaald is, minder goed 
te keuren ; want vooreerst ftaat het in geene verhou» 
ding met de vorige oxyda , met het protO' en deu" 
toxydum^ bij voorbeeld; ten tweede duidt het niet 
aan, de hoeveelfte verbinding van zuurftof het is, het- 
welk het woord tritoxydumw&X aanwijst. — Dit woord 
kunnen wij dus geheel misfen en is beter niet gebruikt. 

De zelfftandigheid , waarmede de zuurflof tot een 
oxydum vereenigd is , wordt in den tweeden naamval 

ge- 

blaauw maken (Tom. I, p. 27), is uic velen, en hiertoe 
allen, die niet metaalaardig zijn , te zien. Deze fout is het 
gevolg van den oneigenlijken naam. Het is dan ook te wen- 
fchen de metaalox'^den ^ die met zuren tot zouten kunnen 
vereenigd worden , van de anderen door eenen gefchikten 
naam te onderfcheideo. 

-0 5 



geplaatst. Zoo zegt men protoxydian pliimbi (pro- 
loxiclc de plomb) ; fonitijds doet men deze zelfltandig- 
lieid ook wel in ojiim eindigen , bij voorbeeld , het 
carbonium , en men zegt oxydum carbomfum : beter 
echter oxydum carbonii , om niet den fchijn voor 
cene andere foort van verbinding te geven , ten zij 
men algemeen den uitgang op ofum gebruikt, en men 
dus fchrijft protoxydum plumbofum. 

Het woord acidum is , zoo wel wat den oorfprong 
van hetzelve aangaat , als wat de toepasfing betreft 
ver van goed te zijn. Het ontleent zijn ontdaan van 
het uitwerkfel , hetwelk fommige ligchamen op onzen 
fmaak uitoefenen. Intusfchen zijn er vele ligchamen 
die dit kenmerk, hetwelk altijd zeer gebrekkig is, ge- 
heel misfen ; waarom het dan ook voor een' niet fchei- 
kiindigen vreemd moet luiden van zuren te hooren , 
die niet zuur zijn. Vroeger noemde men een zuur 
zoodanig een ligchaam, hetwelk uit eene zekere flof, 
zuurftof genaamd , en een ander beftond. Doch deze 
beteekenis is vervallen , omdat er zuren waren , die 
geene zuurftof bevatten , hoewel men echter tegenwoor- 
dig nog dezelve door fommige hiervoor ziet houden. Hier- 
door is tevens het woord radical verloren geraakt , of 
behoorde het althans te zijn , omdat men van de zuren 
niet bepalen kan, welke ftof de zuurmakende is; want 
in eene tweeledige verbinding zijn zij dit beiden, in 
eene drieledige alle drie enz. Tegenwoordig noemt 
men een zuur zoodanig een ligchaam, hetwelk blaauwe 
planten-fappen rood maakt , en zich met zout — vat- 
bare bafes tot zouten vereenigen kan. 

Men ziet uit deze bepaling van het woord zuur ^ 
hoc vele gebreken er nog in de fqheikundigc nomencla; 

tuur 



( 27 ) 

tuur aanwezig zijn, hoe goed dezelve ook overigens 
wezen moge ; want wij hebben nog niet het woord 
bafis bepaald , en kunnen dit zelfs niet doen , zonder 
het woord zuur te bezigen. Deze gebreken zijn 
intusfchen niet weg te . nemen , ten zij men eenmaal 
hoofd-eigenfchappen , en wel wezenlijke en niet alleen 
geheel betrekkelijke eigenfcbappen aan de ligchamen ont- 
dekt , waarvan men nog geene de minde fporen vindt. 

De uitgangen der Larijnfche namen van zuren zijn 
waarlijk doelmatig, en er is dan Ook. geen zuur, het- 
welk niet door de uitgangen icwn , ofum , aticitm en 
het GriekfcbÉ! woordje hypo kan vrorden uitgedrukt. 
De Franfche namen , als hiervan aflcomftig , zijn beter 
door ons niet gebruikt, daar wij met hetzelfde gemak 
het oorfpronkelijke woord kunnen bezigen. 

De namen der zuren nu , worden eenvoudig geno-». 
men van de ligchamen , uit welke zij beftaan , bij 
voorbeeld acidum hydro-ftilphuricum , uit hydroge- 
tiium en fulphur. Intusfchen is er van het oude 
denkbeeld, dat de zuurftof het zuurmakend beginfet 
was, nog veel in de nomenclatuur overgebleven, 
waartoe thans geene de minfte reden is. Alle zuren , 
namelijk , die uit zuurftof en een ander ligchaam be- 
ftaan, worden eenvoudig acidum genaamd, met bij- 
voeging van het woord, (uitgaande op eene der bo- 
ven opgegevene uitgangen) , hetwelk het andere lig- 
chaam moet aanduiden , bij voorbeeld , acidum car" 
bonicum, phosphoricum enz. De zuren, waarin hy-. 
drogenium aanwezig is, noemt men hydracida, en 
dit in tegenoverftelling van de zoo evengenoemde , 
die zuurftof bevatten , en enkel acida genoemd wor- 
den. Zoo lang men nog niet aan bet denkbeeld ge^ 

woon 



C 28 ), 

woon was, dat er in een zuur ook hydrogenium kon 
2tjn, was dit nuttig, maar nu is dit overbodig, ja 
zelfs ondoelmatig. Want heeft men ook zulk oenen 
naam, voor zuren, waarin ook koolfliof en Ilikflof 
is ? De onderfcheiding der hydracida is dus van gecne 
waarde. 

Deze zuren, waarin ook hydrogenium is, worden 
vooreerst acida genoemd, en met bijvoeging van het 
woord hydra wordt hier tevens de andere zelfftandig- 
heid opgenoemd. Zoo zegt men acidum hydrochlo^ 
ricum^ hydriödicum enz. Deze bijvoeging is, om 
verwarring voor te komen , noodig ; maar indien men 
goed wilde onderfcheiden , moesten de zuurftof be- 
vattende zuren ook een woord tot bijvoeging heb- 
ben , bij voorbeeld , omdat wij hiervoor nog geen 
ander hebben, oxy ; zoodat men het acidum fulphu- 
ricum , acidum axy-fulphuricum zou kunnen noemen , 
wilde men eenheid hierin beoogen. De zuurftof , wij 
herhalen het, heeft geene eene reden om uitgezon- 
derd te worden. 

Deze woorden worden ook bij vele andere zuren 
gevoegd, bij voorbeeld phthoro - ftlicicum enz. In- 
tusfchen is er nog eene groote gaping in deze bena- 
ming van zuren. De meeste zuren uit het bewerk- 
tuigde rijk behooren hiertoe. De namen van dezen 
zijn meestal willekeurig, welke ook wel eens tot het 
belagchelijke overflaan , zoo als : ellagicum , van gaU 
Ucum omgekeerd : chyacicum , van de eerfte letters der 
woorden , waaruit het is zamengefteld \ c ^ hy tïi a ^ 
carhonium , hydrogenium en, azotU7n , enz. Het is wel 
waar , het is moeijelijk , om voor deze groote menigte 
geheel doelmatige namen te vinden j maar men had ze 

ten 



<: 29 o 

ten minde doelmatiger kunnen noemen , dan tlians 
gefcliiedt : bij voorbeeld a. tartaricum van den tar' 
tarus der ouden enz. Vooral ware het te wenfchen, 
in deze namen ook iets van de zamenflielling te kun- 
nen vinden, waarvoor men eenige teekens zou kun- 
nen gebruiken , die altijd het woord moesten verge- 
zellen : teekens , waarvoor de aanleiding in die der ato- 
mistifche leer zou kunnen gevonden worden, en die 
ook in fcheikundige redenering het geheele woord 
konden vervangen. 

Deze teekens komen , wel is waar, min of meer in 
gebruik ; doch zijn te weinig , en onder ons hoogst 
zeldzaam gebezigd. Intusfchen verdienen zij , om hunne 
eenvoudigheid, algemeen gebruikt te worden. Door 
hen ziet men in ée'n oogopflag, hetgeen men anders 
eenige regels ziet beflaan. Zij worden ook zoo ge- 
makkelijk aangeleerd, als men wenfchenkan, en ver- 
dienen geenen afkeer, omdat zij iets van eeue alge- 
braïfche uitdrukking hebben. 

Uit deze oxyda en acida worden nu andere lig- 
chamen gevormd, die zouten, /alia of faks genoemd 
worden. Deze zouten worden zeer regelmatig ge- 
noemd, en dit is voorzeker het beste gedeelte der 
nomenclatuur. De zuren op kum of aticum geven 
voor het zout as; die op ofum , is ; terwijl het woord 
hypo , indien dit het zuur moet helpen uitdrukken , 
er tevens wordt bijgevoegd. Het oxydum , of in het 
algemeen, de zoutvatbare bafis wordt in den tweeden 
naamval geplaatst, en is het een oxydum, ht^ metaal 
hier tevens bij. Zoo heeft men fulphas -protoxydi 
ferri. Velen laten de naam van het oxydum menig- 
maal weg; doch men moest dit nimmer doen, ten zij 

het 



( 30 ) 

liet metaal fleclus ddii oxydim had. Ölt is hüait\v- 
kcuiigcr. Men fchrijft ookwel prolo-fulpAas, detito- 
fiilphas enz. , om den naam van het oxydtim aan te 
geven; doch dit is, om de onnaauwkeiirigheid in deze 
benaming, te verwerpen. Men Itan op deze wijze de 
zamenfiielling van alle zouten uitdrukken. Wanneer 
er meer dan eene bafis aanwezig is , geeft men deze 
aan. In dit geval moest men die bafis ^ die in de 
grootfte hoeveelheid aanwezig Was, altijd het eerst 
plaatfen. 

Om de hoeveelheid zuur, in een zout bevat, aan te 
duiden, heeft meii vele namen gebruikt; De ondoel- 
matigfi:e zijn voorzeker deze : fiib , neüter en fuper ^ als 
(leunende alleen op vergelijking met elkander, zon- 
der iets wezenlijks en iets bepaalds aan te geven. 
Beter gebruikt men thans de woorden bi ^ tri enz* 
bij voorbeeld bi-fulphas ^ die tevens de hoeveelheid 
van het zuur leeren kennen , hetwelk in het zout is 
bevat. De hoeveelheid der ligchamen te kennen , dit 
is immers voor den fcheikundigen een hoofddoel. 
Somtijds gebruikt men tegenwoordig het woord zout 
ook wel voor verbindingen vati oxydd met enkel- 
voudige ligchamen , bij voorbeeld, met het chlorium; 
doch daar deze benaming ondoelmatig is, is zij niet 
navolgensvvaardig. Men heeft voor deze verbindin- 
gen wel geen ander algemeen woord, maar dit ver- 
andert de zaak immers niet. 

Voor het Franfche woord alliage , zijnde eene ver- 
binding van metalen onderling , is geen andere naam ; 
het was te wenfchen , dat men hiervoor een goed 
woord konde vinden. Indien er kwik mede vereenigd 
is , noemt men het amalgama, In het algemeen ech- 
ter 



( 31 01 

ter worden de woorden, die de enkelvoudige ligclia- 
men uitdrukken, ook gebruikt, om hunne zamenflel- 
lingen aan te geven. Het eerde woord doet men in 
etum eindigen. Zoo, bij voorbeeld, zegt men ftil' 
phuretum , phosphuretiim , en het laatfte in den twee- 
den naamval , bij voorbeeld plumhi , ferrl enz. Ook 
voor niet metaalaardige enkelvoudige ligchamen bezigt 
men deze namen : Zoo zegt men carburettim ftilphu' 
ris, enz. Men heeft ook wel de gewoonte dezen 
naam om te keeren en te ztggex\fulphuretumcarbomi» 
Dit is echter niet navolgenswaardig , daar men hier- 
door geheel en al de eenheid mist, zoo noodzakelijk 
ten duidelijken verftande der zaak. Men moest voor 
eene gewoonte houden, om dat ligchaam, welks 
grootfte hoeveelheid tot eene vereeniging aanleiding 
gaf, het laatst te noemen ; hierom moet men ook 
zeggen carburetiim fulpharis , en niet omgekeerd. 
Wanneer verbindingen van enkelvoudige ligchamen 
gasvormig zijn, wordt het gas genoemd, hetwelk in 
hetzelve is bevat , en het andere enkelvoudig lig- 
chaam hierachter met den uitgang atum, bij voor- 
beeld hydrogenium carbonatum, hydr. arfeniatum» 
In deze benaming moet men altijd het enkelvoudige 
gas eerst plaatfen , om dat dit het meest tot den gas- 
vormigen ftaat van het zamengeftelde ligchaam zal bij- 
gedragen hebben , en het andere enkelvoudige ligchaam 
zich bij dit heeft gevoegd, om een nieuw gas daar 
te ftellen. Men geeft ook wel eens aan zuren, uit 
hydrogenium gemaakt, deze foort van namen, bij 
voorbeeld : hydrogenium fulphiiratum enz. ; doch dit 
is minder doelmatig , omdat wij hiervoor eenen beteren 
naam bezitten in het acidum hydro-fulphuricum. 

Er 



( 32 ) 

Ër blijft ons nog overig om van de terminologie 
in onze taal te fprcken. In de cerfte plaats ontftaat 
hier de vraag , of het wel goed zij , dat er zoo vele 
fchcilamdige termen voor iedere zelfftandigheid zijn , 
als er talen bellaan. Moet deze vraag ontkennend 
beantwoord worden, zoo fpreekt het van zelve , 
dat onze taal geene uitzondering op den algemeenen 
regel kunnende maken, ook onze terminologie zal 
moeten vervallen. 

Inderdaad , wanneer wij nagaan , met hoe veel moeite 
en hoe gebrekkig de echte termen voor de onder- 
fcheidene zelfftandigheden worden gevonden , en wij 
het geringe aantal woorden bedenken, hetwelk iedere 
taal voor nieuwe ontdekkingen ten diende ftaat, zoo 
zal men eenparig moeten toeftemmen , dat men uit 
de meest gefehikte taal, tot dit einde ^ de termen 
moet zoeken af te leiden , en deze algemeen in alle 
andere talen moet overbrengen, om duidelijk en ver- 
ftaanbaar te fpreken. Geene taal leent zich hier be- 
ter toe , dan de Griekfchej en is ook in andere op- 
zigten hiertoe meer gefchikt , en men heeft daarom 
wijsfelijk de meeste woorden , die in de fcheikünde 
worden gebezigd, uit deze taal afgeleid. Bovendien j 
de fclieikunde is eerst in de laatfte jaren eene weten- 
icliap beginnen uit te maken, en iedere taal is dus 
voor fcheikundige termen arm. Worden nu de woor- 
den uit eene niet dagelijks gebruikte taal ontleend^ 
zoo hecht men aan de termen (die, al zijn zij van 
Grickfchen oorfprong, daarom toch nog zoo onver- 
beterlijk niet zijn, ) zelden verkeerde begrippen. Zijn 
intusfchen de woorden uit de algemeen gebezigde 
taal genomen, en minder gelukkig gekozen, zoo 

Helt 



'( -33 ■) 

Helt men zich de zaak ook minder juist voorj ja 
zelfs, al zijn de termen juist ontleend, <lat is , voor 
•ligcliamen van hoofdkenmerken de-rzelve, zoo moet 
-men nog niet onophoudelijk aan é^ze 'hoofdeigcn- 
fchap herinnerd worden, omdat hefligchaam ook an- 
dere en zeer merkwaardige eigenfchappen lieeft. Ge- 
•bruikt men nu eenen term uit e^ne andere taal , zoo 
zal men dezen term meestal -als term aanzien , en 
zelden aan de beteekenis blijven hechten, die, hoe 
goed ook, al de kenmerken van het ligchaam nooit 
kan uitdrukken. 

-Hierbij komt nog, dat 'ieder Scheikundige tegen- 
woordig , nu men niet meer algemeen de 'Latijn lelie 
taal, onder de geleerden bezigt, verpligt is, om alle 
termen, in alle talen gebruikelijk, naauwkeurig te 
-kennen, terwijl hij anders in zijne vorderingen zeer 
ten achteren zou geraken. Welke vorderingen ma- 
-ken t-egenwoordig niet de Fraiifchen, de'Engelfchen, 
de Duitfchers, de Zweden, de Italianen in de fc hei- 
kunde? En hoezeer wordt, het geheugen bezwaard, 
'indien iedereen in zijne taal , andere termen gebruikt? 
Dit geldt vooral voor die ongelukkige gewoonte, 
om met één woord nog niet te -vreden te zijn, maar 
er twee en meerdere voor dezelfde zelfflandigheid in 
dezelfde taal te maken , hoedanige wij er voor fchei. 
kundige ligchamen in onze taal velen hebben. 

•Wij zeggen dus niet te veel , dat "het -wenfchelijk 
ware, voor ieder fcheikundig ligchaam over de ge- 
heelÊ aarde niet meer dan eenen term te hebben. Hier- 
door zouden wij allen elkander verüaan, .zonder 
eenige moeite hiertoe te 'belioeven- aan te .wenden ; 
hierdoor zouden mingeoefenden in vreerade. talen , ge- 
EijDiiAGEN D. III. ST. I. C mak- 



( 34 ) 

makkelijker Scheikundige boeken kunnen le;!:en , zoi. 
als wij, vele apothekers, met de Latijnfche phar- 
macopaea zien omgaan ; hierdoor zal de taal wel voor 
niet-fcheikundigen vreemd en onverftaanbaar zijn, 
doch dit is zij toch , al gebruiken wij de termen on- 
zer landtalen. Niemand moest hierin cene uitzonde- 
dering maken, en zelfs geenen anderen uitgang aan 
een eenig woord geven , dan die , waaromtrent men 
algemeen was overeengekomen. De Franfchen moes- 
ten het um niet in c, het ictim niet in ique, het 
osum niet in eux veranderen; want dit zelfs is zeer 
ondoelmatig, omdat het in andere talen niet geheel is 
na te volgen. En waarom toch zal men hetzelfde 
ligchaam, als men hetzelve wetenfchappelijk behan- 
delt, in ieder land anders noemen? Is hier waarlijk 
eene reden voor, waarom dan niet de planeten-namen 
voor iedere taal insgelijks veranderd enz.? Doch 
niemand zal dit willen beweren, waarom wij ook 
verpligt zijn , zooveel wij kunnen, deze minder goede 
gewoonte af te fchaffen , en zoo veel mogelijk , de 
ware termen voor fcheikundige ligchamen , waarvan 
het getal zoo verbazend groot is , te bezigen. Van 
onze zijde hopen wij dan ook langzamerhand Latijn- 
fche termen in deze Bijdragen , voor Nederduitfche te 
bezigen. 

Wanneer wij de bij óns gebruikelijke termen voor 
fcheikundige zelfftandigheden ook eens nagingen , zou- 
den wij er al zeer weinigen vinden , die maar eenig- 
zins in den geest van den eigenlijken term waren over- 
gebragt. Dit zelfde geldt ook voor de zamengeftelde 
woorden. Voor vele ligchamen hebben wij echter 
nog geenc woorden, en onze nomenclatuur is éns, 

• ■ en- 



( 35 )i 

'onna^uwkeurig en onvolledig. Dit is eensklaps te ver- 
helpen , door de echte termen te gebruiken , welke door 
bekwame Scheikundigen aan de ligchamen medegedeeld 
zijn, en door de verbuiging der woorden , voorzamen- 
geftelde ligchamen aan te nemen , door guyton - mor?. 
VEAü en andere franfche geleerden zoo meesterlijk 
daargeïlreld. Wij zijn ook hiertoe verpligt, omdat 
de fcheikunde van onze landslieden niet dat groote 
voordeel geniet, hetwelk zij van andere natiën onop- 
houdelijk ontvangt: wij moeten .daarom aan anderen 
ook ondergefchikt zijn. (*)-'r> -;•.. 



— **i 



OVER DE ONTDEKKING VAN EENIGE VERVAL* 
SCHINGEN VAN DE SULPHAS QUININAE. 



Door p. w. KORTHALS^ te Groningen. 



D 



'e hooggeleerde heer cl. mulder gaf, eenigen tijd 
geleden , (in de natuur- ea fcheikundige bibliotheek ,) 
eenige vervalfchingen op van de fulphas quininae , 
en wel die met gt/ps , magnefia., boraxzuur , fui- 
ker en ftearine; later leerden wij nog die, met 
cetine en mannitc kennen. 

Daar ik meende, dat het niet onnuttig zoude zijn, 
iets bij te dragen ter ontdekking dezer ftoffen, zoo 

waag 

(*) Over eenige wijzigingen in de thans in de Scheikunde 
gebruikte termen te maken, zie men berzelius, Ann. de 
Chim. et Phjs. Tom. 32. p. 60. GÜibourt, /^/^. Tom. 33. 
p. 75, hetwelk, als thans met ons doel niet overeenko- 
mende, hier maar alleen wordt anngehaald. 

C 2 



C 3Ö ) 

waag ik het , hier een middel op te geven ter fpoc- 
dige onderkenning dcrzelve. Onder de middek-n, 
welke de oplosbaarheid der zwavelzure quinine be- 
vorderen, behooren voorzeker het zout' en zwavel* 
zuur , en om deze reden onderzocht ik dan , in hoe- 
verre het laatfte de onderkenning der bijgemengde 
ftoffen begunftigde. 

Ik onderzoclit eerst zwavelzure quinine , dewelke 
met mannite, ongeveer ^ gedeelte, vervalscht was; 
ten dien einde nam ik een weinig alcohol, en ver- 
mengde denzelven met eenige droppelen zwavelzuur , 
te voren": met eene gelijke, hpg^veelheid water ver- 
dund, en merkte op, dat van dit zure vocht, een 
weinig op zuiver. 20^^^ gegoten, dit geheel oploste, 
maar dat bij liet vürvalschte. er. kleine naaldjes in het 
vocht bleven zwe;^ren, die zich door bijvoeging van 
water, geheel oplosten. Waarom ik hier alcohol ge- 
brtiik, is, om, de gropte oplosbaarheid der mannite 
in water. Op gelijke wij^e en ook met goed gevolg, 
behandelde ik met fuiker vèrvalschte zwavelzure 
quinine» 

Ter ontdekking van cetlne ep horaxzuur behan- 
delde ik de vermeend verv^lschte zoeten, met een 
vocht , uit één deel zwiaveJzuur en tiei^ deelen water 
beftaande, en het zuivere zout loste in dit mengl'el 
geheel op , terwijl de gebezigde vervalfchingsmiddelen 
in het vocht bleven zweven. 



OVF.R. 



C 37 ) 



OvJiTl EENE NIEUWE WIJZE VAN VORMING VAN 
DE ZWAVEL-KOOLSTOF. 

Door A. H. VAN DER BOON MESCH , te Leyden, 



l \.' i l-.*J,J 



loen ik mij onlangs fchdkundig zuiver kwik, tot 
bereiding van eenige kwikverbindingen wilde aah- 
fcliafFen, volgde ik tot dit einde het aanprijzenswaar- 
dig vöorfchrift van pfafp;, en gloeide 2 deelen , door 
kunst bereid en gekristallifeerd 2wavel-kwik en 1 deel 
ijzervijlfel in eenen retort, aan welken eene verleng- 
buis luclitdigt was aangeveegd, van welke het ander 
einde bijna eenen halven duim onder gedestilleerd wa- 
ter in eenen cilinder ftond , om het kwik , vóór het 
op het glas viel, af te. koelen! Bij deze bereiding, 
(welke om volkomen 2uiver kwik te verkrijgen, eene 
der beste is, en verre de voorkeur verdient boven 
de overhaling van het in den handel voorkomend 
kwik, met i of i ijzervijlfel vermengd, daar door het 
fpatten van het kokend kwik, droppels van het on- 
zuiver kwik in de voorlaag vallen , en de mengfels 
van kwik en bismuth en zink gedeeltelijk mei: het 
overige kwik overgaan), duurde de ontwikkeling vali 
luchtbellen voort, ook nadat de kwikdampen den re- 
tort hadden gevuld; en het kwik begon over te gaan. 
Weldra verkreeg het water eenen ongewonen en on- 
aangenamen reuk; het kwik liep traag door de ver- 
lengbuis , liet daarin eene vetachtfge ftreep na , bleef 
in den beginne op den bodem van den cilinder ver- 
fpreid liggen , uliste zijneh helderen zilveiglans , ch 

^ 3 was 



( 38 ) 

was bedekt en als omkleed met een vocht , dat aan 
het water eencn ondragelijken flank mededeelde. Dit 
vocht bleef het kwik tot bijna op het einde der be- 
werking vergezellen; eindelijk kwam het laatfte ge- 
deelte kwik zuiver over. 

De ondragelijke ftank , die dit vocht aan liet water 
mededeelde, zonder daarom in hetzelve te worden 
opgelost, en de gedachte- aan de beftanddeelen van 
het mengfel in den retort,, en dat het ijzer niet zel- 
den eene aanmerkelijke hoeveelheid koolftof bevat , deed 
mij weldra vermoeden , dat door deze bewerking de 
vloeibare zwavel-koolftof was voortgebragt. Om mij 
hiervan te overtuigen , nam ik het water , dat boven 
het kwik ftond , met eenen hevel voorzigtig weg , 
fchonk het kwik, dat met het flinkend vocht en nog 
met een weinig water vermengd was, in een retortje 
van bijna 3 oneen inhoud, lag het ontvangertje aan, 
en plaatfte het retortje in het koperen bakje, in 
plaats van met zand, nu met water gevuld, boven 
de wijngeest-lamp van fuchs, terwijl het ontvan- 
gertje in fneeuw lag. Door de vlam te temperen, 
ging bij eene zachte warmte de vloeiftof over , en 
de glans Van het kwik nam meer en meer toe. Het 
vocht in het ontvangertje was kleurloos en helder; 
had eenen ondragelijken ftank en eenen fcberpen 
fmaak. Een droppel van hetzelve in alcohol en 
aether op horologie-glaasjes gevallen, maakte dezelve 
niet troebel. In water liet het zich niet oplosfen, 
doch hetzelve nam den ftank aan. Een ftulcje kam- 
fer werd daarin opgelost; een weinig iödium werd 
door hetzelve opgenomen en het vocht verkreeg plot- 
feling eene heldere, roode kleur. Het overige vocht 

aau- 



C 39 ) 

aangeftoken zijnde , verbrandde fnel met eene blaauwe 
vlam , had hierbij eenen fcherpen reuk , en deed het 
horologie-glaasje fpringen, — Uit deze eigenrchap- 
pen, waarbij ik mij om de geringe hoeveelheid van 
het vocht bepalen moest, blijkt het, dat de verkre- 
gene vloeiftof , vloeibare zwavel-koplftof was ; en ten 
einde mij te overtuigen , of deze onverwachte vorming 
van de zwavel-koolftof , bg de genoemde bewerking 
eene loutere toevalligheid was , dan of hetzelfde 
vreemde verfchijnfel nogmaals kon worden voortge- 
bragt, gloeide ik op nieuw, met behulpvan denzelf- 
den toeftel , een mengfel , even als het vorige , van 
zwavel-Icwik en van hetzelfde ijzervijlfel , waarvan 
een gedeelte tot de eerfte gloeijing gebezigd was, en 
verkreeg dezelfde uitkomftenj met ^ dezelfde verfchijn- 
felen gepaard. ... .., 

Ik begreep , dat ik mij nu van de zamenftelling van 
het ijzer, waarvan tot deze proeven gebruikt was, 
verzekeren moest ; en niet alleen bevond ik , dat het 
waterftofgas, hetwelk ontwikkeld werd door een ge- 
deelte van dit ijzer met yerd,und zwavelzuur te over- 
gieten , met kool-waterftofgas vermengd was , maar 
ook, dat het ontwikkeld gas, door het door alcohol 
te leiden, gedeeltelijk zijnen flank verloor, dat deze 
alcohol door toevoeging van water melkachtig werd, 
dat alzoo het waterftofgas met die bijzondere vlugtige 
olie, die zich reeds door zijnen reuk verried, ver- 
mengd was , en dat dus het gebruikte ijzer koolftof 
bevatte. Om nu de hoeveelheid van koolftof in dit 
ijzer te bepalen , ontleedde ik hetzelve op de bekende 
wijze van onderzoek der ijzer- en ftaalfoorten , name- 
lijk met behulp van gefmolten zoutzuur zilver, en 

C 4 zoo 



( 40 ) 

zoo bevond ik ,• dat dit ijzer bijna 5 p. c. Uoolftof 
bevatte. ' - , . 

Wisten wij' derhalve, dat de zwavel cri de kool- 
ftof,' wanneer zij bij eenen lioogen warmtegraad met 
elkander iil aan'raking zijn ,' zich met elkander in ver- 
rchillende evenredigheden vereenigen, en dat deze 
verbinding kan worden voortgebragt door zwavel en 
köolpbeder in' eene porfeleinen buis te' gloeijen , door 
zwaveldariipen over gloeijendé kolen , te doen flroo- 
men,' dbor natuurlijk zwavel- ijzer of zwavel-antimo- 
nium^ met kolen te gloeijen , en door virhiiting van 
fuiker, was,' hars óf andere bewerktuigde iloffen met 
zvvaVel ; nu léèren wij uit deze proeven , dat de zwa- 
vel" eii koöllliof zich ook in ftatu nascerai te zamen 
verbinden ; want terwijl de zwavel van het zwavel- 
kvvik zich met het ijzer verbindt, en het kwik her- 
fteld w^ofdt,' vereënigt zich, de hierdoor vrij gewor- 
dene zwavel' tot zwavel-koolftof. 

Kunhen wij eindelijk de zwavel-koolflof door kunst 
ook als een vaSt ligch'aam verkrijgen, er, is nu eene 
delfftof bekend ,' waarin de natuur beide deze bedaiid- 
deelen vereeiiigd heeft , namelijk de foufre carhuri 
van Radobdy^ in Kroatië, welke ik, oordeelende 
uit een exemplaar , hetwelk mij onlangs' geworden is , 
onderfcheidèn reken van dt leberbraune Schwefel , èoot 
JOHN onderzocht : doch ik hoop in het vervolg nader" 
op deze delfftof terug- té komen. 



Iets 



I 



( 41 ) 



Iets aangaande de afscheiding Van het iödiubi 
en de bereiding der hydriodas-potassae. 

Door p. w. KORTHALS, tüQfofiifigen. 

enigzins in het gevoelen van d.umas deelende, 
dat, namelyk, het bromium mtchlortumtniodimnhz- 
ftond, zoo wilde ik beproeven, na eenige .verge^f- 
fche pogingen gedaan té hebben ter verkrijging des 
brömiums uit zeewater^ hetzelve té verkrijgen uit 
loog , welke lödlïim bevatte. Ik nam van deze eene 
onbej!)aalde hoeveelheid,' èn behandelde dezelve met 
chlorkm. Térftond verfcheeri er eéhe bruine kleur ,^ 
welke échter', wannéér het vocht eeriigen tijd fiond, 
weder verdween. Dit opgemerkt hebbende, behaa- 
deldé ik het vocht térftond met aeth'cr , dewelke da- 
delijk ddór eene ichudding, bruin gekleurd vverd; 
terwijl het vocht gelieel kleurloos zijnde, geen fpoor 
Va'n i'ódium meer bevatte, of liever, ik kondoor 
reagentia hetzelve ér niet meer in' ontdeldcen." — Eïe 
aethèrrfche oplosfingen nu onderzoekende j zoo be- 
vond ik ,' dat het vvél iodium , tnaar geenszins bro- 
mium bevatte ; gevende de oplosfihg met ftijffd , dé 
tot herkenning van hitiödium opgegevene blaauvve kleur.' 
Deze Óplósfing niet verdunde potas'sa liqiiida be- 
handeld, én vervolgens hét loogzout met opgelost 
mjnpeénzuur verzadigd," levérde een eenigzins geel- 
achtig hjdriödas j}öiasfde. Echter door bijvoeging 
van té veel zuur werd héf zout geheel ontleed , ter- 
wijl de póiascfi met het vtijnjlcenzüur als fupe'rtar- 
ïras pntasfdc p'recipiiéerde , èn het zuur in de op- 

lubfing bleef. 

C 5 MiD- 



( 41 ) 



MIDDEL, TER ONTDEKKING VAN DE MANNITE IN 
DE ZWAVELZURE QUININE , 

Medegedeeld door D. blankenbyl , Stads- Apothc' 
ker en lid der provinciale geneeskundige Cóm- 
misfie van Zuid-Holland y ^c Dordrecht. 

iVXen hoort van tijd tot tijd, dat de zwavelzure 
quininc ^Sulphas chininae s. quininae') vervalscht 
voorkomt met de fuilcerftof uit het manna {marinite):, 
eene ftof die, hoezeer een' flaauw zoeten fmaak 
hebbende, en in water gemaklielijk oplosbaar zijn- 
de, in uiterlijken vorm veel overeenkomst heeft met 
het quininezout; en offchoon geene fchadelijke eigen- 
fchappen bezittende, echter door derzelver vermen- 
ging met de zwavelzure quinine, het genezend ver- 
mogen van dit belangrijk geneesmiddel, merkelijk 
vermindert, en even daardoor het vertrouwen, dat 
de geneesheer in hetzelve Helt, wankelen doet. 

Hoezeer wij door den heer uilkens, apotheker 
te Groningen , reeds met een middel zijn bekend ge- 
worden , ter ontdekking dezer vervalfching , gegrond 
op de oplosbaarheid der mannite in water, is het mij 
echter voorgekomen , dat de kennis van een reage- 
rend middel in deze, toch eene wenfchelijke zaak 
zoude zijn. Ter opfporing van zoodanig middel, heb 
ik dan ook verfcheidene proeven in het werk ge- 
field , en ik meen in het zuiver geconcentreerd zwa- 
velzuur zoodanig middel gevonden te hebben. 

De zuivere zwavelzure quifiine\ost zich in zuiver 
kleurloos zamcngedr ongen zwavelzuur op , tot eene 

door- 



C 43 ) 

doorfchijnend helder lichtgele oplos fing ; de mannite 
doet dit ook, maar de oplosfing h minder helder en 
geelachtig bruin. Wanneer men deze oplosfingen 
matig verhit , bij voorbeeld , tot 50" c. , dan' zal de op- 
losfing van zwavelzure quinine eene roodbruine kleur 
aannemen ; die der mannite daarentegen zal zich geheel 
endoor f chijnend zwart gekleurd voordoen j wordt de 
Jiitte tot het kookpunt van water. (ioo° c.) verhoogd , 
^00 heeft er als het ware e^ne fterke verkoling 
van de mannite oplosfing plaats; de oplosfing van dje 
zwavelzure quinine daarentegen wordt, flechts hoogcr 
roodbruin gekleurd. Zoodra nu deze oplosfingen 
met "water worden verdund, dan zal die der zwavel- 
zure quinine weder eene doorfchijnend heldere oploS" 
[ing daarfliellen, met een weinig bezinkfel, wanneer 
de hitte tot 100° c is verhoogd; zonder hezinkfcl ^ 
wanneer de hitte van 50° c gebezigd was ; • daarente* 
gen die der mannite zal zwarte koolachtige vlokken 
uitftooten, in welke warmtemaat dezelve dan- ook 
geweest is (van 50° c of 100» c). 

Deze verfchijnfelen en uitkomflen gaven mij aan- 
leiding om te vooronderfiellen , dat langs dien weg do 
vervalfching zoude kunnen ontdekt worden. 

Om dit te beproeven , heb ik de zwavelzure quini- 
ne met onderfcheidene hoeveelheden mannite ver- 
mengd , en wel met ^^^ , § , | , f , 1 hoeveelheid ; 
deze verfchillende mengfels in zuiver zamengedrongen 
•zwavelzuur opgelost bij de gewone warmtemaat, en daar- 
na aan de bovengenoemde warmtegraden blootgefteld. 
De verfchijnfelen en uitbomfiien hebben mij bewezen , 
dat de mannite zich , in al die vermengde zwavel- 
zure quinine , -kenmerkte door bovengenoemde kleur 

en 



'( 44 ■) 

en praccipitatie , namelijk door in ccne zivarte ondoor- 
fchijnc7iHc ■)^loci/Iof over te gaah door • verwarming , 
die naat' de mindere of meerdere aanwezigheid van 
inüiinitev ook minder of meerder eene z'warte koal- 
achtige flof vallen liet ; terwijl de zuivere zwavelzure 
quinine bij dien graad van warmte , benoodigd om de 
iliannite door het zwavelzuur, als het ware, te ver- 
kolen, alleen maar eene roodbruint kleur aanneemt, 
door het zwavelzuur, zonder uitftooting van bezink- 
fel^ wanh'eer er water wordt bijgevoegd. 

Het zal dus tiiet moeijelijk zijn zich te overtuigen 
van 'de zuiverheid der zwavelzure quinine , althans te 
beproeven, of er in dezelve al dan geen mannite 
aanwezig is'. Tot dit einde behoeft men flechts 
eenige greinen van het vendachte kinazout, in een 
theekopje te doen, ener eenige druppels zuiver kleur- 
loos zamengedrongen zwavelzuur op te druppelen, 
tot dat men, door omroering met een glazen pijpje, 
feene o|)losfing verkregen heeft, die men vervolgens 
tot den opgegeven graad vari 50° c verhit , door plaat- 
fingi bij voorbeeld i vati het kopje op eene warme 
overdekte ftoof; zullende dan weldra de ondoor- 
fchijnende. z'wanheid van de oplosfing en de bezin» 
king eener koolachtige jlof'^ zoodra er water bijge- 
voegd Wordt, de 'aanwezigheid van mannite aanwij- 
zen; aangezien deze beide verfchijnfelen zich niet 
zullen vertoonen bij de zuivere zwavelzure quinine. (*) 

De 
(*) Ware de zwavelzure quinine met gewone fnikcr ver- 
valscht , zoo zoude bovengenoemde en opgcgcveue ontdek, 
kingswijze ook kunnen worden aangewend ^ de verkooling 
door zwavelzuur' der vervalsclue quinine heefc alsdan nog 
fterker plaats. 



C 45 ) 

De reactien van andere zuren en van alkaliën eaz, , 
op de zwavelzure quaiine en mannite. bevverklklligd , 
hebben mij geene voldoende onderfcheidskenmerkcn 
opgeleverd , evenmin als de pyro-chemifcbe ontleding 
in deze van dienst lionde zijn, omdat de. quinme zelve 
zoo wel als de mannite zamengeftelde educten der 
bewerktuigde natuur zijn. 

< — •-oj^-^ 

OJS^Tt-EDlNG; VAN HET' WATER VAI«^ DE?^ q^LDER-, 
SQI^ij! gSSEL, 

3oor' G-, J. MULDER. 

JjL'dert eenigen tijd beb, ik rp^ pu ^n dan onledig; 
gehouden met menige waterfoqrten , (iie ^n pns ^and 
gevonden worden , n^ ;e gaan , en hiervan de beftand- 
declen te leeren kennen. Dit is my eenigzins eenejieb- 
beUjkheid geworden, en iederpen, die vvetenfchappen 
beoefent , weet dan ook , hoe men , als men eens 
aan eenig gedeelte van het groote geheel begint te 
arbeiden , onophoudelijk naar meer yerlangt. Niet ^at 
ik mijii heil zou wi^ler^ zoeken i;^ |iet Icerer; ken- 
nen van de beftanddeelep y^x\ oogcnfchijnlijk niet§ 
beduidende yi^aterfoorten ; of dat ik dadelijlj het put 
van die onderzoekingen zpu kunnen aangeve^. Maar 
ik heb deze mijpe opderzqekingen gegeven, zoo al^ 
i\ z.e vond. Indien dadehjk nut on§ ook flechts in 
ons doen alleen be?ield^, zou er toch weipig van 
de meeste van onze bedrijyep komen. Er is ook 
toekomftig nut mogelijk , en als zoodanig gaf ik dan 
ook dezelve. Het kan, bij voorbeeld, voor fabrijkcn 
van aanbelang worden,, indien men zich de moeite 
wil geven, om , hetgeen men verwerkt of tot de 
verwerldng noodig heeft, te Icercn kennen. Zoo is 

mij 



C 4Ö ) 

mij van loodwitmak-crs uit andere fleden , dan waürin 
ik tlians woon, dikwijls gevraagd, waarom men toch 
nergens zulk goed loodwit konde maken , als te Rot» 
tcrdam enz. ? Vragen , die toch , door toepasfing van 
algemeene natuurkundige wetenfchap op toegepaste , 
alleen kunnen opgehelderd Worden. 

Uit dit oogpunt geef ik dan hier de beftanddcclen 
op van het water van den Gelder fchen IJsfel, die ik 
voor een paar jaren (in den zomer 1825) in hetzelve 
gevonden heb. Het ware te wenfchen , dat men eens 
eene juiste opgave van alle onze wateren had, en 
van de beftanddeelen in dezelve gevonden ; zoodat 
het hierdoor van voren kon bekend worden, welke 
foort van fabrijken hier, welke daar met het beste 
gevolg aangelegd en met voordeel in werking gebragt 
konden worden. Dit onderzoek zou ook voor de 
geneeskunde van veel belang zijn , en zoo wel een 
diaetetisch als therapeutisch nut hebben. Als men 
over verfchillende waterfoorten hoort fpreken en deze 
of gene ziet aanbevelen , ontwaart men niet zelden , dat 
dit eene groote behoefte is geworden : eene behoefte, 
die des' te grooter is , naarmate het water boven vele 
andere zaken meer algemeen en noodzaaklijk is. — 

Het water van den Gelder fchen IJsfel, nabij het 
dorp Rheede gefchept, en mij door den heer van 
HALL bezorgd , die in behulpvaardigheid , in alles , wat 
wetenfchappen betreft, voorzeker door weinigen over- 
troffen zal worden, bevatte dan in 1000 gr. 

gr. 

Sub-carbonas calcis 0,130, 
Hydrochloras fodae 0,011, 
Sub-carbonas fodae 0,013. — 

DERDE 



C 47 ) 

DERDE NALEZING OP DE FLORA EELGII SRPTEN* 
TRIONALIS ; 

door H. C. VAN HALL. 

jDiihalve de perfonen, welke onze lezers reeds als 
beoefenaars der plantkunde in ons Vaderland uit ver- 
fchillende ontdekkingen voor onze Flora hebben ke- 
ren kennen, verheug ik mij hierbij ook den naam te 
kunnen opgeven van eenen buitenlander, die mij 
eenige belangrijke nieuwe inlandfche planten heeft 
medegedeeld. De heer bley, namelijk. Ambtsvoogd 
op het eiland Borktim , heeft zich federt eenigen tijd 
met uitflekend goed gevolg bezig gehouden met het 
nafporen der vegetatie van dat eiland (*) , en heeft 
bij het doen van eenen uitftap op het Nederlandfche 
eiland Kottum , eenige zeldzame planten gevonden , 
waarvan ik die , welke voor onze Flora nietm zijn , te 
gelijk met eenige andere foorten , als derde bijvoegfel 
tot onze Flora zal opgeven , op gelijken voet , als ik 
vroeger gedaan heb. 

87* Ariindo baltica ^ panicula fubfpicata , glumis 
acuminaiis , pilis corolla duplo brevioribus , foliis 
involutis. 

y^ruftdo 

(*) Onder de zeldzame planten , welke de heer bley de 
goedheid hnd mij te zenden, was mij bovenal welkom de 
Helianthemtim guttatum (Cistus gnttatus L.) van het eiland 
Nördemej. Er is l)ij ons van deze foort nog geene andere 
groeiplaats bekend dan op Vlieland ^ waar breyne haar het 
eerst heeft aangetroffen , de naauwkeurigheid van welke 
opgave door deze ontdekking van den heer bley allezins 
bevestigd wordt. 



C 48 ) 
Arundo haUica^ flügce, schradf.r , bluff et 

FINGERHUTH, I. p. 99. 

Pfamma bahica beaüv. , sprengel , Syst. Vcg. I. 
p. 361. 

Ie. scHRADER^ Fl. Germ. t. 5 f. 3. 

Flor. Jiilio 4. 

87* Baltisch Riet , met eene bijna aarvormende 
pluim, gefpitlle kafblaadjes, de haren tweemaal zoo 
kort als de klepjes, ineengerolde "bladen. 

Deze foort komt veel overeen met onze gewone 
Helm (^Arundo arenaria) , van welke zij echter 
vgrfchilt' door minder ineengedrongen pluim, voorzien 
van meerdere bloempakjes , welke een we-inig korter 
zijn,' doch vooral, doordien de kafblaadjes zoo wel 
als de klepjes veel (pitfer zijn. De haren in de bloem 
zijn ook bijna tweemaal langer dan in het Helm-Riet , 
iri hetwelk zij zeer kort zijn. Dezelve is door de 
GORTER waarfchijnlijk onder zijne talrijke verfchei- 
denheden der Arundo arenaria mede begrepen , ge- 
lijk ik bij de befchrijving dier plant , in piijné Flora 
reeds vermeld had. — Zij is in overvloed tusfchen de 
helmplantingen op het eiland Rottum gevonden door 
den heer blev , die de goedheid had mij eenige exem^ 
pvlaren daarvan over te zenden , waaraan de opgegevene 
kenmerken duidelijk zigtbaar waren. 

155* Festuca bromoides ^ panicula fecunda erecta, 
flosculis fubulatis aristatis apice fcabris , foliis fetaceis 
vagina brevioribus. smith, Brit. p. 117. 

Festuca bromoides L. \V. De. '1596. 

Vulpia bfomoides D)Jmortier ^ Agr9St. p. loi. 

Ie. Engl. H}}.. 

Flor. Juïio aut cT. 

155* Dra- 



C 49 ) 

155 * Dravikachtig Zwenkgras , met eene eenzij* 
dige, opgerjgte pluim, de bloempjes elsvormig ge- 
naald , ruw aan den top , de bladen borstelvormlg , 
korter dan de bladfcheede. smith. 

Deze foort, welke ik in den afgeloopen zomer op 
fchralen zandigen grond bij het dorp Falkens'waard, 
boven Eindhoven in de Meijerij van den Bosch , ge- 
vonden heb , komt het naast bij het langbaardig 
Zwenkgras (Festuca Myurus), hetwelk, even als de 
genoemde foort, éénlielmige bloempjes heeft, die kor- 
ter zijn , dan de daaraan gehechte naalden ; dogh in 
het langbaardig Zwefikgras is de halm van boven 
tot bij de bloempluim toe met bladfcheeden bedekt, 
en is de pluim aan den top knikkende en meer ge- 
takt, de onderfte takjes dikwijls weder getakt en veel- 
bloemig. In het dravikachtig Zwenkgras is de halm 
van boven naakt en de pluim zeer weinig verdeeld. 

De heer o. broers, te Utrecht , heeft mij exempla- 
ren vertoond van eenen bijzonderen vorm van Potamo- 
geton , gevonden in de wateren van Westbroek , nabij 
Utrecht. De bladen van deze plant zijn ovaal of 
langwerpig, doch loopen uit in eene zeer lange fpits 
{ficumen') , welke in fommigen de lengte van het ge- 
heele blad te boven gaat. Deze plant is de Potamo- 
geton cornutum van presler, of P: acuminatum 
van SCHUMACHER , afgebeeld in de Flora Danica 
tab. 1384. Zij behoort echter tot ons glinsterend 
Fonteinkruid (Potamogeton lucens n°. 214), van 
welke zij, volgens de gegronde uitfpraak van cha- 
Misso en scHLECHTENDAL , in des laatften tijdfchrift 
Linnaea ^ II. p. 198, noch als eene /óo/-;, noch als 
eene verfeheidenheid ^ maar alleen als eene defigura- 

BgORAGEN D. III. ST. I. D tie , 



C 50 ) 

tU, moet worden aaiïgeraerkf. Ec zelf bezit excm- 
plareD van Pot, Iticens , door den heer petif mij van 
Mannheim toegezonden, in welke aan eene enkele 
(leng fommige bladen, den gewonen vorm , andere 
deze lang gefpitftc gedaante vertoonden. Somwijlen 
blijft de middelnerf van het blad alleen overig. 

228* Sagina marhMa , ramis erectiusculis , foliis 
crasfiusculis filiformibus muticis glabris, pedunculis 
erectis. bluff et fingerhuth, I. p. aas. 

Sagina maritima don, mbrt* et roch,oc. smitii. 

Ie, Engl. 2195. 

Flor. Majo, Aug. 0. 

228* Zee Vetmuur ^ met min of meer regtdandige 
takken, dikachtige, draadvormige, ongewapende en on- 
behaarde bladen , de bloemflelen regtftandig. Bluff 
en fingerhuth. 

Ook deze foort is door den lieer bley, op het ei- 
land Rottum gevonden. De bladen zijn in: de» aan 
mij gezondene exemplaren dan eens ftomp , dan weder 
1'pits (acutus), doch nimmer gepunt (mucronatus), 
als in het liggend Vetmuur\^^gm^' ■^xoc.sxxsifQexih'). 

234 * Myefotis collina (ehrhO caule flaccidp adfcen?- 
dente ramofo fubangnhto foliisque lanceolatis hirfutis ; 
racemis laxis ebracteatis , peduncplis calycem iJatentein 
aequantibus, limbo corollae erectiusculo calycem fub* 
aequante. Spr. I, p. 558. 

Myofotis hispida von schlechtenbal. 

Flor. Majo, Junio. ©. 

234* Heuvel Muizenoor , met flappe opgaande tak- 
kige , eenigzins kantige fteng , die , even als de lanceti- 
vormige bladen , ruig-behaard' is ; wijde bloemtrosfen 
zonder fchutblaadjes , de bloemflelen even lang als de 

ofljen- 



C 51 > 

opengaande kelk , de boord der bloemkroon eenigzlns 
opgerigt, omtrept evea lang als de kelk, Sprengel, 
Een exemplaar van deze plant is mij door den 
Leer bley van Rottum gezonden. Zij wordt van de 
gcflrekte Muizenoor n". 23^4, iMyofotis firicta^ 
link; Af. arvtHjis. , rijichEnbach) vooral daardoor 
pnderlcheiden , dat , bij rijpheid der vrucht , in de» 
gejirekie Muizenoor de fcelfc gefloten en langer is daii 
de bloemfteel. VVaarfchijnlijk komt de heuvel Mm^^ 
ssónoor op meerdere plaatfen in ons land voor. 

Ik moet hierbij oofc nog melding maken vajn eenQr 
aan Myofotis ftricta. ^eer nabij komende plant , waarjii 
van men de volgende kenmerken opgeeft: :.; 

Myofotis verficolor (ehrh.) limbo calyceque fructi-; 
fero patulis, Itylo longisfimo, pedunculis calyce bre^ 
vioribus, reichenbach (wislelkleurige Muizenoor^ér 
Zij groeit op verfcheidene plaatfen. rondom Gronln- 
gea, en zelfs binnen de ftad> tusfchen, de fteenen. Zii, 
komt in uiterlijk aanzien, en door de kortheid van 
den bloemfteel overeen met Myofotis firicla , ver- 
fchilt daarvan echter, volgens rei;chenbach en attr 
deren , doordien de bloempjes eerst geel en. daarna 
blaauw zijn, doordien de vruehtdfagende kelk eenig- 
zinsopen ftaat, en door het zeer laiige ftijltje, het- 
welk even lang is als de kelk, In dei Af, firieta is, 
t- bet ftijltje viermaal korter dan de kelk, die vrucht- 
^dragende gefloten is, en zijn de bloempjes alle blaauw , , 

W(zie BLUFF en fingerhuth 1. c» p^ 2^2 en ai^), jj J 
" Ik twijfel echter , of deze onderfcheidingskenmerkei) opr» 
den duur ftandvastig genoeg zullen bevonden worden , 
om. dqze plant; anders dan. als eeqe verfcheidenheid 
van M. flricta te, b^ichgiiiwen. De lengte ,yan. liét 



C Si ) 

ftljltje wisfelt zeer af, daar ik exemplaren bezit, die 
overigens alle de kenmerken van M. verficolor ver- 
toonen , en waarin het ftljltje half zoo lang is als de 
kelk , welke daarenboven bij meerdere rijpheid aan- 
merkelijk grooter wordt. Zal het verfchil van kleur, 
waar von bönniohausen (p. 57) op aandringt, 
ftandvastiger zijn, en is dan dit kenmerk alleen 
genoegzaam , om beide planten foonelijk te onder- 
fcheiden? (♦) 

Als eene twijfelachtige inlandfche plant, heb ik in 
mijne Flora N°. 286 opgegeven de "Vreemde Lyciiwi 
(Lycium barbarum). Thans echter mag men haar 
burgerregt in onze Flora, als eenigzins meer geves- 
tigd befchouwen, nu de Hoogleeraar j. c. broers, 
deze plant op dezelfde plaats heeft wedergevonden, 
waar ik haar, eenige jaren te voren, gezien had, en 
vooral , nu de heer l. marchand , dezelve op eene 
andere plaats, bij de Meren nabij Utrecht, heeft 
aangetroffen. 

349 ♦ Pimpinella dtsfecta , foliis omnibus pinnatis , 
pinnis multipartitis , fegmentis fublinearibus acutis. 
De. 3413. 

Pimpinella disfecta retz. w. persoon , I. p. 323. 

faxifraga (3 disfecta bluff et fin- 

GERHUTH i I. p. 3£)4. 

Flor. Julio. 2j.. 

349 * Ingefneden Bevérnel, de bladen alle gevind , 

de vinblaadjes veel verdeeld , met bijkans lijnvormige 

fpitfe flippen. De. 

De- 

(*) n Color in eadem fpecie mire ludit, hinc in difFeren- 
lia nM valet." Linnaeus Phil. Bot, §256. 



( 53 O 

Deze plant, door den heer vrijdag 2ijnèn, in 
de duinen bij 'j Gravenhage gevonden , en mij van 
daar toegezonden, is vooral kennelijk, door dat al 
bare bladen gevind zijn, en de blaadjes der onderde 
bladen diep-vindeelig ingefneden, met lijnvormige van 
onderen zachtharige flippen. Zij verfchilt hierdoor, 
reeds op het eerlle gezigt, aanmerkelijk, en van 
Pimpinella magna en van Pimpinelia faxifraga. 
Daar echter de vorm der bladen in het geflacht Bc- 
verncl zeer wisfelvallig is, hebben vele fchrijvers, 
en onder deze de beroemde smitii en sprengel, de 
ingefneden Bevernel als eene verfcheidenheid der 
Pimpinella faxifraga of P, magna befchouwd. Ik 
-heb echter gemeend, beter te doen, haar als eene 
afzonderlijke foort te behouden , zoo wel omdat zij 
door aankweeking onveranderlijk dezelfde blijft, vol- 
gens de getuigenis van blufp en fingerhuth 
t. a. pi. , als ook omdat zij mij voorkomt , van de 
beide opgenoemde foorten , door genoegzaam duide- 
lijke kenteekenen onderfcheiden te zijn. 

De exemplaren van den heer vRf[DAO zgisfEN» 
welke overeenkomen met andere exemplaren van Pim- 
pinella disfecta , uit den Paltz ontvangen , verfchillen 
aanmerkelijk van /*. magna ^ door den opgegeven 
vorm der bladen ; welke daarenboven alle zachtharig 
zijn , en niet als in de groote Bevernel onbehaard en 
glinsterende. De witachtige middelnerf der lijnvor- 
mige flippen puilt aan de onderzijde een weinig uit, 
en de flippen zelve zijn eenigzins krom naar buiten 
gebogen. 

Van de Pimpinella faxifraga komt de zwarte, 
zachtharige verfcheidenheid nader aan onze plant, 

D 3 dück 



( 54 ) 

doch deze is veel kleiner en toont een groot ver- 
fchil tusfchen de hovende en onderde blaadjes, welk 
verfchil bij P. disfeeta veel geringer is. Bij deze 
zijn de onderfte blaadjes met fmalle, lijnvormige en 
gaafrandige flippen vindeelig ingefneden , bij P. faxi- 
fraga zijn dezelve rondachtig of eirond en gezaagd. 
— Her is mogelijk , dat eene nadere waarneming in 
de Natuur z€lve, ons den natuurlijken overgang tus- 
fchen deze verfchillende planten leert kennen, en de 
Pimpimlla di^fecM weder tot den rang eener wr- 
fcheidenhcid doet nederdalen ; doch zoo lang mij dit 
niet volkomen bewezen voorkomt , boude ik het be- 
ter-, dezelve met retz, willdenow, persoon en 
anderen foortelijk van de andere PimpineUac te 
fcheiden. 

54^* Cerastium triviak, hirfutum, adscendens, 

/ € foliis linrari-lanceolatis , floribus pedunculatis , pedun- 

culis calyce longioribus, corolla calycem fubaequante 

(vel eo parum longiore) , hnk, bluff et finger- 

HUTH, I. p. S^Cf, 

• "• Cerastium viscofum L. 

. __— , cc eglanduhfum von bönniq- 

HAUSEN, Fl. Monast. p. *^ii;i, 

'— — vulgatum P. Fl. Bat. 259. 

Flor. per totam aestatem 0. 

546* Ruige Ploornbloem^ ruigbehaard, opgaand, 
met lijn -lan eet vormige bladen, de bloemen gefteeld, 
de bloemfleel langer dan de kelk , de bloemkroon 
omtrent even lang of een weinig langer dan de 
kelk. Link. 

De naauwkeurigc kenmerken , door link opgege- 
ven, hebben mij oplettend gemaakt op de ver^va^- 

ring. 



r 55 ) 

ring, welke er tot dus verre in dit geflacht geheerscht 
heeft. De hier vermelde foort, welke zeer gemeen 
is bij Utrecht y en welke ik bij Groningen nog op, 
het laatst van October zag bloeijen» verfchilt van de 
gcmcene Hoornbloem (Cerastiura vulgatum L. V. H. 
N". 546) door meerdere grootte , doordien de bloem- 
bladen doorgaans een weinig langer zijn dan de kelk, 
en vooral doordien de bloemftelen veel langer eijn 
dan de kelk. De naam van C. viscofum was door 
LiNNAEUs ongelukkig gekozen; omdat deze plant ge- 
woonlijk niet kleverig is , hetgeen vooral tot de ver- 
warring van deze foort met C. vulgatum aanleiding 
heeft gegeven. De plant, welke ik in mijne Flora 
N°. 547, onder den mam van C. viscofum^ heb ver- 
meld , behoort tot C. visciduin Link , C yiscofum 
PERSOON en denkelijk ook tot C. viscofum ^ (3 glan- 
dulofum voN BÖNNiGHAUSEN , welke foort niet zeer 
veel van C, fcmidccandrum verfthilt. De Verdere 
bijzonderheden der fymnymie kunnen bij von bön- 
NiGHAUSEN en bij bluff en fingerhüth's Comp, 
Fl. Germ. ï. p. 579 en 580 worden nageiien. 

Ik moet hierbij ook nog melding maken van eene 
foort van Roos ^ welke ik op verfcheidene plaatfen 
te Haren bij Groningen , aan de wegen en in de heg- 
gen gevonden heb. Ik wilde onze Botanisten op deze 
plant oplettend maken, offchoon het mij onmoge- 
lijk is, met zekerheid te bepalen, of het eene af- 
zoiïderlijke foort, dan wel eene verfcheidenheid van 
eene reeds ^bekende foort is, daar wij , volgens de 
getuigenis der ervareudlte Plantkundigen (*) in dit 

ge- 

(*) Zie j. E. SMiTH, E«gltsk Boeanyy tab. 1890, waar 

D 4 hij 



( 56 ) 

gedacht inderdaad , niet weten wat eene foort of wat 
eene vcrfcheidenheid uitmaakt. Zij verfchilt van Roja 
canina^ waarmede zij in houding {habitus) overeen- 
ftemt, door Icorter en met Iclierachtige haartjes be- 
zette bloemftelen, die geheel verborgen zijn tusfchen 
twee groote fchutblaadjes [bracteae), welke de lengte 
van den ongeopenden kelk bijkans evenaren; de kelk- 
blaadjes zijn van buiten met talrijke kliertjes bezet, 
het vruchtbeginfel van onderen met eenige weinige 
klierachtige haren of fomwijlen geheel onbehaard. 
De bladen zijn van anderen onbehaard en eenigzins 
blaauwachtiger van kleur, dan het bovenvlakderzelve; 
de bladftelen ftekelig, onbehaard of niet dan zeer 
weinig zachtharig. De heer lejeune , aan wien ik 
dezelve gezonden heb, gelooft, dat zij het naast komt 
bij zijne 

Rosa ambigua , germinibus oviformibus , glabris , 
glandulis pedunculatis raris , pedunculis glabris , raro 
glandulofis; foliolis utrinque glaberrimis, duplicato- 
ferratis , acuminatis ; bracteis petiolisque glandulofo- 
ciliatis. Lejeune , Fl. de Spa , revue p. 98. 

Zij verfchilt hiervan echter door hare klierachtige 
kelkblaadjes enz. Door kenmerken van gering aanbe- 
lang verfchilt zij van de befchrijving van R. psilo- 

phyl' 

hij van Rosa scabiuscula fprekende , zegt : „ / was at first 
„disposed to believe it a variety o/ Rosa tomentosa, nor 
„ can atiy botanist be certain that it is mt so , because we 
„ really do not know in this genus , what constitutes a va- 
y, riety and vfhat a species. As the acute Botanists of 
„ Siveden are attending to the subject, we- trust it wil be. 
„come le'iS obscure." 



C 57 ) 
fhylla en R. trachyphylla van rau bij bluff en 

FINGERHUTH t. E. pi. I. p. 628 en 630. SeRINGE 

vereenigt in den Prodromus van decandolle II. p. 613. 
deze beide foorten van rau onder zi]ns var. e. ro- 
tundifolia van Rosa canina , doch ook hiervan wijkt 
zij eenigzins af. De bijzondere kortheid der bloern- 
ftelen, vereenigd met de overige opgegeven kenmerken , 
zoude mij welligt overhalen om dezelve , als eene nieuwe 
foort te befchrijven, indien ik niet wist hoe bedriegelijk 
vele kenmerken zijn in het geflacht Rofa , en indien 
ik niet het voorbeeld van zoo vele bekwame Plantkun- 
digen voor mij had, die talrijke nieuwe foorten van 
Rozen bekend hebben gemaakt en hierdoor het heer- 
leger van Symnyma in dit moeijelijk geflacht flechts 
hebben helpen vermeerderen. — In allen gevalle zij 
deze foort het nader onderzoek onzer Natuurkenners 
aanbevolen. 

643. Ranunculus Flammula (3, grandiflora v. H. 

Onder de talrijke afwijkingen van de Ranunculus 
Flammula hebben de Heeren lejeune en courtois 
in hunne verhandeling over de Ranunculaceae der 
Nederlandfche Flora QBtjdragen , d. II, bl. 87.) eene 
verfcheidenheid opgenoemd, met zeer groote bloemen, 
bijkans die der R. Lingua evenarende, welke door 
den Hoogl. kops in de Fl. Batava n°. 239 is afge- 
beeld. Deze zelfde verfcheidenheid is mij, met rijpe 
vruchijes, ter hand gefteld door den Heer g. backer 
med. ftud. te Groningen , die dezelve in de veenflire- 
ken van Kortenhoef bij Amflerdam had gevonden. 
De bloemen waren in deze exemplaren ruim tweemaal 
zoo groot als de kelk en dus met de afbeelding der 
Flora Batava overeenkomende. De zamengedrukte 

D 5 vrucht- 



( 58 ) 

vriichtjes waren even als de bloemen tweemaal zöo 
groot als in de gewone R. Flatnmula^ doch otib.- 
haard en door dit kenmerk van R. Lingua ondi r- 
f.lieiden, volgens de door i^ejeune en coürtois 
bl. 86 opgegeven kenmerken. De bladen waren lan» 
cetvormig en tweemaal zoo lang als in de afbeelding 
der Flora Batma. — Men zoude geneigd zijn te ge- 
Jooven, dat deze plant eene bastaard (hybrida) was 
van il. Lingua en Flammula, 

725* Orohanchc elatior ^ caule limpUcisfimo, co- 
rollis quadrifidis, tubulofo-cylindricis , crenulato-cris- 
pis, ftaminibus parce pilofis fuperne ftyloque glaber- 
rimis , ftigmate obcordato flavo v. H. ex wallroth. 
{Orobanchcs generis Aixcrxsvj^, 1825 p. 51.) 
Orobanche elatior sutton. Sm. Dc. 2455. 
Ic, Engl. t. 568. 
Flor. Julio. 4? 

725* Rijzige Bremraap^ met eene zeer eenvou- 
dige fteng, vierfpletige , buisvormig-rolronde bloem- 
kroon, met gekarteld-gekrulde lippen, de meeldradcn 
weinig behaard en van boven geheel onbehaard , even 
«Is het ftijltje , de ftempel onigekeerd-hartvormig en 
geel van kleur. 

De«e foort is mij onder den naam van Orcbanche 
major gegeven door den volijverigen raed. ftud. g. 
BROERS, die dezelve in duinen bij Kapwijk had aan- 
getroffen. De wezenlijke groou Brefnraap (O. ma- 
jor), welke de Hoogl. bergsma mij van de Grebbe 
gezonden ïveeft, vcrfchilt echter van de;?elve door 
de fterk-verwijderde lobben van den ftempel enz. Zie 
WALLROTH t. a. pi. bl, 29 — 31, De welriekende 
Bremraap (O.— caryophyllacea), welke mede in de 

Hol- 



( 59 ) 

Hollandrche duinen voorkomt, verfchilt van de rtj- 
zige Bremraap door de grootere, gezwollene en van 
buiten geheel behaarde, 'bloém'kroon, door den don- 
kerrooden ftempcl enz. , alle welke kenmerken volle- 
diger bij WALLROTH bl. 36 ctt volg. en in de uit- 
muntende afbeelding der Flora Batara vp 115 kun- 
hen worden nagezien. 

787* Geranium pa'figuinetifn ^ pedunculis unifloris , 
foliis quinqnepartitis trifidis orbiculatis. De. 3541. 

Geranium' {anguineum L. W. Sm. P. I. p. 254. 

U. Dan. 1Ï07Ï Engl. 272. 

Flor. Junio , Juiio 2^. 

787 * hloedroodc Ojevaarsbek , met eenbloemtge 
bloemftelen, de bladen vijfdeelig en drieflippig, cir- 
kelrond. De. 

Deze foort , welke door hare groote roode bloemen 
en eenbloemige bloemftelen van onze overige foor- 
ten van Ojevaarsbek ligtelijk onderfcheiden kan wor- 
den, is mij door den heer bergsma opgegeven te 
groeijen aan den krommen Rrj'n t&- Bunnik, nabij 
UtrecAt. (*) 

800* Malva mofchata, caule erecto, foliis radi- 
calibus reniformibus incisis, caulinis quinque-partitis 
pinnato-iTiultifidis , calycis exterioris foliolis linearibus, 
P. II. p. 252. 
■ Malva mofchata L. W. Sm. Dc. 4512. 

Ie, 

(*) De heer g. backer heeft mij ook eeuige exemplaren 
medegedeeld van den allerklein ft en Ojevaarsbek (Geranium 
pufillum no Y95'>^ welke hij op verfcheidene plaatfen bij 
Amjlerdam en te ^iQravelani had aangetroffen. Dezelve 
was vroeger alleen nog maar door den Hoogl. TvEINwardt 
by ZutpiKH gevonden. 



C 60 ) 

/i:. Dan. 905; Engl. 754. 

Flor. Junio , Jnlio 4. 

800 * welriekende Malowe , met opgerigte (leng , 
de vvortelbladen niervormig, ingefnedcn, de ftengbla- 
dcn 5-deelig gevind-veelfpletig , de blaadjes van den 
biiitenften kelk lijnvormig. P. 

Deze foort is door den heer o. broers achter de 
Bild, en door den heer l. marchand te Blaauw- 
kapelf nabij Utrecht gevonden. Ook is zij mij , te 
gelijk met Maha alcea door den heer de beijer 
uit de omftreken van Beek en Ubbergen bij Nijmegen 
gezonden. Zij is van Maha alcea te onderfcheiden 
door de vrij lange opendaande en niet aangedrukte 
haartjes der fteng, welke haartjes op gelijke wijze 
de blad- en bloemftelen bedekken; door de bladen 
welke zeer diep, tot op den bladfteel , in 3 of5dee- 
len zijn ingefneden en door den muskusachtigen reuk 
der geheele plant. 

841 Trifoliiim repens (i pent aphy Hum , foliolis $-6 
fusco-maculatis. P. II. p. 349. 

841 Witte {yijfbladige') klaver^ met 5 oföbruin- 
gevlekie bladen. P. 

Op zandige gronden te Haren bij Groningen vond 
ik deze veffcheidenheid met 4, 5 of fomwijlen nog 
meerdere blaadjes, alle van eene bruinachtig -roode 
kleur, die deze geheele plant fcheen te bedekken. 
Zij yerfchik derhalve aanmerkelijk van de gewone 
yfitte klaver en is , gedurende anderhalf jaar , dat ik 
haar óp kleiachtigen tuingrond gekweekt heb , nog 
in geenerlei opzigt veranderd. 

868. Leontodon Taraxacum y pahidofum (schlech- 
TE^DAL,) fquamis involucri exterioribus brevioribus , 

erec- 



C 61 > 

erectis ovatis, foliis finiiatis dentatis glabriusculis. Sm. 

Leontodon pahistre Sm. P. II. p. 367. De. . 

Ie. Engl. 553. 

Flor. Majo^ Junio ij.. . 

868. gemeenc Paardenbloem. 

Versch. y moerasfig^ met de . buitenfte fchubben 
van het omwindfel korter, opgerigt en eirond, de 
bladen gegolfd, getand en bijkans onbehaard. 

Ik maak van d^zQ . verfcheidenheid , welke ik op 
moerasfige en befchaduwde plaatfen te Helpen en Ha" 
ren veelvuldig heb aangetroffen, met opzet afzonder- 
lijke melding, omdat zij door velen als eene afzon- 
derlijke /oor/; wordt befchreven. De beroemde brovvn 
(^verm. Bot. Schrifte I. p. 397.) befchouwde haar 
echter reeds als te naauw met de gewone Leontodon 
Taraxacum verwant. Von schlechtendal (Flora 
Berol. I. p. 405.) en lejeune (Flore de Spa, revue 
p. 167.) rekenen haar te regt als eene verfcheiden- 
heid van genoemde foort. De laatfte zag zelfs in de- 
zelfde plant bloemen met omgeflagen en regtopftaande 
fchubben van het omwindfel [calyx communis). Dit 
laatfte gevoelen is naar mijn inzien alleen beftaanbaar , 
daar ik planten, die volkomen met de befchrijving 
van Leontodon pahistre smith overeenkwamen op 
droogen^ vruchtbaren, niet befchaduwden grond 
binnen een jaar tijds geheel in de gewone Leontodon 
Taraxacum zag overgaan. 

954 * Doronicum Pardalianches, foliis denticulatis , 

radicalibus cordatis longe petiolatis , mediis fpatulato- 

cordatis, fummis fubrotundo-cordatis , caule hirfuto 

fubfimplici. De. 3195. 

Doronicum Pardalianches L. W. Sm. P. II. p. 454. 

Ie, 



/ 



'n 



Ie. EngU 631. ] 

Flor. Ma/o, Junio 4, 

y54* Hartvormig Duizelkruid , met fijngetaode 
Maden, de wortelbladen hartvofoiig, lang*geileeld , 
de middelde bladen fpatel-hartvormig , de bovenüe 
röodachtig-hartvormig , de fteng ruig en bykans on- 
verdeeld. De. 

Deze in het voorjaar bloeijende fraaije plant is in 
boschachiige ftreken te Hoogezand. , in de provincie 
Gronifigen, door mij gevonden. Zij verfchilt van 
het knobbelwortdig Duizelkruid (iDoronicum. Scor^, 
phidcs n». 955) vooral door de onderde bladen , diQ 
duidelijk hartvormig zijn, gedragen'op een' langen fteel 
die met een kleiri bladvormig aanhangfel de (leog om-» 
vat. In het knobbehortelig Duizelkruid zijn de oni 
derde bladen niet hartvormig, maar, ovaal en. indsB 
bladdeel uitloopende. 

Enkele foorten, die mij , bij de meer en meer toe- 
nemende fubtilitdt in de tegenwoordige onderfchei-» 
ding der foorten , voor als nog twijfeli<jhtig voorko- 
men, befpaar ik tot eene volgende gelegenheid. 



■^=!=>€€C{)4'Cf)««x 



BLIK OP DE DIERLIJKE BEWONERS VAN DE SUNDA- 
EILANDEN EN VAN DE OVERIGE NEDERLANSCHE' 
BEZITTINGEN IN INDië. 

\ C Dp&rjiw TEMMiNCK , Dii:<?ct&iir,wn 's Rijks Mufeunj. 



D. 



re. drift groote eilanden, der keerkring -drefcen,^ 
welke met eenige anderen' van den derden rang^, de 
groep, vprraen,, welke op onze landkaarten, onder 
dgn naam van Archipel der Simda bekend is, bie- 
den 



( 63 ) 

den ons door hunne ligging en door eenen vruchtba- 
ren bodem , de gefchiktfte gelegenheid aan tot de bc" 
ftudering der dieren van de ev^nnachtftreek der oude 
wereld. ■ . "i 

Java, Siimatra en Borneo ^ in het midden vat» 
den uitgeftrekten Aziatifchen Oceaan gelegen, vern 
bergen onder hun eenzaam en verheven lommer, on^ 
telbare fcharen van vogels, welke even zoa ven 
fcheiden en niet minder zonderling zijn dan de in«» 
fekten en kruipende dierei), waarmede hunne grond 



•^Wo a^«^<ï),*e od«iai /^4^ (OL^ ^ ^ • (Sfvii,.-^ 

gelegen ztjn. zij zijd door eene- onatgebroken; reeks | 

I van kleine eilanden met Timor, aan het zuidelijkst 
, gedeelte, van Aujiralafiê geXtgen^ verbonden. D<ï 
oostelijke kust van het uitgéllrekte Borneo \s van de 
Molukfche en i'A////>/)^'«/i:A6 Archipels flechts door 
eenen zeearm gefcheiden. ' 

Het fchiereiiand, van Malaccat.i^vmpi alsi eeri breed 
voorgebergte , in bet midden, der. zee ttisfehen Barom 
en Sumatra uit, en die zuidelijk gedfiielte van htt 
Indifqhe vaste land, is van de oostkust van &!w^/!/ifi< 
flÊ.i?Uts;,door de zeeëngte van Mala£ca,%tit\i<êè&w, ■'■ 

De- 



( Ö2 ) 

Ic. Engl. 631. j 

T^\ox. Majo, Jiinio 2ir, 

954* Hartvormig Duizelkruid , met fijngetaude 
bladen, de wortelbladen hartvormig, lïlng-geileeld , 
de middelde bladen fpatel-hartvormig , de bovenik 
'^ roódachtig-hartvormig , de fteng ruig en bykans. on- 
verdeeld. Dci fVJi-\vA i'jioutvnr. 

Deze in het voorjaar bloeijende fraaije plant is in 
hoschachtige ftreken te Hoogezand. , in de provincie 
Gromigen, door mij gevonden. Zij verfchilt van 
het knobbelwortelig' Puizelkruid, (^Doriiniqun%_^cg^r^, 



BLIK ÖP DE DIERLIJKE BEWONERS VAN DE SimOA* 
EILANDEN EN VAN DE OVERIGE NEDERLANSC HE 
BEZITTINGEN IN INDië. 

I C rDPfi^h» TEMMiNCK 5 Directwrvan 's ilijks Mufeunj. 

ft dm groote eilanden der keerkring -ftreken, 
welke met eenige anderen' van den derden rang,, de 
groep vormen ,^ welke op onze landkaarten, onder 
Öen naam van Archipel der Sunda bekend is, bie- 
den 



( 63 ) 

den ons door hunne ligging en door eenen vruchtba-. 
ren bodem , de gefchiktfte gelegenheid aan tot de be* 
ftudering der dieren» van de ev^nnachtftreelL der oude 
wereld. • ' ■ ':"a >f' , >wbn.'- ry . 

Java, Siimatra en Borneo\, in het midden van 
den uitgeftrekten Aziatifchen Oceaan gelegen , ver-r 
bergen onder hun eenzaam en verheven lommer, on^ 
telbare fcharen van vogela, welke even zoo ver>t 
fcheiden en niet minder zonderling zijn dan de int 
fekten en kruipende dieren, waarmede hunne grond 
bedekt is. De verwonderlijke vereeniging van :de2« 
menigte vogelfoorten in dit gedeelte van den aardbal ^ 
is een natuurlijk gevolg vaq den rijkdom, welke h«t 
plantenrijk in deze flreken ten toon fpreidt. Overi+ 
gens weinig van het noordelijk gedeelte des vasten 
lands van Azië. verwijderd zijnde en flechts door eene 
Icleine zeeftrook , hier en daar met eilanden en rotfeii 
bedekt, van Oceanië gefcbeideu wordende, bieden 
Sumatra en Java eene uitgefhektheid van oügevesr 
tien of elf graden kusten aan , welke onder dezelfde 
parallel tegenover de oostelijke- kusten van Afrika 
gelegen zijn. Zij zijn door eene onafgebroken reeks 
van kleine eilanden met Timor, aan het zuidelijkst 
gedeelte van Auftralafiê %t\tge.n^ verbonden. De 
oostelijke kust van het uitgeftrekte Borneo is van de 
Moltikfche en Philippijnfch& Archipels flechts door 
eenen zeearm gefcheiden. 

Het fchiereiland. van MalaccaS^xwi^ als; een breed 
voorgebergte , in het midden, dep. zee tusfehen Borma 
tvi Sumatra uit, en dit zuidelijk gedcielte van het 
Indifche vaste land, is van de oostkust van i&/wdrji!m:< 
fle^lics-.door de zeeëngte van il/öi/tfr^A gefchekfen. ■ 

De- 



( 64 ) ■ 

Deze weinig uitgeftrekte ftrook, bcQaat flecbtseené 
ruimte van vijf en twintig graden breedte op vijftien 
graden lengte; de grootfte helft der hieronder begre- 
pen landen, is nog niet onderzocht, en de.nafpo- 
ringen, op de meest toegangbare plaatfen gedaan, 
laten nog een ruim veld voor nieuwe ontdekkingen 
open. De grond van Borneo is nog niet door den 
natuuronderzoeker betreden geworden. Dit eiland , 
een der grootfte van den aardbol , heeft ongeveer 
dezelfde .uitgeftrektheid als Frankrijk. Hetgeen wij 
van zijne natuurvoortbrengfelen kennen , bepaalt zich 
tot eenige zoogdieren , tien of twaalf vogelfoorten , 
een zeer klein aantal kruipende dieren en enkele plan- 
ten, flechts op twee of drie plaatfen der kust ver- 
zameld. Zijne groote bosfchen en zijn bergachtige 
grond, door eene eeuvirige vegetatie bedekt, verber- 
gen fchatten , tot vi^elke de onderzoekende blik van 
den Natuuronderzoeker tot dus ver geenen toegang 
gehad heeft. Sumatra, door een minder bloeddorstig 
en meer befchaafd volk dan de woeste inwoners van 
Borneo bewoond, en voordeeliger voor den handel 
gelegen, is meer bekend dan Borneo. Ketens van 
• oorfpronkelijke rotfen ftrekken zich langs de geheele 
lengte van het eiland, van de punt van Achcn tot 
aan de engte der Sunda uit. Het is , om zoo te 
fpreken , ten oosten en ten westen , door een aan- 
merkelijk aantal kleine, onbewoonde of weinig be- 
woonde eilandjes omzoomd. Eenige dezer, zoo als 
het rijke Banka , Billiton en andere , ftellen punten 
van aanraking met Borneo daar. Daar, waar het het 
minst van de zuidelijke punt van Malacca verwijderd 
is, fcheidt een zeearm, met eene groote menigte 

van 



» 



C 65 .) ■ 

van kleine eilandjes bedekt , het van het vaste land 
van Indiè af. Deszelfs zuidelijke punt vormt een 
voorgebergte , door de verpaauwde zeeëngte der Sunda 
befpoeld, hetwelk tot grensfcheiding tusfchen de 
graniet -ketens van Sumatra en het vulkanisch ge- 
bergte van het vruchtbare Java fchijnt te dienen. 

Door deze geographifche ligging, gxtx^^xSumatra ^ 
als het ware, aan het vaste land van //ïü^/êy het vormt 
xnzx. Java, Bali, Lombok, Sumbav/a, Floris, Om- 
b-ai en Timor , eene onafgebroken reeks van eilanden 
van den tweeden en derden rang, waarvan de on- 
metelijke uitgeftrektheid zuidwaarts het grootfte ge- 
deelte van de groote Zuidzee omvat. 

Deze vnlgreeks van eilanden dient, als het ware^ 
tot bolwerk voor alle de Archipels , en voor die meer 
eenzame eilanden, welke onder de evennachtsftreek 
gelegen zijn. Men zoude uit deze nabijheid van Su- 
matra ten noorden met het vaste land van IndU en 
ten zuiden met Java , fchijnen te moeten afleiden , 
dat dit eiland dezelfde foorten van dieren als het 
fchiereiland van Malacca en als Java voortbrengt. 
Het tegendeel heeft echter plaats : op eenige land- 
vogels en vele kruipende dieren na, vindt men op 
Sumatra eene geheel bijzondere Fauna , welke zich 
intusfchen flechts weinig onderfcheidt van hetgeen 
men hieromtrent van Bormo kent , hetwelk toch veel 
meer dan het Indifcbe fchiereiland of het eiland Java 
van Sumatra verwijderd is. Men zoude meenen 
dat Java een deel van Sumatra uitgemaakt had, in- 
dien de aardbodem , de bergen en de vegetatie niet 
het tegendeel bewezen , zelfs dan , wanneer er geenc 
ongelijkaardigheid in de diervormen beftond. Werke- 

BrjDRAGEN D. UI. ST. I. E lijk 



C 6^ ) 

lijk hebben deze beide eilanden , welke elkander bijkanü 
raken, zelfs onder de reusachtige zoogdieren niets 
gemeen. De Olifant en de Tapier leven op Sn- 
matra, en de eerfte in geheel hidiö^ terwijl beide 
op Ja-^a onbekend zijn; '^nRhimceros vanSumatra , 
verfchilt van de Javaanfche en van die van het vaste 
land; terwijl de wilde os, de Èantinger \zx\Java of 
de Qaour (Jios Sylhctanus') van de Himalaia aan 
het vaste land van Indic en va.-njava eigen is. Twee 
nieuwe foorten van zwijnen , Sus vcrrucofus en Sus 
Vittatus leven op Java qw Siimhtrai eenigc hert- 
foorten, onder anderen de fraaije kleine foort van' 
yixis , van de eilanden Bayian , welke onder den naam 
van Cervus KtihlH zal befchreven worden , bevinden 
zich noch op Sumatra noch op Java, De groote 
bosfchen van het eerfte eiland brengen ook den Cer- 
Vus Rusfa van raffles en den Cervus Hippeïapbus 
van cuviER voort; deze laatrte komt niet o^ Java , 
voor ; de beerfoort dezer ftreken , XJrfiis Malayanns 
van HORS'FiELD, is dezelfde te Sumatra^ te Bonieo 
en te Malacca, zonder dat zij nog op Java gevon- 
den is ; hetzelfde heeft plaats met de Orang-outangs , 
Ilylobates ^ eenige Semnopitheci ^ en zelfs met twee 
foorten van Galeopitheci , waarvan de eene , de Ja- 
vaaniche , langs den geheelen Archipel tot aan Timor 
gevonden wordt , terwijl de andere Hechts van Sw 
matra en Borneo is aangebragt geworden (*). De 

kleine 

(*) Wij zullen deze onder den naam van Galeopitheens 
rnarmoratus bcfchrijven; aan de zeer veranderlijke foort 
van Java en van den geheelen Archipel den naam van Cö- 
leopithecm variegatin latende. 



■( 67 ) 

kleine dieren vertoonen dezelfde fóortelijke verfcliel- 
denheid; van drie of vier bekende Hylogales , \tt{t 
et flechts een e op Java; de Eekhoorns, zelfs eenige 
'Ratten zijn verfcliillend. Da vogels, voornamelijk de 
Hoenders {Gallinacet) ^ de. Duiven, en allen, die 
onder het befchermende lommer der groote bosfchen 
leven , zijn van de Javaanfche foortelijk oriderfcheiden. 
Een klein aantal is aan beide^ eilanden eigen , en eeni« 
ge foorten , welke meer of min algemeen , of wel 
over de geheele wereld verfpreid zijn , zijn de zelf-* 
de, over de geheele uitgeftrektheid van den grooten 
Archipel , of verfchillen niet van die , welke tot in 
Afrika , en zelfs in Europa gevonden worden. Men 
^indt immers op Java^ Sümatra en tot in Japan 
toe, eene menigte van Europefche vogels (*), 
wier gedaante, ja wier gevederte, geene de tninfte 
verfcheidenheid met de individu's, in verfchillende 
deelen van Europa voorhanden , vertoonen. Aan den 
eenen kant verdient derhalve dit geheel verfchil in de 
Fauna dezer twee naburige eilanden , alle opmerking ; 
terwijl aan den anderen kant de menigvuldige punten 
Van overeenkomst , de zoo volmaakte eenfoortigheid van 
dieren, over een zoo groot gedeelte van den aard- 
bol, op zulke afftanden en onder geheel verfchillende 
lüchtftreken verfpreid, niet minder belangrijk zijn. 

De onvergelijkelijke vruchtbaarheid van het Vulka- 
nifche eiland Java , het zachte , gastvrije en gehoor- 

za- 

(*) Zie , voor meerdere bijzonderheden, ten opzigte dezer 
zaak, hec Nouveau Recueil de Planches coloriées faifant fuite 
a BüFFON, art. Jafeur phoenicojjière du Japon. Livrais. 
75'' 



rieme 



E 2 



( Ö8 ) 

zamc karakter zijner inwoners , zijne geographifclTt 
ligging, :en ;iijne veilige havens, hebben er op alk 
inintcn den koophandel naar toe gelokt, welke cene 
tier eeiftc oorzaken der befchaving en de bron van de 
welvaart der volken is. Java is daarom ook het 
meest onderzocht en meest bekend gedeelte , niet al- 
leen . van de Sunda-eilanden , roaar ook van dezen 
geheelen uitgeftrektcn Archipel, Even als de be- 
fchaaifde.mensch, en ook meer of min terug gedrorw 
g^cn door den voortgang van den landbouw , hebben 
de verfchülende dierfoorten hunne woonplaatfen on- 
der het lommer van de oude bosfchen gevestigd , waar 
de grensbewoners der bosfchen deel komen nemen 
aan den overvloed , welke door de fchatten van eencn 
vverkzamen, overal en gedurende alle jaargetijden lei- 
vendigen akkerbouw wordt voortgebragt ; de zeeftrarv- 
den , met weekdieren bedekt , de rivieren en de viscii rijke 
ftranden lokken er eene meenigte van watervogels naar 
toe ; terwijl de aarde endelucht ,die indezeftreken van 
iniektcn wemelen, in geftotcn gelederen voortgaaFV 
dc, of de luclït door hunne woeste zwermen doende 
trillen, de aanmerkelijke hoeveelheid van infckt-etende 
vogels, alle tot het geü^icht Fliegenjager (^MyolAera') 
behoorende , van voedfel voorzien. Deze kleine vo- 
gels en de verwonderlijke hoeveelheid van wild , zijn 
op hunne beurt weder lokazen voor de vraatzuchtige 
troepen van roofvogels, en het groot aantal van 
vleesch-etendc zoogdieren, hetwelk op zulk een klein 

punt van den aardbol bijeenverzameld is (*). 

Deze 

(*^ De heer lesson tracht fn zijne Zoölogie du vojnge 
autour du monde, par Ic CapUaine durvu.le, p. 21 et 129, 

aan 



C 6g ) 

Dt2e vergelijkende , hoewel zeer beknopte fdiets-iJj 
kan toch tot een oppervlakkig overzagt dienen. Zij; 

gééft 
Mn hetgeen He pag. p7 van het eerfte Deel mijnex Mói.'O' 
grapAies de Mammalogie ^ een opzigte van de buiten allen 
{vvijfel gefielde geiijkfoprcigheld szn d&w- mvarten Luipaard{ 
(J'elhMelai) met den gewonen Luipaard {F. Le0pardui)itg,, 
te doen twijfelen; hij noemt ook, men weet niet regt om 
w:elke reden, éQn gewonen Luipaard, Panther. Deze ge- 
fijkfoortigheid is eene daadzaak, welke niet op het zeggen 
van eenen onder-re/ident , of op inlichtingen , gedurende een 
kort voor anker liggen bekomen y berust; radar Op de ge- 
tuigenis van drie naturalisten , de heeren reinwardt', 
KUHL en VAN HASSELT , dic, gedurende acht jaren , de 
verfchilleade gedeelten van Java <k)orkruist hebben ; 
zij hebben deze variëteit van den Luipaard gezien, 
waargenomen en gefchoten; en hebben aan 's rijks Mö- 
feum een levend individu , en vele huiden , vergezeld van 
het geheele geraamte, gezonden. Mijne opgaven fteuneij 
ook op de verzekering van den heer bockarme, die in 
het nest van, eenen gewonen Luipaard,, door hem ter ue. 
der geveld , eenen jongen zwarten Luipaard, ongeveer eene 
maand oud , gevonden heeft , welk individu wij ook in ge- 
zegd Mufeum bewaren , alwaar zich bovendieii fchedels eu 
geraamten bevinden, welke kunnen dienen, om deze ge- 
lijkfoortf^eid verder te bevestigen'."'''"''' '■^"''•'^■^'^^•^ "'•^' ^-f 
Öe heer lesson beweert ook nog ,' dat de zwarte Tijger 
bij de Maleijers onder den naam van Jriman bekend is ; 
want , zegt hij , zoo noemt men dit dier op Java. Dit is 
waar; maar kent de heer lesson wel de beteekenis van 
dezen naam ? De Majeijers duiden door /Iriwan , eenvou- 
dig eenen Tijger aan ; in de Javaanfche taal is het Mand- 
jan; de koninklijke Tijger draagt in het Maleisch 'den naam 
van Ariman bezar , en in bet javaansch van Mandjan gede i 
beide woordelijk vertaald, beteekeuen grootcn Tijger. 



( 70 ) 

geeft ons het middel aan de hand , om over de kleine 
uitgcftrcktheid land's , hetwelk in dit gedeelte der we» 
rcld onderzocht is , in vergelijking van de grootc hoe» 
veelheid verfchillende dierfoorten , welke het voort- 
brengt , te oordeelen ; welke hoeveelheid te aanraer- 
kelijker is , daar het grootfte dezer eilanden alleen 
gezegd kan worden , goed door de natuuronderzoekers 
gekend te zijn. 

"^Deze keerkringflreek , naauwkeurig genoeg door de 
reizigers van verfchillende natiën doorkruist , levert 
reeds een aanmerkelijker aantal zoogdieren, dan ge- 
heel Europa op j de verwonderlijke menigte zoogdie- 
ren , vogels , kruipende dieren , visfchen en ongewer- 
velde dieren , in de eilanden der Sunda gevonden , of 
in de zeeën, welke hunne kusten befpoelen, gevan. 
gen, evenaart en overtreft zelfs in fommige klasfen 
de dierlijke voortbrengfels van het groote Afrika^ 
de Antilopen (*) alleen uitgezonderd , waarvan het 
groot aantal, dat der Herten en Antilopen van de 
Sunda-eilanden verre overtreft. Men kan het ge- 
vogelte dezer eilanden , zorider vrees van vergroot 
ting bij dat, hetwelk in geheel Zuid- Amerika waar- 
genomen wordt, vergelijken. In het een zoo wel als 
in het andere halfrond bevinden zich aanmerkelijke 
gedeelten lands , in welke de natuuronderzoeker nog 
geenen voet gezet heeft; de binnenlanden van Zuid- 
Amerika , de kusten van Chili , van Peru beloven eenen 
, 1--.. ; . over- 

(*) Men weet in het algemeen , dat in geheel Afrika 
nog geen Hert gevonden is ; hec is het ware Vaderland der 
Antilopen , waarvan er ook meer foorcen dan in het geheel 
overige gedeelte van den aardbol zijn. 



oyervloedigen oogst; terwijl de ontdekkingen, welke 
er nog in het grootfte gedeelte van het binnenland 
van Sumatra te doen blijven, de berekening der 
beftaande foorten, ten naastenbij op het dubbele 
brengen dergenen , welke thans reeds op dit eiland be- 
kend zijn. 

Borneo, deze mtte ruimte op de wereldkaart (*), 
kan niet dan voorwerpen opleveren , geheel nieuw 
voor de wetenfchap; het belooft met woeker de po- 
gingen te zullen betalen ,- welke men tot befliudering 
zijner voortbrengfelen zal aanwenden; het is een der 
teerkringltrcken , welke eenmaal de dierkunde aan- 
merkelijk zal moeten verrijken. 

De zeeën, welke de kusten dezer vruchtbare fl-rc- 
ken befpoelen , verbergen ons nog voorwerpen , welke 
niet minder zeldzaam en belangrijk dan diegenen zijn , 
waarvan de ontdekking fl echts voor eenige jaren plaats 
gieep. De rijke verzamelingen van visfchen en de 
aanmerkelijke aanwinsten^ iri weekdi^^en ^ door. d^ 
laatlle reizigers, die zich naar deze ftiekep hebben 
begeven, bezorgd,, ftrekken ten bewijze, dat deze 
landen , tot nu toe weinig uit een wetenfchappelijk 
oogpunt onderzocht, de ;geheele oplQ^tenheid van den 
natuuronderzoeker verdienen. ,, <j;, 

De landen , welke wij voor als nog onder ons kort 
overzigt bevat hebben, zijn begrepen in dat ge- 
deelte van den grooten Archipel van Juftralafië'^ 
hetwelk onder den naam van Archipel der Sunda 
bekend is. Indien wij dit betoog tot :de ove- 
rige Nederlaudfche bezittingen in dien zelfden Ar- 

clii- 
(*) ^ic iiiiFFLES, Hht. of Java. 

E 4 



C 7= ) 

chipcl iiitdrekken, dan omvatten wij eene riiiititevan 
cenige meerdere graden in breedte; deze eilanden 
worden door den naam van Molukken aangeduid. 
Wij zullen zien, dat daar niet minder dan inden Ar- 
chipel der Sunda , nog veel behoort onderzocht te wor- 
den. Celebes, een eiland van den eerften, Timor^ 
een eiland van den derden rang en eenige andere 
minder groote , als Ceram , Floris , Booro , Giloh , 
ylmboina exiz. zijn allen onder dezelfde parallel als 5or- 
neo, Sumatra en /av<ï gelegen, maar grootendeels 
met zoogdieren, vogels en kruipende dieren bevolkt , 
welke geheel van die der Sunda 'QWzndtn ver- 
fchillen. Celebes , fchier even weinig als Bornco be- 
kend, levert naar de voorwerpen, welke men er 
verzameld heeft, te oordeelen, vele zoogdieren en 
een aantal vogels op, welke geheel aan Java exï Su- 
matra vreemd zijn. Wij zijn onkundig of men aan 
dit groot eiland dezelfde dieren moet toefchrijven als 
aan Borneo, waarvan het, in zijne geheele uitge- 
ftrektheid fiechts door de engte van Macasfar ge- 
fcheiden is; zijn zuidelijk gedeelte, de punt van Ma- 
easfar en het noordelijk uiteinde van het eiland, uit 
de ' districten van Monado en Gorontalo bellaan- 
de, zijn de eenige een weinig bekende gedeelten, 
die bovendien flechts zeer oppervlakkig zijn onder- 
zocht. Eenige Apen, de Phalangers , de zonder- 
linge zwijnfoort, onder den naam van Sus babirusfa 
bekend, welke men ook op Booro vindt en die in 
de moerasfen leeft; twee mtxxwt Antilopen , Herten^ 
vele foorten van Calaos , van Koekoeken , een groot aan- 
tal Duiven , de foorten van dat zonderlinge geflaclrt Me- 
gapodc, welke hunne eijeren niet uitbroeijen, vele an- 
dere 



C 73 > 

A&ctPkenSers en fommigc kruipende dieren , vertooncn 
ons dieren , welke Java en Sumatra nog niet opge-» 
leverd hebben. De zeeën dezer ftreken voeden eene 
menigte van nieuwe foorten van visfchen , -wal- 
visfchen en de Dugong {Halecorus Dugong), een 
dier f I hetwelk men lang voor fabelachtig gehou- 
den heeft, maar hetwelk nu wel bekend is. Timor, 
in het zuidelijkst gedeelte van dezen Archipel gele- 
gen , op eenen fchier gelijken affland van de eilan- 
den der Sunda, van de Molukken en van Oceanii 
oï Nieuw-Holland ^ \& arm in zoogdieren, maar zeer 
rijk in vogels. Wij hebben inderdaad nog geen groot 
zoogdier (*) van dit eiland bekomen , hetwelk eenen 
gedeeltelijk madreporifchen en fchieferachtigen grond 
heeft, welke met eene veel armere en minder krach- 
tige vegetatie dan de overige eilanden , meer naar het 
Noorden gelegen , zoo als Amboina , Vagiou , Gilolo , 
Ternate bedekt is. 

Het plantenrijk fpreidt over die ftreken , fchatten 
ten toon, welke niet genoeg bewonderd kunnen 
worden. De wateren zelfs, welke hunne kusten be- 
fpoelen, nemen deel in deze wonderbare vruchtbaar- 
heid; de oevers zijn met digte bosfchen bedekt, 
welke zich tot op den top der bergen uitftrekken, 
terwijl, volgens de verzekering der reizigers, ook 
het ftrand der zee, met een woud van zeegewasfen 
■■'■:• -V be- 

(*) Als aan del getuigenis van fommige kooplieden, die 
dieper in het eiland gedrongen zijn , geloof gehecht kan 
worden, moet men er eene foorc van 5»^/ vinden, welke 
van den Bos S^lhetanus van Java en het vaste laad van 
Indi'ê verfchilc, 

E 5 



C 74 ) 

bezet is, waarvan de groote planten op, den bodem 
van het zoute water grocijen. De vogelen , welke 
dit verblijf bewonen, deelca ook, volgens de Verze- 
kering van de Ichrijvers van het zoologisch gedeelte 
der reize van Kapitein freycinet, in het trotfche 
dezer fchoone natuur; men ziet -er bijna geene van 
die kleine foorten, met gliusrerend geverderte , welke 
in deze uitgettrckte bosfchen , die bovendien gras ^n 
kleine infekten misfen , fchier verloren zouden gaan; 
dezelve zijn veeleer de Ichuilplaatfen van Calaos j 
van groote didffoortcn ^ van de gekroonde duiven; 
van de twee onderfcheiden foorten van Cacatoes of 
zwarte Ara^s (i), van die menigte van papegaai- 
foorten en zoo vele andere vogels en zoogdieren, 
van middelbare grootte, welke deze luchtftreek be- 
wonen , maar in geen ander eiland der Sunda gevon- 
den worden. • « «v>;;.v»»*>. 

Eene zeer bijzondere geographifche affchelding heeft 
op Timor , in de verdeeling der dieren , welke -dit 
eiland bewonen, plaats. .: : 

Gelegen onder den dertienden parallel, is Timor ^ 
in zijne geheele lengte, met eene keten van verhe- 
ven bergen doorfneden ; het noordelijk gedeelte ligt 
tegenover de Molukken , en het zuidelijk gaat langs 
een gedeelte der kusten van Nieuw - Holland ^ waar-* 
van het door een' matig breeden zeearm gefcheiden 
is; deze rotfen , waarfchijnlijk van eenen fchieferach- 
ligep aard j ,fQhijrigii.;t!Ot grenspaal tusfchen twee, dier- 
v-i -■;v^'-'! -jv,!':, ,1-^:^ , :. . lijke 

(*) De eene de zvfarte /ira, of de Am gris a trömpe 
van VAILLANT ; 'de andere een derde kleiner , welke wij 
onder den naam van Psittacm akato zullen befchrijven. 



c 75 y 

lijke bevolkingen te dienen. Die van het noorden 
gelijkt , zoo wel door de verfchillende -als , door de 
gelijkaardige foorten, naar de geflachten van zoogdie- 
ren, vogels en infekten, met welke de andere eilan- 
den van den grooten Archipel bevolkt zijn; aan den 
anderen kant van deze bergketen vertoonen zieh 
eensklaps de vertegenwoordigers van eene bijzondere 
Fauna, van eene fchepping, welke men zich zoude 
kunnen veroorloven , Oceanisch te noemen. De ve- 
getatie, draagt er, het karakter, hetwelk ons aan 
dat gedeelte van de noordkusten van Nieuw-Holland 
herinnert, hetwelk de zeevarenden ons als woest, 
onbebouwd, en alleen door eenige wilde en zwer- 
vende horden bewoond, affchilderen. Zoo wel op den 
eeihen als op den anderen, dezer weinig door de 
natuur bevoorregte kusten, wonen dezelfde foorten 
van vogels. De -waarzeggende gootbek (Scythrops 
fresageur) voorfpelt er door zijn wanluidend ge- 
fchreeuw den regen, en die dikke misten, in welke 
de kusten met klippen bezaaid, aan het gezigt der 
zeelieden onttrokken worden ; de vogels met eene 
penceelvormige tong, voornamelijk die van het ge« 
llacht Mcliphaga, vertoonen er zich in vele fóor- 
ten , gelijkaardig aan die van Oceanië, men heeft er 
de Corbi-calao^ in jeugdigen leefdtijd zoo verfchil- 
lend van hetgeen hij bij vollen wasdom is; de Lan-' 
greyens ^ met fnelle vlugt, voor het grootfte ge- 
deelte bewoners der (Iranden., en een groot aantal 
andere vogels van Nieuw -Holland. Men kent noch 
de zoogdieren noch de reptilia van dit gedeelte des 
eilands; het kleine aantal voorwerpen, welke men 

er 



C 7Ö ) 

er van daan gcbragt heeft , bepaalt zich tot drie of 
vier Ibortcn van de orde der Vleermuizen {Chcirop- 
tcrd) een Phalanger en drie of vier knagende die- 
ren. Verder dan Timor en aan het einde van de 
groote uitgeftrektheid dezer Zuid-zeeën , bevinden zich 
ten oosten en ten noorden deze menigte van raadre- 
porifche eilanden , meer of min door groen bedekt , 
of ter naauvvernood boven de oppervlakte van het 
water zigtbaar; in deze zeeën fchijnt de natuur meer 
en meer klippen uit den bodera van den Oceaan te 
doen oprijzen, welke door de verwonderlijke opeen- 
hooping van zoöphyten gevormd worden. Aldus zijn 
ook deze kleine Archipels en die eenzame, meer 
uitgeftrekte eilanden , zoo als Booro , Ceram en 
andere, waarvan de ligging ter naauwemood be- 
paald en de voortbrengfelen onbekend zijn , het vader- 
land van eenige zeldzame, weinig beftudeerde zoog- 
dieren; van enkele vogels met een glinsterend ge- 
vederte of met buitengewone ver{ierfels , zoo als de 
Paradijsyogeh , de Promerops ; van eenige visfchen 
met eene zonderlinge gedaante en met de levendigfte 
en juist afgeteekende kleuren geteekend enz. 
- Het is waarfchijnlijk aan de Franfche Marine en 
aan de Naturalisten, aan boord der fchepen van dé 
Kapiteinen duperrey en d'ür-Vill-e ingefcheept, 
•voorbehouden , ons meer zekere inlichtingen omtrent 
deze eilanden, omtrent die der Papous en omtrent 
NieuW'Guinea , . het elndoogmerk van hunnen zeetogt , 
te leveren. 

De terugkeer der naturalisten , die zich aan boord 
van de corvet VAstrolahc bevinden , voorfpelt aan dj^ 

ge- 



C 7? ) 

Scicerde wereld cciic menigte v;in belangrijke gcogra- 
phifclie bijzonderheden en een niet minder leerzaam 
aantal waarnemingen over de natuurlijke gefcbiedcnis 
van dit gedeelte der wereld , ,hetwell^,.yoor. de^weteur 
fchap nog niet ontgonnen is. ? . /, , ,•,,•,,,••. .. r. 

In afwachting , dat men in dit berigt den geheelen 
omvang van den grooten Jrchipd zal mogen bevatr 
ten , gelooven wij geene ondienst te doen , aan die 
genen, welke zich met de geographifche verdeeling 
der dieren in de verfcnillende deelen van den aardbol 
bezig houden , door eenige aanwijzingen te voegen bg 
die genen, welke in de reisverhalen, vooral in die 
der uitrustingen, onder het bevel van de Kapiieinen 
FUEYCiNET cn DUPERREY , opgetcckend zijn. Dit 
overzigt is ingerigt, om als inleiding tot meer uitge- 
werkte betoogen over deze foort van nafporingen te 
dienen. De heeren boie en macklot ftellen zich 
voor er de bouwftolTen toe te leveren. C*^. 

De uitgave van het gefchiedkundig verhaal derreize 
van den Hoogleeraar ueinwardt in de eilanden der 
Sunda en in de Molukken, wordt met ongeduld ver- 
waclit. Een verblijf van zeven jaren in verfchillende 
deelen van den Archipel heeft hem in ftaat gefteld 
eene menigte waarnemingen van het grootfte aanbe- 
lang, ten opzigte van de geographifche verdeeling der 
dieren dezer keerkringftreken, bijeen te zamelen. Mogt 
hij bcfluiten fpoedig aan het verlangen van hén te vol- 
doen, die er ten fterkfle prijs opflellen, de vruchten 
der vorderingen te genieten, welke de natuurkundige 

we- 

(*) Eenige losfe (luiiken of uittrekfels hunner brieven 
zijn in dit zelfde Tijdfchrifcbeliend gemaakt. Zie D. II. n». 2. 



C 78 ) 

wctcnfchappcn , federt een klein getal jaren gemaakt 

hebben. .... ^ .-, ..; , 

Mijn doel met'- de uitgave van ■ dï't 'lïépfgtf "i^v 
om het tot Voorberigt eener proeve van ecne Fauna 
der eilanden van de Siinda te dóen dienen. De bè* 
kende foorten' zullen er eenvoucfig in aangeduid wor- 
den , met terugwijzing tot de fystemnta of tot de 
plaatwerken ; men zal eene meer of min breedvoe* 
rige befclirijving van de onuitgegeverie foort-en ge- 
ven , de foortonderfcheidende bepalingen zullen later 
in het groote werk komen , met hetwelk ik mij on- 
ledig houde. Het zal gemakkelijk zijn, het bedek 
van dit berigt te vergrooten , naar gelang der ont-* 
dekkingen, welke onze reizende Natuuronderzoekers 
ons zuilen mededeelen. Deze naamlijst zal gevolge* 
lijk de aanwijzing kunnen bevatten van al de dieren , 
in de overige gedeelten van den grooten Archipel der 
keerkringen, gevonden. Ten flotte flel ik mij voor, 
bij wijze van bijvoegfel, een min of meer omftandig 
overzigt van de Fauna van Japan te geven ; van dat 
eiland , hetwelk , wat zijne dierlijke voortbrengfelen 
aangaat , zeer weinig bekend is , en hetwelk het Ne- 
derlandsch Gouvernement, zich bevlijtigt uit een we- 
tenfchappelijk oogpunt te doen onderzoeken. 



PaoE- 



( 7P ) 

■ I "i l/l ?.'.'■",' '. . ' ',),[ j'i' ... 

ï>ROEVEN OVER DEN INVLOED VAN HET ZENUW- 
STELSEL OP DEN BLOEDSOMLOOP. 

j^.^'Off.Hii,??- tïi^Pi'S.?? ^«jiF»: VROLIKi 

' (Medegedeeld mor dèh 'laatften), 

1.^ iets heeft welligt de phijfiologen zoo dikwerf be- 
zig gehouden en tot zoo tncenigvuldige en zoo tegen- 
ftrijdige ineeningen aanleiding gegeven , dan de vraag , 
of de bloedsomloop van den invloed van het zenuw- 
fleifel afhankelijk zij of niet. Dé groote haller C«) 
meende, dat de prikkelbaarheid van het hart, door 
het bloed in gedurige werking gehouden , cie eenige 
oorzaak van de afwisfelende bewegingen van hetzel- 
ve , en dus ook van den bloedsomloop in het alge- 
meen was, en dat de zenuwen hierop geenen in- 
vloed hadden ; hoewel hij echter aan den anderen 
kant den invloed, welke de zenuwen op de prikkel- 
baarheid der flagaders uitoefenen , niet loochent, 

Le gallois (b^ onderwierp de meening van hal- 
ler aan een bepaald onderzoek, en door levende 
dieren , bepaaldelijk konijnen aan eene geheele of ge- 
deeltelijke vernietiging van het ruggemerg bloot te 
ftellen en aldus de zenuwwerking te vernietigen , 

kwam 

(ö) A. V. HALLER, Elementa Phyfiologiae Corporis Hü- 
mani, Tom, 1. p. 459. en en Tom. II. p. 202 , 206 en 255 
Laiisannae 1757. 

(b) M. LE GALLOIS, Experietices sur k principe de la vie. 
Paris r3i2. 



C «o ) 

kwam hij tnt het hoogst belangrijk bcduit , dat in 
die doelen , in welke dezelve was te niet gegaan , of 
in het geheele ligchaam , als het gantfche ruggeroerg 
was weggenomen, de bloedsomloop ook geheel ftil- 
ftond. 

Hierbij behoort aangemerkt te worden , dat hij de 
vernietiging van het riiggemerg meestal door metalen 
draden , tusfchen de bogen der wervels ingebragt 
en aldaar ft^el en met geweld rqndge(ir|»id , bewerk-* 
Heiligde. . ... ■. 

WiLSON PHILIP (*) ging op den door le gallois 
geopende baan voort , maar kwam , hoewel eene 
fchynbaar gelijke wijze van handelen volgende > tot 
een geheel tegenovergefteld befluit ; hij vond name- 
lijk , de kracht van het hart , als ook van het geheele 
vaatgeftel, van het ruggemerg geheel onafhankelijk, 
daarbij echter te gelijker tijd opmerkende, dat prik- 
kelingen van het ruggemerg invloed op de bewegin- 
gen van het hart hadden en deze verfnelden. Men 
mag evenwel niet met ftilzwijgen voorbijgaan , dat hij 
zich meest met eene oppervlakkige en langzame be- 
lediging van het rpggemerg vergenoegd heeft , en zich 
fonis flechts bij eene kwetfing der dura mater fchijnt 
bepaald ie hebben. 

Zoo wij nu de proefnemingen en derzelver uitkom- 
dien van deze beide geleer.den te zamen vergelijken, 
blijkt het genoegzaam, dat, zoo als nasse (f) te 
regt aanmerkt , de een te veel , de ander te weinig 

heeft gedaan. 

Ter- 

(*) WILSON PHiMP , Inqtiiry into the lawi of the vital 
functiom en verfiiche enz. in meckel's Archiv. B. II. p. 320. 

(f) F. NASSE, Uiuerfuchungen zur Lebens nacurlehre 
und Hcilkundc, Ilalle 1118. i. B. i. Abcheil. 



C 81 ) 

Terwijl de eerde door het hevig en fpoedig rond- 
draaijen der metalen draden in de rnggegraat , aan het 
geheele geftel eenen fchok mededeelde, welke op 
zich zalven , zonder dat men naar andere oorzaken 
behoefde te zoeken , voldoende zoude kunnen geweest 
zijn, om den bloedsomloop tegen te houden, oefen-» 
de de ander, door zijne zachte handelwijze, geeoe 
genoegzame werking op denzelven uit. Men zie ter 
nadere bevestiging van dit gezegde, de 23'*^ proef van 
wiLSON PHILIP , in welke deze , de handelwijze van 
LE cALLüis , door het hevig en plotfeling ronddraaijen 
van eenenigloeijenden draad in de ruggegraat , volgende , 
ook oogenblikkelijk de beweging van het hart zag ver- 
minderen. Geen wonder derhalve , dat latere phyfio- 
logen, door dit verfchil van uitkom ften, in twijfel ge- 
bragt, de zaak op nieuw onderzochten. Trevira- 
Nus (*) doorfneed bij kikvorfchen den zenuwftam 
van de dij , of ook wel het ruggemerg , en daarna het 
zwemvlies van den achterpoot onder het microscoop^ 
brengende, vond bij, dat hierna de bloedsomloop 
foms in hetzelve opgehouden had , en ook foras in 
hetzelve was blijven voortgaan. Hij werd hierdoor 
eenigzins tot een gemengd befluit gebragt, en ver- 
klaarde wel de kracht , door welke het bloed voort- 
bewogen wordt , volgens hem , in deze vloeiftof zelve 
gelegen en flechts door de zamentrekkingen van het 
hart onderfteund, voor afhankelijk van het zenuw- 
ftelfel, maar voegde er tevens bij, dat deze invloed 
door individueel onderfcheid gewijzigd wordt. Nasse 

on- 

(*) G. R. TREViRANüs, Biologte , Göttingcn 1814. S. 644 
viid folg. 

Bijdragen , d. III. st. i. i^ 



C So ) 

onderzocht daarna met zijne gewone fcbcrpzinnigheid , 
de verfchillende , zoo even aangeflipte meeningen en, 
na gecne van allen voldoende gevonden te hebben, 
trachtte hij de feilen, welke anderen in hnnne proef- 
nemingen begaan hadden, te ontwijken en kwam 
eindelijk tot een befluit , hetwelk weinig van dat van 
TREViRANUS verfchilt, waarbij aan de zenuwmasfa's 
de invloed op de beweging van het hart niet ont- 
zegd, maar behalve deze, in dezelve nog eene an- 
dere kracht erkend wordt, welke van de eerfte onaf- 
hankelijk is en in het leven van het deel zelve 
berust. 

In weerwil dat hiermede alles fcheen verklaard te 
zijn , en de zaak welligt voor afgedaan had kunnen 
befchouwd worden, kwam w. krimer. (*} toch nog 
eens op dezelve terug; zulks echter meer bepaalde- 
lijk om te zien, welken invloed de zenuwen op de 
ontfleking uitoefenen. Hij doorfneed den (lam der 
dijzenuw bij eenen kikvorsch , en het zwemvlies van 
den beledigden poot onder het microscoop gebragt 
hebbende, was het hem onmogelijk door eenigen 
prikkel, ontfteking in hetzelve voort te brengen; 
terwijl ook de bloedsomloop langzamer werd en ein- 
delijk ophield. Ook gelukte het hèm niet in den 
poot van eenen jongen hond , van welken hij de dij 
en zitbeenszenuw doorfneden had , ontfteking te ver- 
wekken. Deze proeven gaven later aanleiding tot 
eene onnaauwkeurigheid van langenbeckCI). Ook 

wer- 
■ (*) w. KRIMER, Phyliologifche Unterfuchungen. Leipzig 
1820. S. 162 und Folgg. 

(f) LANGENBECK zegt in zljfte Chirurgifche Krankheiten , 
Th. I, S. 93 ; „ Er (krimer) brachte einen Froich mtt der 



C 83 ) 

werden zij met ongepaste heftigheid door jaeckkl (*) 
beftrcden; zoodat men in al dit verfchil van meenin- 
gen fchier niet meer weet wat te gclooven. Het 
werd derhalve noodzakelijk , de zaak op nieuw te on- 
derzoeken (f). 

De 

„ Sckwimmhaut utiter das Microscop , und durchfchnitt ihm 
y^den Schenkelnerven der namlkhen Seite y worauf fogleich der 
„ zuvor fchnelle Krehlauf in einigen Stimden langfawer wurde. 
y,Nachdem eine kleine Stelle der Schwimmhaut mit einer 
^ Kochfalzauflüfung beftrichen war , erweiterten fich die Ce- 
„fasfe wieder, wie dies der Fall èey ahnlichen Ferfuchen 
^ ohne Durchfchneiden der Nerven gewefeti war. Nach der 
y, Durchfchneidung des Rückenmarkei verfchwand die Röthe , 
^ entffand auch nach der Anwendung der Salzauflöfung nicht 
„ wieder , und in 8 Minuten hdtte in allen Cefasfen der Kreii- 
i, lauf aufgehört,^'' 

Krimer zelf zegt : „ Nun beftrich ich eine kleine Stelle der 
y, Schwimmhaut mit einer Kochfalzauflöfmg , wonach die urn 
y,diefe fowohl ali an diefer Stelle gelegene Gefaife weder er- 
„ weitert noch röther ah zuvor wurden u. i. w. 
■ (*) Etwas zur PFürdigung der Phyfiologifchen Unterfuchun- 
gen von krimer. Leipzig 1820 von Dr. jAtcKZL in Deut/ches 
^rchiv. für Phyftol. 7. B. 3 H.ft. S. 395, 

(f) Ik had hierbij nog een paar proeven van milne 
edvvards en p. vavasseur , (^Jnnatei des Sciences naturel' 
les. Torn. IX. p. 329) kunnen vermelden, zoo ik dezelve 
niet voor te weinig afdoende hield , om in den tekst eene 
plaats te verdienen. Na opening der borstholte , en door- 
finjding of wegneming der middelfte en onderfte halsvlechten 
van de nervus fympathicus magnus, vonden zij dat toch het 
hart, gedurende eenigen tijd bleef kloppen. Dit verfchijn- 
fel heb ik meermalen onder de proeven van magendie te 

F 2 Pa. 



r 84 ) 

De hoop van eenig Ücht over dezelve te ziiHcn 
vcrfpreiden, voerde den heer thyssen en mij tot het 
befliiit, op nieuw den ftaat der vaten en van den 
bloedsomloop, na het doorfnijden van ruggemerg of 
dijzenuwen in de zwemvliezen van kikvorfchen na te 
gaan. Het refultaat onzer nafporingen dcelen wij 
hiernevens mede en voegen er alleen bij , dal bij 
fommige derzelve, de Hoogleeraar schröder van der 
KOLK tegenwoordig was. 

\fte Proef. Den 9*^^" Augustus van het vorige jaary 
doorfneden wij bij eenen vrij grooten en zeer leven- 
digen kikvorsch , den ftatn van de zenuwen der on- 
derfte extremiteit, welke zich in het bekken be- 
vindt, door eene zijdelingfche infnede in de buik- 
holte, waarbij het dier weinig leed en fchier geen 
bloed verloor (*). Oogenblikkelijk was deze poot 

ge- 

Parij'St na de opening der borstholte en den hierdoor voort- 
gebragten dood van het dier, zien plaats grijpen, en ik 
geloof gaarne , dat het doorfnijden van zenuwen hier niets 
toe- of afdoet, daar het mij alleen een .gevolg fchijnt te 
zijn van de irritabiliteit , die na den dood nog in het hart 
overblijft, en welke ik uren na denzelven, in het hart 
van eenen grooten fchildpad, nog zamentrekkingen in het- 
zelve zag voortbrengen. De heeren edwards en vavas- 
8EÜR fchrijven aan hunne dieren, na opening der borst- 
holte (welke zij zelve zeggen largement gedaan te heb- 
ben) nog leven toe. Hoe echter leven na het plocfeling 
ophouden der ademhaling, ten minste zoo deze niet kunst- 
matig vervangen wordt, zoo als le gallois het deed, kan 
beftaan , verklaar ik niet te begrijpen. 
(*) Hierbij dient vermeld te worden, dat wij de door- 

fne. 



( S5 O 

geheel verlamd en liina; als een- dood deel bij liet 
ligchaam. Het zvvenivlies dezer zijde onder hei mi- 
croscoop brengende, zagen wij, dat de bloedsomloop 
in hetzelve, onder den vorm van een wjti, dporfchij- 
nendvücht, roodc bolletjes rondvoerende, op eene 
zeer gelijkmatige wijze voortging, welke in het ge» 
heel niet verfchilde van den bloedsomloop, welke 
wij aan de tegenovergeftelde zijde , waar de zenuw 
niet doorgefneden was, waarnamen; 

Beide zvvemvliezen met fubcarhonas amm, Uq, 
geprikkeld hebbende , vertoonde het dier aan de zijde , 
waar de zenuwen doorgefneden waren, geene blijken 
van pijn, aan de andere wel. In beiden verfnelde 
eerst de bloedsomloop, daarna hield hij op; de bloed- 
vaten waren hierbij zeer opgezet, met rood bloed 
gevuld en netvormig. . ; 

. Den volgenden dag (lo Augustus) des morgens te 
negen uren , was de ontfteking aan de zijde , waar de 
zenuw doorgefneden was , veel geminderd ; de kleine 
vaatjes vertoonden eenen bloedftroom van zeer ligt 
gekleurde bolletjes ; terwijl de groote ook veel min-, 
der opgezet en van minder roode kleur waren, 

Aan de andere zijde was debloedftroom veelfneller, 
vooral in de kleine vaatjes. Na den middag te een 
ure, had aan beide zijden alle bloedsomloop opge- 
houden; te twee uren was dezelve, hoewel traag, 
echter weder aan den gang. Des namiddags om half 
zes , was er iji het ?wemvlies van het been , met 

door- 

fnede zoo wel van de zenuwen als van het ruggemerg , al- 
toos van een verlies van zelfftandigheid deden verge-, 
zeld gaan. 

-f3 



( 86 ) 

doorgefneden zenuw, een vrij regelmatige, niet zeer 
trage bloedflroom ; terwijl aan de tegenovergcfteldc 
2ijde, hoegenaamd geene beweging was. 

Den ii'ï^" Augustus , des namiddags te half vier uren, 
duidelljice regelmatige , doch trage circulatie , in beide 
zwemvliezen. Den is"^"» des namiddags insgelijks. 
Den 14'^"» het dier dood. 

2^1? Proef. Bij eenen tweeden kilcvorsch door- 
fneden wij den iS*^*" Augustus des namiddags , onge- 
veer te twee uren, den ftam der zenuwen voor de 
onderfte extremiteit , op dezelfde wijze als bij de 
vorige , in het bekken (♦). Het zwemvlies derzelfde 
zijde , terftond onder het microscoop gebragt , ver- 
toonde eene fnelle circulatie , gelijkvormig aan die 
der voorgaande proef en dit voor alle volgende proe- 
ven hetzelfde zijnde , zullen wij het er niet meer 
bijvoegen. Dezelve verfchilde ook in geenen deele 
van hetgeen , in den anderen onbefchadigden poot 
plaats greep. Wij doorfneden daarop , te half drie 
lïren, het ruggemerg een weinig boven het bekken; 
en daarna de zwemvliezen door het microscoop on- 
derzoekende , vonden wij aan den poot met gave 
zenuwen , in het zwemvlies , eene vrij fnelle circu- 
latie; in de andere, waarvan de zenuwftam doorgefne- 
den was , eene flechts trage , in een enkel vat. Wij 
trachten daarop het zwemvlies van dezen poot in 
ontfteking te brengen , door hetzelve met fpr. falis 
ammon, te prikkelen. Oogenblikkelijk daarna het deel 

on- 

C*) Öe opgave van ^verlamming vermelden wij als een 
overbekend gevolg der doorfnede van zenuwen, in deze 
en in de volgende proeven niet. 



C 87 ) 

onder het microscoop brengende, ontdekten wijeene 
trage, doch regelmatige circulatie, met opgezette va- 
ten, welke des avonds te zeven uren ook nog plaats 
greep. Wij lieten het dier daarop wel in eene flesch 
met een weinig water, tot den oosten Aug. , dus ge- 
durende drie dagen liggen, waarop wij hetzelve op 
uieuw onderzoekende, te vier uren des namiddags, 
in beide zvvemvliezen , etne fnelle circulatie waarna- 
men. Te zes men hddepooten met fpi r. fal^ ammon. 
geprikkeld hebbende , volgde hierop eene opzetting 
van vaten met rood vocht, dat trager en trager vloeide 
en tegen zeven uren ftilftond. Na den dood van het 
dier bleek het, dat ruggeraerg en zenuwen goed 
doorgefneden waren , dat zelfs een gedeelte van het 
eerde vernietigd was. Aan de wonde, welke wij 
ter doorfnede van den zenuwllam hadden moeten 
maken , had zich aan de binnenzijde in de buikhol- 
te, een flijmvlies gevormd, hetwelk reeds duidelijk 
met bloed gevulde vaten vertoonde. Ook was de 
wonde aan den rug, in den omtrek zeer ontdoken 
en hoog rood van kleur. 

2de Proef. Bij eenen derden kikvorsch doorfne- 
den wij , den 27**"=° Augustus een weinig boven het 
bekken, het ruggemerg. Beide zvvemvliezen vervol- 
gens onder het microscoop gebragt hebbende, ont- 
dekten wij in geen van beide , eenige de minste fpo- 
ren van bloedsomloop, welke,, gok., na .v^jf uren nog 
niet zigtbaar was. : ■ •" t-!^ ^ '-i') ■■, ) 

Den 28'"^" Aug. was er in geen der beide zwemvlie- 
2cn eenige de minste circulatie. .Nieuwsgierig zijnde, 
of de bloedsomloop ook in de grootere vaten van 

F 4 het 



C SS ) 

liet been gefticnid zoude zijn , legden wij eerst de 
huidvaten , door het wegknippen en omslaan van een 
fluk huid , en daarna de art, tibialls postica en de 
art. en vena crurales bloot. In geen dezer vaten 
was eenige beweging van bloed te bemerken. De 
flijflagader en ader hadden beide dezelfde zwarte 
kleur, en bij de doorfnede, kwam er uit geen van 
beide een droppel bloeds. In de longen was intus- 
fchen de circulatie blijven voortgaan , en twee uren 
daarna was de klopping van het hart nog zigtbaar. 

/^de Proef. Bij eenen vierden kikvorsch doorfueden 
wij, den 29"*» Aug. des namiddags te zes uren^ 
het ruggemerg een weinig boven het bekken; en 
ontdekten aan den regterpoot zeer duidelijke circu- 
latie in het zwemvlies , aan den linkerpoot daarente- 
gen, hoegenaamd geene. Des avonds, kwart ovet 
acht uren, was alles in denzelfden toefrand. 

Den 28'"° Aug. des namiddags te een ure, was er 
in geen der beide zwemvliezen eenige circulatie zigt- 
baar. Op dezelfde wijze , als in den vorigen kik- 
vorsch, legden wij de huid en fpiervaten van het 
been bloot en -ontdekten in deze eenen duidelijken 
bloedsomloop; wij zagen zelfs op eene plaats, twee 
ftroomen in tegenovergeftelde rigting voortloopende, 
waarvan de een derhalve als een flagaderlijke , de an»- 
dere als een aderlijke behoort befchouwd te worden* 

$de Proef, Bij eenen vijfden kikvorsch doorfne- 
den wij , den aden Sept. , het ruggemerg een weinig 
boven het bekken; een uur na de doorfnede, was 
de circulatie nog in beide zwemvliezen, ten duide- 
lijklle zigtbaar. Daarop werd de zenuwftam der lin- 
ker- 



i 



( 89 ) 

kerzijde , tak voor tak in het bekkciï doorgefneden ; 
waarop in dezen de circulatie geheel oi>bieldj maar 
in den regterpoot traag bleef voortgaan* 

Na ook aan deze zijde den zenuvvl'tam doorgefne- 
den te hebben , bleef er eene trage cttculatie over , 
welke echter verdween , nadat een tak , welke Hechts 
gedeeltelijk was doorgefneden , nu geheel vaneengc* 
fcheiden werd, -j y/) i, , ; 

Den 3^"="^ Sept. was er bij dezen kikvorsch in heK 
regrer zwemvlies, tusfchen den tweeden en derden 
vinger, eene langzame circulatie, welke tusïfcben den 
eerften en tweeden niet zigtbaar was ; in den linker 
poot was dezelve zoo wel tusfchen den eerden en 
tweeden, als tusfchen den tweeden en derden aan- 
wezig. De bloedsomloop derhalve, welke eerst was 
opgehouden, had zich federt den vorigen dag weder 
verheven en ging , hoewel trager dan in den gezonden 
toeftand, voort. Wij namen daarop het geheek on- 
derde gedeelte van het ruggemerg w^, en bleven 
toch nog dezelfde circulatie, hoewel eenigzins nïin- 
der algemeen , waarnemen. 

Na den dood van het dier, zagen wij, dat het 
ruggemerg, van den vierden halswervel af tot aan 
het heiligbeen , geheel vernietigd was. Ook waren 
aan beide zijden de drie takken , welke de zenuwen 
voor de onderfte extremiteit daarftellen , goed door- 
gefneden. Alleenlijk was er een klein takje, uit het 
heiligbeen van weerszijde komende, en zich met de 
zitbeenszenuw vereenigende , uit hoofde zijner diepe 
ligging, in zijn geheel gebleven. 

6de Proef. Den 2^^" Sept. doorfneden wij bij eencn 
zesden kikvorsch , het ruggemerg een weinig boven 

het 



( 90 ) 

het bekken; de circulatie was in beide zwemvliczcn 
blijven voortgaan; wij verlengden daarop de vernie- 
tiging van het ruggemerg meer bovenwaarts, en fne- 
den ook den zenuwftam der linkerzijde in het belo- 
ken door; de circulatie bleef op dezelfde wijze 
voortgaan. Wij bemerkten echter, dat er een zenuw- 
takje niet goed doorgefneden was. Dit gedaan zijnde, 
hield de circulatie geheel op. Den volgenden dag 
echter, was dezelve op nieuw weder begonnen. 
Den^dcn Sept. ging dezelve ook nog voort; door de 
ondervinding van den vorigen dag (zie de vorige 
proef) geleerd hebbende, dat er nog een fijn takje, uit 
het heiligbeen voortkomende , beftond , trachtten wij , 
hoe moeijelijk dit ook was , ook dit door te fnijden ; 
de circulatie was daarop wel vertraagd , maar bleef 
toch nog voortgaan. — Aan de regterzijde toen ook 
den zenuwftam in het bekken doorgefneden heb- 
bende , ontdekten wij in het zvvemvlies dezer zijde , 
geene de minste circulatie. 

Wij bragten den linker poot weder onder het mi- 
croscoop, en bemerkten tusfchen den tweeden en 
derden vinger, regelmatige, maar trage circulatie; 
terwijl dezelve tusfchen den eerden en tweeden ge- 
heel ftilftond; zelfs fchenen de bloedbolletjes aldaar 
in de vaten gedold te zijn. Een oogenblik later ech- 
ter, was de bloedsomloop ook aldaar op nieuw we- 
der begonnen. De regter poot oogenblikkelijk daarna 
onder het microscoop gebragt, vertoonde in het 
zwemvlies tusfchen den eerden en tweeden vinger, 
in een vat een e wankelende, golfachtige beweging, 
welke fomrijds van rigting veranderde en van eene 
voorti^aande in eenc terugkeerende overging. In het 

vlies 



I 



C 91 ) 

vlies lusfchen den tweeden en derden vinger daaren- 
tegen, was de circulatie vrij algemeen en fnel. Den 
5*^"" Sept. was er in het zwemvlies tusfchen den twee- 
den en derden vinger van den regter poot , zeer dui- 
delijke bloedbeweging, insgelijks ook tusfchen den 
eerften en tweeden. Bij den linker poot had het- 
zelfde plaats. Den 6'^^° Sept. was er in den regter 
poot , tusfchen den eerften en tweeden vinger , eene 
trage circulatie in flechts enkele vaten. Tusfchen 
den tweeden en derden waren fommige vaten rood 
opgezet, en in anderen was er eene trage bewe- 
ging. In don linkerpoot was er in het vlies, 
t-usfchen den eerften en tweeden vinger geene circu- 
latie, tusfchen den tweeden en derden wel, maar, 
traag en niet algemeen. Het dier had echter zeer in 
kracht afgenomen , en was den volgenden dag dood. 
Na den dood bleek het, dat het ruggemerg goed 
doorgefneden en voor een gedeelte vernietigd was; 
de beide zenuvvftammen waren ook volkomen doorge- 
fneden, als ook de kleine takjes, welke wij zei- 
den in de diepte van het bekken gelegen te zijn. 



Met deze laatfte proefneming eindigden wij onze 
nafporingen. Zoo wij ons nu kortelijk de refultaten 
derzelve in het geheugen terug roepen , zal het blij- 
ken, dat onze eerfte, tweede , vierde , vijfde en zesde 
proef genoegzaam doen zien , dat de bloedsomloop 
wel niet geheel van het zenuwftelfel afhankelijk is, 
* maar toch gedeeltelijk door hetzelve beheerscht wordt. 
Na vernietiging der zenuwwerking immers hield de 
bloedsomloop eerst op en verhief zich naderhand 

wel 



( 9^ ) 

wel, maar ging toch trager voort. Er beftaat dus, 
Ujlialve de zcniivvuiasfa's, ecnc andere kracht^ tot den 
bloedsomloop werkzaam. Men moge deze nu , met 
NASSE en TREViRANUS in het eigen leven der deelen, 
of zoo als KOCH (*) het onlangs deed, in een in- 
ftinktmatig vermogen van het bloed zoeken. Wij 
echter vergenoegen ons met de aanwezigheid derzelve 
opgegeven te hebben, aan anderen de verklaring van 
dit duister en welligt nooit verklaarbaar punt overla- 
tende. Alleenlijk voegen wij hierbij , dat de uitkomst 
onzer derde proef, zoo geheel met de gevolgen onzer 
andere proefnemingen ftrijdende , aan de eene of an- 
dere ons onbekende oorzaak moet toegefchreven wor- 
den. Wij meenen ten minfte alle met dezelfde zorg 
m het werk gefteld te hebben , en hebben ons ook 
na den dood overtuigd , dat in de overige proefne- 
mingen de zenuwwerking niet minder goed dan in de 
derde proef was vernietigd geworden. 

. (*) ht die Contraction da Herzens die einzige bewegende 
liraft dei Btutumlaufs ader hat diefer noch eine Hulfikraft , 
und wie ze'igt fle fich. Fan Dr- koch in meckel'b Archiv. 
Jahrg. 1827 Jim. — Sept. S. 416 uudFolg, 



B IJ DRAGEN 

TOT DE 

NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN. 



VEREENVOUDIGING VAN DE WIJZE, WAAROP DE STOOM- 

SCHUIVEN OF STOOMGLIJDERS IN GEWONE STOOM- 

MACHINEN BEWOGEN WORDEN. 

Door G. j. VERDAM, Lcctor in de Mcchanifchc 
Technologie te Groningen. 



D. 



'e beweging van die deelen eener floommachine , 
waardoor de gemeenfchap tusfchen den cilinder en 
den ketel, alsmede tusfchen den cilinder en den con- 
denfor of (loomverdikker , beurtelings wordt openge- 
fteld en afgefloten, kan op meer dan ééne wijze, uit 
de beweging van eenig ander deel worden afgeleid. 
Zulks hangt niet alleen van de bijzondere inrigting 
der machine af, maar ook van derzelver grootte en 
foort. In zeer kleine ftoommachinen , het zij dan van 
hooge, middelbare of lage drukking, doch volgens 
het fystema van watt ingerigt, kan men de bewe- 
ging van eerstgemelde deelen, zeer eenvoudig daar- 
ftellen ; in groote machinen gefchiedt dit meestal niet 
dan met veel omflag. Ligt de cilinder horizontaal , of 
helt hij , of heeft eindelijk de zuiger eene rondgaande 
beweging, dan wordt hierdoor meergenoemde over- 
brenging van beweging wederom gewijzigd; terwijl 
zij door tusfchenkomst van meer of minder ftukken 
plaats heeft, naarmate htt fioomfchuivcn, fioomkramn 

BIJDRAGEN , D, III. ST. I. G . . of 



( 94 ) 

o'i floomkUppen zijn, die den ftoom beurtelings in 
en uit den cilinder doen vloeijen. 

In de gewone ftoommacliinen met ftaande cilinders 
gebruikt men tegenwoordig vrij algemeen , jloomfchui- 
ven of fioomgltjders in (lede van kranen of kleppen : 
verdienende ook wezenlijk eerstgenoemde middelen 
de voorkeur boven de laatfte. Deze fchuiven of 
glijders , hoedanig zij ook ingerigt mogen zijn , ver- 
krijgen hunne beweging, uit die van het voenvicl 
of den aanzetter (*) meestal op deze wijze : aan de 
as van dit wiel is eene cirkelvormige fdiijf, excen- 
trisch verbonden; om dit excentriek (hoedanig de 
algemeene benaming van dergelijke fchijven, het zij 
chrkelvormige of kromlijnige, is), op welks dikte 
eaie keel of fponning is uitgedraaid, fluiten twee 
halfronde, koperen beugels, vrijelijk in opgenoemde 

fpon- 

(*) Ik bedoel hiermede het rad van gegoten ijzer, bij 
de Franfchen volant ^ bij de Engelfchen ^31»»/^^^/, en door 
de Duitfchers Schwungrad genoemd. In hoeverre de be- 
namingen van dac rad in de pranfche, Engelfche en Duif 
£che talen eigenaardig zijn, wil ik niet beoordeelen; doch 
hetzelve , in onze taal , vliegv^iel of zwenkrad te heeten , 
komt mij niet eigenaardig voor ; bij gebrek van een beter 
woord, noem ik hetzelve veerwiel, afgeleid van de dienst, 
die hetzelve verrigc, om, namelijk, de kruk doordeszelfs 
doode punten te voeren ; doch dit rad dient tevens om de 
fnelheid der beweging eenigzins te regelen , dac is die be- 
weging nu aan te zetten , dan in te houden , gevolgelijk is 
voerwiel nog niet de juiste naam van gemeld rad ; doch 
evenmin kan men ook aan het zelftandige naamwoord aan- 
zetter de voorkeur geven. » Misfchien oordeel: men, dat 
de benaming van drijfwiel minder gebrekkig is dan die van 
voerwieU — 



p 



( 95 ) 

fponning kunnende draaijen, en zamengehouden wor- 
dende door twee platte ftaven , welke , van de as 
des voorwiels, langs de machine loopen, tor op de 
hoogte des floomcilinders C ( /^. i), alwaar zij'za- 
menkomen en aan eene korte horizontale ftaaf ver- 
bonden zijn , welker uiteinde met eenen kraag in den 
hals eener kruk of halven tuimelaar rust. Door het 
omdraaijen van de as des voerwiels , zal het uiteinde 
van den excentriekftang eene heen- en wedergaande be- 
weging verkrijgen; de as van gemelden tuimelaar zal 
dus fchommelen , en daar deze as gewoonlijk even 
vóór of achter de ftoomkast S ligt (welke kast hier 
onderfteld wordt achter den cilinder te zijn geplaatst),, 
zal de ftang K (^fig. a) , aan welke de ftoomfchuiven in de 
ftoomkast verbonden zijn, met die fchuiven eene op- en 
nedergaande beweging verkrijgen , bijaldien zij, door een 
juk HH , twee verticale zijftangen H I, en twee krukken 
of halve tuimelaars , met laatstgenoemde as in geraeen- 
fchap wordt gebragt. — (Laatstgenoemde krukken, 
in de figuur niet aangewezen, zitten, ter wederzij- 
den der ftoomkast, vast aan de gemelde horizontale 
as, en hare andere einden zijn, door twee fpillen, 
met de onderfte oogen der zijftangen Hl verbonden; 
zoodat , onder het fchommelen der as ,. deze fpillen 
in de oogen dier ftangen dragen.) — Zoodanig is 
het mecanisme , waardoor de ftoomfchuiven , of ook 
de ftoomkleppen, gewoonlijk bewogen worden. Zij, 
die met de inrigting van het ftoomwerktuig bekend 
zijn , weten , dat de excentriekftangen , en de ftan- 
gen bezijden de ftoomkast, in lengte toenemen met 
de grootte der machine en met den flag des ftoom- 
zuigers. Middelmatige ftoomwerktuigen van i6 ^ 20 

G 2 paar- 



C 9Ö ) 

paardcnlcrachten hebben excentriek Hangen ter lengte 
van 3 ^ S'Ss; zeer groote machinen van 60 i 80 
paardenkrachten, (doch van lage drukking), kun- 
nen, bij eenen zuigerllag van 2 ellen, excentriekftan- 
gen hebben , ter lengte van 8 ellen en daarboven ; 
doch kan men alsdan ook de zijftangen, door eene 
andere inrigting der ftoomkast, vermijden. Bij ftoom- 
machinen , die in vaartuigen geplaatst worden , is 
het geheel dezer inrigting altoos zeer beknopt, we- 
gens de kleine plaats, door de werktuigen alsdan 
ingenomen wordende. 

Meermalen (lelde ik mij , bij de befchouwing van 
groote ftoommachinen in fabrijken, voor, de bewe- 
ging van het excentriek af te leiden uit die van een 
deel , hetwelk zeer digt bij de ftoomkast in werking 
was , ten einde daardoor eene meerdere beknoptheid in 
dit gedeelte van het zamenftel zou ontftaan , en men , 
hoe weinig dan ook, weder eenige befparing van kos- 
ten , daaruit konde vinden ; doch eerst onlangs , bij het in 
elkander flellen der deelen van het model eens ftoom- 
Werktuigs , dacht ik daarop nader door, en kwam tot 
eene , zoo ik meen , vereenvoudigde inrigting , welke 
hoofdzakelijk uit de volgende befchrijving kan ge- 
kend worden. Ik laat het aan deskundigeh over te 
beoordeelen, in hoe verre men in fommige geval- 
lèn die inrigting met voordeel zou kunnen aan- 
wenden, en geef daarom genoemde befchrijving eer- 
der als de oplosfing van «en werkfiuk der praktifche 
mechanica, dan wel in de meening, dat zij'eene be- 
/angrtjke vereenvouding van eenige deelen der ge- 
wone Iloommachine bevat. 
Het is bekend, dat de achterhoek D (^fig. O van 
;-•■■ het 



C 97 ) 

het zoogenaamde parallelogram eoner ftoommachine , 
ter wederzijden van de balans A B verbonden is aan 
de uiteinden van twee (laven D E , die bij E om 
eene vaste fpil (gewoonlijlf aan de zoldering van het 
gebouw, of aan die der machine geliecht) kunnen 
draaijen; hierdoor wordt de achterhoek en gevolge- 
lijk ook de voorhoek van dat parallelogram telkens 
zoo veel naar de verticaal getrokken, als het uit- 
einde B der balans A B daarvan afwijkt , en blijft dus 
de (lang des (loomzuigers in deszelfs verticale rig- 
ting. Gewoonlijk zijn de vaste draaipunten E van 
de trekdangen DE, ter zijden van het parallelogram , 
in hetzelfde verticale vlak , waarin de zuigerftang be- 
wogen wordt, geplaatst; doch er is volilrekt geene 
reden , waarom die draaipunten niet meer voorwaarts, 
en dus voorbij het uiteinde B der balans, in F of 
in G , zouden kunnen worden geplaatst , mits de 
breedte van het parallelogram alsdan in eene behoor- 
lijke evenredigheid wordt verminderd ; en dit kan 
altijd gefchieden, door eene zeer eenvoudige m eet- 
kunstige conftructie, welke aan kundige condruc- 
teurs niet onbekend is. 

Gefield dan , dat het punt E verplaatst wordt in F , 
(lechts weinige duimen voorbij het uiteinde B der 
balans, (b. v. 15 Nederl. duimen) en dat de draai- 
punten der trekdangen DE nu niet bedaan in twee 
vaste fpillen, maar in eene horizontale as FEEF, 
Cfig 3 en 5 , welke (iguren den opftand en het plan 
van het vereenvoudigde mecanisme voordellen), bij 
F en F in twee kommen kunnende draaijen, en aan 
welke de uiteinden E der trekdangen nu , door kee- 

G 3 len 



( P8 ) 

len öf wiggen vastgeklemd zijn, of, zoo als men tlit 
noemt, vierkant op vierkant aangefloten zitten (*> 

■Door de afwisfelende ömdraaijing der balans zal 
nu natuurlijk de as FF, uit hoofde van de om- 
draaijing der trekftangen, ook genoodzaakt worden 
om te draaijen , dan naar de regterhand en dan naar 
de linkerhand; gevolgelijk zal dus ook de ftang ed 
van een gewoon excentriek e, daardoor heen en we- 
der bewogen moeten worden; want dit kan men 
doen plaats hebben, zoo wel als het excentriek ge- 
deeltelijk ronddraait, als wanneer hetzelve eeneonafge- 
>brokene rondgaande beweging heeft (f). De (lang FF 

heeft 

(*) Wilde men de draaipunten E, (fg. 4) op hunne 
vorige plaats laten , dan zou men de as FF, afwisfelende 
kunnen doen omdraaijen, door aan de verlengde ftangen 
D E, getande bogen te voegen , werkende op kleine rond- 
fels F , aan de as F F verbonden ; doch hierdoor worden 
de deelen vermeerderd, behalve, dat men dan ook twee 
lleunpunten meer noodig heeft, dan in het geval van 
■eene langere trekftang D F, fig. 3 en 5 , hetwelk ook de 
conftructie verzwaart, ingeval de fteunpunten moeten ge- 
vonden worden, door kleine kolommen op het dekfel der 
ftpomcilinder te fchroeven. 

(t) Alleen is de uitgeftrektheid der heen- en weder- 
gaande beweging van de excentriekftang , zoo groot niet 
hi] de gedeeltelijke ronddraaijing van het excentriek, als 
wanneer hetzelve eene geheele omwenteling doet ; doch al 
is de uitgeftrektheid flechts 3 Nederlandfche duimen, men 
kau uit dezelve , gelijk bekend is , door lange hef booms- 
'armen , bewegingen van grootere uitgeftrektheid afleiden. — 
Wilde men echter, om redenen , de uitgeftrektheid van 

de 



II 



I 



( 99 ) 

heeft zeer weinig drukking uit te ftaan (gelijk men» 
ligtelijk uit de werking van het geheel zal kunnea 
opmaken, als ook omdat alle zware deelen door te-, 
genwigten kunnen gebalanfeerd worden, en het dus- 
alleen wrijving is, die den tegenftand uitmaakt), 
en behoeft derhalve flechts de noodige dikte te heb-, 
ben , om niet te buigen , of fterk te trillen. Het ex^ 
centriek zelve behoeft nu, als aan eene dunne as, 
verbonden, voor de grootfte machine , geen* grooteren, 
diameter te hebben dan van 20 duimen, of minder; 
kunnende men de hoeveelheid der heen- en weder-» 
gaande beweging van het einde d der excentriek-» 
öang, altijd vinden door de grootte der excentrici» 
teit enz. Eindelijk zal de (lang de zich nimmei; 
verder behoeven uit te (trekken, dan tot het achter-» 
einde der ftoomkast , of even daar voorbij j deze ex» 
gentriekftang is dus, op zijn minst, zoo veel korter, 
dan bij de gewone inrigting , als de balans lang is ; 
en hierin, alsmede dat men voor de grootfte machi-» 
nen nu flecbts een zeer klein excentriek noodig heeft 
(voorzeker op de draaibank gemakkelijker te bewer* 
ken dan een groot), befta^t het voornaamfte der be- 
doelde vereenvoudiging. 

Het uiteinde d ^er excentriekftang rust met een* 
kraag in een' hals i (zie fig. 3 , 5 en 6) , gewerkt io 
I;et midden V9n epn klein asje dd, azn welks uit- 
ein- 
de beweging der excentriekftang grooter doen zijn, zou 
men, in dit geval, zulks moeten vinden door de as 
van bet excentriek met tweie kleine rondfels te voor- 
zien (/%•, 4), welke door getande bogen aan de irekftan- 
gen verbondei? , afwisfelend worden omgevoerd, 

G4 - 



( 100 ) 

einden verbonden zijn twee ftangen of hefboomenV/, 
die aan Iiec andere einde bij ƒ wederom aan eene 
ds ff vastgehecht zijn ; deze as moet ter wederzijden 
in twee itommen draaijen , zoodat er op die hoogte 
twee vaste fteunpunten worden gevorderd. In het 
midden dezer as , tusfchen de hefboomen </ƒ, is eene 
gevorkte ftang eb vastgemaakt, waaraan, door mid- 
del van een klein juk, de ftang ab der floomfchui- 
ven hangt: daar de hefboomen ^/ en de ftang eb 
vast op de as zitten , zal het geheele zamenftel , met 
genoemde as, te gelijk moeten draaijen, zoodat, 
door de heen- en wedergaande beweging der excen- 
triekftang ^, de ftoomfchuif- ftang, met de ftoom- 
fchuiven eene op- en nedergaande beweging zal ver- 
krijgen. — Een tegenwigt g , ter andere zijde , ins- 
gelijks aan het midden der as ƒƒ gehecht, maakt ten 
naastenbij evenwigt met de ftoomfchuiven enz.; ook 
kan men het excentriek des noods door een tegen- 
wigt balanferen, zoodat er dan flechts eene geringe 
kracht benoodigd is , om de wrijvingen en de traag- 
heid der deelen te overwinnen. 

Na deze befchrijving van het hoofdzakelijke der 
werktuigelijke inrigting , is het noodig aan te wijzen , 
dat dezelve aan al de gevorderd wordende vereisch- 
ten zal of kan voldoen. 

Terwijl de fioomzuiger ééns op- of neder gaat ^ 
moeten de fchuiven ééns toe- en ééns opengaan enz., 
zoodat de beweging der fchuiven van die des ftoom- 
zuigers verfchilt, anders zou de inrigting nog een- 
voudiger kunnen worden : deze beweging der ftoom- 
fchuiven , hoe kort of lang en op welke oogenblik- 
ken zij moet plaats hebben, is nu altijd te verkrij- 
gen 



( loi ) 

gen door het excentriek en de hefboorasarmen df en 
bf zoodanig af te meten, dat de op- en nedergang 
der ftoomfchuiven in die uitgeftrektheid gefchiede, 
als gevorderd wordt; men zal dit, zonder verdere 
omfchrijving, gemakkelijk kunnen befefFen. 

De as ff^ ifig. 3, 5 en 6) moet in- twee vaste 
kommen kunnen draaijen. In de meeste gevallen zal 
men, ter zijden van de ftoomkast , of aan de zolde- 
ring, der machine enz. gelegenheid kunnen vinden , 
om, zonder omflag en moeite, twee vaste punten te 
plaatfen, tot fteunpunten voor gemelde kommen. 
Is die gelegenheid niet aanwezig, dan verkrijgt men 
twee fteunpunten , door twee korte ftangen of ko- 
lommen op de ftoomkast te fchroeven enz. ; en dit 
is dan het omflagtigfte der geheele inrigting. 
■ De (loomfchtiifflang ab moet ^ zoo naairwkeitrig 
als dit kan , regt op- en neder gaan , ten einde , door 
eene merkbare afwijking , de fchuring derzelve tegen 
den wand der itoomdoos a^ niet nadeelig worde en 
er ftoom uit de ftoomkast zou kunnen ontfnappen. 

Men verkrijgt deze verticale beweging, op eene 
voldoende wijze, door de volgende inrigtingen: 

a. Door de oogen der vork ^, waarin het juk der 
ftoomfchuifTtang moet rusten niet rond, maar 
langwerpig of ovaal te maken , gelijk fig. 3 en 6 
voorftellen, opdat de afwijking der vork b van 
de verticale lijn geen' invloed hebbe op de af- 
wijking der ftang ab. Ware de flag van de 
ftoomfchuiven groot, of derzelver beweging fnel , 
dan zou de verticale beweging op deze wijze 
zeer gebrekkig zijn, en zouden ook de oogen 

G 5 der 



( 102 ) 

der vork fpoedig uitflijten enz. ; doch de bewe- 
ging der Ichuiven is langzaam, in vergelijking 
van de beweging des ftoorazuigers , en derzelver 
: flag zal voor de grootfte machinen, welke eenen 
zuigerflag van a ellen hebben , ongeveer 2 pal- 
•.\-.-.nien zijn; indien de flag van den zuiger i el 
j'v ds, verfchilt de hoegrootheid van den flag der 
- '' ftoomfchuiven ook weinig van i palm. Boven- 
. .. dien is men veeltyds meester den hefbooms- 
vA rarm Ifc Cfig. 3 en 9), langer te nemen dan^:^, 
opdat de afwijking van het uiteinde b van de 
verticale lijn minder worde, zoodat, indien men 
• .1 j bij voorb. aan èc de lengte kan geven van ééne 
el, en dat de ftang ab niet zeer kort is, men 
de oogen der vork è niet eens ovaal zal behoe- 
ven te maken; zij kunnen dan rond zijn, zoo 
als in fig. 9 is voorgefteld ; want de kleine cir- 
kelboog, ter lengte van a palmen, door het uit- 
einde è befchreven, zal dan zoo weinig van eene 
regte lijn verfchillen, dat daaruit geene aanmer- 
kelijk nadeelige afwijking kan ontfiaan. 

l>. Eenê volmaakt verticale beweging verkrijgt men , 
door aan het uiteinde der ftang a Cfig» 7) een' 
hengel te verbinden , door middel van twee keelen k 
(want indien men den hengel en de ftang uit één 
ftuk wilde hebben, zou men den hengel, even 
als de ftang, moeten fmeden, terwijl het beter 
en gemakkelijker is den hengel te gieten enz.), 
en denzelven op- en neder- te doen gaan, door 
het afwisfelend omdraaijen van den getanden 
boog t, die met den hefboomsarm te, uit één 

ftuk 



( 103 > 

ftuk is gegoten. — Deze mrigtiiig kan ook zeer 
goed beftaan , wijl de beweging langzaam en de 
drukking op de tanden , uit hoofde van de be- 
ftaande tegenwigten , zeer gering is. / 

r. Wil men echter het raderwerk vermijden, dan 
zal een klein parallelogram , aan het uiteinde des 

. , arms bc {fig. 3 of 9) gevoegd, de ftang ab 
volmaakt op en neder doen gaan. Dit paralle- 
logram kan, wegens deszelfs kleinheid, zeer 
.eenvoudig worden ingerigt, doch het is, bene- 
vens andere verbindingen van fcbarnierftangen , 
daarom zamengeftelder dan eenig ander middel, 
omdat men dan wederom twee fteunpunten noo- 
dig heeft voor de trekftangen. 

d. Nog zal men ten naastenbij eene verticale bewe- 
ging verkrijgen, door aan de z% cc ifig. 8) twee 
gebogene hefboomen of tuimelaars del te hech- 
ten, en door de oogen / twee korte fpillen te 
flaan, om welke de korte ftangen kl kunnen 
draaijen , moetende zij tevens kunnen draaijen om 
de dvvarsftang, of om het juk kbk, aan het- 
welk de ftoomfchuifdang aè hangt; de afwijr 
kingen aan het einde b van de verticaal, worden 
door deze twee verfchillende omdraaijingen der 
ftangen i^/, zeer verminderd; gelijk dan ook, 
door eene meerdere lengte van ab, de afwijkin- 
gen bg <? minder gevoelig of nadeelig worden ; 

\ doch is ab zeer lang , dan moet deze ftang nog 
door een oog Ipopen, hetwelk tusfchen de ftan- 
gen k l aaji de as c c kan worden vastgemaakt. 

Om 



C 104 ) 

• 0;;> de machine in beweging te brengen^ of om 
de Tfgting van de beweging des voerwiels , des ver- 
eischt wordende , te kunnen veranderen , moet de 
machinist^ de werking van het excentriek kunnen 
fchorten , en de Jloomfchuiven uit de hand bewegen. 
Het excentriek kan hij, met eene houten vork, uit 
deszelfs hals d ifig. 3) ftooten , of door een ket- 
tiligjèi loopende over eene leifchijf A, opligten; 
terwijl hij de ftoomfchuiven , door den zwengel ^, 
op-- en neder zal kunnen halen; te dien einde moet 
het tegenwigt g laag genoeg naar beneden hangen. 

OVER DE ONDERLINGE LEVEILIGING DER 
METALEN. (*) 



Boor A. VAN BEEK. 



Al; 



uls eene der belangrijkfte toepasfingen, welke van 
het beginfel der beveiliging van metalen voor oxyda- 
tie , door middel der galvanifche electriciteit , kunnen 
gemaakt worden , werd door s. humphry davy op- 
gegeven de beveiliging der ijzeren ftoomketels , vooral 
wanneer in dezelve, gelijk bij de ftoomvaartuigen 
veeltijds het geval is, zeewater gebruikt wordt en 
de ketel uit dien hoofde fpoedig en ongelijkmatig 
flijtende, ligtelijk tot groote ongelukken aanleiding 
geven kan. 

Davy maakte voor het eerst van deze toepassing 



ge- 



(•) Voorgedragen in de gewone Vergadering der Eerfle 
Klasfe van het K. N. Inflituut, den 15 Maart 1828. 



FI.I. 



D 



X) 




Q-H 




^\>t\<i\'&. 






^ 




k) 



sr 



s 



f^ — - j — , 



D 



■ ■////.w/, ' / M''' >w/Mm/ , 



A- : a 





^i cL „ cl 

k L k 
IKK? 



cf 



]@ ®c --ejjji 



a 



« 



cl 



# 




J? 



- T— r 



\~f^-v)ij. 






C 105 ) 

gewag in „ the Bakerian lecture , on ihe relation of 
„ electrical and cheniical changes ," door lieoi den 
8 Junij 1826 voorgedragen en geplaatst in het 3de 
ftiik der Philofopliical Tranactions voor 1826.,! pag.- 

383 volg. '.'j -.1-1 

Men leest aldaar, pag. 421. „I have pointed out 
„ in former papers some of the cases of electro-che- 
„mical protection, which I have no doubt, when 
wthe principles are well understood , will be gene- 
„ rally adopted ; and others are constantly occurring. 
y, I shall mention one : ihe preservation of the ir on 
y^boilers of steam-engines by introducing a piccc of 
„ziNC or tin" etc. .::• 

Nadat ik deze toepassing ook in mijne Verhande- 
ling „ over de beveiliging van het koper der sche- 
i,pen enz.," geplaatst in het tweeden deels eerfte 
ftuk der nieuwe Verhandelingen der Eerfte Klasse van 
het K. N. Inftituut had overgenomen , omdat, dezelve 
mij , uit hoofde van het fteeds toenemend getal van 
(loomvaartuigen , die de zee bevaren , hoogstbelangrijk 
voorkwam , werd bij mij de twijfel opgewekt of het 
tin, gelijk davy in de aangehaalde zinfnede opgeeft, 
in de gegevene omftandigheid , wel gefchikt zoude 
zijn ter beveiliging van het ijzer. 

De belangrijkheid der zaak noopte mij dit punt 
door proefnemingen te beflisfen. 

1°. In een glas, met zeewater gevuld, plaatste ik 
op den 17 November ,1827 een langwerpig ftuk ijzer, 
waaraan ivan onderen een klein vierkant ftukje tii\ 
bevestigd was. ;.;,„.-: 

Na verloop van eenige dagen vertoonde zich reeds 
in het glas een zwart ijzer-protoxyde , hetwelk zoo 

wel 



( io6 ) 

wel op de ojipervlakte der ijzeren plaat, als op den 
bodem van het glas dagelijks fciiecn toe te nemen. 

Aan de oppervlakte van het vocht had zich een 
vlies van rood ijzer-deutoxyde gevormd , hetwelk zich 
ook eenigzins aan de wanden van het glas fcheen 
gehecht te hebben. 

In het begin van December het vocht, zoo wél. 
als het bezinkfel fcheikundig onderzocht zijnde, wer?, 
den daarin zelfs geene fporen van tin-oxyde gevonden. 

Het ftulxje tin werd ook, nadat hetzelve van heL 
flijraachtig vlies ijzer-oxyde , welke het bedekte, be- 
vrijd was, volkomen glansrijk en ongefchonden be- 
vonden. .033 'V;-: 

a°. In een dergelijk glas, met zeewater gevuld, 
werd geplaatst een langwerpig ftuk tin, waaraan: 
van onderen een klein vierkant ftukje ijzer ge- 
hecht was. 

Er vormde zich hier hoegenaamd geen zwart ijzer- 
protoxyde , maar wel eene aanzienlijke hoeveelheid rood 
ijzer- de utoxyde (♦),, het lin was geheel met een 
; . . flijra- 

(*) In het eerst kwam mij de omftandigheid zonderiing 
voor, dat er zicih in het glas der ifce proefneming alleen 
het ijzer-protoxyde , in dat der ade proefneming daarente- 
gen het deutoxyde vertoonde , en ik zocht daarvan den 
grond in den electrifchen toefland, door de aanraking der 
verfchillende metalen veroorzaakt; toen ik naderhand ont- 
dekte, dat deze omftandigheid bloot toevallig en waar-' 
fchijnlijk door de hoedanigheid van het ijzer, bij de eerfte 
proefneming gebruikt, veroorzaakt was, dewijl bij eene; 
nadere herhaling der eerfte proefneming met ander ijzer , 
zich ook daarbij dadelijk het ijzer deutoxyde vertoonde..,; 



( I07 ) 

flijmachtig vlies van dit oxyde bedekt, doch vertoon- 
de onder iietzelve deszelfs volkomen glans, terwijl 
het ftukje ijzer blijkbaar veel door oxydatie verloren had. 

Door de uitkomst dezer beide proefnemingen blijkt 
het dus ten duidelijkfte , dat het tin niet alleen onge- 
fchikt is ter beveiliging van het ijzer , maar dat in- 
tegendeel het eerstgenoemde metaal door het ijzer 
krachtdadig voor oxydatie in zeewater beveiligd wordt, 
en wij leeren dus daardoor , dat het tin , wel verre 
van het ijzer der (loomketels te befchermen, veel 
eer derzelver fpoedlge oxydatie door het zeewater 
krachtdadig zal bevorderen en dus het gevreesde ge- 
vaar aanzienlijk zal vermeerderen. 

Ik achtede het belangrijk dit punt spoedig beflist 
te zien, omdat men welligt door het lezen der aan- 
gehaalde plaats van davy of door het lezen mijner 
Verhandeling, waarin deze dwaling was overgeno- 
men, mogt genoopt worden van eene beveilingswijze 
gebruik te maken , waarvan men in den letterlijken 
zin zoude kunnen zeggen, dat het geneesmiddel erger 
was dan de kwaal. 

Ik wensch dus het Publiek, door middel van dit 
Tijdfchrift , van deze daadzaak kennis te geven , met 
aanbeveling om zich ter beveiliging der ijzeren ftoom- 
ketels bij uitfluiting van zink te bedienen.. 

Ik neem deze gelegenheid waar, om het berigt mede 
te deelen van een zonderling verfchijnfel , hetwelk 
onlangs door mij is ontdekt geworden , bij gelegenheid 
mijner proefnemingen aangaande de onderlinge bevei- 
liging der metalen. 

Nadat ik gedurende 47 dagen den toeflel, in de 
13de proefneming mijner Verhandeling befchreven , 

had 



( 108 ) 

had in werking gehouden , waarbij eene koperen plaat 
in het zeewater, door middel van ijzer in een ander 
glas met zeewater geplaatst, volkomen beveiligd bleef, 
wanneer de beide metalen door een' platinadraad en 
de vochten der beide glazen door vochtig katoen ver- 
eenigd waren , zoo kwam ik op de gedachte , om den 
platinadraad, welke de beide metalen vereenigde, 
te verbreken, verwachtende, dat er zich nu fpoedig 
in het glas, waarin het koper geplaatst was, koper- 
oxyde zoude vertoonen. (*) Tot mijne grooie verwon- 
dering echter, bleek dit geenszins het geval te zijn; 
bet water bleef volkomen helder en het koper even 
blinkende en ongefchonden , als toen de verceniging, 
door middel van het platinadraad, nog beftond. — 
Na verloop van vier dagen verbrak ik de vereeniging 
van de vochten der beide glazen , door het vochtig 
katoen weg te nemen ; — het koper nu geheel op 
zich zelf in het glas met zeewater geplaatst zijnde , 
bleef niettemin volkomen voor oxydatie bewaard, en 
er vertoonde zich geen fpoor van koper - oxyde in 
het vocht, 

• De eerflie vermoedelijke oorzaak van dit zonder- 
linge verfchijnfel , welke mij voor den geest kwam , 
was, dat het zeewater in het glas deszelfs gewone 
eigenfchap , om het koper te oxyderen , konde ver- 
loren hebben. — Om dit te onderzoeken, nam ik 
eene zekere hoeveelheid van dit vocht in een glaasje, 
ivaarin ik een ander ftukje koper plaatfte, doch dit 

werd 

(*) Zie aangehaalde Verh. in de Nieuwe Verband, der 
Ecrfte Klasfe van het K. N. Infticuut. Amil. 1&27. 
,3.1e Proef, p. £8. 



C 109 ) 

werd dadelijk geoxydeerd ; mijn vermoeden was dus 
niet gegrond; het zeewater mijner proefneming had 
geenszins deszelfs gewone eigenfchap verloren , om 
het koper te oxyderen. 

Nu bedacht ik of de kopere plaat door de galva- 
nifche werking, welke zij gedurende een geruimen 
tijd ondervonden had, welligt met eene dunne laag 
alkalifche beftanddeelen van het zeewater mogt bedekt 
en alzoo buiten den invloed der zuurftof gefield zijn. 
Dit vermoeden, hetwelk reeds door den glans, 
welke het koper behouden had, onwaarfchijnlijk ge- 
maakt werd , bleek daarenboven , op de proef ge- 
field zijnde, insgelijks ongegrond te zijn, daar de- 
zelfde kopere plaat in ander zeewater geplaatst, 
fpoedig geoxydeerd werd. 

Men fchijnt dus uit deze proefnemingen te moeten 
opmaken , dat het zonderling verfchijnfel der voort- 
durende befcherming van het koper , nadat de aanra- 
king der verfchillende metalen , welke dezelve voort- 
bragt, heeft opgehouden, moet toegefchreven wor- 
den aan eene onderlinge en wederkeerige werking, 
welke er tusfchen het koper en het vocht heeft plaats 
gegrepen. 

Naar het fchijnt heeft de electrifche werking van 
het koper met het ijzer en het zeewater, gedurende 
een' zekeren tijd voortgezet, tusfchen de beftanddee- 
len van het koper en het zeewater eene voortdu- 
rende electrifche fpanning doen ontftaan, welke zich 
krachtdadig tegen de vereeniging van de zuurftof met 
dit metaal verzet. 

Ik heb mij overtuigd van de noodzakeliikheid , dat 
de metalen eenigen tijd met elkander in aanraking 

BIJDRAGEN, D. III, ST. I. Il mOC- 



C iio ) 

moeten geweest zijn, om het verfchijnfcl der voort- 
durende beveiliging van het koper daar te ftellen; 
want toen ik de vereeniging verbrak van een' dusda- 
nigen tceftel , welke flechts weinige dagen in wer- 
king geweest was, werd het koper geoxydeerd. Ik 
hoLide mij thans bezig met verfchillende proefnemin-' 
gen betrekkelijk dit onderwerp, die mij, zoo ik 
hoop, zullen leeren, hoe veel tijd van voortgezette 
galvanifche werking er tot de beveiliging van het 
koper vereischt wordt, en in welke betrekking de 
•tijd dier galvanifche werking ftaat met dien, gedurende 
-welken de beveiliging van het koper blijft voortduren. 
- Het koper van den befchreven' toeftel , welke af- 
gfibroken werd, nadat de werking 47 dagen had 
voortgeduurd, bleef, gedurende 23 dagen volkomen 
beveiligd ; er vertoonde zich geen fpoor van oxydatie 
•in het vocht, en het koper had deszelf metaalglans 
-ten vollen behouden. Naderhand in versch zeewater 
geplaatst zijnde , werd hetzelve binnen weinige da- 
gen met koper -oxyde bedekt. 

Juist toen ik mij met deze proefnemingen bezig 
;hield, ontving ik het nommer van September 1827, 
van de Annales d& Chimie et de Phyfiqiie, waarin 
geplaatst is eene belangrijke Verhandeling van den 
'Hoogleeraar a. de la rive, over eene bijzondere 
■eigenfchap, wetke metalen geleiders verkrijgen, wan- 
neer zij , gedurende een' zekeren tijd , een gedeelte 
uitgemaakt hebben van een' galvanifcben kring , welke 
^oor middel van een' onvolkomen vochtigen geleider 
gcifloten was. Hij bevond namelijk, dat dezelve, na- 
derhand afgefcheiden van den galvanifcben toeftel en 
nevens elkander in een dergelijk vocht gedompeld 

zijn- 



C in ) 

zijnde , als waarmede den toeftel gefloten was , nog 
eenen galvanifchen ftroom kunnen veroorzaken, zigt- 
baar door de afwijking der magneetnaatd van den gal- 
vanometer, waarmede men deze geleiders in verband 
gcbragt heeft, en dit wel gedurende een* meer of 
min korten tijd, en met meerdere of mindere kracht, 
naarmate zij langer of korter een gedeelte van den 
galvanifchen tocftel hebben uitgemaakt, en naarmate 
deze toeftel met meerdere of mindere kracht werk- 
zaam was. 

De overeenkomst onzer proefnemingen komt m?j 
voor onmiskenbaar te zijn; daar beide het voorbeeld 
opleveren van eene voortdurende electrifche wer- 
king, nadat de oorzaak, welke dezelve heeft voort- 
gebragt, de aanraking namelijk der verfchillende me- 
talen, heeft opgehouden. 

Dit belangrijk verfchijnfel, echter, hetwelk zich bij 
de proefnemingen van den Hoogleeraar de la rive 
niet dan gedurende een' korten tijd deed zien , en al- 
leen door den galvanifchen multiplicateur konde waar- 
genomen worden, vertoont zich bij mijne proefne- 
mingen integendeel op de treffendfte wijze en in het 
volfte licht. 

De zonderlinge daadzaak van eenen voortdurenden 
toeftand van metalen geleiders, die eenmaal een ge- 
deelte uitgemaakt hebben van een' galvanifchen toe- 
ftel , waardoor derzelver fcheikundige vervvantfchap 
niet alleen gewijzigd, maar 2elfs geheel veranderd 
wordt, komt mij voor, de aandacht der natuurkun- 
digen niet onwaardig te zijn. 



ƒ/ 2 OVRtl 



( H2 ) 



OVER. DEN INVLOED VAN VERGIFTEN OP PLANTEN J 

door CLAAS MULDER , Hoogkeraor te Franeker, 



Celui qul fait des expériences met 
la Nature h la torture pour lui 
crracher ton secret. 



Se NEBIER. 



k^edert mijne laatst medegedeelde proeven over den 
invloed van vergiften op eenige planten C*) » ben ik 
meer en meer in mijn denkbeeld bevestigd gewor- 
den, dat er op dit veld nog veel te doen overblijft. Ik 
heb mij immers aldus kunnen overtuigen, dat het- 
geen vroegere planten -phyfiologen over ons onder- 
havig onderwerp bekend maakten , gewoonlijk met 
een ander doel was nagefpoord en opgegeven , dan 
om den eigenlijken aard van eene vergiftiging in het 
plantenleven na te gaan en die met foortgelijlie geval- 
len in het dierenrijk te vergelijken , veelmin om er 
een zamenhangend geheel van te maken. Hebben 
onder de nieuwere proefnemers in dit vak macaire- 
PRiNSEP en MARCET , bovenal de Hoogl. g. schub- 
LER en Dr. e. alb. zeller, te Tuhingen (*), 

meer 

(*) In deze Bijdragen^ II. Beel i Stuk, bl. 38—63. — 
Waar daar marcaire ftaat, leze men macaire. 

(*) Z. schweigger's Jahrbuch der Chemie uni Phyfik , 
1827, Ster Heftt of froriep, Notizen, XVIII. Bd. N". 8. 
(^Aug. 1827.) S. 115—118. Oorfpronkelijk was dit ftuk 

eene 



C if5 ) 

meer bijzonder het zoo even aangeduide doel voor 
oogen gehad en zijn wij hun voor hunnen belangrij- 
ken arbeid onzen dank verfchuldigd, ik geloof even- 
wel dat zij met mijn gevoelen over den onvolkomen 
toeftand van dezen tak van wetenfchap het eens zul- 
len wezen. 

Het kwam mij daarom niet geheel onnut voor , 
nogmaals eenige opmerkingen over de werking van 
vergiften op planten mede te deelen. Mogt het zijn , 
dat ook ik hierdoor iets bijdroeg ter verfpreiding van 
kennis in dezen. 

Mijn gefchrift ontleent zijn' oorfprong van hetgeen 
mij van elders, of over de vergiften in het alge- 
meen , of over derzelver werking op de planten in 
het bijzonder, of over den aard der gewasfen en 
wat dies meer zij , of wel uit eigene ondervinding 
bekend is geworden ; — deze wenken zullen welligt 
ook nader den geest van mgn onderzoek doen ken- 
nen en eenig denkbeeld geven van den uitgebreiden 
werkkring, die hier openftaat; doch waarin ik mij 
misfchien te roekeloos begaf. 

Hoe ver moeten zich de grenzen van het onder- 
zoek naar den invloed van vergiften op de planten 
ujtflrekken, om aan den eenen kant niet onnoodig 
uitgebreid , en aan den anderen kant niet fchadelijk , 
bekrompen en onvolledrg te zijn ? Deze vraag kwam 
mij geenszins onbelangrijk voor, en ik zal trachten 
in de eerde plaats iets ter beantwoording van dezelve 
hier aan te voeren. Ma» 

eene inaugureele Disfertatie; nu bevat het 12 refultaten 
uil een aantal proeven , die met 41 verfchillende ftoiFen , 
in verfchillende verhoudingen aangewend , genomen zija 

Hl 



( JM. ) 

■ MACArnE-PRtNSEP bepaalde zich bij het onderzoek 
van den invloed van zoodanige flofïen, welke alge- 
meen als vergiften voor het dierenrijk bekend fl:aan(*); 
de door marcet nagefpoordc behooren ook voor 
verre het meerendeel min of meer tot die klaife van 
zelfftandiglieden (f); doch de proeven van schubler. 
en ZELLER hebben eene grootere uitgeftrekrheid en 
bevatten ligchamen, >die wij onder de geneesmidde- 
len en wel onder diegene rangfchikken , welke niet 

ge 

(*) De door hem aangewende ftofFen zijn : Suhlimaaty 
Arfenicutn , Arfenias potaifae , Opium en /leid. prusficum. 

(t3 Hij bezigde bij zijne proeven (in /Inn. d. Ch. & 
PAjf. XXIX. p. 200 y«/v,) yirfenicum, Sublimaat (^Muriate 
de mercure'). Kwik, Zoutzuur -tin (^Muriate d'etaiti'). 
Zwavelzuur ' koper y Loodfuiker (^Acétaie de plamK), Zout- 
zure baty e , Zwavelzuur, Potasch, Zwavelzure magnefia; — 
Opiutn , Nux vomica , Sem. Cocculi ■, Ac. prusficum. Bella- 
donna t Alcohol, Ac, oxalicum , Cicuta , Digitalii purpurea. 
Onder deze ftoiïen ontmoet men Aq Sulphas magnefiae , 
welke wel niet onder de vergiften inag gerangfchikt wor- 
den ; maar door marcet ter beproeving werd opgenomen , 
om te zien of minerale floffen , die voor hec dierenrijk 
onfchadelijk zijn, dit ook voor de planten zouden wezen. 
(Verg. den tekst.) — De Alcohol kan men niet ftreng on- 
der de vergiften tellen , evenwel twijfelt haller , 
mee anderen , of de geestrijke dranken onder de genees, 
middelen of onder de vergiften zullen behooren? QÉle/n, 
J'h^fïol. VI. p. 251.) — De werking van Zuringzuur, als 
vergif, is voornamelijk in Engeland waargenomen en met 
de minerale vergiften in vele opzigten overeenkomftig be- 
'Vonden. (Zie stobk, Ciftkundige Tafelen t vert, en met 
aanm. verm. bl. 8. Franekcr 1825.) 



I 



( 115 ) 

geweldig werken (*). Trouwens deze laatfte proef- 
nemers betitelen hunnen arbeid ook met geen' ande- 
ren naam, dan „Onderzoek naar de werking van 
„ verfcheidene ftofFen van het organisch en inorga- 
„nisch rijk op bet leven der planten." Zij kwamen, 
iiierbij in de eerfte plaats tot het belangrijk rtful- 
taai,-dzt „ftoffen, welke fchadelijk op het dierlijk, 
„leven werken , dit gewoonlijk ook op het plant- 
„ aardige doen, zelfs wanneer zij in verbindcenis met. 
„water in een' zoo verdunden toeftand gegeven wor- 
„den, dat zij voor den fmaak flechts weinig merk- 
„baar zijn (f). Dit is. in een' hoogen graad met de 
„meeste narcotifche vergiften het geval." Eene uit- 
komst, die door de proeven van anderen en door de. 
mijne allezins bevestigd wordt, zoodat men nu reeds 
vrij veilig zal mogen aannemen , dat alle die zelf- 
fcandigheden , welke voor het dierenrijk vergiften 
zijn , dit ook voor de planten zullen wezen , en der- 
halve de Toxicologia VcgetabiUum dezelve allen iiL 
haar onderzoek zal moeten bevatten. 

Maar schublejr. en. zeller befluiten ten ande- 
, ren , uit hunne proeven het volgende : „ Niet alleen 

„he- 

(*) Ik vind in froriep's Notizen a, a, O. de volgende 
mee name genoemd: Gentiana, Valeriana^ Majorana^ 
Camphora , Daphne mezeremn , Rheiim , Ipecacuanha , Tart. 
emeticuif Aq. Laurocerafi^ Extr, opii aquos., Extr. nucit 
yomicae , Keukenzout, Zoutzure kalk, Zwavelzure mag- 
nefia. Het blijkt , dat zij ook ,een aantal eigenlijk gezegde 
vergiften en ook nog andere zouten, dan die daar uitdruk- 
kelijk genoemd worden , beproefd hebben. 

(t) Een even gevaarlijke , als onnaauwkeurige maatftaf. 

//4 



( n6 ) 

,.bev'iffe vergiften hebben deze eigenfchap ^van fcha^ 
,,delijke werking), maar ook verfcheidene andere 
y,(lo(Fcn des organifchen en inorganifclien rijks, welke 
„op het dierlijk zamenflel in het algemeen werken. 
„De bittere, arcmatiek - opwekkende , door etherifche 
„ olie werkzame middelen , zoo als Gentiana , Va- 
^^Icriana, Majorana , Camphora^ enz., even als 
„ de eigenlijk fcherpe middelen , bij voorb. Daphnc 
„ mezcreum , en de eigenlijk walgelijke {Naufeofa') , 
„als Rhabarber, Ipecacuanha, Braakwijnfl:een."C*). 
Terwijl zij in hun twaalfde refultaat zeggen: „Alle 
„zouten vertoonden zich als fchadelijk, zoodra zij 
„ flechts in eene eenigzins te groote hoeveelheid wor- 
„ den aangewend {in ctwas zu grofser Menge) ; ver- 
„fcheidene vertoonden zich daarentegen weldadig, 
„en het leven der plant zelfs langer onderhoudende, 
„dan louter water, wanneer zij in een zeer verdun- 
„den toeftand gebezigd werden," Welk een en an- 
der door meergemelde Geleerden, altijd in eenige 
vergelijking met de eigenlijke vergiften wordende ge- 
bragt , natuurlijk de vraag doet ontftaan , of dan alle ge- 
melde zelfftandigheden vergiften^ met betrekking tot 
de gewasfen zullen moeten genoemd worden? Deze 
vraag alzoo nader te overwegen , komt mij gewigtig 
voor, om boven reeds vermelde reden. Men meen e 

even- 

(*) Dit Stihiaat fchijtit mij hier zeer verkeerd onder 
de naufcofa gerangfchikt. Men weet Immers dat de Spies- 
glan% • praeparaten alle, uit een /öjf/Vo/ö^W/^ oogpunt be- 
fchouvvd, onder de conofive vergiften worden geplaatst en 
reeds zeer vroeg daarvoor bekend ftonden. Z. orfila. 
Toxicologie t ubers. von HERMBSxaDT, I. 262 ^ en anderen. 



C 117 > 

evenwel niet, dat ik in den waan verkeer, voor het 
plantenrijk, even als voor het dierenrijk, of liever 
bijzonder voor den mensch gepoogd is te doen , op 
eene haarbreedte af, te zullen kunnen vastftellen, 
welke grenzen tusfchen voedfel, geneesmiddel en 
vergift beftaan ; neen , ik ben te goed overtuigd , dat 
die grenzen in de Natuur niet gevonden worden. 
Maar mijn dreven is , om hier eenige bepaling voor 
te ftellen, die onze gedachten leiden en te hulp ko- 
men kan-, die onze proefnemingen kan rangfchilikfen , 
die ons eenigzins ten gids kan ftrekken, ten einde 
niet her- en derwaarts rond te dwalen. Ik zal dan 
ook geenszins trachten de veelvuldige bepalingen (*) 
van een vergift te vermenigvuldigen , maar cene ou- 
dere, voor den mensch bepaaldelijk opgeftelde, naar 
mijn oogmerk wijzigen. 

Onze waarlijk geleerde Landgenooten , de Dodo- 
ren N. VAN DER EEM en L. VAN LEEUWEN gaVCH 

eene befchrijving of bepaling van vergift, die voor 
ons oogmerk meest dienstig fchijnt. Dezelve komt 
met die van gaubius (f) het naaste overeen. Zij 
noemen „vergiften, ligchamen, welke in eene zeer 
„geringe hoeveelheid, of inwendig gebruikt, of uit- 
„wendig aangelegd, in de meest gezonde en aan 

„der- 

(*) Men zie een aantal derzelVen opgefomd en beoor- 
deeld in de FerL over de Vergiften van van der eem en 
VAN LEEUWEN , in de Verh. van het Gen. Servandis Civi- 
bus, X. Deel, (^Amft. 1785) ifce Afd. Voorts k. f. h. 
MARK, GefchlchtUche Darjlellmg der Ciftlehre , I. Abth, 
S. i~4. (^Gott'mg. 1827.) 

Cf) Z. Inftit. Patholog. § \Z6, pag. 293. (L B, 1781.) 

ii 5 



( ii8 ) 

„derzclver werking niet gewone menfchen, dooreen 
„bijzonder en met hunne grootte niet overeenkomdig 
„ vermogen , zoodanige uitwerkfelen voortbrengen , wel- 
„kelien van de gezondheid en het leven berooven." (*) 
Dit zelfde kan men , dunktmij , van elk ander fchepfel , 
dan de mensch, gevolgelijk ook van de plant zeg* 
gen. Ik wil dit laatfte een weinig nader toelichten. 

De zeer geringe hoeveelheid ^ welke de verderfe- 
lijke werking moet te weeg brengen , befchouwt men 
algemeen als karakteristiek voor de vergiften. Hier- 
door worden zij onderfcheiden van fpijzen en dran- 
ken, die door eene te groote hoeveelheid kunnen 
fchadelijk worden. Het weifelende van den maatftaf 
dezer hoeveelheid moet men te gemoet komen door 
de befchouwing van de overige kenmerkende eigen-, 
fchappen van vergiften. Nogtans heeft de latere 
fcheikunde alleszins dit karakter bevestigd , daar wij 
thans door de kennis van ide meest werkzame en zooi 
eigenaardige beginfelen van vele vergiftige, plantaar- 
dige ftofFen in ftaat gefteld zijn , de zeer geringe 
hoeveelheid der eigenlijk fchadelijke gedeelten te be- 
grooten. Wanneer bij voorb. 8 oneen Opium ^ door 
elkander gerekend, hoogstens 5 drachmen fchadelijk 
op de . dieren werkende ftofFen (JVlorphine , Narco- 
tine;. — Meconium-ziiurl~) in zich bevatten, en de 
overige beftanddeelen onfchadelijk , althans niet ver- 
giftigende zijn (f), dan is de hoeveelheid der ftof, 

die 

(♦") In het aargeh. werk bl. 14 en volg. 
.. (t) Z. Stratingh, over de MorpHne, enz, (^Groning. 
1823.) /Ifd. II. en V. Ger. joh. mulder, Dhf. de Opi^ 
(juique principiis t (Traj. ad, Rh. Ï825.) Caj^ut II. 



( 119 ) 
die bij eene 0^«m- vergiftiging het noodlottig ge- 
volg daarltek, zeker zeer gering. Dat zelfde geldt 
van verfcheidene andere plantaardige ftoffen. Wil 
men nu eene meer juiste vergelijking tusfchen de 
werking van minerale en plantaardige vergiften ma- 
ken , dan zal men , mijns inziens , deze laatfte niet 
moeten aanwenden, zoo als de natuur dezelve, wel- 
dadig door andere bijraengfelen omhuld en getemp'erd 
oplevert, maar zoo als de hedendaagfche fcheikunde 
ze zuiver aanbiedt. De werking van Arfenicum ver- 
gelijke men met die van il/ör/»A/«w, niet met die 
van het ganfche heulfap enz. Doch dezebefchouwing 
zou ons te ver van onzen. tegen vvoordigen leiddraad 
brengen. r£;si.n3 ;-:;-.:.'.. - 

Pasfen wij 'het bovenftaaiide ■óp''de öodefhavige na- 
fporingen toe , dan zal het niet veel moeite kosten 
om aan te toonen, dat, zoo wel de proefnemingen 
van meergemelde geleerden, als de mijne, zoo vek 
bewijzen zijn , dat de algemeene vergiften (zoo 
noem ik hier diegene , welke bij de dieren in het al- 
gemeen reeds vergiftig zijn bevonden)' in zeer geringe 
hoeveelheid in de plant opgenomen worden en fcha- 
den. Ik heb zelfs zeer verdunde arfenikoplosfing ge- 

wasfen zien doeden. (*) Onder deze vergiften rang- 

fchik 

(*) Het is mij niet bekend, dat iemand de juiste hoe- 
veelheid vochts door deze of gene plant, bij welke ver^ 
giftiging plaats vond, opgenomen, heeft waargenomen, 
noch ook dat men het overgebleven vocht onderzocht 
heeft, enz. Ik heb dit ook reeds verzuimd en nu ik er 
op bedacht ben , ontmoet ik daarbij velerlei zwarigheden , 
'die eerst door verder nadenken en proefnemen zulltn 
kunnen opgelost worden. 



( 120 ) 

fchik ik ook nog het Daphne Mczereum (*) en de 
Tartarus emeticus , beide door schubler en zel- 
LER onder de ligchamen geteld , die flechts in het 
algemeen op het dierlijk zamenftel werken. Ja , ook 
de Ipecacuanha en de overige door hen opgenoemde 
plantaardige ftolFen, zijn reeds in zeer geringe hoe- 
veelheid nadeelig , dikwerf doodelljk , zoodat ik de- 
zelve bijkans zeker als vergiften voor vele gewasfea 
meen te moeten befchouwen. In de inrigting de« 
Natuur beflaat ook niet de waarfchijnlijkheid , dat 
aftrekiels van gemelde doffen aan de planten ter op- 
ilorping worden aangeboden. Zeer juist zeggen, trou- 
wens ook SCHUBLER en zELLER (in hun 3^6 Ke- 
fiilt.') „Alle de ons als medicamenten dienende ftof- 
„ fen, hebben ook bij hun gebruik in het dierlijke 
„ligchaam afwijkingen van den natuurlijken ontwik» 
„kelingsgang en bij langduriger gebruik zelfs ziekte 
„ten gevolge. Zij kunnen evenwel bij den zamen- 
„geftelden bouw des dierlijken ligchaams en het meer 
„afzonderlijk beftaan van elk der organen in hetzelve 
„ veel menigvuldiger , duidelijker van elkander verfchil- 
„ lende werkingen voortbrengen, als in het orga- 
„ nisme der planten , wier bouw veel eenvoudiger 
„ en wier afzonderlijke functiën aan minder van el- 
„kander gefcheidene organen toevertrouwd zijn." 

Maar wat aangaat de zouten , waarvan evengemelde 
Duitfche Phyfiologen fpreken, deze zoude ik niet 
onder de vergiften , maar meer onder de voedfels 
rangfchikken , wier te groote hoeveelheden fchaden 
en welke dus tot weldadige prikkels kunnen dienen , 

J50JO. 
(*) Verg. oaFiLA, Toxic, III. S^ 30. § ^(03. 



( 121 ) 

ïoo zrj met mate worden toegediend. Een groot 
aantal proeven van vroegeren en lateren tijd , zoo 
wel met oogmerk om de ontkieming der zaden , als 
om den verderen groei der gewasfen te bevorde- 
ren , genomen , zou ik bier ten bewijze kunnen aan- 
voeren , doch acht dezelve in het algemeen genoeg 
bekend. (*) 

De proeven over den invloed van verfchillende 
prikkelende zelfftandigheden , vooral van de chhra 
en onlangs van de chlorureten^ fchijnen hetzelfde 
te bewijzen , komende het bij dezelve ook meest 
op de gift (dofis) aan. (*) 

Het begrip van een vergift bevat voorts in zich , 
dat het , door een bijzonder en vooral met zijne 
grootte niet overeenkomftig vermogen werkende, ge- 
zondheid en leven verniele. Er is geen de minfie 
twijfel aan of wij vinden dit karakter duidelijk bij de 
vergiftiging van gewasfen. Ik zal hiervoor als be- 
wijzen inroepen de proeven van meergemelde geleer- 
den 

C*) Zi3 onder anderen coulon, Disf. l. p. 27 & ap. 
Vallemont bij trevir, Biol. V. 231. Davy, /Igrikuhurr 
chemie, von wolff und thaer, 7 Forl. QBerlin 18 14.) 
Sinclair, rAgriculture pratique et raifonnée^ trad. par de 
DOMBASLE. 7ö«z. I, p, 450 fuiv. et T. II. p. 626 et fuiv, 
(^Paris 1825.) 

(*) Coulon zegt ook reeds zeer juist, van de proeven 
van MALPiGHius over de germinatie fprekende; vix creden- 
dum Bit, quam parca manu ftimulantia fint adhibenda , 
quam alias mirum quantum germinationem impediant , etc. 
Disf. l. p. 28 in nota m, Z. voorts v. humboldt , Apho- 

ris- 



C 122 ) 

den en myne eigene , zoo wel vroeger medegedeelde , 
als latere. , 

Wanneer men ;n de eerflie plaats flechts in aan- 
merking neemt , hoe gering de hoeveelheid der in 
het water, hetwelk aan de planten ter oplosfing 
werd aangeboden , opgeloste zelfftandigheden telkens 
was en hoe weinig van zulk eene oplosfing behoefde 
opgenomen te worden , opdat zich de volledigfte ver- 
giftigingstoevallen vertoonden , dan zal daardoor reeds 
het beweerde eenige ilaving ontvangen. Het boven 
aangehaalde eerfte refultaat van schubler en zel- 
LEa, ftrekt hier reeds ten bewijze. Mijne vierde^ 
vijfde en andere Proeven (*), toonen hetzelfde aan, 
bij welke de oplosfing of vermindering van het 
vocht niet eens zeer merkbaar was. Dat eene ge» 
ringe hoeveelheid (lofs hier buitengewone gevolgen 
na zich fleept, welke geenzins te vergelijken zijn 
met die, welke aanzienlijke hoeveelheden des gewo- 
nen waters , in de gewasfen opgenomen , te weeg 
brengen , is ook op te maken uit het derde rcfuliaat 
van SCHUBLER en zeller.- Zij zeggen aldaar: „De 
„meeste dezer flofFen verftoren den gewonsn was- 
.„ dom der planten j zij werken op hare verrigtingen 

na» 

f ismen. 63* Senebier , P^y/tol, Fégéi^ V. 99. Treviranus , 
Biologie, V. 231* DuBUGj ^HJi. di C/i. ^t Ph. XXV. p. 
214 s. Stratimgh, de Chlorine verbindingen, befclwuwd 
in hare fcheikuntlige , et?z. , betrekkingen, bl. 4IJ9— 492, 
QGroning. 1827.) Hier worden de proeven van eenen on- 
genoemden Nederlander en Van den Hoogl. van hall 
vermeld. 
(*} Bijdrage» fit deNatuurk.H^et, II, D. 1 St.,bL 50 en volg. 



( 123 ) 

„nadeelig en veroorzaken gewoonlijk een vroegtijdig 
„verwelken en affterven. Zij verhouden zich in zoo 
„verre tegen het plantaardige leven, even als tegen 
„het dierlijke." , ".: 

Men kan wel in het plantenleven niets uitwendig 
meer karakteristiek vvenfchen, dan de bewegingen der 
Mimofae, het openen en fluiten der fl:raalbloemen en 
dergelijke levensverfchijnfels : Zij zijn daarom ooic 
bijzonder gefchikt om ons de eigenaardige, groote, 
meest doortastende (mag ik 'zoo eens zeggen) ver- 
ftoringen , door vergiften te weeg gebragt , voor 
cogen te fliellen. En hoe vele bewijzen hebben daii 
niet de proeven van mac aire - princep , van marcet 
en van mij , met fenfitiven en andere gewasfen , op- 
geleverd, dat er zich veranderingen in die karakte- 
ristieke verfchijnfels opdeden, die hevige florenis 
des levens aantoonden en niet evenredig waren aan de 
hoegrootheid van de ingenomene ftoffe. 

Ik voeg hier flechts mijne volgende proef bij. 

Den 8 Jumj 1827, 's namiddags a ure. Een blad 
van Tusfilago petafites L. , hebbende volgende 
afmetingen; bladfteel lang o™,88 , omtrek deszelven 
beneden 0°, 1 1 ; lengterib 0^,42 ; grootflie breedte o^jS i ; 
geplaatst in een glas, gevuld met eene oplosling van 
0,07 g fulphas cupri in 5 ® virater. De fteel ftak o*,3i 
in dit vocht; welke diepte evenwel uit andere proe* 
ven bleek bijna niets tot de zaak te doen ; eene 
waarneming: die den Planten -phyfiologen in van 
elders aangenomene gevoelens zal verfterken. Doch 
dit hier in het voorbijgaan. 

Een tweede blad van dezelfde plant werd gelijktij, 
dig geplaatst in gewoon regenwater. Bladfteel irio^jóos 

be- 



C Ï24 ) 

beneden-omtrek dcrzelve = o™509i, lengte-rib =r 
o^jSÖS» breedte = o'",55. 

31 ure. Van N°. i fchenen de randen eenigzins te 
hangen en daardoor de oppervlakte bolachtig of ge- 
welfd te zijn. Van N», 2 fchenen de aders fterk ge- 
vuld en ftrak, zoodat de oppervlakte zeer komvor- 
mig of hol was. Verfchil van omvang konde dit 
onderfcheid niet te weeg brengen. Ook waren im- 
mer de hoofdribben van N". i fteviger, dan die 
van N". 2. 

5 ure. N". I meer gewelfd-hangende bladfchijf: 
flapper. 

Den 9"^^° Ju"if' 's Morgens te 8| uren en gedurende 
den loop van den voormiddag , het meerendeel der 
fchijf flap en koepelvormig. Te ia uren zeer dui- 
delijk, hetgeen vroeger minder duidelijk was, de 
aders roodbruin zich vertoonende, zoodat er geen 
twijfel aan de verfpreiding des vergifts meer beftaan 
kon. De kleinfte aders waren nog doorfchijnend en 
ongekleurd ; de kleine , zoo wel als grootere aders 
langs hunnen as (in hun middelpunt) waren bijna 
doorfchijnend, aan den omtrek bruinachtig, welke 
bruinachtigheid zich op fommige plaatfen door het 
celmoes (^parenchyma) vlekkig verfpreidt. De groote 
en hoofd-aders zijn gezwollen en fchijnen geheel ge- 
gevuld met een licht roodbruin vocht, althans zij 
hebben zulk een aanzien. In de miskleurige vlekken 
van het moes zijn toch nog altijd de kleinfte adertjes 
volkomen doorfchijnend! — Een naald, in de fteel 
geftoken, vond ik na vertoef van 3 uren verkoperd. — 
Na den middag vermeerderde zich de vlekkigheid 
naar middelmatige ribben, vooral aan den rand des 

blad- 



C 125 ) 

bladfchijfs. Een naald nu Csè ttre) in eene rib ge 
ftoken, nabij den rand des blads , werd omftreeks 3 
uren later er weer uitgenomen en was toen flerk 
verkoperd. De groote ribben werden nu reeds flap- 
per en liet blad hing geplooid neder. 

\o Junij. N". I. Het blad werd doffer, donker- 
der groen, met bruine vlekken, zeer ilap. N°. o 
vond ik 's namiddags 4 ure gebogen en eenigzins 
verflapt van fteel en bladfchijf , overigens nog ge- 
zond. Het is zeer mogelijk , dat de flechte verlich- 
ting van het vertrek , waar deze proef gefchièdde , en 
gebrek aan den prikkel des zonnelichts tot dezen eeni- 
germate kwijnende toeQand hebbe bijgedragen. Ook 
begrijpt een ieder, met de phyfiologie der planten 
bekend, dat de toefland van een blad en vooral van 
een uitgebreid blad alldén , zonder met ftengel of andere 
deelen in verband te ftaan , in water geplaatst , zeer 
tegennatuurlijk is, ja , dat zelfs de waarfchijnlijkheid 
bellaat , dat zulk een blad fappen bereidt , die naar 
andere deelen overgevoerd wordende op dezelve voor- 
deelig, in hun eigen binnenfte bevat blijvende, daar- 
entegen op hen zelve nadeelig kunnen werken. Het 
is hier evenwel de plaats niet , om dit meer uit een 
te zetten. 

■ II J^^if' N». I. De hoofdribben zijn ook ver- 
flapt en rimpelig zamengetrokken : de aders en ribjes 
zijn overal bruin - zwart aan den omtrek : de uitge- 
breidde bruinachtige vlekken vindt men langs den rand ■ 
des blads, in den omtrek van fcheuren of gaten, 
die toevallig in de bladfchijf waren , en bovenal 
in^ de ooren en' het daarop onmiddellijk volgend 
zijdelings randgedeelte des blads. — Bijzonderheden. 
Bijdragen, d. IIL st. i. / die 



( I^ö ) 

die den planten -phyfiologen niet onbelangrijk zullen 
voorkomen , te meer daar dezelve zich in andere 
bladen allczins bevestigen , zoo als ik nader zal op- 
geven en toelichten. — Door een matig vergrootend 
mikroskoopje fcheen alles donkerder, dan in den na- 
tuurlijken toeftand , de hoofdaders roodbruin gevuld , 
de kleinere lichter bruin en groen, bijna doorfchij- 
nend. In deze laatften was ook de ftructuur zeer 
kenbaar celachtig. — De kleur van den doorgefneden 
bladfteel is morfig, bruinachtig met wittere vezel- 
punten , faprijk. De bladfchijf in water gekneusd 
en gefiltreerd, verkoperde het. ijzer niet, en gaf met 
ammonia ook geen koper te kennen: de bladfteel 
even eens behandeld , gaf met laatstgenoemd vocht 
dadelijk en duidelijk koper te kennen. Eene zaak, 
die mij toefchijnt moeijelijk te verklaren te zijn, of 
althans waaruit men niet te overijlend eenige gevol- 
gen moet trekken. Toonde de bladfleel koper aan , 
uit hoofde van pas opgedorpte oplosling van zwa- 
velzuur-koper? welk deel kan het uitwendig aan de 
bladfteel aanhangend gedeelte dier oplosfing, aan de 
reactie gehad hebben? of worden de koperdeelen 
naar den bladfteel teruggevoerd? of hoe moet men 
anders verklaren , dat vroeger (9 Jtimj") eene naald 
aan den rand des bladfchijfs ten duidelijkfte koper- 
deelen aantoonde , nu daarentegen dat deel des blads 
dezelve niet fcheen te bevatten ? of wil men , dat 
het koper zich in de fchijf aan eenig plantaardig be- 
ginfel hebbe verbonden , waarvan het door ijzer of 
ammonia niet weer gefcheiden wordt? Ik zou op 
alle deze vragen eenige gisfingen en vermoedens, 
zoo wel uit hetgeen van elders in de planten -phy- 

fio- 



'C 127 ) 

fiologie bekend is , alS int mijne andere proeven mït 
vergiften op planten , als antwoorden kunnen aanvoe- 
ren, maar geloof, dat daarmede der wetenfchap geene 
dienst zou gedaan worden ; ik behoud mij ecrrter 
voor, om dit gewigtig punt door proefnemingen nog 
meer na te fporen en té zien., wat dé Natuur ons 
daarvan zal openleggen. 

Doch om onzen draad te hervatten. — Neeriit men 
iHi in aanmerking, dat, toen zich dé fporen van 
vergiftiging reeds begonnen te vertoonen , het vocht 
nogtans niet zigtbaar verminderd was, ja dat na 
waarlijk hevige verhoringen , dfe" er in het blad had- 
den plaats gegrepen , nog fl echts een zeer gering ge- 
deelte vochts opgenomen was, da^n dunkt mij is het 
■duidelijk, dat hier een vermogen is uitgeoefend, geen- 
"zins geëvenredigd' aan de geringe hoeveelheid der 
werkende ftof. Ik meen bij gisfing te kunnen aan- 
nemen, dat er in het geheel niet meer dan o,aoo S 
vochts is opgeflorpt geworden ; neemt men deze 
vooronderfteiling , die niet ver van de waarheid zal 
zijn, eens aan, dan zal er, ook vooronderfteld zijti^ 
de , dat het vocht in zijrt geheel wordt opgenomen , 
zóó als het is, niet veel meer dan 0,004 S kopers- 
vitriool in de plant kunnen opgenomen zijn. '-'• -■- 

Ik mag hier daarenboven nog herinneren hët dóó'- 
dèn van geheele boomen door het invoeren van een 
weinig vergifts in hunne (lammen, zoo als, onder 
anderen , door marcet van eene Syringe (^Lilas') is 
aangeteekend. Vrij algemeen bekend is Het dooden 
van boomen door in hunnen ftam ingebragt levendig 
kwik ; doch het is klaarblijkelijk , dat bij die riiwe 

/ 2 proe- 



C 128 ) 

proeven niet altijd het kwik c'e oorzaak van den dood 
was , althans niet alleen. 

Opmerkelijk en fpoedig zijn ook de veranderingen, 
die door de volgende üofFen , in een e wezenlijk on- 
merkbare mate opgenomen, in het leven van de 
bloemen der gemeene PaardetMoem QLeontoclon Ta- 
raxacum) veroorzaakt werden. 

Vier van gemelde bloemen werden op den 27 
^ April ''snam. 5 ure, allen openftaande, geplukt en 
met (telen van dezelfde lengte geplaatst, als volgt: 
N°. I. in een glas met regenwater. 

— 2. oplosfing van fiiblimaat. 

— 3. ■ zwavelz. koper. 

— 5. zwavelz. ijzer. 

Allen gingen later op de gewone wijze digt. De 
fteel van N*. 2 was beneden het vocht wat geelach- 
tig en flap. 

28 April, ^s morgens 8 ure, allen nog gefloten. 
De fteel van N°. 2 beneden het vocht zoo flap , dat 
de bloem neerhing, hetgeen eene onmiddellijke wer- 
king van het vocht op de zelfftandigheid van den fteel 
fchijnt aan te duiden , die zich niet verder uitftrekt 
dan de aanraking plaats had en misfchien daardoor 
de overige verfchijnfelen na zich fleepte. I}c plaatste 
nu den fteel dieper in het vocht. '-' - 

N°. ^. De geheele fteel wat flapper , dan N". i , 
doch niet hangende. 

N°. 4. De geheele fteel zoo flap als N°. 2 ; be- 
neden het vocht met donkergroene en eenige zwarte 
vlekken. 

In de zon geplaatst , openden zich de bloemen van 



( 129 ) 

N*». 1 en 2 vrij fpoedig , doch de fteel van deze 
laatfte was alweder bij liet vocht afgel;nakt : dieper 
ingedompeld zijnde , had aldra weder hetzelfde plaats. 

N°. 3 en 4 bleven gefloten en waren dit nog te 
II uren, hoewel fteeds door de zon befchenen. 

Te lü uren, N". i en 2 niet veranderd. N°. 3 
was geheel verwelkt en ongeopend. N°. 4 tot aan 
de bloem toe, de fteel met donkergroene vlekken be- 
dekt; zeer verwelkt en ongeopend. — N». a werd 
nu op het vocht geplaatst, zoodat de benedenfte 
kelkblaadjes hetzelve aanraakten. 

Te 2i uren , K°. i volkomen gezond en geopend. 
N°. 2 , gefloten en verflensd. N°, 3 , geheel ver- 
bleekte en flappe ftengel. N«. 4, beneden het vocht 
was de ftengel geheel donkergroen , boven hetzelve 
gevlekt: de kelkblaadjes flap, omgebogen; de bloem 
gefloten en aan den top zeer zamengetrokken. 

Vier andere Paardenbloemen leverden van den 28 
April 's namiddags 3 ure, tot den 29 April 's na- 
middags i| ure, geheel gelijke verfchijnfels op. La- 
ter zag ik hetzelfde herhaalde malen gefchieden. 

Het komt mij voor [en dit is eene reden, waarom 
ik juist deze proeven nog mededeelde] dat de gewas- 
fen , die een melkachtig fap uhftorten , een opzettelijk 
onderzoek verdienen , dewijl de onmiddellijke wer- 
king, welke de oplosfingen op het uit de afgefne- 
dene mondjes der vaten druipend fap veroorzaken 
kunnen , hier zeer in aanmerking moet komen. Hier- 
door immers kan eene mechanifche verftopping van 
vaten plaats hebben, die zeer nadeelig werkt. Ik 
zal daarom deze foorc van gewasfen in een' meer na- 
tuurlijken toeftand trachten waar te nemen , door 

/ 3 hunne 



( J30 ) 

liimne oiigcfcIionJene wortels de oplö&fingen te laten 
opllorpen. Het zwavelzuur ijzer werd hier minder 
gebezigd, omdat ik hetzelve onder de vergiften voor 
■éc planten meen te moeten rangfchikken , dan wel 
omdat ik deszelfs vermogen in het bijzonder wenschte 
te leeren kennen. (*). 

Met regt gaven van der eem en van leeuwen 
in boven vermelde kenfchetfing van een vergift op, 
dat hetz£lve in de meeste, gezonde en aan derzelver 
werking niet gewone menfchen zijnen verderfelijken 
invloed uitoefent. Hetgeen zoo veel beteekent, als, 
dat het niet onmogelijk is , daf een mensch , zoo als 
aan andere prikkels , ook aan die van een vergift ge- 
wennen kan , en er dan althans minder nadeel van 
hebben zal. Evenwel fchijnt dit minder het geval 
te zijn met zuivere, dan met onzuivere vergiften. 
Ik verfta onder de eerften , die door geene vreemde 
bijmengfels getemperd zijn: onder de laatlten behoo- 
ren velerlei extracten , heulfap , enz, (+) Ik zou 

daar- 

(*) CoüLON geeft reeds op, dat het Fitriolum mar/is 
zaraentrekkend Qadffritigerend') op Euphorbia Myr/imfis 
werkt. Disf. l.c. p.12 feq. — Dat ijzerhoudende zelfftan- 
digheden in het algemeen niet nadeelig op het plantenrijk 
werken , als de maat niet overtreden wordt , leeren vele 
waarnemingen; mijne proeven, vooral over de germinatie 
bevestigden dit volkomen. Ook lefebure , in zijn belang- 
rijk werkje : Expériences fur la germination dei plantesy 
p. 62 (iStrasbourg , An 9.): telt de ijzer -oxyden en ko. 
lenzuur -ijzer onder de ftofFen, waarin zaden ontkiemden. 
Men hoiide nogtans in het oog, dat deze zelfftandigheden 
in water onoplosbaar zijn. 

(f) Verg. v. D. EEM en v. leeuwen, Verh, bl. 21 en 31. 



( 131 ) 

daarom bij het vermelde karal<ter nog wel willen bij- 
voegen , dat hetgeen eenig fchepfel in den natuurlij- 
ken toeftand ooit aanhoudend als voedfel kan gebrui- 
ken , nooit vergift , in den eigenlijken zin des woords 
kan zijn, maar eenig en alleen door baarblijkelijke 
overmaat kan fchaden. Dat ware vergiften onver- 
duwbaar zijn en het ligchaam in het geheel niet 
voeden, zeide reeds P. de le boe sylvius. En dat 
van Opium enz. , deeltjes ter voeding kunnen opge- 
nomen worden door den mensch , is niet zeer onbe- 
grijpelijk , vooral bij het licht der tegenwoordige 
Scheikunde en bij een e verdeeling der vergiften in 
zuivere en onzuivere. 

Men zal ook evengemeld kenmerk bij de planten 
eenigzins bevestigd zien , zoo als onder anderen blijkt 
uit het volgende zeggen van deiman , van troost- 
WYK , BONDT en LAuwERENBERG (*) : „ Ecue au- 
„dere omftandigheid , die ons bij de proeven met de 
„roode Praecipitaat eenigzins aanmerkelijk is voor- 
„ gekomen, is, dat de planten even als de dieren, 
„aan zekere zaken fchijnen te kunnen gewennen, 
„ die hun fchadelijk zijn , mits zij van der jeugd af 
„aan daartoe zijn voorbereid, enz." Evenwel wa- 
ren deze gevvasfen ziekelijk. Nog meer fchijnt dit 
bevestigd te worden door het zevende refultaat van 
scHUBLER en ZELLER , aldus luidende : „ De ah- 

jor- 

(*) Z. KASTELEYN, Chem. et Pfe^f. Oefeningen^ III. D. 
bl. 385. Reeds beweert dar win, dat de irritabiliteit der 
planten, even als die der dieren , door gewoonte vermeer- 
derd of verminderd kan worden. Zi Zoönomie , übers. von 
BRANDis, I Th' J. 171. (^Pesth. 1801.) 

/4 



C 132 ), 

^^fori>tU van vlocilloffen fchijnt door de planten 
„ met eenc foort van keus te gefchiedcn , en zij fchij- 
„ ncn zelfs de vatbaarheid te bezitten , om zich aan 
„zekere prikkelende middels te gewennen. Verfchei- 
„dene krachtig vegeterende planten , welke door be- 
„ hulp van een' zijdelings in haren ftam geplaatsten 
„ trechter vloeibare narcotifche vergiften ter opflor- 
„ping werden aangeboden, namen dezelve in de 
„ eerfte 3^4 dagen fnel op , en toonden weldra in 
„de bladeren en takken, welke in de rigting van de 
„ vaten lagen , vervvelking en affterven , waarop dik- 
„werf de kracht van de opflorping fterk verminderde 
„ en het ziek worden der overige plant , ook wan- 
„neer dezelve in de rigting van den faploop nog on- 
„ onaangedane takken had, flechts zeer langzaam 
^ging (f). Somtijds evenwel abforbeerden de plan- 
„ten aanhoudend de haar aangebodene ftofFen (wel- 
„ke?), zonder dat het ziekworden verder ging; zij 
„fchenen er niet zoo aandoenlijk voor te zijn, en 
„haalden allengs weder op. Dit verfchijnfel ver- 
„ toont zich zoo wel bij extracten , welke volkomen 
„ in water opgelost waren , als bij geheel helder Lau- 
„ rierkerswater , waarbij een mechanisch verfloppen 
„der vaten de oorzaak niet konde zijn. Bij de in 
„water opgeloste extracten vertoonde zich niet zel- 
„ den het verfchijnfel , dat de waterige vloeiftof nog 

«lang 

(*} Het komt mij evenwel zeer twijfelachtig Voor, of 
men hier aan een wezenlijk gewennen der plant aan den 
vergiftende prikkel mag denken; want is niet het eindelijk 
gevolg der werking van een narcotisch vergift , altijd ver- 
traging eu verdooving van verrigtingen ? 



( 133 ) 

,, hng ^eai>forl!>eer d wtrd, terwijl, daarentegen, een 
„groot gedeelte van ïiet extract zelf in den vorm 
„ van eene brij in den trechter terug bleef. (♦) Zelfs 
„in zeer fijne Cochenille - oplosfing in water, welke 
„door het ^\x\{k& fihruni heendrong, vertoonde zich 
.„dergelijk verfchijnfel ; het water werd door de plant, 
„zonder kleurRof, opgenomen. Bij het Laurier- 
.„ kerswater kan zulk eene gedeeltelijke abforptie van 
„het waterig deel alléén niet worden aangenomen; 
„ het bleek bij de proeven zelve dikwerf geheel te 
„worden opgenomen. Ook moet van de extracten, 
„ bij eenen dikwerf zoo duidelijken invloed derzelve 
„op de planten veel geabforbeerd geworden zijn." (+) 
Hoezeer derhalve niet ontkennende, dat men on- 
-der zekere omftandigheden aan ecnige vergiftfoorten 
min of meer gewennen kan , fchijnt mij dit niet zoo 
voldongen toe. Ik geef daarom de volgende proefne- 
ming hier, zonder daaruit bepaaldelijk te durven be- 
fluiten, dat het eerfte plantje CN°. i.) aan het ver- 
gift gewend geworden is. 

Den a8 Jpril 1S27 nam ik een bloempotje, waar- 
in twee plantjes van de Mimofa pudica L. , (ton- 
den. N°. 1. had twee frisfche zaadlobblaadjes en 
eenig fpoor van een gewoon blad tusfchen dezelve, 
N". 2 was aan het vorige gelijk, doch het gewone 
blad was reeds federt drie dagen geheel ontwikkeld, 

eenig- 
(*) Welk aandeel kan de uitdamping aan dit verfchijnfel 

gehad hebben? Welk oplosbaar deel des extracts kan even- 

wei nog in de planc zijn opgenomen? 
(t) Het is jammer, dat hier de foorc der extracten niec 

bij name genoemd isj misfchien is dit het geval in de oor- 

fpronkelijke DisfertaUe^ die ik niet zag. 

I 5 



C 134 ) 

ecnigzins geelachtig, 's avonds zich (liiitende, 's daags 
geopend, doch bijna ongevoelig; de zaadlobblaadjes 
Waren volkomen gezond. Te half r ure begoten met 
I once van eene verzadigde arfenikoplosfing. Te 3 
uren ^ de blaadjes van beiden meer gefloten, doch 
frisch. Zoo ook het middelblad van N°. 2. De op- 
pervlakte der aarde -droog en nog door de zon be- 
fchenen. Te 7J uren beide natuurlijk geheel met za- 
mengeflotene blaadjes. 

29 April, ^s morgens 7 ure. Zoo er eenige ver- 
andering is, dan zijn de zaadblaadjes een weinig ont- 
floten, vooral van N°. 2. — loj ure, natuurlijk ont- 
flotene blaadjes. — i| ure, liet N°. 2 de zaadblaad- 
jes en het ander blad eenigzins hangen. — 7^ ure 
N*. I gezond gefloten; N°. 2 flap en neerhangend: 
'bet middelblad geel. 

30 April, 7 ure ^smorg. N°. i eenigzins geo- 
pend en zeer gezond. N». 2 , de zaadblaadjes , vooral 
het eene gefronfeld , bleeker groen , het blad digt 
gefloten , neerhangend. 

7 Ure ^s avonds. N". 1 had zich op den dag goed 
geopend en begon zich weer te fluiten : zij fcheen 
iets ligter van kleur. N°. 2 was geheel verdord en 
verwelkt, zoowel de zaadblaadjes, als het gehèele 
andere blad. 

Den 1 Mei. N". i vertoonde geene teekenen van 
ziekelijkheid, veelmin van vergiftiging. Ook de vol- 
gende dagen bleef dit plantje gezond , doch won zeer 
langzaam aan , weshalve ik het op den 8 Mei in de 
warme kast plaatste. Men kon reeds den volgenden 
dag ontwaren , dat de warmte én meerder liclrt op 
het plantje werkten , want de zaadblaadjes waren nu 

reeds 



C 135 ) 

reeds te 8 nren 's morgens zoo wijd geopend, ais 
anders midden op den dag. Door eenige meerdere 
omwikkeling van het ftengelrje tusfchen de zaadblaad- 
jes werd nu (n Mei) volkomen bevestigd, hetgeen 
ik vroeger reeds meende te zien, dat het gewone 
blaadje geheel geel en verllorven was. Het bleek 
evenwel tevens , dat er zich een ander blaadje aan de 
tegenovergeflielde zijde van het eerfte begon te ont- 
wikkelen. En zoo haalde dit plantje allengs weer 
op , bleef wel achterlijk , maar behield toch het leven. 
Ik moest hier in het voorbijgaan opmerken , dat 
het mogelijk, hoewel niet bewezen is, dat de zaad- 
blaadjes, wier gewigtige invloed op het leven en den 
groei der jonge gewasfen bekend is, hier eene niet 
onbelangrijke rol fpelen. Proeven, die ik in Md 
1827, ter opheldering van dit punt, met gewone 
Kadijsplantcn [Raphanus fativus rotundus hortulJ) 
genomen heb, leverden mij nog geene zekere uit- 
komften op. 

De noodzakelijkheid welke er is, om bij eene de- 
finiiie van een vergift voor den mensch , te voegen , 
dat hetzelve zijne nadeelige uitwerking in de meeste 
en in gezonde menfchen moet te weeg brengen, be- 
ftaat voor het plantenrijk niet of minder. (*) Men 
wachte zich flechts van niet alle planten in ééne rij te 
ftellen , of liever om dezelve aan elkander gelijk te 
achten ; men fcheide hen in foorten. Het nut hier- 
van zal beneden nader blijken. Wat men bg den 
mensch idiofyncrafie (een waar tooverwoord in de 

Ge- 

(*) Zie V. D. EEM en v. leeuwen , Ferh. hl, 28 volg. V (?« VI. 



( I3Ö ) 

Geneeskunde) noemt , dat zullen wij bij de planten 
wel niet gemakkelijk onderkennen en vinden ; de 
ziekelijke omflandigheden, die bij den mensch de wer- 
king van vergiften niet of weinig doen te voorfchijn 
treden , zullen wij ook wel bij de gewasfen niet ont- 
moeten, ten zij men daartoe wilde brengen, dat in 
verminderde levenswerking van eene plant een ver- 
gift, met mate toegediend, de werkzaamheid weder 
zou kunnen opwekken. Doch zelfs dit is aan zeer 
vele bedenkingen onderhevig. 

Ik befluit derhalve uit het boven medegedeelde, 

1° dat men voor het plantenrijk met hetzelfde regt, 
als voor het dierenrijk de boven vermelde algemeene 
bepaling van een vergift mag aannemen , 

2.° dat men bij verdere giftkundige (joxkologifche) 
nafporingen wel zal doen de werkingen van zuivere 
en van onzuivere vergiften afzonderlijk na te fporen , 
om nader te bevestigen of niet 

3° alle zuivere vergiften van zulk een' aard zijn, 
dat dezelve zonder eenig overleg of kennis van het 
voorwerp, hetwelk dezelve neemt of aan dezelve wordt 
blootgefteld, ingenomen, altijd en overal doodelijk 
zullen zijn? 

4° dat men bedacht moet zijn op het onderfcheid 
van eene onmiddellijke, (in zekeren zin) uitwendige 
werking des vergifts op de zelfftandigheid , aan de- 
zelve blootgefteld , en eene op afgelegene deelen , door 
opflorping alleen mogelijke werking; 

5° dat de door de verdienstelijke schubler en 
ZELLER opgegevene en boven aangevoerde refultaten 
■door mijne proeven bevestigd worden. 



Ik 



( 137 ) 

Ik zal zoo vrij zijn nog eenige wenken en bevin- 
dingen over dit onderwerp mede te deelen, die mij 
toefchijnen tot verdere nafporingen te leiden. 

Macaire-prinsep let op de aandoening der gevoe- 
lige deelen van een gewas, maucet op die van het 
geheele plantenleven , door een vergift veroorzaakt. 
Deze beide punten dient men met elkander te vereeni- 
gen, wil m.en zich niet alleen een volledig denkbeeld 
maken van den invloed van een vergift op eene plant, 
maar ook al het nut uit zijne proefnemingen trekken , 
hetwelk daaruit ter opheldering van de plantendeelen 
onderling te halen is. Zoo moet men b. v. bij de 
proeven met bloeijende Berberisfen niet flechts op de 
meeldraadjes acht geven, maar ook op de veranderin- 
gen , die de ftengel en bladen mogten ondergaan , het zij 
vóór dat er zich reeds eenig efect in de gevoelige 
deelen vertoond heeft, het zij nadat dit efect reeds 
plaats greep. De phyfiologen, dunkt mij, zullen het 
ganfche gewigt hiervan gevoelen. Ik althans heb hier- 
aan zoo ved gehecht, dat ik niet meende met grond de 
veranderingen in de verrigtingen van gevoelige planten- 
deelen te kunnen beftuderen , dan nadat ik de werking 
der vergiften op de overige deelen kende. 

Behalve op het geheele plantenleven, moet men 
ook nog letten op den toeftand, waarin de aan ver- 
giftiging blootgefteld wordende plant verkeert of ge- 
bragt wordt. Zeer nuttig is daarom de voorzorg van 
MARCET, om niet alleen gezonde planten van ééne 
foort tot verfchillende proeven ter vergelijking te be- 
zigen, maar daarenboven , om, zoo dikwerf eene plant 
aan de werking van eenig vergift wordt blootgefteld, 
tevens eene tweede in volkomen gelijke omftandig- 

he- 



( 138 ; 

heden te plaatfen , doch met bronwater te laven. Hij 
bevond ook, dat wanneer men planten aan de vergif- 
tiging blootftelde , door de aarde , waarin ze groeiden , 
met eene oplosfing der vergiften te begieten , zij min- 
der fpoedig gedood werden, dan bijaldien men ze, 
van aarde ontdaan , met de wortels in het vocht dom- 
pelt. Men zij derhalve hierop naauwkeurig bedacht. 
De redenen van dit verfchijnfel zullen dengenen , die 
geen vreemdeling in de leer des levens der planten is , 
niet geheel duister zijn. 

(^Hci vervolg iti een volgend nommcrS) 



•Jf—» 



AANTEEKENINGEN OVER DE ZIGTBAAR - BLORIJENDE 
PLANTEN, UIT DE OMSTREKEN VAN Frejr BIJ 

Dinant ^ in de provincie Namen; 

medegedeeld door j. j. de cloet , Injiittiteur 
van den Hertog de beaufort te Briisfel. 



H. 



.et is door het opnemen van al Ie en (laan de waarne- 
mingen en bijzondere opgaven , welke op zich zelve geen 
geheel werk kunnen zamenftellen , dat eenTijdfchrift, 
als de Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenfc happen , 
der weienfchap bevorderlijk is en in fommige gevallen 
den Geleerden punten van vergelijking aanbiedt, ge- 
'fchikt om hunnen ijver meer en meer op te wakkeren. 
Zoo lang wij nog in de verwachting zijn van eene 
algemeene Flora van ons Koningrijk, die ons al 
onze rijkdommen uit het Plantenrijk moge doen ken- 
nen , 



C Ï39 ) 

nen, kunnen wij niet dan toejuichen de bijzondere 
pogingen der Natuuronderzoel<ers , die zich in onder- 
fcheldene gewesten toeleggen , om de bouwftofFen daartoe 
op te zamelen. Deze gedachten Icvvamen bij mij op na 
het lezen der hoogstbelangrijke Verhandeluigen , welke 
de Heeren lejeune , cour.tois en tinant in deze 
Bijdragen geplaatst hebben , ten opzigte der vegetatie 
in de provinciën Luik en Luxemburg. De inhoud 
dier (tukken is gefchikt, om de oplettendheid en de 
geestdrift der Botanisten ook in de overige deelen van 
ons vaderland op te wekken , en kan hen , door het 
opheffen van twijfelingen over het inlandlche van fom- 
taige gewasfen , brengen op het fpoor van gewigtige 
ontdekkingen. 

De Flora van de provincie Namen ^ niet minder 
belangrijk, dan die van het Groot-hertogdom, is tot 
nu toe, zoo ver mij bekend is, door niemand opzet- 
telijk behandeld , en men zal het mij welligt dank we- 
ten , dat ik de flotfom bekend make mijner nafporingen , 
gedaan in den omtrek van het kasteel van Freyr ^ 
welken ik gedurende zeven achtereenvolgende zomers 
van 1820 tot 1827 heb doorzocht. Hoewel niet ge- 
heel volledig, kan mijne opgave echter nuttig zijn aan 
de talrijke beminnaars der natuurlijke historie , die 
jaarlijks uit de Noordelijke gewesten de vrij beroemde 
grot komen bezoeken van dit kasteel, hetwelk een 
uur gaans boven Dinant gelegen is. 

Het is van deze ftad, dat mijne Botanifche onder- 
zoekingen beginnen en zich , de Maas opwaarts , uit- 
ftrekken tot aan de grenzen van het Koningrijk, op 
eene breedte van twee uren , waarin men de dorpen 
Onhaie^ Anfcremme ^ Druance , Salmignoule , Sal- 

mag- 



( 14° ) 

magne, Menil-Saim-Blaifc ^ TFaalfort ^^n Hastières ^ 
als ook de gehuchten Neve ^ Monia ^ Frcyr ^ Leffe, 
Walfm en Blaimont aantrefr. In deze ganfche uit- 
geftrektheid, loopt de Maas door eene vrij enge val] ei, 
aan beide zijden omgeven van overgangs-rotfeu , welke 
voor het meerendeel kalkachtig zijn, en waarvan fom- 
mige hunne witachtige kruinen lot 400 voeten boven 
de oppervlakte der rivier verhefFen. De delfftoflfelijke 
voortbrengfelen van dit kalkachtig gebergte , beftaan in 
ijzer ^ dat in het bosch van Frcyr overvloedig ge- 
vonden wordt, in groeven van bouwfteenen, in mar- 
Vierfoorten , wit , zwart en grijs met rood gemengd , 
welke men te Dinant en //««^r^opdelft en eindelijk 
in pi/paarde , welke in de gemeente Onhaye , gegra- 
ven wordt. Een enkele rots van bruinen kiezeljleen, 
(^silex pyromaqiie brun) , aan de Maas tusfchen Freyr 
en Waalfort ^ breekt hier deze aaneengefchakelde 
keten van kalkaardige rotfen af, wier lagen, even on- 
regelmatig hellende , als die der rotfen in de Ardennes , 
toonen , dat zij van denzelfden ouderdom zijn en ge- 
lijke omwentelingen hebben ondergaan. 

De wouden en bosfchen , die de zijden en de toppen 
der heuvels bedekken , beftaan voornamelijk uit Quereus' 
robur ., Carpinus betulus, Salix capraea en vimi' 
nalïs , Fraxintis excelsior , Fagus sylvatica , Corniis 
mas en sanguinea , Populiis alba , Sorbus aucuparia , 
Betuia alba , Corylus Avellana en Khamnus f ran- 
guia. Zeer zeldzaam ziet men er Alnus glutiuofa, 
Ulmus campestris ^ Malus acerba mèrat, Acer cam- 
pestre en Crataegus torminalis. Onder de meest merk- 
waardige planten, in de fchaduw der hoofdkammen 
of tusfchen het hakhout, tel ik: Verbena officinalis 

var. 



C 141 ) 

var. albiflora^ Cypertis fusctis , Melica mii flora., 
SeJIeria coerulea , Festuca ovina , rubra en amethys- 
tina , Brachypodhm pinnatmn en sylvaticmn , Glo- 
bularia vulgaris , Galium Bocconi en pimllum , As- 
perula odorata , Myosotis syhatica en intermedia 
LINK, Lithospermum officinale , Pulmonaria ar.gus- 
tifolia^ AnagalUs serpyWfolia nobis (*) , Campanula 
urticaefoUa en persictfolia , Jasione montana , Phy- 
salis Alkekengi , Asclepias Vincetoxicum , Bupleii- 
rum falcatum en junceum , Athamantha Libanotis , 
ror///j Anthriscus^ Allium ursinum en vineale , 
Ornithogalum arvejisc , Hyacinthus botryoides en «o« 
scriptus, Liizuïa alblda , Epilobium angustifolium ^ 
montanum en ro^e;^»; , Baphne Mezereiim , Monotropa 
hypopitys, Chrysosplenium oppositifoliiim en alterni- . 
folium, Pyrola rotiindifolia en ^/«or, Ci/cubalus 
Behen, Silene nutans en Armeria , Euphorbia Cy- 
pari s si as , syhatica en amygdaloides , Rosa rubigi. 
nofa , v///o/(« L. en tomentosa SxMITh , 7iz/^//5 /Vöi?//j , 
carpinifolius vveihe en discolor ., Fragaria collina^ 
Potentilla argentea en v^rw^ , Actaea spicata , C/Vif«/j 
hcUanthemiim , hirsi/ttis , pulverulentus en serpylli- 
foliiis , Aquikgia vulgaris , Anemone syhestris en 
ranunculoides , Ranunculus philomtis , aconitifolius , 

(*) Anagallii serpjllifolia nobis ; A. caule capillari erecto , 
simplicissimo, foliis sessilibus ovatis subciliatis, flore ru- 
bello solitario terminali, petalis serracis. De Heer dumor- 
TiER heeft mij het eerst opmerkzaam gemaakt, dat deze 
AnagalUs wel eene afzonderlijke foort zoude kunnen daar- 
ftellen. Zij groeit onder het kreupelhout in het bosch van 
Frey, waar ik haar twee jaren achtereen heb wedergevonden. 

BIJDUAGEN, D.III. ST. I. K 



C 14a ) 

nuricomus ^ larwgimsus en geramifolius , Ajuga py- 
ramidalis en gentvenfis , Teucrium Botrys , Lamium 
hiniitum en maciilatum , Stachys alpina en annua , 
Prt/nella laciniata , Pedicularis syhaiica, Digitalis 
major en lutea , Orobanche ramofa , major , elatior 
en ruhens willd. , Maha fylyestris en mofchata, 
Fumaria digitata , Orohus tuberofus , Ilypericum 
quadrangulare , montanum en pulchrum , Lactuca 
■perennis , Helminthia echioides , Hierackim dubium 
en fyhaticum , Crepis virens en foetida , Serraticla 
tinctoria , Carduus niitans en acanthoides , Arte' 
mifia Abfinthium , Gnaphalitim fyhaticum , wo/^- 
tanum , rectum yar. paniciilatum en gal lic um , iJó- 
?2<?c/o fylvaticus , erucaefolius , nemorenfii en [ara- 
cenicuSf Ophrys nidus avis^ ovata , myodes en apifera^ 
Serapias latifolia en v^r. microphylla , Epipactis 
enfifolia en lancifoUa ^ Satyrium viride^ Osmunda 
fpicant enz. 

Op de rotfen en aan de kanten der bosfchen vindt 
men: Iris germanica^ Aira canesce^is ^ caryophylla- 
cea en discolor , Melica ciliata en uniflora , Sesleria 
coerulea , Galium faxatile , Asperula cynanchica , 
Crasfula rubens , Allium fphaerocephalum , Dian- 
thus carthufianorum yar, uniflorus , Armeria , cae- 
fius en deltoides , Sedum reflexum , elegans lej. , 
ötr^ , bolonienfe en album , Biscutella laevigata en 
vele verfcheidenheden (*) , Cheiranthus cheiri , iS;- 
fymbriitm multifiliquofum hoffm. , Hippocrepis co- 
mofa , Lactuca perennis , Centaurea fcabiofa , ^j- 

(*) Het geflacht Biscutella zoude hier te lande eene na- 
x3ere herziening en eene goede monographie wel noodig hebben- 



C 143 ) 

ptenium fcolopendriim , ruta muraria , adiamhiim 
nigrum en Ceterach. 

De Maas en de Lesfc zijn hier op fommige plaaü- 
fen zoo naauw zamengedrongen door de rotfen , die 
haar omgeven, dat er naauwelijks een goed pad voor 
paarden en voetgangers overblijft. Elders verbreedt der- 
zelver bed zich aanmerlcelijk en vertoont het aangenaam 
gez.gt van fchoone graslanden en welbebouwde ak- 
kers. De bodem van deze laatften is zeer onderfchei- 
den: kernachtig in de dalen, zandig en fomwijlen 
Ichieferachtig op de hoogten, geven de talrijke afwis- 
felingen van vruchtbaarheid en dorheid eenen over- 
vloedigen oogst voor den Plantkundige. Ik zal de 
voortbrengfelen der graslanden en bouvvakkers en de 
planten, die langs de wegen en heggen in de dorpen 
groeijen, in een overzigt vereenigen. De meest op- 
merkmgwaardige van deze foorten zijn: Veronka 
triphyllos, filiformis en acinifoUa ? , Valeriana dioica 
en officinalis , Vahrianella iFedia^^ dentata en co. 
ronata, Cjnofurus cristaius , Festuca rubra , Eskia 
en glauca, Bromus racemofus en gigantcus , Aytna 
elattor, pubescem en flayescem, Galium uUginofufn, 
fptnulofum MERAT, palustre, lucidum txi fcabrum 
Sagtna apetala en erecta , Menyanthes nymphoides 
en trifoUata, AnagalUs coeruka , Viola tricolor^ 
arvenfts en hurmedia lej. , Hyoscyamus niger , 
Airopa Belladonna, Herniaria glabra txi hirfuta , 
Gcntiana germanica en cruciata , Caucalls grandi^ 
flora, latifolia en daucoides , Selinum Chabraei 
Peucedanum filaus , Torilis Amhriscus , Oenanthe 
fistulofa en crocata , Lmum catharctkim , Crasfula 
rubens, Gypfophila nmralis, Saponaria officinalis 

^^ en 



C 144 ) 

«n vaccaria , Scleranthns anmius én perennis , Art' 
naria rubra en tetiuifolia, Agrostemma coronaria (*), 
Cerastium viscofum en eene merkwaardige en door- 
gaans éénbloemige verfcheidenheid van Cerastium ar- 
venfe (f) , Kefeda lutea , luteola en phyteuma , Eu- 
phorbia peplus , rotundifolia loiseleur , efula var. 
mofana en dulcis , Thalictrum majus en flavum , 
Hellehorus foetidus , Mentha austriaca , fylvestris , 
rotundifolia , nummularifolia , gentilis en pulegium , 
Galeopfis grandiflora, Ladanum en Tctrahit^ Ballot a 
nigra var. albijlora , Marrubium vul gare ^ Antir- 
rhinum elatine , fpurium^ Oroiitium en minus , Zr^o- 
nurus cardiaca , Clinopodium vulgarc , Origanum 
vulgare , Scutellaria galericulata en minor , J£«- 
phrafia odontites , Lepidium iberis , Lunaria redi- 
viva en amma , Iberis amara en nudicaulis , Cö/'- 
damine amara , hirfuta en impatiens , Eryfimum 
praecox en cheiranthoides^ Geranium rotundifoUum 
en disfectum , Galega officinalis , Anthyllis vulnera- 
ria , Astragalus glycyphyllos , TrifoUum altisfimum 
(lej./. ^<j •^y/'ö), medium^ ochrohucum &n fragife- 
rum , Medicago falcata , Senecio viscofus en paludo- 
fus , Orchis bifolia , coriophora , wor/o , mascula , 
iistulata , militaris , /z/j-cót , latifolia , maculata en 
conopfea^ Satyrium yiride , Sagittaria fagitti- 
folia enz. Het 

(*) Ik heb deze plant vrij overvloedig gevonden in een 
veld te Blaimont, van bewoonde plaatfen verwijderd. 

(t) Zoude die welligt eene afzonderlijke foort wezen? 
Cerastium mofanum nobis. C. caule fiibnudo, duriusculo, 
fubglabro, foliis fesfilibus lanceolatis, flore folitario termi- 
ïiali, petalis calyce dnplo longioribiis , capfula oblonga. 



C 145 ) 

' Het geheel getal der Phanerogamifche planten , die 
ik in de laatfle zeven jaren tusfchen Dinant en 
Hastières gevonden heb, bedraagt 1134, hetgeen 
zeker zeer veel is , indien men nagaat , dat een groot 
deel der voorjaarsplanten mijne nafporingen noodwen- 
dig ontfnapt zullen zijn. 

De grot van het kasteel van Freyr, zoo belang- 
rijk voor den beminnaan der fchoone Natuur, ver- 
toont een allermerkwaardigst verfchijnfel , waarvan ilc 
niet nalaten kan gewag te maken. Eene foort van 
paddeftoel namelijk, Agaricus rotula l. , wordt al- 
daar fosfiel (♦) , door het inzuigen van water, met 
koolftofziiren kalk Ccarbonas calcis) bezwangerd, het- 
welk droppel voor droppel op haar hoedje valt , en 
waarvan de fteenachtige deelen in haar weeffel wor- 
den opgenomen. Dit voorbeeld , welligt eenig in zijne 
foort , bewijst tegen het algemeen aangenomen gevoe- 
len, dat weeke organifche ligchamen wel voor ver- 
fteening vatbaar zijn. 

Om dit ftukje vollediger te maken en om een meer ' 
volkomen denkbeeld van de omftreken van Freyr te 
te geven , zoude men ook de Fauna van deze land- 
ftreek moeten mededeelen; maar deze taak is, bij ge- 
brek aan genoegzame waarnemingen , boven mijne 
krachten. Alleen heb ik mij in den afgeloopen zo- 
mer eenigzins opgehouden met het onderzoek der 
fchelpdragende Weekdieren CMollusca^ , waarvan de 
-volgende foorten mij onder het oog zijn gekomen , 
welk lijstje ik alleen mededeel , om te doen zien , 

hoe 

(*) Volgens den Hoogl. kickx in zijne befchrij ving van 
■de grot van Freyr. 

K 3 



C Hö ) 

hoe veel een meer opmerkzaam waarnemer, ook 
in de overige alUeelingen van het Dierenrijk , alhier 
zoude kunnen vinden. In den omtrek dan van een 
half uur, rondom het kasteel, zag ik: Helix poma- 
tia , ncmoralis , hortenfis , cricetorum , (Iriata , ui' 
tida , pulchella , fasciata , hispida , fruticum en 
obvolutfl ; Limnacus ftagnalis ; Planorbis cornetis en 
carinatus ; Unio littoralis ^ pictorum ^jx finuata{*); 
Claufilia bidens en r ugo fa ,' Pupa fragtlis , fee ah 
en frumcntum ; Bulimus obfcurus; Cyclostoma cU- 
gani; Neritina fluviatilis ; Paliidina impura ; Suc- 
cinea amphibia ; Valvata piscinalis en Vitrina pel- 
lucida. 



a««Ctx!i>f4)W!) >ïS-7 — ~ 



OVER DE VORMING DER GRASLANDEN IN HET AL- 
GEMEEN EN OVER HET GEBRUIK VAN HET RAY- 
GRAS (lOLIUM PERENNE) TOT HET AANLEG- 
GEN DERZELVE. 

Door H. C. VAN HALL. 



H. 



.et is een ieder, die flechts iets van den landbouw 
gezien heeft, bekend, dat oude graslanden, dat zijn 
dezulke, die eenen zeer langeti tijd als zoodanig be- 
ftaan hebben, vooral op kleigronden verre verkieslijk 
zijn boven die, welke nog voor weinige jaren al$ 
bouwland gebruikt waren , zoo wel wegens hunne 
mindere afhankelijkheid van lucht- en weêrsgefteld- 
heid, als wegens hunne rijke opbrengst gedurende 

bij- 

(*) Deze fchelp, welke in de Lesfe en In de beek la 
Houille gevonden wordt, bevat dikwijls zeer fraaije paarlen. 



C 147 ) 

bijna alle de tijdperken van liet gunftig faizoen. De 
reden hiervan is daarin gelegen , dat het bewonde- 
renswaardig weeffel der zode op oude graslanden , uit 
zeer talrijke en verfcbillende foorten van grasfen en 
andere planten zamengefteld is, waarvan eenige in de 
lente, andere in den zomer, andere wederom in den 
herfst het toppunt van hunnen wasdom gewoon zijn 
te bereiken; waarvan eenige bij droog, andere bij 
vochtig weder het weligst wasfen, waardoor dan op 
een goed weiland altoos eenige plantfoorten in volle 
kracht zijn en de minder voorfpoedige befchutten, 
tot dat jaargetijde of veranderde weêrsgefteldheid deze 
op hunne beurt gunftig zijn. Wanneer een grasland 
zeer oud is hebben al de planten , waaruit hetzelve 
beftaat, zich, als het ware, naar elkander gefchikt, en 
vormen zij daardoor eene door de Natuur gefchapene 
vereeniging, welke de kunst niet, dan op eene hoogst 
onvolkomene wijze kan navolgen. Men zal het dan , 
hoop ik , niet geheel onbelangrijk rekenen , indien ik 
over de vorming der graslanden in het algemeen en 
over het gebruik van het Raygras ^ tot het aanleg- 
gen derzelve in het bijzonder, het een en ander in 
het midden breng , hetwelk , offchoon door de uitge- 
ftrektheid van het onderwerp op zich zelf niet vol- 
ledig, toch als gedeeltelijke bijdrage tot de kennis 
onzer landhuishouding van eenig nut kan zijn. In 
een vak echter, zoo uitgeftrekt als de landhuishoud- 
kunde, en waarbij zoo veel van bijzondere ervarin-j- 
afhangt, hoop ik op de toegevendheid mijner le- 
zers te mogen rekenen, daar ik alleen ten doel 
had, om de flotfom der tot dus verre gemaakte on- 
dervindingen, naar mijn beste weten, aan mijne land- 

K 4 ge. 



. C M8 ) 

genooten mede te dealen, en ik gaarne beken, dat het 
ligt mogelijk is, dat latere onderzoekingen ook hierin 
eene nadere wijziging noodzakelijk zullen maken. 

De befchouvving onzer graslanden maakt eene der 
fchoonfte toepasfingen der plantkunde op den land- 
bouw uit , en leert ons vele nuttige eigenfchappen 
onzer inlandfche planten kennen , welke voor den on- 
opmerkzamen befchouwer geheel verloren zijn. Het 
is bijna ongelooflijk, hoe talrijk de plantfoorten zijn 
die een oud weiland zamenftellen. Meermalen heb ik 
op een bunder grasland 40—60 verfchillende foorten 
van grasfen en andere planten aangetrofFen. Hoogst- 
merkwaardig echter, en geCchikt om ons eenigzinseen 
denkbeeld der fchier onbegrijpelijke verfcheidenheid der 
Natuur te geven , is het voorbeeld aangehaald door 
eenen geloofwaardigen Schrijver, george sinclair(*), 

die 

(*) Hortus Gramineus PFoburnenfis , oder Verfuche über 
den Ertrag und die Nahrungskrafce verfchiedener Graser 
nnd anderer Pflanzen , welke zurn Unterhalt der nützlichem 
Hansthiere dienen ; veranftalcec durch johann Herzog von 
Bedford. Mie vielen Abbildungen der Pflanzen und Samen 
erlautert, womic diefe Verfuche gemacht wurden, nebsc 
praktifchen Bemerkungen über ihre natürlichen Eigenfchaf- 
ten , und die Erdarten, welche am besten für fie taugen ; 
famrat Angaben über die besten Grafer für dauernde Wei- 
den, bewasferte Wiefen, hochliegendes Weideland, und 
zur Weclifelwirdifchafc , begleice: mit den unterfcheidenden 
Merkmalen der Arcen und Abarteri , von georg sïnclair. 
Stuttgart und Tübingen 1826.' — Ik heb met opzet dezen 
- uitvoerigen titel geheel overgenomen , omdat men hierdoor 
een begrip krijgt van dit veelomvattend werk, hetwelk, 
met omzigtigheid gebruikt, ook voor ons Vaderland be- 
langrijke refulcaten geeft. 



C 149 ) 

'die op éénen vierkanten voet, in een oud, vruchtbaar 
■weiland te Endsleigh in Engeland^ fwee en tmntig 
verfchillende planten telde, namelijk: Schedonorus 
pratenfis , Fcstiica dtiriusciila^ Jlopecurtis pr aten- 
fis ^ Dactylis glomerata, Bromits mollis ^ Poa tri- 
vialis, Cynofuritscristatus , Festuca rubra ^ Agrostis 
fiolonifera latifoUa ^ Lolium perenne Rusfelianum , 
'Loliiim peren72e compofitum, Holcus lanatus, Jgro- 
'stis vulgaris, Trifolium pratenfe en repcns^ Plari- 
tago lanceoJata , Achillea millefolium , Hieraciiim 
pilofdla , Kitmex acetofa , Stellaria graminta , Bd- 
lis perennis ^ en Anthoxr.nthum odoratum. 

Het zoude mij te ver henen voeren , indien ik alle 
de gewasfen, die de voortreffelijke weilanden onzer 
Noordelijke gewesten vormen , wilde opnoemen , 
doch ik wil uit mijne aanteekeningen alleen de za- 
menftelling van een paar graslanden, op onderfchei- 
dene gronden, ten voorbeelde aanvoeren. De uit- 
breiding van deze opgave over eene grootere fchaal 
en op meer verfchillende foorten van gronden , zoude 
zekerlijk haar nut hebben , doch hiertoe behoort 
men, door onderfcheidene ftreken onzes vaderlands, 
meerdere reizen met dit oogmerk gedaan te hebbeu , 
dan ik tot dusverre in de gelegenheid ben geweest 
te doen. 

In de eerfte plaats dan volgt hier de opgave der 
planten van een land op laaggélegenen , 's winters 
vochtigen, doch zeer vruchtbaren, kleigrond, in het 
dorpje Heikop^ bij Vinnen, gewoonlijk met melk- 
koeijen beweid. De eerstgenoemde planten waren in 
dit weiland in de grootfte hoeveelheid : 

K S 1°. Agros- 



C 150 ) 

1". ^grostis dijfufa , Poa pratenfis , trhnalis en 
annua, Trifolium repem en fragiferum^ 
Kanunculus repem. 
a». Dactylis glomerata , Plant ago major , Pha- 
laris arundinacea , Lycopus europaeus , Po- 
Ijgonum hydropiper, minus en aviculare, 

3°. Alopecuriis geniculatus ^ Agropyrum repens ^ 
Potentilla anferina ^ Schedonorus pratenfis^ 
Cerastium aquaticum^ Cirfitim arvenfe^ Sou- 
teilaria gahriculata ^ Kanunculus flammula, 
Polygonum persicaria , Urtica dioica , Apar- 
gia autumnalis , Juncus lampocarpos , Sta» 
chys palustris^t Mentha aquatica en Galium 
palustre. 

4», Langs de floot : Glyceria fluitans , Alisma 
Plantago , Bidens cernua en tripartita , My- 
ofotis palustris , Sium latifolium , Oenanthc 
Phellandrium en Oenanthe fistulofa. 

Op een vrij hooggelegen weiland , zijnde een za- 
velige kleigrond op eenen ondergrond van zand, digt 
bij lianen gelegen, en door zijne rijke opbrengst, 
als het jaar niet al te droog was , bekend , groeiden : 

j". Lolium per enne en Cynofurus cristatus , 
welke te zamen het hoofd • beflanddeel der 
ganfche zode uitmaakten. 

2°. Trifolium repens,, pratenfe en fiUforme^ 
Schedonorus pratenfis , Poa pratensis , Bellis 
perennis y Brunella vulgaris ^ Medicago lu- 
pulina , Kanunculus acris en Cirsium arvenfe. 

3°. In geringe hoeveelheid: Poa trivialis, Phleum 
pratenfe , Dactylis glomerata , Agrostis vul- 
garis, Trifetum flavescens, Holcus lanatus y 

Bro' 



( 151 ) 

Bromus mollis en jlerilis , Plantago lanceo' 
laia, Veronica chamaedrys , Ccrastium tri- 
viale , Ranunculus repens , Cirfium lanceo- 
latum , Juncus bulbofus en glaucus , Apargia 
bispida , Leontodon Taraxacum , KumfiX criS' 
pus , Geranium molle , Alsine media , Equi- 
fetum arvenfc^ Urtica dioica-, Agrimonia 
Eupatoria en Carex muricata. 
Met dit weiland verdient vergelelcen te worden, 
een ander ftuk goede kleigrond nabij Groningen^ 
hetwelk gedeeltelijk en , zoo het fcheen , beurtelings 
tot weide en hooiland gebruikt werd , doch hetwelk?, 
daar de ondergrond niet zandig was , eenigzins min- 
der droog lag , dan het vorige. Hier vond ik in groote 
hoeveelheid : 
1°, Cynofurus cristatus , Hordeum pratenfe^ An- 
thoxanthum odoratum , Poa pratemis , Sche- 
donorus pratensis , Trifolium repens , Ku' 
mex acetofa , Ranunculus repens en acris en 
Bellis perennis Cvooral in het weiland), 
a». Lolium per enne ^ Alopecurus geniculatus^Poa 
trivialis ^ Holcus lanatus , Agrostis vulgaris 
pn alba , Bromus mollis , Rumex crispus , 
Trifolium pratenfe , Achillea millefolium ^ 
Cerastium triviale (vooral in het hooiland), 
Apargia autumnalis en Cirsium arvenfe* 
%", In geringe hoeveelheid : Poa annua , Agro- 
pyrum repens ^ Thlaspiburfa pastoris^ Juncus 
bulbofus, Cirsium lanceolatum , Stellaria 
graminea, Glechoma hedf.racea, Polygonum 
ampkibium terrestre en P. aviculare. Poten- 
tilla anferina en Veronica ferpyllifolia. 

40. Langs 



( 15a ) 

4». Langs de floot : Glyceria fluitam , Galitim 
palustre^ Oenanthe fisiulofa en Scirpus pa- 
htstris. 

Ik voeg er ten opzigte van het tijdflip der ontwik- 
keling van fommige grasfen jbij, dat ik deze laatfte 
aanteekening gemaakt heb op den aoften Junij 1826, 
en dat toen 10. Anthoxantum odoratum , geheel en 
al uitgebloeid was, waardoor het mogelijk is, dat 
ik dit zich zeer vroeg ontwikkelende gras, bij het 
onderzoek van het weiland bij^/ö;?^;? (11 Julij 1827), 
zal hebben voorbijgezien; 20. dat Poapraiemis hiina. 
uitgebloeid was ; 30. Poa trivlalis , Cynofurtis cris- 
tatus , Schedorïoriis pratensis in vollen bloei ; 40. dat 
Lolïum per enne ^ Hordetim pratenfe^ Agrostis vul' 
garis en Hoïciis lanatus in bloei begonnen te ko- 
men, zoodat men rekenen kan dat deze grasfen on- 
geveer in genoemde orde, elkander gedurende den 
zomer opvolgen. 

In het aangehaalde werk van sinclair, bl. 145, 
rekent men nopens Engeland, dat de heste natuur- 
lijke weiden hoofdzakelijk beftaan uit de volgende 26 
foorten van planten (*)J 

40. Plan- 

(*) Ik heb bij deze opgave dezelfde namen gebruikt, 
als in mijne Flora Belgii Septentrionalis (18253, in welk 
werk men ook de Nederlandfche namen der planten , welke 
ik kortheidshalve hier heb overgeflagen, kan vinden. Aan 
de door sinclair opgenoemde planten, welke in onze 
Flora tot dusver niet opgenomen zijn , heb ik de namen 
van SINCLAIR gelaten en dezelve tusfchen twee haakjes ge- 
plaatst. 



C 153 ) 

lo. Planten, welke het beste gras in het voorjaar 
en gedeeltelijk ook in den zomer geven : Alo- 
pecurus pratensis , Dactylis glomerata , Schc' 
donorus pratensis^ Phlciim pratenfe^ Antho- 
xanthiim odoratiim ^ Arrhenatermn avenacc' 
urn , Vicia fcpiiim , Bromt/s arvenfis , Poa 
annua en {^Ayena pratensis], 
'2P, Planten, welke het beste gras voornamelijk in 
den zomer en herfst leveren : Trifetum fla- 
vescens , Hordeum pratenfe, Cynofuriis cris- 
tatus , Festuca duriuscula , Poa trivialis , 
Poa pratensis, Holen s lanatus ^ Trifolium 
pratenfe , Trifolium repons , Lathyrtis pra' 
tensis en {^Festuca glabra]i 
30. Planten, welke het weligst in den herfst 
ftaan : Achillea millefoUum , Agrostis difufa , 
[^Agrostis palustris] en Agropyriim repens. 
De fchrijver voegt er bij, dat hij daarenboven 
in de beste weiden altoos gevonden heeft: 
Kanunculus acris , Plantago lanceolata en 
Riimex acetofa (*), doch dat de weidende 
paarden, runderen en fchapen Kanunculus 
acris en Rumex acetofa niet tot voedfel ge- 
bruiken. 
Alle de genoemde inlandfche planten komen ook 
in onze weiden voor , doch naar mijne waarnemin- 
gen, die ik echter nader hoop uit te breiden, ont- 
wikkelen zich Lolium perenne en Schedonorus pra- 
ten' 

e*) Dit is wat Kanunculus acris en Rumex acetofa be- 
treft, ook hier te lande het geval, terwijl Plantago lan- 
ceolata op zandige weiden zeer algemeen is. 



( 154 ) 

temii, op oude Weirandei>, éenigzins later, Cytw- 
furtts cristattn en Poa praicnsis , daarentegen , 
eenigzins vroeger, dan bij sinclair wordt opgege- 
ven. Voorts heeft de ondervinding mij geleerd, dat 
Detetylis glomerata geenszins zulk een goed gras is , 
als door «inclair (bl. 150) en anderen wordt opge- 
geven. Het rundvee laat dit grove harde gras in de 
weide onaangeroerd , zoo lang het malfcher en fijner 
foorten kan vinden, waardoor dit gras zelden donr 
runderen gegeten wordt, voordat het door de vorst 
van zijne hardheid verloren heeft. 

Wanneer men de bertanddeelen onzer aan zee of 
zoute wateren gelegene weilanden met die, welke 
binnen 's lands gevonden worden , vergelijkt , zal men 
een zeer groot onderfcheid ontdekken, daar deze 
zilte graslanden vooral zamengefteld zijn uit Poa 
maritima , Poa distans , Alopecurui- bulbofus en 
anderen, onder welke Poa maritima^ aan de kusten 
van den Dollaert , onder den naam van kwelder of 
kweldergras, als een voortreffelijk veevoeder be- 
kend is. 

De tot nu toe opgegeven voorbeelden waren alle 
van oude graslanden. Wanneer men deze nu verge- 
lijkt met de volgende zamenftelling van een grasland, 
op zandigen bodem met veenachtigen ondergrond in 
de Pekel- A (prov. Gromngen) ^ hetwelk voor kor- 
ten tijd nog bouwland was, zal men een zeer aan- 
merkelijk verfchil ontwaren. Hier toch vond ik (12 
Junij 1827) het algemeenst: 

lo. Poa pratensis ^ Agrostis alba en vulgaris ^ 
Bromus mollis , Kumex acetofella , Trifolium 
repem en camfestrc en Veronica officinalis. 

2". In 



C 155 ) 

2o. In mindere hoeveelheid: Anthoxanthum odo' 
ratum , Poa trivialis , Avena praccox , Hie- 
racium Pilofella, Rumex obtusifolius ^ ace- 
tof a en crispus , Potentilla anferina , Scutel- 
laria galcriculata , Cerasthim triviale , My^ 
ofotis arvensis en jlricta , Ment ha arvensis , 
TrifoUum pratenfe , Kaniinculiis repens en 
acris , F/V/^ fativa , Achillea millefoliutn en 
v^r. /ord r/^^ro , Chaerophylhim fylvestre » 
Lychnis dioica, Linaria vulgaris , Glechoma. 
hederacea ^ Apargia autumnalis ^ Alsine me*' 
dia, Draba verna , Galeopsis tetrahit , J^^i' 
one montana y Sagina procumbens, Plantago 
lanceolata , Galium faxatile , Polygonum 
convolviilus , Senecio fylvaticus , Viola arven- 
sis , Alchemilla aphanes, van welke planten, 
verfcheidene zeer dikwijls op bouwlanden voor- 
komen, terwijl een paar planten rogge en 
Centaurea 'cyanus den voormaligen toeftand 
van dit land en deszelfs mindere waarde, in 
vergelijking van oud grasland, fchenen aan te 
toonen. 
Het is mijn voornemen niet , om deze opgaven 
van de beftanddeelen der graslanden thans verder uit te 
breiden , maar ik wil over het veranderen van bouw- 
land tot grasland in het algemeen, en over het ge- 
bruik van het Kaygras (Lolium perenne) tot dit 
oogmerk in het bijzonder nog ecnige woorden in het 
midden brengen. Ik doe dit met zoo veel te meer 
vertrouwen , omdat over dit onderwerp twee belang- 
rijke (lukjes in 1826 in onze nieuwspapieren geftaan 
hebben, die zonder eene bepaalde herinnering, lig- 

te- 



C 150 ) 

telijk in ecne onverdiende vergetelheid zouden gera- 
ken , omdat ik , ten tweede , op een reisje door de 
provincie Groningen , het een en ander dienaangaan- 
de heb. njogen opmerken , en omdat de wijze, waarop 
men in dit Gewest het Raygras , alhier Smeerraai 
genoemd, tot het vormen der graslanden gebruikt, 
geenszins algemeen bekend is. 

Wanneer wij de verfchillende wijzen van het land 
te bebouwen en de volgorde van gewasfen , die de 
landman in acht neemt, nagaan, is er geen gedeelte 
onzes Vaderlands , waar het veranderen van bouw- 
land tot grasland zoo dikwijls te pas ikomt, als in 
Groningen en een gedeelte van het noorden van 
Vriesland en Noordholland ^ wijl men daar veelal de 
gewoonte heeft , om de akkers , na eenige jaren be- 
bouwing , weder tot grasland aan te leggen , om zoo 
doende, de hoeveelheid vruchtbare xs.t\zzx^t oï humus 
in dezelve wederom te vermeerderen. In de overige 
deelen van ons Vaderland, ten minste in de Noor- 
delijke Provinciën, die, ten opzigte van den land- 
bouw, het meest met elkander overeenkomen, blijft 
het bouwland doorgaans bouwland, het grasland 
grasland, ten ware dat eene bijzondere verandering 
in de prijzen der bouwvruchten of van vee en zuivel 
hierin eenige verwisfeling noodzakelijk maakten. Men 
zet daar over het algemeen ongaarne den ploeg in 
oud grasland , en is te regt van begrip , dat niets 
gemakkelijker is, dan grasland tot boiiwland te bren- 
gen, niets moeijelijker dan goed grasland uit den be- 
ploegden grond daar te ftellen. Dit is dan ook in- 
derdaad zeer bezwaarlijk, als men, mag ik wel zeg- 
gen , de nog 7neest algemeene gewoonte in ons Land 

na* 



C 157 ) 
navolgt , om witte klaver met zomervruchten , b. v 
haver of zomergarst , of in de wintergranen in het 
voorjaar uit te zaaijen en den opflag van gras aan 
het toeval over te laten , even alsof diezelfde zor? 
en oplettendheid, welke bij de granen en andere bouw. 
planten onze keus tot derzelver aankweeking bepaalt, 
by den , voor de ganfche landhuislioudkunde zoo be- 
langrijken grasbouw niet noodzakelijk ware. Men 
verkrijgt bij deze handelwijze zeer langzaam een goed 
gvasgewas, hetgeen echter natuurlijk nog het best 
gelukt op lage vochtige , aan alle zijden door wei- 
den omringde, landerijen. Op bouwgronden van ge- 
wone hoogte behoudt men in de graslanden nog veel 
te lang de nuttelooze of zelfs fchadelijke onkruiden 
der bouwakkers, en heeft de grond, fchraal met 
grasgewas bezet , veel van de zomerwarmte en drooste 
te hjden, waardoor de kale plekken op deze weilan- 
den door het verfchroeijen der graswortels nog aan- 
merkelijk grooter worden. 

Iets beter is het reeds , als men de zoogenaamde 
Aoo^krok zijnde het Hof en vuilnis der hooizolders. 
met de klaver uitzaait. Dit Hof bevat, wel is waar, 
onderfcheidene graszaden , doch vele der beste gras- 
len, als: Lo/wm peref^ne , Hor demn prat enfe enz, 
njpen doorgaans eerst .. den hooioogst, waardoor 
de hooikrok bijna alleen onrijpe zaden en zaden van 
vroegrijpe of eenjarige grasfen in zich bevat. 

Deze aanmerking heeft den heer d. h. b. a. , te 

Leeuwarden, (*) gebragt tot het aanraden van een 

,^. der- 

M, om touu>lan, in den kortflen tijd en met de Lfte kos. 
«1JDRAGEN,D. m.ST. I. L ten 



C 158 ) 

derde middel , hetgeen zeker , offchoon het een wei- 
nig meer arbeid kost , boven de beide vorige wijzen 
van handelen verreweg te verkiezen is. „ Hij wil , 
„dat men behoorlijk het zaad inzamele van alle die 
„gras- en veldplanten, welke groeijen op een weiland 
„van gelijkfoortigen grond, als die is, welken men 
„tot v\^eide wil aanleggen. De boer bertemme dus 
„ tot deze zaadwinning een of meer zijner beste oude 
„weilanden, verfterke het, indien noodig, door be- 
„ donging (bemesting met korten mist) of begiering , 
„ zuivere het van notoir fchadelijke onkruiden , indien 
„ er in zijn , (zoo als distels , gedoomd flalkruid 
„enz.) late het niet vóórweiden, vooral niet door 
„fchapen, en late het wijders ongerept. Hij verdeele 
„ voorts dit tot zaadwinning bedemde land in drie 
„ gedeelten. Een derde gedeelte daarvan maaije hij 
„ zeer vroeg , een ander gedeelte merkelijk later , en 
„eindelijk een derde gedeelte nog later, voor de al- 
„ lerlaatst rijpende zaden. — De gefchiktfte tijden 

voor 

ten tot duurzaam goed weiland te hervormen , geplaatst in 
de Leeuwarder Courant , en daaruit overgenomen in de 
Groninger Courant van 9 Mei 182Ö. — Het is vrij alge- 
meen bekend, dat de fchrijver van dit stuk was de heer 
D. H. BEUCKER ANDREAE , CCH man Van veelomvattende kennis 
en grondige geleerdheid , alomme bemind en geacht van 
elk, die in de gelegenheid geweest was, zijne verdienden 
van nabij te leeren kennen. Bij het gebruik maken van dit 
door hem gefchreven ftuk , kon ik niet van mij verkrij- 
gen , om er deze weinige regelen niet bij te voegen ter 
herinnering van hem, die, te vroeg aan zijn vaderland en 
der wetenfchappen ontrukt, zijne talrijke vrienden (leeds 
onvergetelijk zal blijven.. 



C 159 ) 

^voor deze raaaijingea kunnen naar jaargang en bo- 
„ dem verfchillen ; en moet ik hier dus aan het prak- 
„tisch oordeel en de oplettendheid van den landman 
„ eenige ruimte laten. — Hij behandele voorts de 
„ uitdorfching van het alzoo ingeoogfte nagenoeg ge- 
^, lijk van bet klaverzaad. — Hij menge daarna de 
„ onderfcheidene producten ondereen , en op deze 
„ wijze zal hij tamelijk zeker zijn , dat hij van ge- 
„ noegzaam al zijne beste weidegrasfen en verdere 
„aanwezige veldplanten, rijpe zaden heeft verkregen 
„en wel juist zoodanige en nagenoeg in zulke on- 
„ derlinge evenredigheid , als het meest dienftig is , 
„om op gelijkfoortigen grond eene even goede en 
„ beftendige weide daar te Hellen. 

„ Met dit alzoo gewonnen zaad , dat gemengd mag 
„ worden met eenig klaverzaad , doch niet in te groote 
„hoeveelheid, bezaaije men nu den tot weide be- 
„ftemden bouwgrond, zulks onder en nevens de 
„ winter- of zomervrucht , die daarop , zoo het land 
„krachts genoeg bezit, immers het eerfte jaar nog 
„kan worden geteeld." 

Om dit middel meer in het groot aan te wenden, 
raadt de kundige fchrijver verder aan , om in onder- 
fcheidene oorden zaden voor weilanden te verzame- 
len en te verkoopen , maar zoo , dat men niet zaad 
van een enkel gras, maar gras- en andere zaden op 
de befchrevene wijze verzameld, het zij van zware 
klei, het zij|van zachte zavelige klei of andere grond- 
foorten , .fteeds met bijvoeging van de plaats der ver- 
zameling, ter markt bragt. In eene noot haalt de 
fchrijver de waarfchuvving aan van sinclair, (Jour- 
nal d'Agriculture des Pays-Bas, 1826, p. 11) om 

L 2 gee- 



C 160 ) 

geene breedbladige klaver met het graszaad uit te 
zaaijen, wijl hierdoor de vorming der graszode ver- 
traagd zoude worden. Sinclaiiv bedoelt hier waar- 
fchijnlijk de gewone roode of Brahandfchc klaver 
(J^rifolium pratenfe falivurn) , welker te zware fcha- 
diuv de jonge grasplantjes ligtelijk zoude verftikken. 
De klaver, waarvan de fchrijver in het aangehaalde 
Ihik fpreekt, is denkelijk de w/V/e klaver, die bij 
het aanleggen van weilanden het meest in gebruik is. 
Indien men ter meerdere afwisfeling, hetgeen niet af 
te keuren is , een klein weinig roode klaver mede vi?il 
uitzaaijen, is hiertoe voor weiland het best gefchikt 
de wilde roode klaver {Trifolium pratenfe), welke 
lager groeit , kleiner bladen heeft en door hare lig- 
gende (leng meer ter afweiding gefchikt is, terwijl 
de bovengemelde Brabandfche klaver, om groen te 
voederen of tot hooi te maaijen meer dienftig is. 
Beide foorten zijn welligt'lborteiijk onderfcheiden(*), 
hetgeen mij des te waarfchijnlijker voorkomt, omdat 
ik beide in den ceconomifcJien tuin te Groningen, 
op denzelfden grond naast elkander gekweekt heb, 
zonder eenigen overgang in elkander te befpeuren. De 
wilde roode klaver maakt dikwijls een hoofdbeftand- 
deel onzer beste weilanden uit. 

Het doel van den heer d. h. b. a. fchijnt inzon- 
derheid geweest te zijn , om eene handleiding te ge- 
ven om een duurzaam goed weiland te verkrijgen. 
In de provincie Groningen heeft men doorgaans een 

an- 

(*) Men vergelijke g. e, w. crome, Hnndbiich der Na- 
turgefchichte für Landwirthe, Hanover 1811, II, 2 S. 
568 en 569. 



( i6i ) 

ander doel , om , namelijk , een goed grasland fJeehtS' 
voor eenige jaren te hebben , ten einde door weder- 
ombouvving van hetzelve een des te beter bouwland 
te verkrijgen. Het grasland wordt hier derhalve aan- 
het bouwland opgeofferd. Gelijk op de meeste plaat- 
fen in Holland en Vriesland , door de ligging vaiv 
den bodem , door de hooge waarde van boter en 
kaas en door de menigte welbevolkte {leden , de wei- 
landen de hoofdzaak uitmaken, zoo is, daarentegen, 
in de meeste deelen van de Prov. Groningen, de ak- 
kerbouw het voornaam fte , zoo als onder anderen 
reeds aan de bouworde der fchuren en de geringe 
plaats, welke het vee daarin beflaat, zigtbaaris. Hier 
is dan ook federt eenige jaren de gewoonte algemee- 
ner geworden , om het bouwland vooral door behulp 
van Raygras met klaver in weiland te veranderen. 
Voor dat ik echter deze behandeling zelve kortelijk 
befchrijf, is het noodig eerst de oorfpronkelijke groei- 
plaats en de voornaamfte eigenfchappen van die Gras 
nader te leeren kennen. 

Het gemeen Raygras (Lolium perenne) hetwelk 
in het Hollandsch bekend is onder de namen van 
overblijvende of roode Dolijk, Roggegras , Muizen- 
koorn, lange Smeelen , Phoenix (j^^ , doch in Gro- 
ningen algemeen Smeerraai genoemd wordt, omdat 
de zaden, als zij niet al te veel verdroogd zijn, tus- 
fchen de vingeus gewreven , dezelve vettig of fmerig 

ma- 

. (*) Volgens de Flora Batava , no. 201 , waar dit gras 
ook is afgebeeld, doch met al te fpitfe bloempjes, waar- 
van fommige in de afbeelding zelfs genaaid fcliijnen. het- 
geen echter deze plaut niet eigen is. 

_ i 3 



( i62 ) 

maken, is een overblijvend, niet zeer hoog grocijend 
gras, hetwelk gevonden wordt in alle onze weiden, 
de zoodanige alleen uitgezonderd, die zeer laag en 
ttiocrasftg zijn. Het is vooral algemeen op matig 
hooge , zoo flijve en kernachtige als zavelachtige 
kleigronden, vooral op die, welke tot vetweiding 
van het vee in goeden naam ftaan. Ik heb het in 
bijkans alle onze beste weilanden aangetroffen , (in- 
zonderheid in groote menigte op de voortreffelijke 
buitenwaarden langs onze rivieren), uit welke daad- 
zaken men reeds van voren zoude mogen befluiten , 
dat het onder onze beste grasfen moest gerekend wor- 
den. Het Raygras ftoelt fterk uit en geeft eene me- 
nigte wortelbladen , welke in den zonnefchijn glins- 
teren en door dezen eigenen glans dit gras reeds op 
het eerfte gezigt van de omringende grasfen onder- 
fcheiden. Het is daarenboven kennelijk aan eene aar 
met ongedeelde, zamengedrukte en overhoeks (in 
verband) geplaatfte bloempjes, door één kaf blaadje 
(gluma) gedeund. De waarneming van sinclair, 
bl. aa6, dat het, als het niet ouder dan 3 jaren is, 
in de tweede week van Junij bloeit, en de zaden 
ongeveer 25 dagen later tot rijpheid brengt, is ook 
hier in het algemeen waar, doch op oude weilanden 
bloeit het doorgaans later , fomwijlen eerst in het be- 
gin van Augustus. 

Men heeft vele verfcheidenheden van dit gras, 
dat, op zeer onderfcheidene gronden groeijende, juist 
daardoor aan vele veranderingen onderhevig is. De 
voornaamfte der verfcheidenheden zijn bij de Gorter , 
N". 120, en in mijne i^/ör« , N" 158, vermeld. Rain- 
viLLE heeft in zijn herbarium 49 verfcheidenheden 

of 



( 163 ) 

of miswasfen hiervan bewaard; welk getal nog over- 
troffen wordt door de zestig verfchillende vormen 
van dit gras, die vvhitworth (bij sinclair, bl.asa) 
in Engeland heeft verzameld , van welke eenige , 
door grootte of weligen wasdom der bladeren uit- 
muntende, ook in onze vetflie weilanden voorko- 
men r*). 

Een /Tukje, geplaatst in de Groninger Courant van 
7 Juüj 1826, gefchreven door den heer a. m. t. in 
de Meeden (Prov. Groningen^, is een antwoord op 
den bovengemelden raad van den heer d. h. b. a., 
welken hij niet aannemelijk , maar daarentegen het 
zaaijen van Smecrraai met klaver tot het aanleggen 
van grasland verkieslijk oordeelt. Hij grondt zich 
daarbij ongeveer op de volgende redenen: 

10. Op zijne graslanden zag de Schrijver vele 
flechte en weinige goede grasfoorten , en meent dus, 
dat er volgens de opgegevene handelwijze van d. h. b. a. 
meer flechte dan goede grasCen op het nieuwe weiland 
zouden komen. 

20. Hij wil liever het beste gras van de beste en 
oudflie weilanden afzonderlijk verzamelen en uitzaaijen. 
Deze beste grasfoort nu , is volgens zijne ondervin- 
ding , het Smeerraaigras , hetwelk hij noemt „ eene 
„plant, die op het laatst van den zomer zaadt, en 
V, behoorlijk kort geweid, of op haar tijd gemaaid , 
„geen zaderig of vroegfiervend gras oplevert. Zij is 

„ver- 

(*) In Engeland was dit gras reeds in 1677 a's voeder- 

gras bekend. Zie plat ,. Natura! History of Oxfordshire 

^^77 y P. 31—33» aangehnald bij beckmann, Grundsasfe 

der Teutfchen Landvvirtfchaft , 1806, S. 216. 

L 4 



C 1Ö4 ) 

„verder bladrijk en Tappig, wordt met graagte door 
„ het vee genuttigd en levert een gezond en verder* 
„kend vcedfel op." 

30. Op de door den Schrijver met Raygras en 
klaver aangelegde graslanden kan hij thans twee koei* 
jen weiden, waar, voor 10— 20 jaren, naauwelijksééne 
koe voedfel genoeg konde vinden , ja ziet hij dezelve 
zelfs beter groeijen dan op oude graslanden. 

40. Men heeft hiervan reeds in het eerde jaar een 
overvloedig gewas, hetwelk den grond zoo digt be- 
llaat (*), dat er bij een' tijdigen aanflag van het Ray- 
gras geen onkruid nevens te zien is , terwijl hij de 
•ivilde klaver doorgaans met het vierde jaar in deze 
graslanden zag te voorfchijn komen. 

50. Heeft bij van dit gras tot voorfchreven oog- 
merk de beste uitkomst gezien , zoo wel op klei- 
gronden , als op zand , ja zelfs op toebereide veen- 
gronden. 

De door den heer a. m. t. opgegeven voordeelen 
zijn inderdaad aanmerkelijk, doch ik moet evenwel 
aanmerken, dat de door hem gedane waarneming, 
dat er in de graslanden meer (lechte dan goede gras- 
foorten zouden geteld worden , niet algemeen waar 

is, 

(*) Na de uUzaaijing fpreiden de halmen zich eerst al 
kruipende over den grond uit, en dan eerst, wanneer 
de oppervlakte genoegzaam bedekt is , rijst de plant meer 
naar boven. Het Raygras heeft deze eigenfchap gemeen 
mee eenige andere grasfen, hetgeen een uitnemend hulp- 
middel is der Natuur, ter inftandhouding der weiden, wijl 
hierdoor alle opengevallen plekken dadelijk door de uitloo- 
pers der omringende grasfen aangevuld worden. 



C 165 ) 

is, offchoon ik geenszins 'tegenfpreek ,'datt dit in de 
graslanden in zijne omftreken liet geval kan zijn , daar 
liij zegt dit zelf gezien te liebben. Dit verklaart ons 
dan ook , waarom hij liet vee op raygraslanden beter 
zag groeijen , dan op oude graslanden, hetgeen an- 
ders, in het algemeen niet het geval is. — Dat voorts 
het Raygras, zonder eenige uitzondering, voor het 
beste gras der oiide weilanden moet gehouden wor- 
den , is welligt wat ftout gefproken , daar er andere 
grasfen zijn , die ten minste met het Raj^gras mogen 
gelijk gefteld worden ; maar het Raygras heeft boven 
vele andere grasfen vooruit, dat het veel zaad geeft, 
en dat dit zaad gemakkelijk verzameld kan worden , 
dat het op onderfcheidene foorten van gronden wel 
voortwil, en dat het reeds in het eerfte jaar een 
overvloedig voedfel geeft, hetwelk door het vee 
gaarne gegeten wordt. Deze laatfle, door den erva- 
renen Schrijver aangevoerde daadzaken, kunnen mede 
door mij bevestigd worden. In den voorzomer toch 
van 1827 zag ik op de zandgronden in de veenko- 
loniën een ftuk lands met Raygras en witte klaver 
aangelegd, en hiermede reeds bijna geheel beflagen. 
Ook in andere deelen dezer Provincie zag ik dezelfde 
handelwijze met goed gevolg bewerkftelligd. Het geeft 
eene zeer' goede vi^eide en goed hooi, hetwelk de 
paarden vooral gaarne eten, In het Magazijn van 
Landbouw^ Deel IV bl. 314, lezen wij, datbijiVj?- 
megen proeven zijn genomen op pas ontgonnen heide- 
grond , om het Raygras met de Medicago liipuUna 
tot de vorniing van kunstweiden uit te zaaijen. Het- 
geen echter aldaar bijgevoegd wordt, dat het meeste 

L 5 vee 



C lóó ) 

vee op goede weiden dit harde gras zoude weigeren , 
komt niet met de ondervinding overeen. 

In het genoemde werk van sinclair, bl. 2124, 
waar de bovengemelde goede eigenfchappen van het 
Raygras te regt geprezen worden, wordt de hoeveel- 
heid gras en de voedende beftanddeelen van hetzelve 
echter geringer gefchat, dan van eenige andere gras- 
fen en wel bepaaldelijk veel minder (als 5 tot 18) 
dan de gcmeene Kropaar {Daciylis glomerata , afgeb. 
in de Fh Bai. N". 102), doch wegens de boven- 
gemelde groote hardheid van dit gras, zal, mijns 
bedunkens, wel niemand aan de Kropaar boven het 
Raygras tot voedering van het rundvee den voor- 
rang toe kennen. Ook de beemd Vosfeflaart (Alo- 
pecurus pratenfis) en de beemd Langbloem (Schedo- 
norus pratenfis) worden in opbrengst en voedende 
beftanddeelen hooger gefchat j maar het eerfte heeft 
dikwijls doof zaad , en brengt op zandige gronden 
minder op; het laatfte heeft na de zaaijing te lang 
werk, om tot volkomenheid te geraken (sinclair 
p. 140), ofTchoon het voor blijvende weiden eene 
uitmuntende plant is. Dit laatfle geldt ook van de 
yelcl Garsi (Hordeum pratenfe), die wegens hare 
naalden meer ter afweiding, dan tot hooiwinning 
gefchikt is. Ik geloof eindelijk te mogen veronder- 
ftellen, dat in het aangehaalde werk van sinclair 
de voedende beftanddeelen van het Raygras een weinig 
te gering zullen zijn opgegeven , daar dit gras zijne 
meest voedzame deelen nabij den grond heeft, en er 
dus bij de afmaaijingen van hetzelve tot fcheikun- 
dig of ander onderzoek ligtelijk eene niet orlaanzien- 

Hj- 



C i67 ) 

lijke hoeveelheid voedende deelen zullen zijn blij- 
ven zitten. 

Offchoon wij nu onze lezers de goede zijde van 
het Raygras (*) leeren kennen, mogen wij ech- 
ter eenige min gunstige eigenCchappen van hetzelve 
niet onopgemerkt laten. Het fchijnt namelijk, dat 
het Raygras zeer kort moet afgeweid of de halmen 
van tijd tot tijd afgemaaid moeten worden , omdat de 
halmen, die jong zijnde, wel door het vee genuttigd 
worden, bij hooger ouderdom te hard worden, en 
dan tevens door de rijpwording van het zaad veel 
vaag uit den grond nemen. De Hoogleeraar kops 
(FL £ai. N". 2.01) zag in eene weide nabij den 
Haag, welke door eenen grooten troep fchapenwerd 
afgeweid, de veelvuldige halmen Raygras onaange- 
roerd ftaan, fchoon het land anders kaal was gege- 
ten. In de tweede plaats fchijnt het niet zeer lang 
(^zes jaren volgens sinclair) op het veld te blijven, 
zoodat er na verloop van eenige jaren, offchoon 
fommige oude planten door jonge R&y- of andere 
grassen vervangen worden, echter enkele kale plek- 
ken te voorfchijn komen , of ten minste een zeer on- 
gelijk grasgewas op het veld plaats heeft (f). Dit fchijnt 
in het algemeen het geval te wezen, wanneer men 
flechts ééne grasfoort tot het vormen van weiland 

uit- 

(*) In de Nieuwe wijze van Landbouw ^ Amfterdam 1765, 
D. IV bl. 83—86, vindt men eene uitbundige loffpraak van 
het Raygras. 

(t) De Hoogl. G. VROUK bevestigde mij dit door de 
waarneming, dat hij het Raygras bij Baarn had gekweekt, 
en dat het daar alleen in het eerfte jaar veel had opgebragt. 



C 168 ) 

uitzaait , omdat de grond alsdan eindelijk aan die 
plant gewoon raakt, en hiervoor geen genoegzaam 
voedfel meer oplevert ; welk nadeel echter veel ge- 
ringer is , op die plaatfen , waar het doel der gras- 
landen alleen is, om het bouwland rust te geven, 
dan daar, waar men het doel heeft, duurzame wei- 
landen te verkrijgen. 

Maar welke is dan, zal men vragen, de beste 
wijze om bouwland in grasland te hervormen, daar 
twee perfonen , die beide met den algemeenen en 
bijzonderen toeftand der landhuishoudkunde wel be- 
kend fchijnen , een geheel tegenllrijdig gevoelen op- 
peren ? Ik meen , zonder van den weg van ervaring 
en onpartijdig onderzoek te verre af te wijken, te 
mogen vastdellen, dat beide handelwijzen in ver- 
ichillende omltandigheden aan te prijzen zijn, en het 
was hierom , dat ik de voor- en nadeelen van bei- 
derlei gebruiken , uitvoerig naar mijn beste weten 
heb uiteen gezet. Zij toch, die met éénen algemee- 
nen ftelregel in den Landbouw meenen te kunnen 
volftaan , en met eene enkele magtfpreuk regelen 
voor geheel verfchillende gronden en onderfcheidene 
ftelfels van landhuishouding voorfchrijven, gelijken 
den Geneesheeren , die niet naar de afvvisfelende ver- 
fchijnfelen der kwaal, maar naar eene vooraf bepaal- 
de éénzijdige theorie , hunne zieken behandelen , en 
dan eens met Kina , dan vireder met bloedzuigers , 
alle mogelijke krankheden wanen te kunnen overwin- 
nen. Van daar de mode , die , helaas ! zoo wel in de 
Geneeskunde, als in den Landbouw geheerscht heeft , 
doch die nimmer de vastbepaalde grenzen van prakti- 
fche ondervinding mag overfchrijden ! 

Ik 



( IÓ9 ) 

Ik geloof uit het voorgaande te kunnen afleiden: 
dat doorgaans het verzamelen van graszaden uit an- 
dere graslanden , op de wijze door den heer- d. h. 
B. A. voorgeflagen, te verkiezen zijn zal op die 
plaatfen, waar men goech weilanden en vooral van 
gelijkfoortigen grond als die, welke men op nieuw 
vvii daarftellen , in zijne nabijheid heeft , en waar men 
de aan re leggen graslanden als duurzame weiden 
wil doen dienen. In dit geval is het minder de 
vraag, welke grasfen in de eerfte jaren het meeste 
voordeel geven en alsdan den bodem het digst be- 
flaan , dan wel , welke op den duur in vereeniging 
met eenige andere planten eene gefchikte weide kun- 
nen zamenftellen. Wanneer men, daarentegen, een 
ander ftelfel van landhuisbouding, gelijk in Gronin- 
gen volgt en het grasland , na eenige jaren beweid 
te zijn, weder in bouwland verandert, of daar, 
waar men geene dan Hechte natuurlijke weilan- 
den in de nabuurfchap heeft, zal het zaaijen van 
Raygras met klaver, waarvan men fpoedig veel 
voedfel voor het vee heeft , in het algemeen verkies- 
lijk wezen. De ondervinding ook van zeer vele land- 
lieden in de Prov. Groningen bevestigt tot dus verre 
het doelmatige van dit gebruik voor hunne wijze van 
landbeboLiwing. 

De wijze waarop onze landbouwers hiermede te 
werk gaan is in het algemeen deze: wanneer zij hun 
bouwland lang genoeg bebouwd hebben en zij het 
tot grasland willen brengen , is de eerde regel bij 
den voorzigtigen landbouwer , om niet te wachten 
totdat het land geheel uitgeput is, daar het dan geene 
kracht genoeg zoude bezitten , om goede klaver en 

gras 



( 170 ) 

gras voort te brengen en men dan niet alleen een 
flecht grasland , maar ook naderhand weder niet dan 
een middelmatig bouwland zoude verkrijgen; waarom 
A. M. T. aanraadt den akker tot grasland te maken , 
één, twee of uiterlijk drie jaren, nadat het gebraakt 
of, zoo als men hier zegt, gezomervalgd is, en in 
allen gevalle, wanneer het land nog in redelijken 
ftaat van vruchtbaarheid is. 

Ten opzigte van den tijd der zaaijing van het 
Raygras heerscbt er eenig verfchil onder de landlieden 
in deze ftreken. Sommigen zaaijen het in het voor- 
jaar in de wintergranen, wanneer men na de inoogst- 
ing der wintervrucht groen land zal hebben , in welk 
geval het zeer vroeg wordt gezaaid en behoorlijk 
ondergeëgd; het kan ook te gelijk met zomergra- 
nen worden gezaaid, doch de meesten rekenen het 
in de wintergranen verkieslijker. Anderen zaaijen 
het in den herfst met de rogge of tarwe, welke men 
dan als laatfte vrucht verbouwt en waarmede bet in- 
geëgd wordt. Deze laatfte zaaitijd komt zeker met 
den tijd der natuurlijke rijpwording der zaden van 
het Raygras meer overeen, en men rekent alsdan 
van het land vroeger voordeel te hebben. Dikwijls 
bemest men dan het land bij de zaaijing der genoemde 
wintergranen met het Raygras. 

De hoeveelheid zaad wordt door a. m. t. opgege- 
ven op een bunder lands. 

Rayzaad • . . è Ned. mud of 50 koppen. 

Rood klaverzaad 3 ponden. 

Wit klaverzaad 3 

Volgens het hier boven aangemerkte zoude de hoe- 
veelheid rood klaverzaad veel minder moeten zijn, 

en 



( 171 ) 

en niet dan in eene zeer geringe hoeveelheid ge- 
mengd met wit klaverzaad, hetwelk, vooral ook om- 
dat het duurzamer is dan roode klaver, verreweg de 
voorkeur verdient tot het aanleggen van graslanden , 
waartoe men ook met vrucht de wilde roode klaver , 
volgens het boven vermelde , zoude kunnen be- 
zigen. Ook fchijnt de hoeveelheid zaaizaad in het 
algemeen hier wat ruim genomen , daar men elders 
gezien heeft , dat men met minder zaad volftaan kan. 
Nopens bet kwartier Appingadam toch , verneem 
ik, van den Heer j. eikema, Theol. Stud. alhier, 
die mij vele belangrijke praktifche berigten over den 
landbouw aldaar heeft medegedeeld, dat men daar 
op een bunder gezaaid heeft ruim 4 fpinten, dat 
is ongeveer | Ned. mud of 25 Ned. koppen , en 
een zeer goed grasgevvas heeft bekomen. In die 
ftreek zaait men meestal met de wintergranen in de 
maand September, wanneer men het volgende jaar 
dit land hooit of beweidt. In het Oldampt rekent 
men doorgaans een derde Raygras te moeten gebrui- 
ken tegen twee derden wit klaverzaad, foms met een 
weinig roode klaver vermengd. 

Uit het opgegevene nopens de gronden , waar het 
Raygras van natuur groeit , begrijpt men ligtelijk, 
dat een niet al te lage kleigrond in het algemeen 
voor het aanleggen van graslanden met Raygras het 
voordeeligst zal wezen. De plant wast overigens 
vrij gemakkelijk, indien de grond flechts niet zoo 
zeer is uitgemergeld, dat er geen klaver meer wil 
vvasfen en men van den anderen kant gezorgd heeft, 
dat ér niet te veel roode klaver , waardoor de teedere 
grasplantjes zouden lijden , bij gemengdis. Als eene in- 
land- 



C 17^ ) 

laudfclie plant kan liec Raygras ook vrij wat tegen- 
Ipoed verduren. 

Ten Hotte meen ik diegene mijner landgenooten , 
welke in dit onderwerp belang ftellen, te moeten 
melden, dat liet niet noodig is, dat zij het zaad van 
Raygras, om het vooral echt te hebben, uil Enge- 
land laten komen, daar dezelfde plant in de Prov. 
Groningen, algemeen wordt aangeteeld en verkocht, 
en bij verfcheidene zaadkoopers in de ftad Gronin- 
gen , onder den naam van fmeerraai verkrijgbaar is. 
In het Oldampt in dit gewest , waar het voorname- 
lijk gekweekt wordt, heb ik geheele akkers daar- 
mede bezet gezien en het bij geheele mudden op 
de koornzolders der landlieden aangetroffen. Daar er 
geen vaste marktprijs van bepaald is , wisfelt de 
prijs, zoo als men mij in het afgeloopen jaar aldaar 
verhaalde , eenigzins af, doorgaans echter ƒ 8 ^ 9 : - 
het Ned. mud, foms tot ƒ 12 toe, in allen gevalle 
geen zeer hooge prijs, als men de geringe hoeveel- 
heid nagaat, die men hiervan voor een bunder lands 
tioodig heeft. 



BEDENKINGEN OP HET GEVOELEN, DAT EENE TE 

GROOTE ONTWIKKELING VAN HET REUKORGAAN, 

OORZAAK VAN HAZELIP EN GESPLETEN VER- 

HEMELTE ZIJN ZOUDE. 



Door G. VROLIK. 



D. 



'e waarnemingen van den beroemden tiedemann 
over de misvorming der herfenen en het gemis der 

reuk- 



( 173 ) 

reukzenuwen bij het gefpleten verhemelte (*) troffen' 
mij bij de eerfi:e lezing zoo zeer, dat ik het voorne- 
men opvattede, mijne nafporingen , die ik reeds vroe- 
ger over dat onderwerp had in het werk gefield, en 
waaraan het proeffchrift van den Geneesheer nicati 
zijn' oorfprong voornamelijk fchuldig is Cf), op nieuw 
op te' vatten en in het bijzonder na te gaan, of er' 
werkelijk verband plaats heeft tusfchen die waafge- 
nomene misvorming der herfcnen en het gemis van 
reukzenuwen met het gelijktijdig aanzijn van dubbele 
hazelip en beiderzijds gefpleten verhemelte. 

Doch gelijk men doorgaans, bij veelvuldige bezig- 
heden , diegene het langst uitftelt , welke het minst 
dringen , zoo werd dit onderzoek ook bij mij van 
dag tot dag verfchoven. Mijne aandacht op deze 
zaak werd echter nu onlangs zeer verlevendigd door' 
een Duitsch Tijdfchrift , waarin de Hoogleeraar m. j, ' 
WEBER waarnemingen te berde brengt , die regt- 
ftreeks aanloopen tegen hetgeen door tiedemann is 
voorgedragen. '^^ü' 

Immers , terwijl tiedemann als niet onaanneme- 
lijk fielt, dat er werkelijk verband plaats heeft tus- 
fchen 

(*) Zie Beobachtungen über Missbildungen des Gehirns 
und feiner Nerven , von tiedemann , in Unterfuchungen 
über die Natur des Menfchen , der Thiere und der Pflan- 
zen , herausgegeben von f. tiedemann , g. r. treviranus 
und L. CHR. TREVIRANUS. Erflcr Band. pag. 56 et Cec^q. 
Heidelberg 1824. ' , ^ 

(t) Zie Specimen anatomico - pathologicum inaugurar«r 
de Labii leporini congeniti natura et origine , auctore 
CONSTANT NICATI, Trajcctl ad Rhenum 1822. 

BIJDRAGEN, D. III. ST. I. M 



( Ï74 > 

fchen het gemis der reukzenuwen met het daarzijn 
van dubbele hazelip en gefpleten verhemelte, draagt 
WEBER het gevoelen voor, dat de oorzaak van het 
gefpleten verhemelte, in de meeste gevallen ten 
minde , eene betrekkelijk te groote ontwikkeling zij 
van het reuk -orgaan, dat is, der zeefplaten en 
fponsbeenen (*)• 

Dergelijk verfchil over zaken, die onder het be- 
reik der zinnen vallen, was mij te zonderlinger, daar 
het beftaat tusfchen mannen , aan wier verdienden, 
in het vak der Ontleedkunde, niemand ligtelijik zal 
verkiezen te twijfelen, 

rTiRDEMANN deelt ons niet enkel zijne waarnemin- 
gen mede , maar levert in fraaije afbeeldingen het 
bewijs van het gelijktijdig aanwezen eens dubbel ge- 
fpleten verhemelten met herfenmisvorming en gemis 
van reukzenuwen. Aan de waarnemingen zelve valt 
dus geen oogenblik te twijfelen. Twijfel zou alleen 
kunnen worden opgewekt door de gevolgen, welke 
men uit zulke bevindingen zoude willen afleiden* 
Maar hoewel hij zulks in drie gevallen aantrof, 
waaruit een min voorzigtig Natuuronderzoeker al ligt 
tot een doorgaand verband en wisfen zamenhang de- 
zer, verfchijnfelen zoude befloten hebben, zegt bij 

?.f;;. -^.t :. 2eer 

!!93nU f!' 

(*) Zie Ueber die Zwlfchenkieferknochen des Menfchen 
iind über die Entstehung des gefpalcenen Gaumens(WoLfs. 
rachen), ven Dr. m. j. weber, Profesfor der verglei- 
cbenden und pathologifchen Anatomie, zu Bonn. In No- 
tizen aus dem Gebiete der Natur- und Heilkunde. N°. 414* 
januar, 1828. pag. 281 et feqq. 



C 175 ) 

zeer befcheiden, niet te wagen, hieromtrent eene 
vaste uitfpraak te doen (*). 

De Hoogleeraar weber gaat een' flap verder; hij 
meent niet alleen het gemis der reukzenuwen in geen 
verband te moeten brengen met het gefpleten verhe- 
melte, maar zegt, eenige gevallen in handen te heb- 
ben , waar eene fterkere en grootere ontwikkeling van 
de zeefplaten en fponsbeenen nier te miskennen is; 
en belooft zijne waarnemingen over de grootere ont- 
wikkeling van het reuk - orgaan als oorzaak van het 
gefpleten verJiemelte voort te zetten , en daarover te 
gelegener tijd te zullen handelen (f). 

Even zeer nu, als mij de waarnemingen van tie- 
DEMANN getroffen en tot nader onderzoek hadden aan- 
gefpoord, vond ik mij door weber opgewekt, dit 
■onderwerp op nieuws ter harte te nemen , en in de 
voorwerpen zelve na te gaan , aan wiens zijde ik mij 
het naast zoude te plaatfen hebben. 

Wat tiedemann's waarnemingen aangaat, zij ko- 
men mij voor, een toevallig zamentreffen te zijn van 
dubbele hazelip en gefpleten verhemelte met het ge- 
mis der reukzenuvven. Dit gemis daarenboven met 
eene misvorming in de voorkwabben der herfenen 
gepaard geweest zijnde , fchijnt mij te regt ook door 
weber , als hiervan afhankelijk, befchouwd te worden. 

Ik 

(*") Aus diefen Beobachtungen , zoo [preekt hij, ergiebc 
fich vorlaufig, dass Mangel der Riechnerven und Miss- 
bildungen des Gehirns mit doppelcen Woifsrachen ver- 
bunden feyn kunnen ; ob immer und nothwendig, dies 
wage ich nicht zu beflimmen. I. c. pag. 75. 

(t) 1. c. pag. 2S5, 

M 2 



C 176 ) 

Ik heb, even zeer als wilber, in geen geval van 
liazelip of gelpleten verhemelte , de reukzenuvven 
zien ontbreken. Doch geheel flrijdig met die van 
■wEiiER. zijn mijne waarnemingen van de uitgebreid- 
heid des reukorgaans. 

Ik weet zeer wel, hoe moeijelijk zich het oordeel 
over groot en klein aan eene vaste bepaling laat bin- 
den. Het zijn betrekkelijke denkbeelden , die uit de 
vergelijking van vele voorwerpen alleen eenige ze- 
kerheid bekomen. Men heeft, in het gegeven ge- 
val , daartoe niet alleen noodig eene reeks van hoof- 
den, die met hazelip en gcfpleten verhemelte gebo- 
ren zijn , maar een gelijk getal hoofden van kinde- 
ren , die in grootte en ontwikkeling ten naauwfte 
g'cUjkftaan met die mismaakte voorwerpen, waarin 
men den graad van misvorming wil opfporen ; en 
heeft men zelfs dan niet nog vele regelen van be- 
hoedzaamheid in acht te nemen, om zich voor ver- 
lieerde gevolgtrekking vrij te waren? 

Hoe ligt i:och kan bij het eene kind het zintuig 
van den reuk iets meer , dan bij het andere ontwik- 
keld zijn. Vindt men niet, dat de eene vrucht 
met een geheel fmal, de andere met een verbreed aan- 
gezigt, de eene met een rond, de andere met een 
zeer uitgerekt , langwerpig hoofd ter wereld komt. 
Deze bijzondere aangezigts- en fchedelvormen ftaan 
in zeer naauw verband met de breedte tusfchen de 
oogkuilen , welke op hare beurt met die van het 
■reuk -orgaan ten innigfte zamenhangt. 

Er fchijnt mij dan , om zich voor misvatting te 
hoeden , flechts één weg open te zijn , de vergelij- 
king namelijk , van beide zijden aan hetzelfde hoofd , 

dat 



I 



( 177 ) 

dat door hazelip en gefpleten verhemelte aan maar 
eene zijde is aangedaan. Waar ik deze vergelijking 
heb in het werk gefield , is nüj ontwijfelbaar geble- 
ken , dat de zeefplaat en fponsbeenen van de aange- 
dane zijde niet alleen merkelijk minder waren in 
grootte en uitgebreidheid, dan aan den welgeftelden 
kant der neusholte, maar dat zelfs de ontvangplaats 
van de voorfte herfenkwab in die zelfde verminde- 
ring deelde. Ook vond ik , bij de nalporing der her- 
fenen, de voorkwab en reukzenuwen van de haze- 
lipzijde minder ontwikkeld, dan van de tegen- 
overgeftelde. In den fchedel van een bejaard man , 
die tot aan zijnen dood eene linker hazelip droeg , 
met doorgaande fplijting van het verhemelte, is 
de mindere ontwikkeling van de inwendige voor- 
ruimte des fchedels en van geheel het reuk -orgaan 
aan deze zijde vooral duidelijk zigtbaar. 

Vindt men nu , bij eene enkele hazelip en gefple- 
ten verhemelte , de reukzenuw aan die zijde minder 
groot, en ook de overige gelijkzijdige deelen van het 
reuk -orgaan minder ontwikkeld, zoo mag men re- 
delijkerwijze befluicen, dat, bij het dubbel aanzi}» 
van deze fcheiding, die zelfde gebrekkige ftaat aan 
beide zijden zal worden aangetroffen. Gelijk mij dan 
ook voorgekomen is, zulks werkelijk te beftaan in 
die gevallen, waarop ik mijne waarnemingen ge- 
daan heb. Die ik echter, om hetgeen ik zoo even 
over de regelen van behoedzaamheid in het midden 
bragt, hier nier in bet breede wil uiteen zetten. Al- 
leenlijk mag ik niet onopgemerkt laten, dat mij, bij 
vvederzijdfche hazelip en gefpleten verhemelte, de 
fcheiding tusfchen de voor- en middelkwabben min- 

M s der 



( 178 ) 

der duidelijk is voorgekomen, dan bij welgeftelde 
voorwerpen , zoodat de Fosfa Sylvii aan beide zijden 
geheel gemist werd. Bij enkele hazelip en gef ple- 
ten verliemelte vond ik dit verfchijnfel flechts aan de 
ongeftelde zijde» 

Er fchijnt dus eene andere rede te beftaan voor 
het aanwezen van hazelip en gefpleten verhemelte, 
dan de grootere ontwikkeling van het reuk -orgaan, 
welke door weber nu onlangs daarvoor werd aan- 
genomen. Over welken grond men echter hoogst- 
waarfchijnlijk niet zal ophouden te twisten, zoo lang 
men over het werkelijk aanzijn van tusfchenkaaksbee- 
nen, bij ons menfchen , niet eenftemmig denkr. 

Weber geeft ons het uitzigt, van dit betwist punt 
buiten verfchil te zullen (lellen. Nicati bragt reeds 
vóór zes jaren eene reeks van gronden bij , die niet 
wel fchijnen toe te laten aan dezelven te twijfelen ; 
hij ftelde hen zelfs afgezonderd van de opperkaak 
in afbeelding voor. (*) Of deze gronden aan weber. 
niet wigtig genoeg zijn voorgekomen, om daarvan 
melding te maken, is mij niet gebleken, even min, 
of hij door verdund falpeterzuur eene fcheiding zal 
kunnen bewerken, die opperkaaks- en tusfcbenkaaks- 
beenen van elkander losmaakt zonder verfcheuring 
van het vereenigend weeffel. De toekomst moge zulks 

opklaren (f). 

OVER 

(*) I. c. fig. 1 et 2. 

(f) Men vergelijke hetgeen ^oor weber deswege ter 
aangehaalde plaatfe is voorgedragen. Mijne eigene proe- 
ven met verdund Salpeterzuur begunftigea het denkbeekl 
eener vrije vaneenfcheiding in geenen deele. 



* C 179 ) 



>^<»i^^i»«< 



OVER E ENE VEILIGHEIDSKAP BIJ BRAND. 

Door G. J. MULDER. 

Jtlet is meenigmaal eene onoverkomelijke moeijelijk- 
heid , om in brandende gebouwen binnen te gaan en 
er het noodige werk te verrigten, het zij goederen 
uit den brand te redden , of den brand op de gefchikt- 
fte plaatfen te blusfchen , openingen digt te maken enz. 
De rook van de brandende zelfftandigheden doet de 
oogen te zeer aan, of dringt door de ademhaling, 
door neus en mond, en maakt deze verrigting en 
dus ook het vertoeven op znlke plaatfen , onmogelijk. 
Voor eenige weken met anderen eenige hulp bij 
eenen brand in eenen grooten fchoorfteen willende 
aanbrengen, had onze Custos van het Bataafsch Ge- 
nootfchap, die met mij was gegaan, eene brand- 
of veiligheidskap weten te krijgen, die de heer van 
BELL , koopman ter dezer flede , die in hetgeen de 
induftrie betreft, veel belang ftelt, uit Engeland had 
medegebragt. Men bad , in den gemelden fchoor- 
(leen , het gewone middel gebruikt , om denzelven 
van boven digt te maken ; doch tevens had men on- 
bedachtzaam eenige handen vol zout op het vuur 
geworpen. Het geheele huis was dan ook vol damp 
geworden p van acidum hydrochlorieum , met den 
rook, die uit den fchoorfteen kwam, vermengd. Hier- 
door was het niemand mogelijk, zoo lang men de 
kusfens en dekens niet van den fchoorfteen wilde af- 
nemen, om langer, dan eenige weinige minuten in 
een der vertrekken te vertoeven. Alleen onze Cus- 

^4 tos 



C 180 ) 

tos, met de veiligheidskap voorzien, bleef zonder 
hinder in den dikften damp. 

Dit gaf aanleiding, dat ik de kap, waarvan ik wel 
vroeger had gehoord, doch aan welker. nut ik ge- 
twijfeld had , nader wenschte te onderzoeken. De 
heer van bell verfchafte mij er zoodanig eene, en 
na dezelve behoorlijk onderzocht te hebben , geloof 
ik , dat ik mijne landgenooten geene ondienst zal doen , 
met dezelve te befchrijven, en het een en ander 
over het beginfel , waarop dezelve fteunt , en de 
wijze waarop dezelve behoort aangewend te worden , 
mede te deelen. 

Deze kap is in Londen door roberts uitgevonden 
en wordt, na verkregen octrooi, onder den naam 
van fafety hood verkocht. (Robert's fafety hood, 
for {jreferving lives in rooms filled with fmoke, or 
sufFocating vapours, or for enabling perfons to enter 
buildings on fire , for the purpofe of rescuing lives 
and property; when without fuch means human aid 
would be ufeless; and alfo for working in the most 
dangerous atmosphere in various manufacturing pro- 
cesfes; at London Mechanic's Inüitution etc). 

De heer van bell heeft mij medegedeeld, dat de 
Koning van Groot Britt. 100 eC, de hertog van Cla- 
rence 50 oC , de lord kanfelier 50 oC , en een aantal 
particulieren ieder 50 esC aan roberts, boven en 
behalve het octrooi ten gefchenke hebben gegeven. 
Alle de Fire -offices hebben er 6 ftuks van befteld; 
de Society of Arts heeft behalve de medaille ook nog 
50 cC aan roberts aangeboden , terwijl in Mari' 
chester en andere Engelfche plaatfen deze kap wordt 
ingevoerd. — Ook aan onzen Koning is zulk eene 
- ' kap 



C i8i ) 

kap aangeboden geworden, door den heer van bell, 
die hierover zijne goedkeuring heeft te kennen gege- 
ven; zoodat dezelve welligt, indien zij onder onze 
landgenooten van eenig belangrijk practisch nut wordt 
bevonden , algemeen zal worden. 

Wat hiervan zij, het is noodzakelyk het werktuig 
zelve te befchrijven , om het nut eenigzins duidelijk 
te maken. Het is dan eene ledere kap , van buiten 
uit zwart, glad en eenigzins dik leder, van binnen 
uit zeemleder , met eenige wol tusfchen beiden , be- 
ftaande. Deze moet zoo groot wezen , dat zij ge- 
makkelijk over het hoofd ie brengen is en over den 
nek en den hals kan ftrekken, terwijl er een of twee 
overdwarfe riemen aan bevestigd zijn, die om den 
hals en nek gaande de kap hierom kunnen toetrek- 
ken en hierdoor den toegang der lucht onder de kap 
afweren. Voor de oogen zijn twee , eenigzins ge- 
bogene glazen in het leder door blikken raampjes be- 
vestigd, die van boven met een klein blikken lui- 
feltje gedekt zijn; waarfchijnlijk om, bij het hier of 
daar tegenaan ftooten, de glazen niet te doen befcba- 
digen. Voor den mond en den neus is een trechter- 
vormig ftevig ftuk leder aan de kap bevestigd het- 
welk met deszelfs wijdfte gedeelte tegen den mond en 
neus geplaatst is en langzamerhand fmaller wordt tot 
het eindigt in eene lederen buis van 0,-02 diameter 
en 0,-87 lang. Deze buis eindigt in een trechtervormig 
blik , waarin een dekfel past , beftaande uit eenen en- 
kelen rand, waarin eene fpons bevestigd is, die de 
grootfte opening van den blikken trechter vult. Deze 
opening heeft 0,-14 diameter; dus is de fpons 200 

^ 5 uit- 



( i82 ) 

uitgeftrekt. Een gedeelte van dezen trechter is afg«- 
plat , terwijl de fpons met het een of ander kan be- 
dekt worden , om dezelve voor het vuil worden te 
bewaren, zoodanig echter, dat de lucht hierdoor in 
de buis gemakkelijk kan indiingen, b. v. met een 
ftukje faai of dergelijke. Juist voor den mond in den 
lederen trechter is eene opening , die met eene kope- 
ren buis is voorzien en met eenen kurken flop kan 
gefloten worden , die met een' ketting aan de kap kan 
nederbangen. 

Dit is de geheele zamenftelling der veiligheidskap. 
Wij moeten nu nog eenige bijzonderheden aangaande 
dezelve mededeelen , eer wij tot de verklaring der 
aanwending van dezelve kunnen overgaan. 

Indien de kap is opgezet en de riemen dezelve om 
het hoofd hebben bevestigd, kan men zoo lang eene 
ruimer ademhaling genieten, tot men den eigenlijken 
dienst der kap noodig heeft , door den kurken ftop , 
die voor den mond is geplaatst, weg te nemen. Moet 
echter de kap hare dienst verrigten , zoo wordt dit 
gat gefloten, en de fpons die, aan het ondereinde der 
lederen buis in den blikken trechter is bevestigd , met 
water bevochtigd: hetwelk of gefchieden kan door 
de fpons uit den trechter te nemen , of den geheelen 
trechter met fpons en al in water te dompelen. Ten 
einde echter dit gedeelte der veiligheidskap niet hin- 
derlijk ^ude zijn, wordt de blikken trechter met 
een paar riemen achter op den rug bevestigd , waar- 
toe de afplatting van denzelven dient, die wij zoo 
even aangaven. Doch hierdoor zou de lederen buis 
zamengedrukt worden. Hierom en om de buigzaam- 
heid 



( 183 ) 

heid der buis te bevorderen , is er binnen in dezelve 
fpiraalgewijs opgewonden ijzerdraad bevestigd , waar- 
om het leder is getrokken. 

Nu is de toeftel gereed, om den werkman het 
gewenschte nut te verfchafFen. Hij moet nu door 
de fpons zijnen adem halen en weder uitblazen; het 
water, in deze spons bevat, lost de in rook of damp 
overgegane zelfftandigheden op, en laat niet dan 
dampkringslucht, welk voor de ademhaling voordeelig 
is , door. Dit is het beginfel , waarop de geheele za- 
tnenftelling en het gebruik der kap rust ; wij zullen 
nader zien, dat dit met eenige wijzigingen en niet zoo 
onbepaald kan gefield worden. 

Het is intusfchen duidelijk , dat de ademhaling hier- 
door niet gemakkelijk gefchiedt. Vooreerst is bet ge- 
heele aangezigt bedekt met zacht leder, hetwelk eene 
lastige warmte geeft , en de lucht in de kap , behalve 
met de uicwafemingen van de huid, ook nog met veel 
warrate bedeelt. Doch ten andere moet de ingea- 
demde lucht, die reeds gedeeltelijk is ingeademd ge- 
weest en dus eenige zuurftof verloren heeft, i meter 
ver door eene buis en fpons gehaald, en door de 
uitademing telkens eene i meter langen luchtko- 
lom door het water in de fpons bevat, voortgedre- 
ven worden. Doch voor het gemak en genoegen , 
gaat men ook niet in brandende gebouwen. Ik 
heb in gewone dampkringslucht | uur lang de 
kap opgehad , en binnen weinige minuten was ik 
d£ze wijze van ademhalen gewoon C*). De moeije- 

lijk- 

(•) Vroeger plagt men , met lood aan de voeten be- 
zwaard, meteene dergelijke kap onder water te gaan, liet- 
welk 



C 184 ) 

lijkheid om deze warme en reeds ingeademde lucht 
weder in te ademen, wordt door de inrigting van de 
ademhalingswerktuigen en den vreemden prikkel zalven 
verminderd. Want als wij in eene warme of met veel 
koolftofzuur bedeelde lucht ademhalen , halen wij 
dieper adem, dan gewoonlijk. Hierdoor wordt dus 
eene grootere hoeveelheid uitgeademde lucht door het 
water in de spons bevat , gedreven , en alzoo gele- 
genheid gegeven, dat het gevormde koolftofzuur in 
het water opgelost en er telkens nieuwe lucht in 
grootere hoeveelheid aangebragt wordt. Men ziet 
dan ook de spons, of hetgeen deze bedekt, door 
iedere in- en uitademing op en nedergaan en dit des 
te meer , naar mate de ademhaling moeijelijk wordt. 

Het is om deze reden duidelijk, dat de fpons niet 
van de fijnfte moet wezen; want hierdoor wordt het 
ademhalen des te moeijelijker. Beter is het eene 
fpons van- eene grootere dikte te nemen, zoodat de 
ingeademde lucht doar , of langs eene grootere opper- 
vlakte natte fpons of water kan gaan. Ook fpreekt 
het van zelve, dat de fpons nu en dan ook in versch 
water moet uitgespoeld worden, ten einde de in het 
water opgeloste zelfftandigheden uit te drijven en ge- 
legenheid tot nieuwe ververfching van lucht te ge- 
ven. Roberts meent, dat, wanneer men dit alle 
: . kwar- 

welk voorzeker geene aangename bezigheid zal geweest 
zijn. Deze noemde men kap van bellaan. Beter echter 
zou men deze kap om te vergaan hebben kunnen noe- 
men. Want menigeen is hierdoor gefcikt, en heeft 
bij zulk eene waterreis het leven gelaten. (Phil. trarn^ 
1716, ook DESAGULIER, Natuufk. D. II.) 



( 185 ) . 

kwartieruurs doet, dit voldoende is; doch wij zullen 
thans gelegenheid hebben om aan te toonen , dat dit 
niet zoo algemeen is te bepalen. 

Door de verbranding worden of gasvormige ' lig- 
chamen gemaakt , of vaste ligchamen in de gedaante 
van rook opgeheven. Bij het ontdaan van brand in 
huizen of fabrijken , pakhuizen enz. kunnen er aller- 
lei foort van gasfen en rook gevormd worden , en 
de veiligheidskap, zal dezelve goed wezen, moet 
voor allen bruikbaar zijn. De fpons moet bovendien 
met eene algemeen en gemakkelijk verkrijgbare zelf- 
ftandigheid, en dus met water bevochtigd zijn. 

De rook , van welke zelfllandigheden dan ook ont- 
ftaan , kan door water teruggehouden worden , en 
van deze kan dus de lucht, tot inademing dienende, 
bevrijd worden. Met de gasfoorten is het intusfchen 
anders gelegen. Niet allen worden in water opge- 
lost, en die hierin opgelost worden , niet allen in 
dezelfde mate. Om deze laatfle reden is het uitge- 
maakt , dat de fpons bij dezen brand fpoediger , bij 
anderen later moet uitgefpoeld en met versch water 
bédeeld worden. Om de eerde reden is de veiligheids- 
kap niet algemeen met groot nut aanwendbaar. 

Wanneer wij de gasfoorten optellen , die bij ver- 
brandingen in huizen, fabrijken enz. kunnen ont- 
daan, zoo moeten wij het oxygenium, hydrogenium, 
hydrogenium proto- en perphosphoratum, hydrogenium 
arfeniatum , proto-carbonatum , telluratum , potasfia- 
tum , het azotum carbonatum , het acidum chloroxo- 
carbonicum, fluo-boricum , fluo-filicium, hydriödicum^' 
liijdrofulphuricum , hydrofelenicum , deutoxydum azott 
eii ammoniac uitzonderen. Wij kunnen integendeel 

de 



( i86 ) 

de volgende optellen , die meer of min algemeen in 
brandende gebouwen zullen voorhanden zijn : het 
hydrogenium percarbonatum , het chlorium , azotum, 
oxydum carbonii, het protoxydum azoti, het aci- 
dum carbonicum , fulphurofura en hydrochlorium.. — 
Van deze worden in water opgelost : het chlorium , 
het prot-azoti , het acidum carbonicum , fulphurofum 
en hydrochloricum; terwijl het hydrogenium per- 
carbonatum, azotum, en oxydum carbonii niet in water 
oplosbaar zijn. Voor deze laatfte gasfoorten, die 
bij brand kunnen ontdaan, is dus de veiligheidskap 
buiten eenige werking. Doch onder die gasfen , die 
in water opgelost worden, behooren er vooral, die 
de ademhaling nadeelig zijn. Hierom zal dezelve 
voor deze nuttig kunnen wezen , en de met water 
bevochtigde fpons deze kunnen tegenhouden en damp- 
kringslucht doorlaten. Hierbij moeten wij echter 
niet vergeten, dat het water geene onbepaalde hoe- 
veelheid van gasfen opneemt. loo Maten water 
nemen bij 20° C. en gewone drukking der lucht 
150 maten chlorium op, 100 maten water nemen 
77 maten prot-azoti, 100 maten acidum carbonatum , 
3700 maten acidum fulphurofum en 46400 maten aci- 
dum hydrochloricum op. 

Hieruit volgt dus genoegzaam , dat het voorfchrift 
van ROBEiiTS, om de fpons ieder kwartieruurs met 
versch water te bedeelen, niet is goed te keuren. 
Dezen tijd juist te bepalen , is eene onmogelijkheid. 
Want niet alleen hangt dit af van de hoeveelheid 
gasfen en rook, die er in eenig brandend gebouw 
zullen aanwezig zijn, maar ook van ieders ademha- 
ling , ja zelfs van het werk , dat men verrigt. Zware 

men- 



I 



. ( 187 ) 

menfcben, ttiiet ruirae longen, ademefi meer lucht 
in en uit, insgelijks die, die zich verinoeijen, en 
omgekeerd. Hierdoor word: dus het water fpoediger 
of langzamer tot terughouding der gasfen onbruik- 
baar. Doch ook de hoedanigheid en hoeveelheid def 
gasfen doet hier veel af. En deze hangen af: van de 
ftoffen die verbranden , van de mate van verbranding , 
van de ruimte der verti-ekken, derzelver gemeenfchap 
«iet de buitenlucht enz, Den tijd dus, waarop meö 
de fpons behoort uit te fpoelen, met eenige naaaw^ 
keurigheid te bepalen, is geheel onmogeli^t. Doch 
wij twijfelen of dit ook wel noodigzij, enmeenen, éet 
het voldoende zal wezen, dit voorfchrifr, voor da!É 
van ROBERTS in de plaats te geven: dat men, zoo 
dikwijls men kan, dit behoort te doen. 

Uit dit een en ander volgt dus , dat deze kap niet 
alles kan , wat men welligt wel van dezelve zou den- 
ken of wenfchen. Doch naar onze meening is de- 
zelve hoogst nuttig, en verdient zij algemeen bekend 
en verfpreid te zijn. Al kunnen niet alle gasfen door 
water opgenomen worden, hiertoe zijn toch eenige 
in (laat, terwijl al wat wij gewoon zijn rook te noe- 
men, door deze kap voorzeker belet zal worden de 
ademhaling hinderlijk te zijn, omdat deze rook uit 
deeltjes vaste ftof, die in den dampkring zweven , 
beftaat, en dit door de natte fpons moet worden te- 
gengehouden. 

Voor diegenen , die verlangen mogten , zulk eenekap 
zich aan te fchaffen, voeg ik hier nog bij, dat 
H. püPPELMAN, Zadelmaker op het Haagfche Veer, 
en j. GLASER , Inftrumentmaker in de Hoofdfteeg al- 
hier 



C i88 ) 

hier [Rotterdam) , kappen vervaardigd hebben , die 
ik durf aanbevelen. Er zijn hiervan twee foorten. 
De eene is zoodanig ingerigt, dat de lederen buis van 
de kap kan afgefchroefd worden. De prijs Van deze 
is ƒ 34 — : De andere heeft zulk eene fchroef niet 
en wordt voor ƒ 28 — : afgeleverd (i^. 

(*} Nadat dit blad reeds was afgedrukt, verneem ik, 
dat gemelde glaser voor rekening der IMarine 28 kappen 
heeft afgeleverd, en er voor de Artillerie 230 ftuks bij 
hem befteld zijn. Deze heer glaser heeft met deze kap 
eene proef genomen in een zeer digt gefloten vertrekje , 
waarin een grooten ketel met teer op het vuur ftond. 
Hierin kon hij, gedurende een half uur, zonder ongemak 
vertoeven. 

> 'rrnv { 



■'j::i 



B IJ DRAGEN 

TOT DE 

NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN. 

BESCHRIJVING VAN DEN ELECTRODYNAMISCHEN 
TOESTEL VAN AMPÈRE. 

Door j. w. ERMERiNS , Hooghcraar te 
Franeker. 

belden was een lijdvak voor de Natuurkunde ge- 
wigtiger, dan dat, hetwelk verloopen is federt de 
ontdekking van den invloed der electrifche of galva- 
nifche ftroomen op de magneetnaald, door den be- 
roemden OERSTED gedaan. Als op één oogenblik 
veranderde daardoor de gedaante van een groot en 
voornaam deel der Natuurkundige wetenfchappen : een 
geheel nieuw, wijduitgeftrekt veld opende zich voor 
derzelver beoefenaars , die , bijna eenparig met de- 
zelfde geestdrift bezield , deze ontdekking toejuich- 
ten, dezelve bevestigden, en uit hunne waarnemin- 
gen nieuwe inzigten deden ontdaan; hetwelk alles 
met zulk een' ijver werd voortgezet , dat binnen wei- 
nige maanden, van alle zijden eene menigte proeven 
aan de geleerde wereld werden medegedeeld, en ver- 
fchillende toeftellen werden uitgedacht en voorge- 
fteld , waarmede de verfchijnfels duidelijk en gemak- 
kelijk konden worden verklaard. Getuigen zijn daar- 
van de fchriften der Natuurkundigen, na dien tijd 
verfchenen ; gelijk ook die natuurkundige verzame- 

BlJDRAGEN , D. III. ST. I. N lin- 



lingen , waar men zich , hetgeen werd ontdekt en 
befchreven, dadelijk kon verfchafFen. 

Oflchoon nu deze fchielijke voortgang der ontdek- 
kingen tot uitbreiding en volmaking der Natuurkunde 
hoogst voordeelig was , zoo ontllonden echter uit 
die groote menigte van toeftellen , tot het zoogenoemd 
Ekctromagnctisme behoorende, en derzelver omflag- 
tigheid verfcheidene moeijelijkheden in het doen der 
proeven, die ook juist hierdoor dikwijls mislukten. 
Daarenboven waren niet zelden , voor der zaak onkun- 
digen , de verfchijnfelen allermoeijelijkst te verftaan 
en tot eenheid te brengen, alzoo vele dier toeftel- 
len, hunne eigene wijze van werking hadden; teiE- 
wijl eindelijk de groote onkosten velen moesten te- 
rughouden, om alles te verzamelen, wat tot her 
doen van alle electromagnetifclie proeven noodig is. 
Om deze en andere redenen dan, begonnen reeds 
vroeg verfcheidene Natuurkundigen, en in het bij- 
zonder , de ook in dat gedeelte der Natuurkunde zoo 
beroemde ampère, hunne aandacht te vestigen op 
het vereenvoudigen der electromagnetifche apparaten; 
en ftelde deze achtingwaarde Geleerde reeds in Fe- 
bruarij 1821 eenen algemeenen electrodynamifchcn 
toeftel voor (*) , die naderhand veranderd en verbe- 
terd, laatst in 1826 is befchreven; welk toeftel 
minder gebezigd werd , dan men zeker in den be- 
ginne gedacht had, niettegenftaande men zich van 
deszelfs gefchiktheid , uit die befchrijving reeds ge- 

noeg- 

(*) Zie Ann. de Ch. ec Ph. Tom. XVIII , pag. 88. 
Demonferrand , Electricité Dynamique, Ampère, De- 
fcription d'iin appareil Electrodynamique , Paris iSizö. 



( 191 ) 

noegzaara had kunnen overtuigen. Toen ik nu bij 
de verzameling van Natuurkundige inftrumenten van 
het Athenaeum te Franeker niets gevonden had, wat 
tot de electromagnetifche proeven behoorde , kwam 
het mij allezins noodig voor, van den zoo bekenden 
Inftrumentmaker pixii, te Parijs, een' volkomen elec- 
trodynamifchen toeftel , onder het oog van ampère 
vervaardigd, te ontbieden, om alzoo in ftaat te zijn, 
al de daartoe betrekkelijke proeven te doen. In hét 
eerst gelukten deze niet naar wensch, terwijl menig- 
vuldige werkzaamheden mij verhinderden, dezelve 
opzettelijk te onderzoeken. Naderhand echter alles 
naauwkeuriger kunnende befchouwen, en vooral op 
de werking der galvanifche kolom letten, waarbij ik 
toen eenige voorzorgen gebruikte, gelukte alles, vol- 
komen, en ik kon met der daad de doelmatigheid van 
dien toeftel aantoonen, als waardoor men hetgeen in 
onzen tijd omtrent het electromagnetisme bekend is , 
gemakkelijk kan nagaan , en duidelijk voor oogen 
(lellen. Van het belang van denzelven alzoo over- 
tuigd, kwam ik op de gedachte, mijne Landgenoo* 
ten, en vooral de beoefenaars der Natuurkunde in 
de Noordelijke Gewesten , bij dien toeftel nader te 
bepalen, en door eene befchrijving en opgave van 
eenige daarmede gedane proeven , deszelfs gefchikt- 
heid bij het onderwijs , en de verklaring der verfchijn- 
fels voor minder ervarenen te bewijzen. Tot dit 
voornemen door eenige mijner vrienden opgewekt , 
fcheen het mij niet ongefchikt, als eene Natuurkun- 
dige Bijdrage, een en ander hiertoe betrekkelijk be- 
kend te maken ; waarbij ik geen ander doel , dan het 
200 even opgegeven, mij heb voorgefteld. 

Ni 



C 19a ) 



Men moet bij het beoordeelen van dezen toeftel 
(om dit nog vooraf aan te merken) altijd in het oog 
houden, dat het hoofddoel van ampère, bij het za- 
menftellen van denzelven, geweest is, den wederkee- 
rigen invloed der galvanifche geleiders op te helde- 
ren; waarom hij ook den naam van electrodynami- 
fchen toeflei gebruikt heeft. De electrifche ftroomen 
toch worden door hem aangenomen als de hoofd- 
oorzaak der verfchijnfels, waaruit het overige wordt 
verklaard. Hij moest dus van de befchouwing dier 
ftroomen uitgaan , en daartoe het overige trachten terug 
te brengen. Verfcheidene deelen van zijnen toeftel 
-werden daardoor zamengefteld en omflagtig , die , 
wanneer hij de befchouwing dier ftroomen niet tot 
grondOag had gelegd, eenvoudiger hadden kunnen •; 
worden vervaardigd, gelijk zulks bij andere toeftel- 
len wordt opgemerkt. 

Welligt zullen fommigen eene zoo naauwkeurige 
behandeling dier ftroomen voor overtollig houden, 
als waardoor wel de theorie van ampère bevestigd, 
maar tevens aanleiding gegeven kan worden tot een- 
zijdigheid in het beoordeelen en verklaren der ver- 
fchijnfels ; omdat men nu ligtelijk fommige proeven 
in een fchoon daglicht plaatfen , anderen daarentegen 
veronachtzamen kan. Dan , waar men de Natuur onder- 
vraagt en met omzigtigheid onderzoekt, behoeft men 
geene eenzijdigheid te vreezen. Ook zal, vertrouw 
ik , de befchrijving van den toeftel , met opgave der 
proeven, genoegzaam doen blijken, dat men niet al- 
leen alles, wat betrekking heeft op de leer der elec- 

tri- 



( 193 ) 

trifche ftroomen , ( clectrodynamica ) duidelijk met 
gemelden toeftel kan aantoonen , maar ook de wer- 
king van den magneet op die ftroomen en van 
deze op den magneet , zoo als ook den invloed van 
het aardmagnetisme en eenige andere verfchijnfels , 
door dezen toeftel kan ophelderen, op eene eenvou- 
dige en niet minder gefchikte wijze, dan door an- 
dere foortgelijken gefchiedt. En wat het belang be- 
treft , dat voor de Natuurkunde gelegen is in de 
naauwkeurige behandeling der electrodynamica , hier- 
omtrent zullen wij alleen dit behoeven te zeggen, 
dat het voor den Natuurkundige nooit onverichillig 
kan zijn, al die verfchijnfels ten naauwkeurigfte te 
leeren kennen ; terwijl daarenboven (hoe veel nog on- 
verklaard in het electromagnetisme zij overgebleven) , 
de waarfchijnlijkfte oorzaak van alle verfchijnfels in 
de verfchillende electrifche ftroomen wordt gevonden. 
Wel verre daarom , van in die meerdere zamenge- 
fteldheid een gebrek van dezen toeftel te zien , fchijnt 
dezelve hierin anderen te overtreffen, dat men niet 
uitQuitend aan een afzonderlijk gedeelte dier proeven 
bepaald is , maar in het algemeen bijna alle electro- 
magnetifche proeven daarmede kunnen genomen wor- 
den. Niet ten onregte wil dan ook ampère den- 
zelven in de phyfifche kabinetten eene gelijke plaats , 
met de electrifeermachine , de luchtpomp en andere 
dergelijke inftrumenten doen bekleeden. Het vervolg 
zal het ware of valfche van dit zijn gevoelen eenig- 
zins kunnen doen blijken. 

De toeftel dan (tot welks befchrijving wij thans 
overgaan , beftaat uit één gedeelte , dat voor alle proe- 
ven hetzelfde blijft, en in Fig, i en 2 is afgetee- 

N 3 kend ; 



C 194 ) 

kend; benevens verfcheidene deelen, die bij de bij- 
zondere proeven worden gebruikt. Het eerfte ge- 
deelte is geplaatst op eene tafel van omtrent 8oNed. 
duimen hoogte, 113 d". lengte en 59 d". breedte. 
Het oppervlak van dezelve is geheel gevernist, om alle 
afleiding der electriciteit voor te komen : waarom men 
ook ten naauwkeurigfte zorgen moet geen kwik of 
zuur water daarop te laten liggen , hetgeen den droom 
anders geleiden zou , dan langs de eigenlijke ge- 
leiders. Het kwik, dat uit de verfchillende bakjes 
ligtelijk valt en zich verfpreidt , kan in eene holte , bij 
P^ Fig. I, worden bijeengebragt , en loopt van daar 
in eene lade V. — Ter geleiding der electriciteit in 
verfchillende rigtingen , zijn op het vlak van de tafel 
verfcheidene koperen geleiders gelegd , en drie Ivope- 
ren kolommen van omtrent 85 d"". hoogte , verticaal 
daarop geplaatst: onderfcheidene fleuven en holten 
tusfchen de koperen geleiders , dienen , om , met 
kwik gevuld, insgelijks eene bepaalde rigting aan den 
llroom te geven. Om het geheel duidelijker te ver- 
klaren , willen wi] de rigting van den ftroom , zoo als 
die bij de proeven , langs de verfchillende geleiders 
loopt, volgen. 

De flroom nu wordt van de galvanifche kolom naar 
de tafel gevoerd door het koperdraad R {rheophore 
pofitif) en naar de kolom terug langs het koper- 
draad r {rheophore negatif). De flroom komt dus 
bij R in. — Ten einde het losfpringen der koperdra- 
den voor te komen , zijn zij door een gevernist ftuk 
hout [A gebragt, dat in de klemfchroef ƒ> wordt vast-j 
gehouden. Men buigt de koperdraden zoodanig om 
dat zij in het kwik der fleuven A tn a geraken. De] 

fliroora I 



( 195 ) 

droom komt dus van 71 en yf, volgt het kwik, en 
gaat alzoo onder een' regten hoek voort. De fleuf yf 
is van alle vereeniging met de overige gedeelten van 
den toeftel geheel afgefcheiden , en om den ftroom ver- 
der voort te voeren, moet men denzelven naar de an- 
dere fleuven of holten, als het ware doen overfprin» 
gen. Hiertoe gebruikt ampère een zeer vernuftig 
zamenftel, Fig. 2 , K. Op dezelfde houten of ivoren 
as, zijn regthoekig geplaatst twee flokjes, insgelijks 
van eene ifolerende Itof , en die om die as als wip- 
jes (bascules') zich op- en neder mppen laten. Aan 
de uiteinden dezer wipjes zijn koperen aanhangfels 
vastgemaakt, die dus volkomen geïfoleerd zijn. Deze 
aanhangfels zijn uitgefneden , zoodat het ééne juist in 
de fleuf A en het andere in de holte Z)'komt, wan- 
neer het naar de linkerzijde wordt neergedrukt. De 
overigen vallen in andere hierna te melden fleuven 
of holten. De ftroom wordt zoo door het eerfte 
aanhangfel uit A gevoerd in eene fleuf D' , die tot 
D voortloopt. — Wanneer de wipjes naar de regter- 
zijde worden neergedrukt, raakt de eerfte het kwik in 
A en in de holte C; nu gaat de fl:room over van 
A 'm Cy en zoo langs een' overfpringenden koperen 
geleider in C', Wij zien dus in de rigting van den 
fl:room een verfchil door het onderfcheiden neerdruk- 
ken der aanhangfels. Bij de eerfte vooronderftelling 
kwam de fl:room in Z)', bij de tweede in C'. Bepa- 
len wij ons thans bij de eerfle rigting, — Bij D' is 
een geleider geplaatst, die in de holte H eindigt, 
en dus den fliroom daarheen voert; van waar dezelve 
in de zoogenoemde vaste geleiders, Fig. 3, g eni2, 

N 4 komt , 



( 196 ) 

komt , die allen met hunne uiteinden H in de zoo 
evengenoemde holte moeten worden gebragt. De 
droom doorloopt dan van // de vaste geleiders , en 
komt zoo aan het ander uiteinde G van dezen , die 
dezelve dan in de holte G , Fig. len^^ brengt. 
Een geleider G C' voert ze naar C. — Men zal nu 
gemakkelijk begrijpen , dat de ftroom , die bij deze 
vooronderftelling aan de vaste geleiders bij //inkwam, 
alleen door het neerdrukken van de mpjes naar de 
andere zijde, van C naar G wordt geleid, en dus 
dddr beginnende in de vaste geleiders eene tegenge- 
llelde rigting aanneemt; zoodat op éen oogenblik , 
zonder moeite, de rigting van denftroomkan worden 
omgekeerd, hetgeen bij al deze proeven van het 
hoogfte belang is , en dat bij andere toeftellen niet 
zoo gemakkelijk gefchiedt. 

Op dezelfde wijze als de ftroom van A in D' of C' 
wordt overgebragt, kan hij langs de andere aanhang- 
fels van C' of D in de regte fleuf 5 overfpringen , 
waar hij dus altijd terug komt, welke rigting hij in 
de vaste geleiders gehad hebbe. Een tweede toeftel 
Aj volkomen gelijk aan /C, Fig. 2, dient nu, om 
op dezelfde wijze den in B gebragten ftroom naar de 
bewegelijke geleiders, en van dezen vervolgens naar 
de negative pool der kolom terug te voeren. Wanneer 
bij voorb. de aanhangfels naar de linkerhand gedrukt 
zijn , gaat de ftroom van B over in de holte d , van 
daar langs een' overfpringenden geleider in d' en klimt 
zoo langs de buitenfte kolom FU ^ Fig. i. Zijn 
daarentegen de aanhangfels naar de regterhand neer- 
gedrukt , alsdan komt de ftroom van B in c' en langs 

den 



C 197 ) 

den geleider voortgaande , klimt hij op aan de ko- 
lom £rc*). Laat mi de ftroom langs FU opklim- 
men. Hij loopt dan vervolgens langs eene koperen 
ftreep tot in het bakje IT, dat, gelijk al de overi- 
gen, tot betere geleiding met kwik gevuld is. Dit 
bakje is door een koperdraad , dat bij X met eene 
gelakte glazen buis omgeven is , met de kleine bak- 
jes y' en y verbonden , en de ftroom gaat van T in 
deze bakjes over. Hier is alle vereeniging met de 
overige gedeelten van den toeftel weggenomen , zoo 
lang geene bewegelijke geleiders de bakjes y' oïy met 
X of x' vereenigen. Wil men aan de geleiders eene 
beweging , om eene verticale as geven , dan neemt 
men daartoe een' derzelve , Fig. 4 , 5 enz. , en 
plaatst dien in de verticaal boven elkander geplaatfte 
bakjes x' y' of x y : bij eene beweging , om eene 
horizontale as , wordt de geleider , Fig. 8, in y' x 
geplaatst. In beide gevallen heeft de electrifche 
ftroom zijnen vrijen loop uit één der bakjes y' of y 
naar x of x'* Deze laatften zijn vereenigd door het 
koperdraad i X met het bakje X. De ftroom dus 
diiv gekomen, gaat langs de koperen ftreep naar T, 
en daalt langs TE tot op het vlak van de tafel, 
waar de koperen geleiders» dezelve verder brengen. 
Het blijkt derhalve hieruit, dat de ftroom, die langs 
de eene verticale kolom U F klimt, langs de andere 
TE dalen moet. Waren de aanhangfels naar de reg- 
terzijde neergedrukt , dan zou de ftroom , langs U F 
dalen: hij volgt dan in dit geval, ook in de bewe- 

ge- 
(*) De derde kolom is met de overigen alleen tot meer- 
der vastheid verbonden , en ftaat volkomen gelToleerd. 



( 198 ) 

gelijke geleiders eene tegengeflielde rigting , alleen door 
het tegengefteld neerdrukken der yfipjes. Door beide 
toeftelien K en k, kan dus of in de vaste en bewe- 
gelijke geleiders, of in elk afzonderlijk, de ftroom 
worden omgekeerd : en wanneer de wipjes in eene 
horizontale ftelling geplaatst zijn , is de vereeniging 
van de positive met de negative pool der kolom 
afgebroken, en de electrifche ftroom houdt geheel 
op : en dit alles wordt even fchielijk als gemakkelijk 
verrigt. (*) 

De ftroom komt nu van de bewegelijke geleiders 
in c o? d , Fig. i eni: het eerfte heeft plaats, als 
de aanhangfels aan de linkerzijde gebogen zijn ; en 
nu wordt door een derzelve de ftroom in de sleuf?» 
gebragt: zijn zij tegengefteld geplaatst, dan komt de 
l^room eveneens in m uit d'. Uit de bewegelijke ge- 
leiders komt dus altijd de ftroom 'mm, gelijk wij 
zulks , uit de vaste , met betrekking tot B hebben 
opgemerkt. — De fleuf m is van a geheel afgezon- 
derd , en , om den ftroom uit dezelve verder te gelei- 
den tot in a is bij N een gebogen koperdraad ge- 
plaatst , dat in beide fleuven uitkomt. Met de 
fleuf a is het koperdraad r verbonden, langs het- 
welk dus de ftroom , na de verfchiilende omwegen , 
tot de negative pool van de kolom komt. 

Onder het koperdraad m u N is eene magneet- 
naald of gahanometer geplaatst , die door deszelfs 

af- 

(*) Men moet vooral zorg dragen bij het wegnemen of 
veranderen der geleiders eerst de v)ip]ei horizontaal te 
plaatfen, omdat anders de ftalen punten der geleiders ligt 
verbranden. 



( 199 ) 

afwijking dadelijk aantoont: of er wezenlijk langs al 
de bepaalde deelen van den toeftel een vrije loop 
voor de electriciteit plaats vindt, hetgeen anders niet 
gemakkelijk kan worden ontdekt. Dewijl nu gemak- 
kelijk hier of daar eenig gebrek kan plaats hebben , 
is het van het hoogfte belang, dit altijd zeker te 
kunnen bepalen. Men kan bij het beginnen der 
proeven, met eene kleine galvanifche kolom onder- 
zoeken , of alle deelen van den toeftel goed zijn ver- 
eenigd, hetgeen de afwijking van den galvanometer 
terftond doet blijken. 

Wij moeten nu nog bij dit gedeelte van den toe- 
ftel opmerken, dat de bakjes x x' y en j', door den 
knop Z, in elk azimuth kunnen worden geplaatst. 

Bij fommige proeven moet de ftroom niet langs de 
verticale kolommen worden geleid, en dit wordt ver- 
hinderd, door de bakjes x' y en xy niet met elkan- 
der door bewegelijke geleiders te vereenigen. In de 
plaats dus van langs £ T bij voorb. op te klimmen , 
loopt de ftroom langs den geleider E o' , die , on- 
der de tafel doorgaande , met het koperdraad jP vS" en 
dus ook met het bakje S vereenigd is. In dit bakje 
wordt één der bewegelijke geleiders, i^z^. 13, 14, 15, 
geplaatst , die met den cirkel a/d in eenig zuur ge- 
leidend vocht Cdat bevat is in het bakje Fig. xi) ge- 
dompeld zijn. Dit bakje zelf wordt op het drievoetje 
Flg 12, geplaatst. — De ftroom in het bakje S 
zijnde, gaat langs de genoemde bewegelijke geleiders 
in het zuur over, van daar in het bakje Fig. 11, 
en nu brengt een ander geleider 10, Fig. 12, 
dezelve op het vlak van de tafel bij O terug, van 

hier 



( 200 ) 

hier gaat hij langs OoF in d\ en komt dus op de 
te voren aangewezene wijze, naar de negative pool 
der kolom. Deze rigting van den ftroom had plaats in 
de veronderftelling , dat de aanhangfels bij k naar de 
regterzijde waren neergedrukt. Indien dit naar de lin- 
kerzijde gefchied was , dan had ook de ftroom in den 
bewegelijken geleider eene andere rigting moeten vol- 
gen , en was dadr van den omtrek bij / naar het 
middelpunt bij S gegaan , zoodat de toeftel k hier 
alweder tot omkeering van de rigting der electrifche 
ftroomen, in dit foort van bewegelijke geleiders 
dient. 

En dit is hetgeen ik meende te moeten zeggen van 
die deelen van den toeftel, die bij alle proeven ftand- 
vastig zijn. De veranderlijke deelen, zoo wel de 
vaste als bewegehjke geleiders , zullen bij de opgave 
der bijzondere proeven worden vermeld. Hiertoe wil- 
len wij thans overgaan , nadat nog iets , betrekkelijk 
de galvanifche kolom, tot deze proeven gebezigd, 
zal zijn opgegeven. 

Deze nu is eene Wollastonfche kolom van acht ele- 
menten. De zinkplaten 3a Ned. d". lang en 21 Ned. 
d™. breed, aan één houten handvat vastgemaakt, kun- 
nen gemakkelijk door twee perfonen in de koperen 
bakken neergelaten en daaruit genomen worden. Ge- 
lijk de inrigting der Galvanifche kolom naar wollas- 
TON in 't algemeen , tot het doen der Galvanifche 
proeven voor eene der gefchikste gehouden wordt , zoo 
fchijnt zij zulks vooral ook bij deze proeven te zijn : 
1°. omdat daartoe eene groote hoeveelheid zuur ver- 
eischt wordt, dat de gegoten zinkplaten , bij de kolom 

van 



.( 201 ) 

van woLLASTON gewoonlijk gebruikt , niet zoo ge- 
makkelijk verteert als de geflagene platen , bij de in eene 
fpiraal opgerolde kolommen noodzakelijk; 2°. omdat 
dikwijls bij 't veranderen van vaste en bewegelijke 
geleiders eenigen tijd verloopt , zonder dat men de wer- 
king der kolom behoeft, en men bij de Wollaston- 
fche kolommen zonder moeite de platen uit het vocht' 
nemen en zoo eene vergeeffche afneming derzelve 
voorkomen kan: 3°. omdat men niet bij alle proeven 
eene gelijke werking der Electriciteit vordert , en men 
bij deze kolommen gemakkelijker dan bij anderen eeni- 
ge elementen van de werking kan afzonderen ; 4°. om- 
dat bij de eigenlijke Electrodynamifche proeven niet 
alleen eene groote hoeveelheid Electriciteit , maar ook' 
eene grootere fpanning vereischt wordt dan die , welke 
één element geeft , en aan beide deze vereischten met 
eene VVollastonfche kolom zoo gefchikt kan worden 
voldaan. Het is dan ook om deze en andere redenen 
dat AMPÈRE en vele andere Natuurkundigen bij hunne 
proeven geene andere dan de Wollastonfche kolom; 
gebruiken (*). •■.•^1 

De hoeveelheid zuur, die gewoonlijk bij de Galva- 
nifche proeven wordt genomen en door verfchillende 
fchrijvers wordt opgegeven, is ^^ zwavelzuur en ^'g 
falpeterzuur. Met deze hoeveelheid echter kunnen de 
Electrodynamifche proeven niet worden genomen , 
daar de meeste geleiders geene beweging vertoonen. 

■ fS'jrF'^ Wan* 

L, 

(*) De kolom, waarmede ik de proeven genomen heb,' is 
alleen kleiner, maar voor 't overige gelijk aan die, van 
welke zich de heer ampère in 't College de Frame bedient. 
Dezelve beftaat ook uit acht elementen. 



( aoü ) 

Wanneer men dezelve vermeerdert tot /g falpeterzuur 
en j?5 zwavelzuur, is zulks in de meeste gevallen 
voldoende; doch wil men verfchillende proeven doen 
van welke fommigen eenc flierke werking der kolom 
behoeven , dan is ook dit vocht niet fterk genoeg. 
Alle proeven zijn mij volkomen gelukt , door naar de 
opgave van pouillet (*) te nemen ^^ falpeterzuur en 
2^g zwavelzuur : beide'vaneene goede hoedanigheid 
en gelijk zij in den handel voorkomen, t ov 

i.Ten einde meerdere zekerheid te hebben van het 
welgelukken der proeven , wanneer vele derzelve 
achtereen moesten worden gedaan, heb ik de wer- . 
king der geheele kolom van acht elementen behou- 
den: omdat ik altijd, daar, waar de electrifche (Irootn. 
een grooten omweg nemen moest, heb waargenomen , 
dat een kleiner aantal platen niet voldoende was. 
De meeste dezer proeven kon ik echter met vier pla- 
ten doen. Er fchijnt dus hier duidelijk een verfchil 
te beftaan tusfchen de werking der galvanifche elec- 
triciteit op. de magneetnaald en tusfchen de werking 
van dezelve, wanneer zij langs verfchillende geleiders 
loopt. De proeven van den heer van beek en ande- 
renj -hebben ontegenzeggelijk bewezen, dat tot' -de 
v/erking van de electriciteit op de magneetnaald geens- 
zins- een groot aantal platen maar zeker groote op- 
pervlakten gevorderd werden. Bij de Ekctrodynamifche 
proeven daarentegen hebilc kunnen opmerken, dat het 
aantal platen mede in aanmerking moest genomen wor- 
den. In den beginne trachtte ik bij deze proeven ge- 
bruik te maken van eene in het kabinet voorhanden 

zijn- 

(*) Élémem de Pkjfique, T. I. p. 6^7' 



( 2Ö3 ) 

zijnde kolom naar den heer offerhaus vervaardigd , wier 
platen omlrend ia m. lengte en 0,60 m. breedte hadden ; 
en hoezeer de magneetnaald daar eene vrij fterke wer- 
king aanduidde , werd aan fommige geleiders niet de 
minste beweging medegedeeld ; zonder dat men hier- 
van eenige andere reden geven kon, dan dat flechts 
één element der kolom daarbij gebezigd werd. Wel 
is waar, het getal der platen behoeft niet groot te 
zijn , en de oppervlakte derzelve doet hier de meeste 
werking: in de meeste gevallen echter is een element 
geheel onvoldoende. Hierom is het ook , dat men geene 
ftandvastige betrekking ontdekt tusfchen de eigenlijke 
Ekctrodyfiamifc/ie werkingen en de afwijking der mag- " 
neetnaald; en de galvanometer op dezen toeftel ge- 
plaatst, kan niet zoo zeer dienen om de intenfiteit 
der kolom aan te wijzen,, als wel om zekerheid te 
geven, dat alle deelen zoodanig met elkander verbon- 
den zijn, dat electrifche firoom mogelijk is. De ware 
verklaring van dit en andere verfchijnfels der galvani- 
fche kolom is nog niet met zekerheid te geven, en het 
zou niet onbelangrijk zijn dit een en ander jiader te, 
onderzoeken. Wij willen thans (om niet van ons 
voorgenomen plan af te wijken) hierin niet verder 
trachten door te dringen, maar achtten deze opmerr 
king noodzakelijk, opdat anderen, zich van dezen toe- 
ftel bedienende, hierop zouden kunnen letten en zien, 
of 't geen wij meenen te hebben waargenomen altijd 
bevestigd wordt. Wij gaan dus nu tot de opgave 
van eenige der voornaam fte'p roeven over , die tot vol- 
gende hoofdpunten kunnen. worden terug gebragt. -' ■<■ 
1°. De wederkeerige werking der verfchillende ge- 
leiders of der electrifche ftroomen langs deze 
geleiders loopende; 2°. De 



C 204 ) 

2°. De werking dier flroomen op de magneetnaald 

en van deze op de ftroomen. 
2". De werking van het magnetismus der aarde op 

de ftroomen; en 
4". De werking der (Iroomen op ongemagnetifeerd 

ijzer en ftaal. 



i». Het eenvoudig beginfel, waarop in de leer van 
de werking der electrifche flroomen alles kan wor- 
den terug gebragt , is : dai evenwijdige ftroomen el- 
kander aantrekken 9 wanneer zij in dezelfde rigting 
gaan , en elkander afftooten , wanneer die rigting 
tegengefteld is (*). 

Deze ftelling kan met den toeftel op onderfchei- 
dene wijzen aangetoond worden. Hiertoe wordt de 
vaste geleider of fnultiplicateur,QFig, 3,) op de tafel 
200 geplaatst, dat de uiteinden G en Hm de holten 
G en H uitkomen. Tot meerdere vastheid worden 
de vier koperen pennetjes , waarop die geleiders rus- 
ten, in de kleine gaatjes L , Z. , L',L' gebragt. De 
ftroom kan nu of van G naar H, of omgekeerd loo- 
pen, naiar mate hij door de wipjes wordt beftuurd. 
Alle bewegelijke geleiders zijn van die lengte geno- 
men, dat zij juist even hoog als MN komen, welk 
gedeelte van den ftroom dus alleen op dezelve werkt. Bij 

de- 

(*) Men zie bij deze ftellingen de onderfcheidene ver- 
handelingen van den heer ampère : demonferrand Electri- 
cité Djnamique en alle nieuwere fchrijvers over de Natuur- 
kunde in 't algemeen. 



C 205 ) 

dezen vasten geleider wordt de bewegelijke geleider,' 
Fig. 8, [genomen, die in de onderfte bakjes x y' 
wordt gehangen, en waarin de ftroom in de rigting 
ab oï ba loopt. Naar mate nu deze dezelfde is met 
de rigting van den ftroom inden vasten geleider, ofte- 
gengefteld, wordt hij aangetrokken of afgeftooten. 
De proef met dezen geleider gelukt bij de minde 
werking der kolom , en bij het gebruik van 8 platen 
"en een fterk vocht, werd dezelve meer dan eene 
palm afgeftooten , en met merkbare kracht aange- 
trokken. 

Wil men ditzelfde bewijzen in vertikale ftroomen , 
dan wordt daartoe de vaste geleider, Fig. 9, op de- 
zelfde wijze geplaatst als de vorige. De ftroom zal 
dan langs de lijn op dalen of klimmen, en op de be- 
wegelijke geleiders kunnen werken. Één van dezen , 
^^g' 5 > wordt in de bakjes y x geplaatst , en de 
ftroom zal 'm bc en fg rijzen en dalen, dewijl hij 
daarin loopt, in de rigting abcdefghK^"'). In 
welke rigting nu deze bewegelijke geleider geplaatst 
worde , altijd zal men bij eene voldoende werking der 
kolom , den invloed van den vasten geleider door het 
aantrekken of afftooten ontdekken. 

Met denzelfden vasten geleider in Fig. 10 kan het- 
zelfde worden aangetoond. De cirkels van dezen 
worden in tegengeftelde rigting doorlonpen , en niet- 
tegenftaande hier Hechts kleine gedeelten van de ftroo- 
men, langs deze cirkels loopende, op die van den 

vas- 

(*) Men kan de rigting van den ftroom bij de verfchil- 

lende geleiders aan de volgorde der letters kennen , dewijl 

hij altijd flechts in die orde , of in eene tegengeftelde loopt. 

Bijdragen , d. III. st. 2. O 



( 206 ) 

vasten geleider werken, wordt dezelve, hoe ook geplaatst, 
door op aangetrokken of afgeftooten naar dezelfde wet. 
Van deze ftelling kan men door de proeven gelei-- 
delijk overgaan tot eene andere: dat twee ftroomen 
elkander aantrekken^ "wanneer zij heide het toppunt 
van den hoek^ dien zij met elkander maken ^ nade- 
ren, of beide zich van dat toppunt verwijderen. 

Men gebruikt daartoe den vasten geleider, Fig. 3, 
met den bewegel ijken , Fig. 6, die op dezelfde wijze 
als de voorgaanden wordt opgehangen. Deszelfs vlak 
wordt nu regthoekig geplaatst op M N, en door eene 
omwenteling zal hij zich in de rigting plaatfen , waar- 
in de (troomen langs ed evenwijdig en in dezelfde 
rigting gaan met die 'm MN, hetwelk onder eiken 
kleineren hoek dan 90° even eens plaats heeft. Het 
eene gedeelte van den flroom nadert dus den hoek , 
dien de geleiders met elkander maken , en het andere 
verwijdert zich daarvan; en nu ziet men gemakkelijk, 
dat deze ftroomen niet evenwijdig komen kunnen , en 
in dezelfde rigting , ten zij de beide naderende en 
zich verwijderende ftroomen worden aangetrokken. 

Wanneer d€ze geleider zoodanig geplaatst wordt, 
dat de rigting van den ftroom , hoewel evenwijdig , 
echter tegengefteld is, dan blijft hij ftaan , en heeft 
het zoogenoemd bewegelijk evemvigt plaats ; waarbij 
de geleider door de minfte beweging eene tegenge- 
ftelde rigting aanneemt. 

Tot die zelfde ftelling behoort de geleider i^/^. 4, 
waarbij evenwel de werkingen altijd minder blijkbaar 
zijn dan bij de anderen. Door den geleider Fig. 7 , 
kan Worden aangetoond, dat de draden cd ^n ef, 
Fig, 6, tot deszelfs werking iets toebrengen, dewijl 

ook 



C 207 ) 

ook hier een flroom den hoek nadert, of er zich van 
verwijdert; want ook Fig. 7 ^et zich in eene be- 
paalde (telling, hoezeer de cirl^els daartoe volgens de 
proeven van ampère niets toebrengen. Hij dient ook 
ter opheldering van de theorie der electrodynamifché 
verfchijnfels. , : 

Uit de aantrekking en afftooting van flroomen , dié' 

een hoek met elkander maken, kan de ronddraaijende 

beweging der verfchillende geleiders worden verklaard. 

Een flroom, die van het middelpunt eens cirkels 

mar den omtrek loopt, kan gezegd worden den hoek 

te naderen, dien een andere regtlijnige rakende , C/^«, 

^^«//^/O of cirkelvormige ftroom, met denzelven maakt- 

ZIJ zal dus in eene tegengeflelde rigting trachten te 

gaan met de rigting van den buitenften ftroom; en in 

het omgekeerde geval zal het tegengeflelde plaats 
vinden (*). t- ■♦ c. 

Tot de ronddraaijende bewegingen dienen de gelei, 
ders Ftg. 13, 14, 15, jie met hunne ftalen pun- 
ten s m het bakje S worden geplaatst, en zich daarin 
vrij bewegen kunnen. De cirkel wordt voor een ge- 
deelte in het zuur gebragt, dat in het bakje Fig „ 
bevat IS, en nu kan daarop, of de cirkelvormige mul- 
tiplicateur van het drievoetje Fig. 12 Cwaarop Fig. „ 
geplaatst wordt) of de regtlijnige. Fig. 3, weLn. 
De dne bewegelijke geleiders geven nu verfchillende 
verfchijnfels. - In Fig. 13 is van het middelpunt s 
tot aan den omtrek .=r^^/ de elektrifche ftroom al- 
leen mogelijk langs s i> a , omdat bij g^ een gevernist 
Itukje hout den doorgang belet. Werkt dus op de, 

,». zen 

^ -> ÖEMONFERRAND. p, 24 et fuiv. 

O 2 



( 208 ) 

zen geleider Fig. 3, dan zal deze ronddraaijen tot 
dat het vlalc abcd evenwijdig aan liet vlak MNO P 
is : de draad b a zal ftaan naar de zijde , van waar de 
ftroom in MN Icomt, wanneer zij in denzelven daalt , 
maar naar de andere zijde, wanneer zij daarin rijst. 
Men moet hier vooral op de werking van den ftroom , 
langs a b gaande , letten , dewijl die langs b s en es 
tegen elkander inwerken, en die langs ba^ gevoegd 
bij^^, de rigting meer bepaalt. 'Met Fig. 12 ver- 
krijgt men eene ronddraaijende beweging, die in de 
rigting van den ftroom van den vasten geleider zijn 
zal, wanneer dezelve bij Fig. 13 aan den omtrek 
inkomt, ^en tegengeftèld , wanneer zij aan het mid-' 
delpunt bij s begint. 

In Fig. 14 kan de ftroom uit s zoo wel langs sh 
als langs se gaan : met dezen krijgt men dan met 
de beide vaste geleiders eene voortdurende ronddraai- 
jende beweging, die met betrekking tot de rigting, 
dezelfde wet volgt. Men kan dus in alle deze gevalt- 
len de rigting der omdraaijing of de ftelling der ge- 
leiders door bet verfchillend neerdrukken der "dipjes 
bepalen. 

Met Fig. 15 heeft hetzelfde plaats. Deszelfs in- 
rigting is eenigzins verfchillende van de voorgaanden, 
dewijl hier geene regtopftaande draden zijn, bij cd 
een gevernist fcukje hout geplaatst is, en ook in den 
cirkel aan deze of gene zijde van a een ivoren plaatje 
is aangehecht. Wanneer nu op dezen geleider de 
multiplicateur niet werkt (*)» dan levert deze een 

ver- 

(*) Dit kan gefchieden door de uiteinden G en //op te ligten 
of door een' anderen drievoet te nemen , waar die multipli- 
cateur is weggelaten. 



i 



( 2Ö9 ) 

verfchijnfel op, dat het eerst door savary is waarge- 
nomen , en op eene aannemelijke , offchoon niet ge- 
heel ftellige wijze verklaart (*) ; welke ook de rig- 
ting van den ftroom zij , of zij uit het middelpunt 
kome of naar hetzelve heenga, de draaijing wordt 
daardoor niet veranderd, maar verfchilt alleen, wan- 
neer het ivoren plaatje aan de andere zijde van a is 
vastgemaakt. 

Bij de ronddraaijende bewegingen moet de kolom 
zoo fterk mogelijk werken, zullen dezelve gere- 
geld gefchieden. Ook moet men opmerken , , dat 
bij het gebruik van Fig. 3 deze wordt omgekeerd , 
zoodat SM naar de zijde der kolom J f/ geplaatst zij. 

Nog behooren tot de wederkeerige werkingen der 
geleiders twee ftellingen, die door den toeftel zeer 
eenvoudig bewezen worden, namelijk: 1°. de aan- 
trekking is altijd gelijk aan de afjlooüng , -wanneer 
de rigting tegengefteld is; en 2°. de -werking van 
cer^ regtlijnigen- geleider is gelijk aan die vaneenen 
geleider, die eentgzins van de regte lijn afwijkt, . 

Het eerfte toont men aan dour den bewegelijken- 
geleider Fig. 21 , waar h€t koperdraad zoo gebogen 
is, dat in twee nabij elkander gelegene draden de 
rigting van den ftroom tegengefteld zijn moet; welke 
vaste geleider nu hierop werke, dezelve blijft onbe- 
wegelijk ftaan. 

Het tweede gefchiedt door den vasten geleider 
Fig. 9 en den bewegelijken Fig. 5. De eerfte wordt 
zoo geplaatst, dat G', H' in de holten G en H uit- 
komen , en de draden tv en mn naar de zijde der 

ko- 

(*) PouiLLBT. p. 437. 

O 3 



< 2IO ) 

kolommen gekeerd zijn. De frroomen loepen langs 
ty en ta n in dezelfde rigting: brengt men nu den 
bewegelijken geleider tusfchen tv en tnn, dan. zal 
deze door beiden aangetrokken of afgeftooten worden 
naar de bepaalde wetten : en deze aantrekking of af- 
ftooting is van beide de draden volkomen gelijk. Tot 
hetzelfde einde dient nog de bewegelijke geleider, 
Fig. 22 , die door geenen der vaste geleiders kan in 
beweging gebragt worden. 

Na deze algemeene ftellingen te hebben bewezen^ 
zullen wij nu de wederkeerige werking van de inag- 
neetnaald en de electrifche geleiders befchouwen. 

2°. Hiertoe behoort in de eerfte plaats het ver* 
fchijnfel , dat door oersted is waargenomen , dat de 
inagneetnaald door de electrifche (Iroomen van zijne 
rigting wordt afgebragt, en wel zoo (gelijk ampère 
dit uitdrukt), dat altijd de noordpool der magneet- 
naald aan de linkerzijde van den ftroom ftaat. Om 
deze proef te doen , plaatst men den vasten geleider 
Fig. 3 , gelijk zulks vroeger is opgegeven , en nu kan 
eene astatifchc magneetnaald, Fig. 25, boven MN 
worden opgehangen , of men kan , om de verfchil- 
lende inclinatiën te zien, eene magneetnaald, aaneen* 
draad vastgemaakt, in alle rigtingen bij den multipli- 
cateur aanbrengen , en de verfchijnfels zeer duidelijk 
aantoonen. Omdat de ftroom bij dezen toeftel zoo 
gemakkelijk kan worden omgekeerd , zijn ook deze 
proeven met denzelven gedaan, duidelijk. De ftroom 
wordt bij dezelven uit de fleuf B dadelijk naar «» ge- 
leid door ^, die met zijne aanhangfels in beide deze 
fleuven voorkomt. 

Eene andere werking van de electrifche ftrpomen 

op 



( 211 > 

op de magneetnaald, die als een gevolg van dé vóór- 
gaande kan befchouwd worden, is de aantrekking of 
afflooting der verfehillende polen van eene naald, die 
met de rigting van den ftroora een' regten hoek maakt. 
Deze proef gefchiedt door eene kleine eilindervormige 
magneetnaald, die met haakjes voorzien, aan den zij- 
den draad s opgehangen en door den knip ê op de ver- 
eischte hoogten geplaatst worde. In den geleider 
Fig, 3, is nu eene opening ST, voor welke de mag- 
neet hangt, indien die geleider op zijne plaats gefteld 
wordt. Wanneer men nu zorg draagt, dat deze ge- 
leider goed Verticaal ftaat , zoodat.de magneet vrij- 
hangt, zal dezelve, na het nederdrukken deraanhang- 
fels bij Kj en van, den geleider q, het bekende ver-^ 
fchijnfel vertoonen. 

Niet minder belangrijk is het door faraday het 
eerst ontdekte verfchijnfel , . </tf; . </c vnj bewegen- 
de pool èener magnectnaald ^ om den electrifchen 
geleider ronddraait» Tot deze proeven dient een 
glas, Fig. 23, dat met kwik gevuld wordt, waarin 
eene cirkelvormige magneetftaaf, Fig. 24, met een 
tegenwigt van platina voorzien , regtftandig drijft. Dit 
glas wordt boven de opening P zoo geplaatst , dat de 
voet van hetzelve geen der daar liggende geleiders 
raakt. Eene koperen ftreep IL kan in het kwik van 
het glas en, tevens. Jn eene -der holten O qf O'. ge- 
bragt worden. Verder wordt een koperdraad '->d'/^' 
Fig>:. 17, door middel van eene klemfcbroef, in' eenr: 
der, bakjes ,a;j' vastgemaakt, en nu kan men eenen 
electrifchen, ftroom , verkregen.. Komt het koperdraad 
hfvci het kwik van het glas, dan begint de magneet, 
rondom zijne as draaijendé, ook om hét kopérdriid 

O 4 te 



( 212 ) 

te draaijen , terwijl de rigting door het omkeeren van 
den ftroom of der magneetftaaf wordt veranderd. Wordt 
bf in eene holte van de magneetftaaf zelve gebragt , 
waarin eenig kwik is gegoten, dan heeft alleen de 
draaijing om hare as plaats. 

Men moet bij deze proeven wel letten op de bak- 
jes ;«; of j , waarin ^ ƒ wordt vastgemaakt, dewijl an- 
ders zeer ligt geen ftroom mogelijk is. De ftroom 
gaat, bij voorb, , uit A naar 5 door (2, van deze of in 
d^ of in c', In het eerfte geval klimt dezelve langs 
UF^ en -nu moet het koperdraad in j' worden ge- 
plaatst; hij loopt vervolgens langs IL, die in de 
holte O' moet uitkomen , en van daar verder naar de 
meermalen aangewezen wijze. Was nu bf in x of 
1 L 'va. O geplaatst, dan was geen ftroom mogelijk 
geweest. De omkeering van den ftroom gefcbiedt hier 
op de gewone wijze door k. 

Dat een electrifche geleider zich regthoekig op de as 
van eene magneetnaald plaatst, wordt getoond door den 
geleider Fig. 6 en eene horizontaal gehoudene mag- 
neetftaaf. De ftroom moet hierbij door Q en k wor- 
den daargefteld. — Dat de aantrekking en' afftooting 
tusfchen de magneetftaaf en de geleiders door de rig- 
ting van den ftroom en de polen bepaald wordt, kan 
men voorts aantoonen door den bewegelijken gelei- 
der, Fig. 27. Dezelfde pool, tegen over de ruimte 
abcd gehouden, wordt aangetrokken, wanneer die 
afgeftooten wordt bij ede f; omdat de ftroom in 
beide deze ruimten , door het regthoekig ombuigen van 
den draad , ten opzigte van den magneet , eene tegenge- 
flelde rigting heeft. 

Eindelijk kan men nog de ronddraaijende beweging 

van 



( 213 ) 

van een' geleider, om de magneetdaaf , bewijzen, 
door liet drievoetje , Fig. ia , met deszelfs toebehoo- 
ren en den geleider , Fig, 14. Wanneer nu twee of 
drie magneetftaven, tegen het Icoperdraad iSG, zoo 
na mogelijk met hunne gelijknamige polen bij iS", wor- 
den gezet, dan begint terftond de ronddraaijende be- 
weging van Fig. 14, welke wordt omgekeerd, wan- 
neer de andere beneden of dezelfde boven S gebragt 
wordt, gelijk ook door het omkeeren van den ftroom 
in Fig. 14. 

3». De proeven , die betrekking hebben op den 
invloed van het magnetisme der aarde op de gelei- 
ders , kunnen uit de voorgaande worden afgeleid. — 
Bij deze proeven nu worden de vaste geleiders ge- 
heel weggelaten , en de electriciteit gaat uit A dade- 
lijk in B over, en voorts bedient men zich van den 
toeüel k. 

Wanneer of de cirkel Fig. 16, of de regthoek 
Fig. 18, in de balqes worden opgehangen, en de 
Ilroom langs dezelve loopt , nemen deze eene ftand- 
vastige ftelling aan, die loodregt is op den magneti- 
fchen meridiaan , zoodat de ftroom , die klimt , naar 
het westen gekeerd is , in welke rigting de magneet- 
pool der aarde aan de linkerzijde van den ftroom zich 
bevindt. Omdat de bewegingen van den cirkel zoo 
wel als van den regthoek bepaald zijn , door de wijze 
waarop zij worden opgehangen , kan in plaats van 
dezen, Fig. 17 genomen worden, die in het bakje »S 
wordt geplaatst, en waarin de ftroom door het ko- 
perdraad b d wordt geleid. 

Omdat deze magnetifche verfchijnfels bij deze ge- 
leiders niet zeer duidelijk zijn, gebruikt men de zoo- 

O 5 ge- 



( 214 ) 

genoemde clectrodynarnifche cilinden , Fig, 19 en 20. 
De eene, die in de bakjes wordt opgehangen, plaatst 
zich bij eene fterke werkipg der kolom met deszelfs 
lengte-as in den magnetifchen meridiaan , zoodat de 
opklimmende zijde van den ftroom naar het westen 
ftaat. Deze geleider wordt ook in allen opzigte een 
volkomen magneet , wiens eene pool , naar het noor- 
den ftaande, de noordpool der magneetnaald afftoot. 
En dat twee zoodanige cilinders, even als twee mag- 
neten op elkander werken , wordt aangetoond door 
den een met de uiteinden G en // in de holten GenH 
te brengen, waartoe het houtje l? in de klemfchroef a 
wordt vastgehouden. Nu wordt ook het wipje K 
gebezigd, om den firoom te geleiden, en alsdan zal 
de wederkeerige werking zich dadelijk vertoonen, mits 
de kolom eene fterke werking hebbe. 

Ook de invloed van het magnetisme der aarde kan 
worden opgemerkt bij den geleider Fig, 8 , die daar- 
door van zijne verticale rigting eenigzins wordt afge- 
bragt. Of de ronddraaijende beweging der geleiders 
Fig. 13 en 14, door de aarde wordt bewerkt , fchijnt 
nog onzeker te zijn. 

4°. Er is eindelijk nu nog overig , dat wij fpreken 
over de werking van de galvanifche electriciteit op 
ongemagnetifeerd ijzer en daal, hetgeen in weinig 
woorden kan worden afgehandeld. 
■ : Hangt men den geleider Ftg, 8, in de bakjes j 
ien houdt dien daarbij eenig ijzervijlfel , dan ziet men 
hetzelve zich .in . verfchillende kleine ringen om het 
koperdraad zetten, en bij het afbreken van de ver- 
eeniging titsfchen de beide polen , hetzelve dadelijk 
vallen. Dit verfcbijnfel is zeker bij andere toefiellen 

meer 



J'e^. ƒ. 



■y 



J' 






JFca. z3 




-^^. 2,J 



^ 



r/ii 




J 



( ^15 ) 

ïöeer in het oog loopend; het is echter .genoegzaam 
om het magnetisme van het koperdraad , zoo als ook 
de wijze, waarop dit plaats heeft, aan te toonen. 
De geleider Fig. 8 j wordt hiertoe gebruikt , omdAt 
in dezelve de eleciriciteit den minden omvang neemtk 
■ Men kan eene ftalen naald oogenblikkelijk magne- 
tisch maken, wanneer men dezelve in een en e/ec/ro^j- 
namifchen cilinder plaatst, welk magnetisme in die 
naald duurzaam is, en niet verfterkt wordt, al wordt 
de naald langen tijd in den ftroom gelaten. Het is 
hierbij opmerkenswaardig , dat de cilinder , die te vo- 
ren zich niet dan langzaam in den magnetifchen me^ 
ridiaan ftelde, wanneer de ftalen naald daarin ge- 
legd is , dit fchielijk en met groote kracht doet. 

Wanneer men nu de opgegeven verfchijnfels na- 
gaat, zal het, geloof ik, duidelijk genoeg blijken , 
dat de toeftel van ampère zeer doelmatig is za- 
mengefteld en gefchikt , om de geheele leer van het 
electromagnetisme op eene duidelijke en bevattelijke wij- 
ze op te helderen ; zoodat dezelve met regt door den uit* 
vinder als een' zeer nuttigen en in de Natuurkundige 
Kabinetten noodzakelijken toeftel wordt aangeprezen. 



NADERE WAARNEMINGEN OMTRENT DE ZAMEN- * 
STELLING VAN DE CHLORURE DE CHAyX 
EN CHLORURE DE SOUDE, 

i 

Door A. H. VAN DER BOON MESCH, '/'d' L'eydèn. " 
Y aonb .,. ■ 

Audien men naamvkeurig nagaat, wat vele Franfdhe 

en Duitfche Scheikundigen omtrent de zamenftelling 

van 



C il6 ) 

van de chlorurc de chaux en chlorure de foude 
gefchreven hebben, dan befpeurt men weldra, dat 
de een den ander, zonder eigen onderzoek, blin- 
delings gevolgd is, en dat hunne meening, dat deze 
beide zouten verbindingen van chlore met kalk en 
foda zijn, voor een ruim deel berust op onnaauw- 
keurige en verkeerd beoordeelde ontledingen, en op 
de enkele gedachte aan de ftoffen , die tot de voort- 
brenging dezer zouten noodzakelijk zijn, zonder 
hierbij tevens te denken aan die veranderingen, die 
dezelve in aanraking met elkander komende, kunnen- 
ondergaan. Anderen fchljnen deze meening te heb- 
ben voortgeplant, dewijl BERzeLius een tegenover- 
gefteld gevoelen is toegedaan ; zij fchijnen dit gevoe- 
len te hebben willen beftrijden , om met die beftrij- 
ding den naam van berzelius te kunnen vereeni- 
gen, en om alzoo aan dezelve meer waarde bij te 
zetten; en voorzeker, indien berzelius 's jaarlijks 
geen openlijk verflag deed van de voortgangen der 
Scheikunde , indien zijne ondervinding en onafgebro- 
ken proef- en waarnemingen hem niet in ftaat (lel- 
den , om den arbeid van anderen juist en naar waarde 
te kunnen fchatten , en indien zijne zucht en liefde 
voor de waarheid hem niet foms drongen, om na de 
beoordeeling van eene meer berekende dan gedane 
ontleding te fchrijven : „ aber ich halte gleichwohl 
„ dafür , das es die Liebe zu den waren Fortfchrit- 
„ten der Wisfenfchaft erheifche, dafs die Charlata- 
„nerie aufgedeckt, und entblöst von einem Jeden Ib 
„beurtheilt werde, wie fie es verdient" men zoude 
zoo dikwijls zijne denkbeelden niet met opzet ver- 

zwe- 



( 217 ) 

xwegen , met moedwil uiteengenikt , en kwalijk be- 
oordeeld vinden. 

Aan deze en andere oorzaken is het toe te fchrij- 
ven , dat in de meeste fcheikundige leerboeken de za- 
menftelling der bedoelde zouten bijna met dezelfde 
woorden wordt opgegeven , en dat wederom anderen 
het beftaan der verbindingen van chlore met foda en 
met kalk, met zulk eene zekerheid voordragen , alsof 
het onzinnig zoude zijn , eenig ander denkbeeld over 
deze zouten te opperen , en alsof het onmogelijk 
ware, dat er ooit in vervolg van tijd proeven kon- 
den genomen worden , waardoor men hun opgevat en 
zoo geliefkoosd denkbeeld eenigzins aan het wanke- 
len zoude kunnen brengen. Voorzeker, het ver- 
dient opmerking, dat men tot in het jaar 1827 zoo 
weinig acht geflagen heeft op de proeven met deze 
zouten, door retzius en sefström in 1815 reeds 
bekend gemaakt, en dat de benaming van oxymurias 
calcica^ niet zonder reden in de Zweedfche Pharma- 
copoea van 1817 aan de chlorure de chaux gegeven, 
onopgemerkt is voorbijgezien. 

Ik heb tegen het gevoelen , dat deze zouten chlor- 
verbindingen zijn, mijne bedenkingen elders mede- 
gedeeld , en tevens getracht aan te toonen , dat het 
onder-chlorigzure zouten zijn, dat is, verbindingen 
van foda en kalk met de tweede verbinding van het 
chlore met de zuurftof ; en voerde ik voor deze mee- 
ning ^ door BERZELius geopperd, de verfchijnfelen 
aan, die bij de bereiding van de chlorzure potasch 
plaats hebben, bet bleekend vermogen, hetwelk aan 
deze zouten en aan het onder-chlorigzuur zoo bij 
uitftek eigen is, de overeenkomst in reuk en fraaak 

de- 



( 218 ) 

dezer zouten met het onder-chlorigzuur, deverfchiin- 
felen, die bij de gewone bleeking en bij de kunstblee- 
king met deze chlorures en met het bleekwater van 
BERTHOLLET worden waargenomen , de eigenfchap' 
van het chlore , dat het droog zijnde , de insgelijks 
drooge plantenkleuren niet ontkleurt en vernietigt, 
de veranderingen, die de kalk, kalkmelk en de foda- 
oplosfing ondergaan , indien men door deze het chlor- 
gas laat ftroomen, en de vorming van het kobalt- 
fuperoxyde door behulp van chlorure de chaux; ik 
ben daarna onder het verder beproeven dezer zouten' 
hoe langs hoe meer in deze mijne meening verflerkt, 
en , indien ik mij niet vergis , pleiten ook de vol- 
gende waarnemingen voor dezelve. 

I». Wanneer men nickeloxyde - hydraat , uit fal- 
peterzuur nickeloxyde door overvloedige toevoeging' 
van bijtende potasch neêrgeflagen, met éénc: dezer 
beide chlorures of met de zoogenaamde chlorure dé 
fotasfc (eau de Javelle , onder-chlorigzure potasch) 
overgiet, fchudt, enditmengfel eene poos laat (laan , 
dan wordt weldra de reuk van het onder-chlorigzuur 
merkbaar in dien van ehlorgas veranderd , en bet 
groenachtig poeder wordt zwart. Dit zwarte poeder 
is nickelsuperoxyde^ hetwelk dan ook, gegloeid wor- 
dende, zuurftofgas ontwikkelt en wederom in het 
oxyde overgaat, en in falpeterzuur en zwavelzuur 
onder ontwikkeling van zuurftofgas , en in zoutzuur 
onder uitftooting van ehlorgas wordt opgelost; en 
deze vorming van het niclvelfuperoxyde heeft zoo 
fpoedig en zeker plaats , dat hetzelve op deze v/ijze 
het best kan bereid worden. Het onder-chlorigzuur 
derhalve , even gemakkelijk ontleedbaar als al de an-» 

de!- 



( 2Ï9 ) 

dere zoogenaamde onvolkomene zuren, wordt hier 
ontleed , en de zuurftof van hetzelve verbindt zich- 
met het nlckeloxyde , dat hierdoor in nickelfuper- 
oxyde verandert, terwijl het chlore van het onder- 
chlorigzuur als gas ontwijkt. En dit wordt door de 
naauwkeurige proeven van lassaigne bevestigd , die 
het nickeloxyde uit 83,33 deelen nickel en 16,66; 
deelen zuurftof en het op eene dergelijke wijze gevorm- 
de nickelfuperoxyde uit 71,43 deelen nickel en 28,57 
deelen zuurftof vond zamengefteld. Het op deze wijze 
gevormde nickelfuperoxyde heeft veel overeenkomst met 
het natuurlijk nickel-zwart , dat door de natuurlijke 
ontleding van het Arfenik- Nickel is voortgebragt.' 
Beiden toch worden op gelijke wijze in falpeterzuur 
opgelost; doch uit de oplosfing van het laatfte valt 

een weinig arfenikzuur als witte vlokken neder. 

Deze vorming van het nickelfuperoxyde, eindelijk, door 
behulp der zoogenaamde Chlorures komt overeen met 
de dergelijke voortbrenging van het kobaltfuperoxyde , 
elders door mij behandeld. 

2". Indien men eene oplosfing van chlorure de 
chaux bij die van zwavelzuur ijzeroxydule voegt, dan 
wordt er terftond tfzeroxyde afgezonderd , en wanneer 
men llechts hiertoe eene genoegzame hoeveelheid van 
de chlorure bezigt , dan wordt het ijzer zoo volko-' 
men neergeflagen, dat men in het vocht door cyan- 
ijzer-potasfium geen fpoor meer van hetzelve kan ont- 
dekken. Gelijktijdig met deze vormingen afzondering 
van het ijzeroxyde, ontwikkelt zich chlorgas , dat men 
ook aan deszelfs reuk duidelijk befpeurt. 

Deze verfchijnfelen leveren een voldingeud bewijs 
op voor mijn gevoelen , dat deze zouten geene ver- 
bin- 



( aao ) 

bindingen zijn van oxyden met chlore , maar met on- 
derchlorigziiur , en ik acht het onmogelijk, wanneer 
men dezelve voor chlor-verbindingen houdt, om deze 
verfchijnfelen naar behooren te kunnen verklaren. Het 
ijzeroxydule immers wordt in oxyde veranderd en te- 
vens afgefchciden ; er moet derhalve zuurftof vrij wor- 
den , die zich met het oxydule vereenigt : indien nu 
de chlorurc de chaux waarlijk eene verbinding van 
kalk en chlore is, zoo kan ik de hoogere oxydatie 
van het ijzeroxydule niet anders dan op deze wijze 
verklaren : dat de kalk zich met het zwavelzuur ver- 
bindt, dat hierdoor Chlore en ijzeroxydule vrij wor- 
den , en dat het water door de vereen igde werking 
dezer beide ftofFen op hetzelve wordt ontleed, de 
waterdof zich met het chlore tot chlorwaterflofzuur 
en de zuurftof met het ijzeroxydule tot ijzeroxyde 
verbindt. Op deze wijze nu kan men wel de oorzaak 
verklaren , waarom het tjzeroxydule in oxyde veran- 
dert, maar geenziris waarom het oxyde wordt afge- 
fchciden; want indien chlorwaterflofzuur met ijzer- 
oxyde in aanraking is, dan wordt het laatfte opgelost 
en er wordt ijzer-chloride gevormd. De affcheiding 
derhalve van het ijzeroxyde is een ftellig bewijs tegen 
deze verklaring : en hoe kan er daarenboven chlorgas 
ontwikkelen , indien het chlore zich met de waterflof 
verbindt ? — Wanneer wij daarentegen de?-e zooge- 
naamde chlorures voor onderchlorigzure zouten hou- 
den, dan kunnen niet alleen vele andere, maar ook 
de (Iraks opgegevene verfchijnfelen op eene duidelijke 
en eenvoudige wijze worden verklaard. Zoo fpoedig 
toch eene oplosfing van den onderchlorigzuren kalk 
bij die van zwavelzuur ijzeroxydule wordt gevoegd, 

verr 



( asi ) 

verbindt zich het zwavelzuur met den kalk en er 
wordt ijzeroxydule en onderchlorigzuur afgezonderd , 
en dewijl dit oxydule eene groote verwantfchap heeft 
tot de zuurftof en het chlore in het onderchlorigzuur' 
met de zuurftof zeer los verbonden is , zoo wordt: 
dit onderchlorigzuur ontleed , en terwijl deszelfs zuur-, 
ftof zich met het ijzeroxydule tot oxyde verbindt , 
ontwikkelt het chlore als gas : en ziedaar de oorza- 
ken van de vorming en aflcheiding van het ijzeroxy-. 
de en van de ontwikkeling van het chlorgas ; uit 
welke gelijktijdig plaats hebbende verfchijnfelen tevens 
wederom blijkt , dat het chlore zich niet met een oxy- 
de vereenigt. 

Hetzelfde geldt omtrent de onderchlorigzure foda , 
die dezelfde uitwerking op het zwavelzuur ijzeroxy- 
dule uitoefent; en deze zelfde verfchijnfelen zullen 
welligt bij alla die metalen worden waargenomen , die 
twee oxyden vormen , welke beide zoutvatbare grondfla- 
genzijn, indien, namelijk, deoplosfingen hunner oxy- 
dul-zouten met die van den onderchlorigzuren kalk, 
of foda worden vermengd; en wij zien dit in de op- 
merkenswaardige nieuwe wijze van bereiding van het 
fcheikundig zuiver zinkoxyde, door hermann gevon- 
den , bevestigd. Want nadat men de oplosfing van 
het gewoon onzuiver zwavelzuur zinkoxyde , waarin 
het zwavelzuur de overhand heeft, door zwavelwa-» 
terftofgas van lood, koper en cadmium (*) gezuiverd 

heeft , 

(*) Die zinkertfen, welke tot de uitfraelting van het zink 
gebezigd worden , bezitten niec zelden eene aanzienlijlfe 
hoeveelheid cadmium, en van hier, dat men thans dit metaal 
bij ponden voor eene geringe fom gelds in de zink-fmelterij 
in Opper-Silezié' gemakkelijk verkrijgen kan. 

Bijdragen , d. III. st, i. P 



heeft, en men alsdan bij dezelve voorzigtig eene 
oplosfing van öndercblorigzuren kalk voegt, dan valt 
er een geelachtig nederploffel neder , en dit nederplof- 
fel is een mengfel van mangaan- en ifzeroxyde , en 
gedurende , dat dit plaats heeft , befpeurt men den reuk 
van het chlorgas. En deze verfchijnfélen worden zoo 
beftendig waargenomen , dat hermann door dezelve 
eene nieuwe en allezins voldoende wijze ontdekt heeft , 
om fcheikundig zuiver zinkoxyde, op den natten weg 
fabrijkmatig te bereiden ; welke bereiding, om derzel- 
ver nieuwheid en belangrijkheid, in de meeste buiten- 
larjdfche fcheikundige maandfchriften te zeer is waar- 
genomen, dan dat ik het noodig reken de geheelebe- 
fchrijving van dezelve hier te herhalen. 

3°. Wanneer men eene oplosfing van de chlorure 
de chaux voegt bij die van falpeterzuur loodoxyde, 
dan ontftaat er een wit vlokachtig nederdag, dat ter- 
ftond geelachtig wordt. Deze gele kleur wordt weldra 
donkerder, de reuk van het vocht naar chlorgas 
wordt fterker, en na 24 uren is het poeder bruinach- 
tig geworden. Aan de onderfte oppervlakte van het 
dunne vliesje van koolzuren kalk, dat het vocht be- 
dekt, befpeurt men eene menigte kleine luchtbellen, 
die ook, wanneer men het vocht fchudt, uit het 
bruinachtig poeder oprijzen ; hoe meer de kleur van 
het poeder verandert , des te fterker is de reuk van 
het vocht naar chlorgas; en na 2—3 dagen is het 
poeder donkerbruin. Dit poeder is het loodfupcroxyde, 
dat , wanneer het met kokend water is afgewasfchen , 
in alle eigenfchappen overeenkomt met dat loodfuper- 
oxyde , hetwelk door behulp van falpeterzuur uit het 
loodfuperoxydule bereid is. — Deze zelfde uitkomst 

ver- 



( 223 ) 

verkrijgt men, indien men in plaats van chlorure de 
chaux fterke chlorure de foitdè gebruikt. 

4". Indien men het lialf-falpeterzuur loodoxyde 
met eene dezer beide chlorures overgiet, dan wordt 
het witte poeder plotfeling geel , daarna donkergeel 
en eindelijk bruin , en onder deze kleurverandering 
wordt de reuk van het chlorgas merkbaar fterker. 
Dit bruine poeder is wederom het lood-ftiperoxyde, 
waarin het half-falpeterzuur- loodoxyde bijna geheel 
kan veranderd worden , indien men flechts eene ge- 
noegzame hoeveelheid der chlorures aanwendt. 

5°. Wanneer men azijnzuur loodoxyde met eene 
oplosfing van chlorure de chaux vermengt, dan ont- 
llaat er dadelijk een wit vlokachtig nederploffel , het- 
welk met dezelfde verfchijnfelen , als het nederflag uit 
het falpeterzuur loodoxyde, in het loodfuperoxyde 
veranderd wordt. Ook hier is de reuk van het chlor- 
gas nier merkbaar, dan nadat de kleur van het poe- 
der begint te veranderen , en dezelve wordt fterker , 
naarmate hetzelve bruiner wordt. — Zoude er door 
de toevoeging van de onder-chlorigzure foda of kalk , 
bij de genoemde loodoxyde - zouten , ook onder-chlo- 
rigzuur loodoxyde gevormd worden , dat als een wit 
poeder nedervalt , terwijl het falpeterzuur en azijn- 
zuur zich met den kalk of foda vereenigen ? Mij 
komt dit gevoelen niet onaannemelijk voor, en het 
laat zich uit de dubbele keurverwantfchap verklaren. 
Het onder-chlorigzuur - loodoxyde is dan , even als al 
de andere onder-chlorigzure zouten , eene gemakkelijk 
ontleedbare en onbeflendige verbinding; het onder- 
chlorigzuur wordt in dezelve langzaam ontleed, en 
terwijl de zuurftof van hetzelve zich met het lood- 

P 2. OXJ' 



< 224 ) 

■oxyde tot loocJfttperoxyde vereenigt , ontwikkelt het 
clilore als gas. Deze ontleding van het onder- 
chlorigzuur heeft in de drie laatfte proeven langza- 
mer plaats , dan gedurende de werking vanhetonder- 
■chlorigzure zout op het zwavelzuur ijzeroxydule, en 
het is deze , in het eene geval langzamer en in het 
andere fneller plaats hebbende ontleding , welke ook 
zoo zeer overeenkomt met hetgeen ons de ondervin- 
ding leert omtrent de betrekking en verwantfchap der 
metalen tot de zuurftof. Alle die metalen toch , die 
twee oxyden bezitten , welke beide zoutvatbare grond- 
lagen zijn , toonen de meeste verwantfchap tot de 
zuurftof, wanneer zij van een oxydule in een oxyde 
overgaan; doch deze zelfde verwantfchap vertoont 
zich aanmerkelijk minder, wanneer een oxyde in een 
fuperoxyde verandert. 

6». Wanneer men het loodoxyde-hydraat met de 
xhlorure de chaux of chlorure de [oude overgiet , 
dan wordt de kleur van het poeder weldra geel , en 
terwijl de reuk van het chlorgas fterker wordt ^ ver- 
andert hetzelve in loodfiiperoxyde. De werking dezer 
zouten, derhalve, op het loodoxyde-hydraat, is dezelf- 
de als op het kobaltoxyde- enhet nickeloxyde-hydraat, 
en de ontleding van bet onder^clilorigzuur is ook hier 
wederom aan de verfchijnfelen kennelijk. — Ik moet 
4iier ter opheldering dezer proef bijvoegen , dat , daar 
de Scheikundigen, door bevestigende proeven voor- 
gelicht , het beftaan van eene verbinding van het lood- 
oxyde met water niet aannamen, een ongenoemd En- 
gelsch Scheikundige onlangs het hydraat van het lood- 
oxyde ontdekt heeft. Hetzelve wordt bereid uit het 

azijn- 



( aas > 

jfzijnzLiur loodbxyde, door toevoeging van bgtende 
potasch. Het is een wit poeder, dat, na behoorlijke 
afvvasfching en uitdrooging , bij gloeijing 8 p. c. water 
geeft. {Journal of the Royalinstitution , XX. 400J. 
"Het is dit loodoxyde-liydraat , hetwelk ik tot dez€ 
proef heb aangewend. 

'i Uit deze werking op het nickeloxyde-hydraat , op 
het zwavelzuur ijzeroxydule, op de genoemde lood- 
oxyde- zouten en op het loodoxyde-hydraat , waar- 
door wij tevens vier nieuwe wijzen van vorming en 
bereiding van het loodfuperoxyde hebben leeren ken- 
nen, gevoegd bij mijne elders medegedeelde waarne- 
mingen, blijkt het, dat deze zouten geene verbin- 
dingen met chlore , maar onder-chlorigzure zouten 
-2ijn; en indien men dit gevoelen niet aanneemt, zal 
-het moeijelijk vallen , dunkt mij , al die verfchijnfe- 
len , die ik voor deze mijne meening heb bijgebragt , 
behoorlijk te verklaren , en de proeven van thom- 
SON regt te vatten, die, na het bleekpoeder van 
•TENNANT op verfchiUende wijzen te hebben onder- 
zocht, deszelfs waarde en zuiverheid ten laatfle be- 
paalde naar de hoeveelheid van zuurftofgas, die het*- 
zelve bij verhitting ontwikkelde; en de naauwkeurigv 
heid van thomson , als Scheikundige, is te zeer be- 
kend, dan dat men aan de echtheid en waarheid zij>- 
ner waarnemingen zoude kunnen twijfelen! — Het 
gevoelen eindelijk, dat deze zouten verbindingen met 
chlore zijn, heeft, zoo- als het mij toefchijnt, geene 
meerdere waarde, dan die van eene vooronderftelling, 
waarvan het ontftaan uit de gefchiedenis der Schei- 
kunde kan worden aangetoond, die, behalve om an- 
dere redenen, ook daarom vooral alle aanprijzing 

P 3 ver- 



( 220 ) 

verdient, omdat zij ons met den natuurlijken over- 
gang van het eene fclieikundig denkbeeld op het an- 
der bekend maakt. Want toen scheele ontdekte, 
dat het zoutzuur, met bruinfteen behandeld, geheel 
andere en bijzondere eigenfchappen verkreeg , zocht 
hij de oorzaak hiervan in het verlies van phlogiston. 
Bij de vestiging van het leerftelfel van lavoisier 
meende men evenzeer , alleen op theoreiifche gron- 
den , dat het zoutzuur meerdere zuurflof aannam , 
dat het ©verzuurde zuur zijne zuurflof gemakkelijk 
aan de kleurftoffen afftond , dat deze hierdoor vernie- 
tigd werden , en dat alzoo op deze wijze de bleeking 
moest worden verklaard. Toen men later aantoonde, 
dat het vermeende overzuurde zuur als een enkelvou- 
dig lichaam te befchouwen was , kon men de blee- 
kende kracht niet meer aan deszelfs zuurftof toe- 
fchrijven, en nu begon men het bleekend vermogen 
als eene bijzondere eigenfchap van het chlore aan te 
zien ; en toen men derhalve daarna de bleek endp 
kracht van het bleekpoeder leerde kennen , wat was 
toen natuurlijker, dan deze kracht aan het chlore, in 
hetzelve vervat , toe te fchrijven , en alzoo het bleek- 
poeder te houden voor eene chlor-verbinding ? Dit 
gevoelen, door het noodzakelijke van het chlorgas 
lot de bereiding van dit zout verfterkt, had fchijn- 
baar zoo veel voor zich, dat men het als ftellig be- 
wezen aannam , en dat men het niet noodig achtte , 
hetzelve nader te onderzoeken ; ook heeft voorzeker 
op de aanneming eener verbinding van een enkelvou- 
dig ligchaam met een oxyde een vroeger denkbeeld 
gewerkt, namelijk, de befchouwing van het chlore 
als een zuur. 
../ In- 



( 2a7 ) 

Indien het nu bewezen mogt zijn, dat de chlor- 
alcaliën onder-chlorigzure zouten zijn , dan zijn niet 
alleen derzelver bereidingen en eigenfchappen in het 
algemeen, en derzelver gebruik als bleekende en 
luchtzuiverende middelen opgehelderd, maar dan'jijg 
.ook. de leer der Scheikunde , betreffende de verbin- 
dingen van het clilore met de zqurftof uitgebreid , 
en wij hebben dan eene nieuwe foort van zouten, 
van alle andere ten duidelijkfte onderfcheiden , lee- 
ren kennen, die voor de Scheikunde even belangrijk 
?ijni als nuttig en noodzakelijk voor vele menfche- 
lijke behoeften. fcjMiuimav 

• -,,y/-i3V3]Jïi5cb'j;;i, 'jy:iiiio;j.;L>j ■j,!.'---// : üüddsrl !jl3^>Iiv/ 
o'.ao ni ovl9:.jb At^aa 3£l; ^ nav.';^ ^nif^iafncc- frégrirfti'l 

BEDENKINGEN OVER DE SYSTEMATISCHE RANG-^' 
SCHIKKING DER RANA PARADOXA. 

Door W. VROLIK. 



H< 



Loe aanmerkelijk de bouwftoffen ook zijn , welke 
de Natuuronderzoekers van alle tijden en landen tot 
eene natuurlijke en regelmatige verdeeling der dieren , 
bijeenverzameld hebben , zoo blijven er echter me- 
nigvuldige gapingen over , wpUte fleehts door nieuwe 
nafporingen en ontdekkingen zullen kunnen aange- 
vuld worden. Bovendien heerscht er in de benaming 
en bepaling van fommige dieren eene verwarring, 
welke , wordt , z^i niet '' fpoedig opgeheven , van de 
Natuurlijke gefchiedenis een^ ehaos dreigt te maken , 
waaruit. men zich fchier niet zal kunnen redden. ; Ik 
wercl onlangs in deze overtuiging bevestigd, ,toen ik 
mij;, .ouder anderen, met de Natuurlijke gefehiec^enis 
■j'-o P 4 der 



( 2^8 ) 

der Kana paradoxa bezig houdende , bemerkte , dat 
men dit dier verkeerdelijk befchouwd had, als be- 
ftond het geheel op zich zelve, en als ware het, 
met eigenheden voorzien, aan geen ander dier te ont- 
dekken, en dat derhalve de naam van paradoxa in 
het geheel niet kon uitdrukken, hetgene men gemeend 
had door denzelven aan te duiden. Onder dezen 
naam immers, verftaat men die foort van kikvorsch^ 
welke zich door eenen langzameren graad van ontwik- 
keling van de overige onderfcheidt, en reeds eenen 
grooten wasdom verkregen heeft, voor dat de ftaart 
vernietigd is en de pooten zich uit den buik ont- 
wikkeld hebben; welke zonderlinge gedaanteverwis- 
felingen aanleiding gaven, dat seba dezelve in eene 
tegenovergeftelde orde plaatfte, (lellende, dat de kik- 
vorsch , door aanvoeging van eenen ftaart en terug- 
trekking van pooten , zich tot visch vormde. Het- 
geen derhalve, volgens ons, de laagfte trap van ont- 
wikkeling is , was bij hem de hoogde. Het zal wel 
onnoodig zijn, het ongerijmde van dit gevoelen uit- 
een te zetten. 

Belangrijker is het, onze aandacht over te brengen 
op de waarneming, dat eenige andere foorten van de 
geflachten Kana , Hyla en Bufo , denzelfden aard 
van ontwikkeling vertoonen, en dus even zoo zeer 
den naam van paradoxa zouden verdienen. 

Het komt mij ten minfte niet onbelangrijk voor, 
dezelve alhier in verband te befchouwen. 

Voor zoo verre mij de vergelijking van verfchillende 
foorten van Batracia heeft kunnen voorlichten, ge- 
loof ik, te mogen vastftellen, dat eene geheele groep 
de eigenfchappen gemeen heeft van die zonderlinge 

ont- 



< 229 ) 

ontwikkeling , welke vroeger aan de Kana paradoxa 
uitfl uitend werd toegekend. 

Vooreerst dan behoort hiertoe de eigenlijke 

1°. Kana paradoxa^ seba , Thefaurus ^ Tom. I, 
PI. 78 , fig. 15 en volgg. Tom. II , PI. ex , fig. 4 en 5. 

CuviF.R , Règneanimal, Tom. II, pag. 93. 

J. G. scHNEiDBR , Hlst. amphibior., Tom. I, p. 134 , 
en te Suriname , waar dezelve te huis behoort , Jackic 
genaamd. 

20. Een Aziatifche kikvorsch , zonder opgave 
van naam, door seba afgebeeld, Tom. II, PI. 78^ 
fig. 9, 10, II, 12, 13, 14. ;.XQ'^ü•^Si<\ iVn 

3°. Bufo aquaticus alliitm redokns mactiUs fus- 
cis, A. j. ROESEL voN RQSENHOFF, Hist. nat. Ranaf. 
nostr. Nürnberg 1758, Sectio IV, Cap. I, p. 7oen 
volgg. Pi. XVIII en XIX. Crapaud hrun (Kana hom- 
bina') cuv. Tom. II, p. 95. Hiertoe behoort mis- 
fchien ook eene bij ons inlandfche foort , waarvan 
SEBA, Tom. I, p. 125, in de volgende woorden ge- 
waagt: 

„ Retulit mihi vir fide dignus , in Gelria captos 
-„esfe Pisces forma fimiles Americanis illis e rana 
„natis, fed coloris cinerei pallidioris. Multum im- 
„pendi operae indigenis hisce videndis, aut nancis- 
„cendis; nee tarnen voti compos fumfactus, nififes- 
„quianno inde elapfo, postquam tabüla haecce jam 
„parata erat, unde hoc alteri inferere tabulae fumus 
„eoacti;" welke plaat ik echter in de overige deden 
van zijn werk niet gevonden heb. 

4". De //j/« later all 5 , bosc. rat nette flanc rayée^ 
DAUDiN , Histoire naturelle des reptiles. Paris , An XI. 
Tom. VIII, p. 27—29. 

P S Daar 



( a3o ) 

Daar nu alle deze Batracia, hoewel tot verfchil- 
lende geflachten behoorende, echter hierin met de 
zoogenaamde Rana paradoxa overeenkomen , dat zij 
^$eds hunnen volmaakten wasdom bereikt hebben, 
.voor dat, alle hunne ontwikkehngtijdperken doorge- 
loopen zijn, dat is, voor dat hun ftaart zich te- 
rug getrokken heeft, en hunne pooten zich ontwik- 
keld hebben;, zoo komt het mij voor, dat eene na- 
dere naamsbepaling derzelve noodzakelijk zoude zijn. 
Wil men 'den eens aangenomen naam van paradoxa 
gehouden,, dan zoude men aan elk geflacht zijne y/>c- 
cies paradoxa kunnen geven , en derhalve eene Rana 
paradoxa (onze No. i) een Bufo paradoxus CN°. 3) 
.en een Hjla paradoxa (No. 4) moeten aannemen. 
.De -Aziatifche €11 ,de vermoedelijk inlandfche foort 
van SEBA, zouden als piet genoegzaam bekend, voof 
aIs nog onbepaald moeten blijven. Door deze handel- 
wijze, ontweek men ten minste het gevaar van bij de 
beftudering der Rana paradoxa .^ het vei keerde denk- 
beeld te doen geboren worden, alsof dezelve in de 
wijze, van ontwikkeling eenig in- hare foort zoude zijn. 
Wil men echter in elk der gezegde geOachten geene 
.paradoxe foort aannemen, dan zoude- er niets anders 
-overblijven , dan den geheelen nz^m van paradoxa t? 
-verwerpen, en aan de zoogen&amAQ Rana paradoxa 
^pnen nieuwen te geven. Ik waag het echter niet, 
hierin iets meer te beflisfen; mijne vlugtige bedenkin- 
gen gaarne aan het oordeel van hen onderwerpende, die 
zich meer opzettelijk met de dierkunde bezig houden , 
pn deze belangrijke voorwerpen zeker hunne aandacht 
nkt zullen weigeren, '.'jho!'.- 



7- *■! UIT- 



( asi ) 



h»^** 



UITTREKSELS UIT BRIEVEN VAN HEINRICH BOIE 

■ '^ ■; V - ■ ■ J " •'• 

VAN JAVA AAN H. SCHLEGEL'i CONSERVATOR 

ANIMALIUM VERTEBRATORUk AAN 's RIJKS ,,^^^ 

MUSEUM TE LEYDEN. :• r 

JLJe volgende voor de Wetenfchappen zoo belang- 
rijke waarnemingen , v^elke in onderfcheidene aan mij 
gerigte brieven, in den vorm van een dagboek, be- 
vat waren, meende ik der gelejerde, wereld te moe- 
ten mededeelen. Zij behooren tot den Jaatften Ar- 
beid van onzen onvergetelijken^ algemeen betreurden 
vriend , die in den bloei zijner jaren , door den dood 
aan de wetenfchappen ontrukt werd. Weinige da- 
gen na denzelven volbragt te hebben, werd hij een 
llagtofFer van de voor den Europeaan zoo gevaar- 
lijke landziekte, en reeds lang ruste hij aan de zijde 
zijner vroeg geftorven, geliefde vrienden en voorganr 
gers,.KUHL en van hasselt, toen ons het treurig 
berigt van zijn overlijden , van dit bewijs zijner werkr 
zaamheid vergezeld, werd overgebragt. • :. : ■•..■. 
Ik heb den eenvoudigen ftijl zijner verhalen niet 
veranderd, vermits het in uitfrekfels, meer op den 
inhoud , dan op den vorm aankomt ; evenmin meendp 
ik de onderhoudende befchrijving zijner woonplaats 
te 'moeten achterlaten. ixrcvod 

H. SGHLEGEL. 



Ta- 



( ^32 ) 

Tapos^ aan den voet des Pangarangoi's f 
den 1$^'^ Juhj 1827. 

Sedert den 4''*" Julij h?b ik , vergezeld van onzen 
gefchikten medehelper muller, en den heer van 
OORT , den teékeniar onzer expeditie , het voor mij 
te drukke Buitenzorg verlaten, en woon nu hier 
2000 voeten boven de oppervlakte der zee , aan den 
voet van den geweldig hoogen Pangarango, in een 
echt Eüropeaansch Idimaat , waar wij ons allen als 
met een iiieuw leven bezield gevoelen. De voornaam- 
fte drijfveer ,' welke mij tot dezen togt aanfpoorde, 
Avas de wensch, om voor ons vertrek naar Sumatra, 
een nog grooter aantal alhier te huis hoorende vogels 
zelf waar te nemen, of ten minste vele in eenen fris- 
fchen toeftand te zien. Daartoe zoudt gij Tapos ook in 
eene zeer gunstige ligging vinden, en er gaarne eeni- 
gén tijd met mij willen toeven. Wij woonèn zeer 
aangenaam, in een ruim gouvernements gebouw, het- 
welk jaarlijks flechts eenmaal door de beambten , ter 
infpectie der koffijplaatagiën , bezocht wordt, maar 
dat , wegerts den (loet , met welken in vroegere jaren 
deze heeren gewoon waren te reizen, met de noodige 
bijgebouwen voor paarden en bedienden voorzien 
is. Deze huizen zijn , wel is waar , flechts van bam- 
boes gebouwd, maar bij een goed dak heeft men 
geene verdere bedekking noodig. Elk van ons heeft 
bovendien zijn eigen kamertje,, zijn veldbed, zijne 
tafel en zijnen ftoel. De jagers, die trotsch op hunne 
dienst zijn, en de preparaieurs woonen in een afzon- 
derlijk huisje, en hebben hun eigen huishouden, in 
hetwelk het zelfs niet aan eene marketentflier ont- 
breekt y 



( 233 ) 

breekt; zoo doende is de Pasfangrahan van Tapos^ 
welke misfchien lang onbezoch: en eenzaam was , op 
eens in een vrolijk , volkrijk dorpje veranderd. De 
landftreek is ftreelend fraai ; het uitzigt ftrekt zich in 
het N. W. over den rug van den Salak en in her N. 
verre over Buitenzorg tot aan het vlakke ftrand uit. 

Ongeval er op 400 pasfen achter de woningen be- 
ginnen de zeer uitgeftrekte koffijplantagiën, overal 
aan het oorfpronkelijk woud grenzende; zij ftrekken 
zich niet alleen, op eene gelijke vlakte, zeer wijd 
oostwaarts uit, maar ook nog hooger opwaarts, ten 
minste ter hoogte van 6 i 800 voeten , waarvan wij 
ons door meernaauwkenrige barometrifche waarnemin- 
gen nader verzekeren zullen. Van zeer toegangbare 
wegen doorfneden, beOaan zij vele bergruggen. Elke 
plantagie wordt van het W. tegen het O. door eene 
beek begrensd. Zij zijn voor ornithologirche waar- 
nemingen te belangrijker, daar men in het woud 
flechts met groote moeite en meestal vruchteloos kan 
trachten voort te dringen, en bijna alle dieren, 
welke hetzelve bewonen, herwaarts heendwalen. Hier 
en daar voeren paden door de wildernis tot aan de 
woudftroomen, en tot de hoogstgelegene plantagie is 
een weg, een uur opwaarts, zoo wel toegangbaar 
gemaakt, dat ik zelden te voet van de jagt terug- 
keere, zonder mij daarboven een rijpaard te laten te 
gemoet voeren. 

Om zich een duidelijk begrip van deze plantagie te 
maken , moet men zich de ten hoogfte 20 voet hooge 
koffijplanten als eene niet ondoordringbare , maar toch 
digt ineengewikkel(^e masfa van rankvormige takken 
voorftellen , digt bedekt met 2—3 duimen lange, dikke, 

don- 



C 234 ) 

donker-groenc laiiriervormige bladen. Zij ftaan op 
rijen, maar toch zoo naast elkander, dal zij een 
fchaduwrijk dak vormen, en flechts daar, waar zij 
eene ongewone hoogte bereikt hebben, kan men regt 
op, onder hen doorgaan. 

In plantagiën, welke geheel of voor eenigen tijd 
verlaten zijn , is wegens het gras en de doornen , 
die tot aan de borst reiken , niet door te komen ; 
maar de goed bebouwde worden van onkruid gezui- 
verd , en aldus ware lusttuinen voor Pittae en Myo- 
therae. Nog moet ik aanmerken, dat hier en daar, 
boomen van aanmerkelijke hoogte (^Erythrina indica) 
tusfchen de koffij- akkers geplant zijn, welke door 
hunne kleine en niet zeer talrijke bladeren , het best 
gefchikt zijn , deze planten te befchaduwen , zonder 
hun allen zon te benemen. Onder honderd van 
dezelve, ftaan er vast het geheele jaar door, twintig 
in den bloei , waardoor vele infekten en vogels , on- 
der dezen voornamelijk Ncctariniën en kleine Pape- 
gaoijen aangelokt worden. De kleur der bloemen is 
geheel gelijk aan het rood van den ftuit des Psittacus 
yernalis^ terwijl het groen der bladen zijile overige 
vederen fchijnt na te bootfen. (Is dit toeval of in- 
ftinktmatige zamenvoeging?) Ook verdient het op- 
gemerkt te worden , dat men zeker is , deze lieve , 
kleine papegaaijen fleeds daar te vinden , waar Dadap- 
boomen in bloei ftaan, en dat, zoo lang zij onbe- 
wegelijk zitten , het bijna niet mogelijk is , hen tus- 
fchen het rood en groen te onderfcheiden. 

Eenige reusachtige boomen van het oorfpronkelijke 
bosch heeft men hier en daar laten ftaan , als ware het 
ter herinnering van datgene , wat men der natuur 

door 



( 235 ) 

door kunst ontnomen heeft, of misfchien ook, want 
dichterlijk is de Indiaan niet , om tot wegwijzers in 
dezen doolhof te dienen ; voor ons jagers hadden zij 
ten minste dit nut. 

17 Juhj. 

■ Heden begaf ik mij voor het eerst in het dal, nabij 
onze woning gelegen , waarbij ik , het zij in het voor- 
bijgaan gezegd, het mij aangewezen voetpad, mis- 
liep, en genoodzaakt werd, mij eenen nieuwen weg 
door het digte bosch te banen (zonder bijl is dit niet 
mogelijk) , en alzoo met gefcheurde kleederen en bloe- 
derige handen beneden aankwam. Daar men den droom 
in het woud duidelijk boven zich hoort ruifchen, had 
ik mij de vallei in het geheel niet zoo laag voorge- 
fteld, als ik dezelve werkelijk vond; ik was ten 
minste wel een uur onder weg geweest , zonder mij met 
iets anders dan met het afklimmen , bezig gehouden te 
hebben. Langs eenen dergelijken weg treft men zel- 
den dieren uit de hoogere klasfen aan , en zelfs als 
wij iets bemerken ,• heeft de ondervinding ons ge- 
leerd , er niet naar te fcliieten ; want indien de fchut- 
ter niet te gelijk de plaats, waar het gefchotene valt, 
met naauwkeurigheid kan onderfcheiden , is het toch 
voor hem verloren; en hoe ware het mogelijk dit te 
doen in een land, waar elk plekje van den vrucht- 
baren bodem met digte planten bedekt is , en waar 
ligtere, uit de hoogte vallende voorwerpen, niet eens 
den grond bereiken. Men kan in dergelijken ftand 
van zaken, weinig uitrigten en de beste jager zoude 
geen fchot kunnen geven, als hij van een roofdier 
aangevallen vs^erd. Deze heb ik echter nog niet aan- 



( ^3Ö ) 

getroffen; ten minste zijn zij mij niet in het gezigt 
gekomen ; offchoon ilc meermalen groote dieren voor 
mij de vlugt hoorde nemen; misfchien wel meest 
zwijnen. Meermalen daarentegen , ziet men eene fa- 
milie Apen (^Hylobates le:/ciscus en Semnophhecus 
maurus en comatus') , welke met een klaaglied 
de ruimte zoeken , of in (lilte, uit eenen reusach- 
tigen boom, naar beneden zien. Den Hylobates 
Icuciscus kan men , terwijl hij zijn zonderling ge- 
fchreeuw doet hooren , overvallen. Hetzelve wordt 
vooral bij zonnen-ondergang waargenomen , waarbij de 
ganfche familie gewoonlijk op eenen boom te zamen 

zit. Het klinkt als: hot-hot, hot hot-hot-hot - . 

ho-iih |v-' — I v^ — I v^ — I >-> — I de laat- 

fie twee fyllaben altoos doordringender en fneller, en 
in een octaaf lageren toon uitgefchreeuwd worden- 
de, even als iili — a — a, hetwelk men aan onze 
kusten zoo dikwijls van den Lams argentatus hoort. 
Van de buitengewone vlugheid en fpierkracht dezer 
fchepfels kan men zich bezwaarlijk een begrip vor- 
men; gejaagd wordende, fchijnen zij van den eenen 
tak naar den anderen te vliegen. De zwaarbuikige 
Semnopitheci (ook de Suriïi heeft de ruime, vier- 
deelige, aan het einde darmachtige maag van den 
Entellus"), onder wier last zich vele takken buigen, 
fchijnen, niet gejaagd wordende, langzaam en log in 
hunne bewegingen; maar komt het hun op fpoed 
aan, dan geven zij de flanke Hy lobaten weinig toe. 
Het buitengewoon taaije leven van deze h T of, zoo 
gij wilt, voor een derde menfchen , maakt de jagt op hen 
onaangenaam. De heer muller had voor eenige da- 
gen 



( *37 ) 

jgen de grootfle moeite, zich van eenen Surili mees- 
ter te maken, die met twee ftujcgefchoten pooten 
en een overal gfkwetst ligchaam op den grond ge- 
vallen was, en zich toch nog met zijne twee ove- 
rige ledematen weder aan het klonteren begaf. 

De Hylobaten houden het ook , onder dit klimaat , 
in gevangenfchap niet uit. Wij kregen voor eenige 
dagen een levend jong, dat met de moeder naar 
beneden gevallen was , en zonder eenige fchuwheid 
zich van ons melk liet geven; hoewel wij het zeer 
goed verzorgden, was het den volgenden morgen 
dood. Hun vleesch is zeer taai. Op Buitenzorg had 
ik er twee levend, maar onverwacht vond ik ze 
dood. Hunne ganfche houding, verftandige, melan- 
choliefche , fchuwe blik en uitgeftrekte lange armen 
geven hun iets zeer onaangenaams. Doch keeren wij 
naar onze bosch-rivier terug. — De geheele Pange- 
rango, van den voet tot aan den top, is met digt 
geboomte bedekt , en zoo verre ik hem kenne , be- 
merk ik geene verdrooide groote rotsftukken op de 
diepe laag van plant-aarde , welke den bodem bedekt ; 
eene omftandigheid , welke aan de omftreken van den 
Parang een fchrikverwekkend aanzien geeft. — Des 
te rijker daarentegen is de bedding der rivier, aan 
groote en kleine , meestal de een over den ander 
geftorte rotsftukken , tusfchen welke het kristal-heldere 
water, fchuimend doorbruist. De bedding der tal- 
rijke ftroomen zoude voor den Natuuronderzoeker 
eene zeer gefchikte gelegenheid aanbieden , het bin- 
nenfte der bosfchen te bezoeken , als dezelve , door 
de regelmatigheid der tropifche jaargetijden niet ge- 

^XJDRAGEN, D. III. ST. I. Q heel 



C ^38 ) 

heel tot den eigenlijken bodem van het water bepaald 
ware. Want, in plaats, dat in andere landen, de 
oevers der ftroomen, in het drooge jaargetijde, eene 
van planten beroofde ruimte aanbieden , reikt hier het 
goddelijk fchoon, maar voor dea zoöloogdikwerf on- 
verdragelijke , plantenrijk tot digt aan hst water. Er 
blijft dus niets over , dan om in het water zelf rond 
te wandelen, en daar heeft de arme jager weder met 
de gladde rotsftukken en den woedenden ftroom tp 
kampen. Evenwel (want zulk eene vrees had ik voor 
het beklimmen van den berg, zonder vooraf gebaan- 
den weg) verliet ik dit water niet weder, voordat 
ik op den gelijkgemaakten grond geraakte, langs wel- 
ken ik naar Tapos terugkeerde. 

In mijne poging, om verre naar boven door te 
dringen , werd ik weldra door wild over elkander 
geftorte rotsflukken verhinderd; de teruggang echter 
was mogelijk, en, in weerwil der armoede aan die- 
ren, door de onbefchrijfelijke pracht van het woud 
zeer belangrijk voor mij. Op dit eenzame plekje viel 
mij de plaats van schiller in : „ Wo die Walder 
„am dünkelften nachten." Want op vele plaatfen 
kunnen flechts de loodregte zonneltialen doordrin- 
gen, en vormt de vegetatie een digt lommer boven 
het hoofd van den wandelaar. Wat zal het daar van 
vogels gewemeld hebben , hoor ik U uitroepen ! geens- 
zins , waarde vriend ! en dit wist te voren ik wel. -r- 
Mijn ornithologisch doelwit was flechts om twee 
foorten op hunne lievelingsplekjes waar te nemen, 
en dit bereikte ik. Ik bedoel Myophorus metalUcus 
£n Enicurus vclatus ; welke beide vogels mij bij den 

Pa- 



( 239 ) 

Parang niet in het gezigt kwamen, hier echter zeer 
gemeen zijn en van rots tot rots vliegen. De eerfte 
heeft geheel en al dezelfde gcflalte als zijn geflachts 
verwante Enicurus coronatus; zelfs is zijne doordrin- 
gende melancholifclie roepftem | zrüh I — w | 

hjjna niet van die des Coronatus te onderfcheiden. 
Hij beweegt zijnen ftaart even zoo, op de wijze van 
den Kwikflaart. Den Coroiatus^ welke ook hier 
voorkomt, trof ik bij den Parang meest eenzaam aan; 
Velatus toont zich bij paren. — Gedurende een uur 
opmerkzaam langs de bedding van den vloed voort- 
gaande, ontdekte ik echter maar drie paren, hetgeen 
£ene (lechts geringe talrijkheid der foort bewijst, 
ten minfte als andere beken van het woud niet meer 
door hem bewoond zijn. — Het nest en de eijeren 
yan dezen vogel krijgt gij bij de eerfte verzending. 
. -Myophorus mctalUcus fchijnt op de rotfen voor- 
namelijk de vrij menigvuldige Melaniae te vervolgen; 
waaromtrent ik echter nog meerdere nafporingen zal 
.behooren te doen. — Stel u, om een duidelijk denk- 
beeld van zijne wijze van zijn te hebben, bij de 
Jjorte gedaante, eenen op den grond rondloopenden 
Tiirdus meruia ^ met neerhangende vleugels en opge- 
tilden fcaart , voor. Even zoo fluw en vrolijk fchreeuwt 

•hij zrüh I — I zerre zerre | zrüh — , vliegt digt over 
Jiet water, zet zich echter ook op de ftammen van 
omgevallen boomen en op ontbladerde takken neder. 
■' Myoph.glaucimis houdt zich niet zoo uitfluitend bij 
•de bedding van den ftroom op;, de heer muller ver- 
'zekert mij toch er hem reeds aangetroffen te heb- 
'ben. Hij is zeer menigvuldig in de koffijplantagiën , 

Q z en 



( 24° ) 

en zijne wijze van zijn is geheel gelijic aan die 
des eerften. 

21 Julij. 

Wij jaagden heden op zwijnen, nieuwsgierig zijnde 
te weten, welke foort hier voorkomt; maar waren, 
door gebrek aan goede honden , dezen keer niet zeer 
gelukkig ; offchoon het van deze , den landman zoo 
fchadelijke dieren , in den eigenlijken zin , wemelde. — 
Hun lievelings oord zijn de valleijen , wier beken ^ 
daar, waar zij het oorfpronkelijk wond verlaten, de 
grenzen van de bebouwde landerijen bepalen. Hoe 
lager deze valleijen zijn, des te digter en ondoor- 
dringbaarder zijn zij, en op vele plaatfen, ten 
minste door het hooge gras , de bamboes- en andere 
ftruiken , bijna alleen voor honden , in de door de 
zwijnen gevormde wegen, toegangbaar. Twintig 
menfchen en eene menigte, wel is waar, flechte 
honden, waren heden niet voldoende, om uit een 
dergelijk digt kreupelbosch , aan welks rand wij gis- 
teren nog eenen troep van 20 zwijnen zagen, eenen 
«enigen op te jagen; ook hebben wij er in het ge- 
heel maar drie gezien. Eene nadere poging zal, naar 
ik hoop, gelukkiger uitvallen. Waarfchijnlijk is het 
de foort, welke ik wegens zijnen ftandvastigen wit- 
ten band over den neus. Sus yittatus genoemd heb. 

Maar treden wij eens in de koffijplaniagiën ! Der- 
zelver verfterkende morgenkoelte verplaatst mij in ge- 
dachten , naar Europa , en vreemd genoeg , zelfs on- 
willekeurig op eenen van die heldere eerfie of laatfte 
winterdagen, wanneer men des morgens door de 

kou- 



( a4i ) 

koude van den vorigen nacht het water meteene dunne 
ijskorst bedekt ziet, welke echter fpoedig door de 
zonnefiralen verdwijnt. De thermometer ftaat hier 
meest, reeds bij het opgaan der zon, opi4"'p.EAUMUR, 
en in zoo verre zult gij de vergelijking dubbel be- 
lagchelijk vinden. Ik wil dezelve ook niet verdedi- 
digen; maar de gedachte komt toch telkens bij mij 
terug; welligt alleen daarom , omdat het gefchreeuw 
van Bticco armillaris ^ hetwelk voornamelijk des mor- 
gens, overal klinkt, zeer naar de toonen gelijkt, 
welke eene fteen voortbrengt, die op dun ijs voort- 
rolt I tok I tok I — I w --' .-^ v-' — ' I gedurig ver-* 
fnellende, eindelijk trillende en een octaaf lager wor- 
dende. 

Het gefchreeuw van den Centropus affinis gelijkt 
ook naar dezelfde toonen; hoewel bij dezen echter 
de overeenkomst minder bedriegelijk is. 

Deze plompe, eenvoudige vogels zitten gelijk de 
overige foorten, uren lang op denzelfden tak, en de 
roepftem van den eenen wordt door dien van eenen 
anderen zonder verpoozing beantwoord ; zij begroeten 
daarmede de opgaande zon; maar zelfs voor haren 
opgang , wordt het woud vooral verlevendigd door het 
gefchreeuw van den Edolius cincraceus en remifer ^ 
onrustige gasten, die even als de foorten, welke le- 
VAILLANT in Afrika waarnam, zich voornamelijk des 
morgens en des avonds, tot kleine, woeste troepen 
vereenigen. Edolius cinereus is een der op Java ge- 
meende vogels; hier echter, naar het mij voorkomt, 
zeer gemeen. Zijne wijze van zijn is geheel diè 
éenér Muscicapa^ daar hij even als deze, in onafge- 

ö 3 bro-- 



( 242 ) 

broken beweging, dan eens van den top eens taks, 
een boven liem vliegend infekt najaagt , dan eens, 
zonder vrees voor de mcnfchen , zich tot digt op de 
aarde nederlaat. ■ , 

22 Julij. 

Met het voornemen den Pangerango zoo verre te 
beklimmen , als het bosch zulks van deze zijde toe- 
liet, reed ik heden morgen met den heer muller, 
tot het hoogst gelegen gedeelte van de koffijplantagie. 
Van hier volgden wij eenen fmallen weg door het 
oorfpronkelijke bosch , in de rigiing van eenen altoos 
fmaller wordenden bergrug, vooraf overtuigd zijnde, 
geenen rijken buit te zullen medebrengen, maar daar- 
om niet minder verlangende, alles overal zelve te 
onderzoeken. , 

Ook op dezen uitftap verwonderden wij ons op 
nieuw over de geringe dierlijke bevolking van het 
majestueuze woud, hetgeen te meer opmerking ver- 
dient, daar hetzelve aan de wilde dieren, de onge- 
ftoordst mogelijke fchuilplaats aanbiedt. Aan bloed- 
zuigers echter ontbrak het niet, die bezwaarlijk te 
voren ooit Europeesch bloed zullen geproefd heb- 
ben, doch het zich daarom nu niet minder goed 
lieten fmaken. 

Uit de klasfe der zoogdieren zagen wij op de kof- 
fijplantagie niets, en van vogelen weinig nieuws. Ik 
was echter zeer verheugd over den vangst van Myo^ 
thera leptura , kuhl Mscpt , welke ik nog niet ger 
zien had. 

Dit fraai vogeltje, weinig grooter dan eenwin- 
terkoningje is eene ware Myothera , even als Bpik- 



C 243 ) 

pidóta , KUHL , welke de heer muller voor eenige 
dagen fchoot. — Zij houden zich digt boven den 
grond , of op den grond , in het digtst van het bosch 
op* De heer muller zag de M. epilepidota eveit 
fitó een hoentje, met hare lange beenen, onderde 
wild over den grond verfpreide bladen voortkrabbe- 
l€n. — Ik was op onze heenreize reeds zoo gelukkig 
geweest, voor het eerst de Sylyia trivittata k. te 
fchieten, wier gezang eenigzins naar dat van de 
S. tfoglodytes gelijkend, mij reeds te voren getrof- 
fen had, maar welke ik nog niet in het gezigt had 
kunnen krijgen. — Even zoo was ik over den vangst 
van een fraai mannetje van Orthotomus ruficapilla 
TEMM. verheugd. Dit vogeltje is hier in het geheel 
niet zelden, en verraadt zich zoo wel in hetoor- 
fpronkelijk woud als in de koffijplantagie , door zijn 
eigenaardig gezang; het is in het geheel niet fchuw,; 
ftiaaï- zeer moeijelijk te fchieten. Een uur lang rond- 
gedwaald, en het onaangenaam, fcherp gefluit digt' 
bövétt zich gehoord te hebben , zonder meer dan 
eéne zvvakke beweging in dekbladeren te bemerken.; 
■wil nog niets zeggen. Het vogeltje komt nooit op 
eenen vrijen tak, en ontglipt, in eeuwigdurende be- 
weging, aan het oog, of is eindelijk zoo nabij, dat 
men niet fchieten wil (*> De heer muller loste 

het 

• (*) Mfet dezelfde zwarigheden gaat de jagt' op de S^^lvia 
païustris bechst. in de lente vergezeld. Ik herinner mij 
eene Zoodanige jagt, toen ik in de vroegere jaren mijner 
jïtigd, gelukkige uren in de heerlijke dennenbosfchen 
fleet, welke de woning van mijnen voortreffelijken vriend,- 
den heer brehm , te Renthendorfy omgeven. Mijn vriend 

Q 4 Hiet 



C 244 ) 

het eerst de vraag op^ wie toch dejie vervelende 
fchreeuwer was ; het waren echter fchier onherkenbare 
(lukken, welke hij te huis bragt; wij hebben eerst 
federt korten tijd een goed exemplaar. Op Java ko- 
men, behalve O. fepium en riificapillus ^ nog twee 
foorten van dit geflacht voor; bijna even zoo moei- 
jelijk als gezegde vogel , is de Timalia mclanothorax 
te fchieten , eene op de koffijplantagiën niet zeldzame 
foort, welke dezelve in kleine troepen doortrekt, 
eiken ftruik fterk doorwoelt, maar zoo wel overal 
en nergens te zien is , dat men meest flechts op goed 

ge- 
niet mij des namiddags uit het bosch teruggekeerd zijnde, 
bemerkte eene S'jlvia palustris in een boschje van digt 
elzenhout. Daar het dier in deze ftreken zeer zeldzaam 
is, maakten wij er terftond jagt op. Het vogeltje bleef 
uren lang in hetzelfde bosch , in hetwelk wij ons gelegerd 
hadden , liet zijne aangename ftem gedurig hoeren ; en toch 
konden wij bij de diepfte ftilte, ook niet het geringde 
gedruisch, hetwelk toch door het voortkruipen door de 
bladeren moest voortgebragt worden, hoeren. Wij keer- 
den eerst, toen het zeer donker was , naar huis. — Den 
volgenden morgen floop ik reeds te vier uren in he' 
bosch, om mijnen vriend, bij het ontbijt met den zanger 
te verrasfen. Het vogeltje zong zijn morgenlied helder 
uit de borst, kroop uit het eene bosch in het andere, en 
toen om tien uren mijn vriend zich tot mij vervoegde , had 
ik het nog geen oogenblik in het gezigt kunnen krijgen. 
De twee volgende dagen gingen wij ook reeds vroeg op 
weg, totdat eindelijk de heer brehm, niet op het vogeltje, 
maar op eenige zich bewegende bladen, in het midden van 
bit bosch vuurde, en den vervoerden zinger nederfchooé^. 

SCHLEGEL, 



( 245 ) 

geluk kan fchieten. Geheel hetzelfde geldt van Po- 
tnatorhinus montamis ^ behalve dat deze gelijk een 
muis, de verborgenfte fluiphoeken doorkruipend en 
kleuterend het geduld nog meer op de proef (lelt; 
bij is echter gelukkig meer algemeen en verraadt zich 
door zijn luidruchtig gefchreeuw. De opgave van 
HORSFiELD, dat hij zich op hooge hoornen ophoudt, 
berust zeker op eene dwaling; zijn nest vond een 
onzer jagers op den grond , aan den wortel van 
een en boom. 

Veel gemakkelijker verfchaft men zich de pracht- 
volle Phoenicornis iborten , van welke hier de Mus- 
cicapa mimata der Planch, color. de allergemeenfte 
Js, terwijl de M. flammea. Hechts zelden in de 
hooge ftreken fchijnt te verdwalen , en de peregrina 
(zeer algemeen bij Btiitenzorg) , hier in het geheel 
niet fchijnt voor te komen. Zij vliegen op de wijze 
van onzen Parus caudatus op de hoogere boomen , 
zonder, bij voorb. , in de koffijplantfoenen neder te 
dalen; zij zijn echter in lang zoo levendig niet als de 
langftaartige mees. Het is waarlijk een prachtig ge- 
zigt , eenen troep derzelve waar te nemen , als zij 
in de ochtendzon glinsterend van den eenen top tot 
den anderen rondfladderen. Al de drie foorten heb- 
ben bijna hetzelfde gezang, dat zeer teeder en zacht 

is I zriih zi, zi, zi | v-/ v^ | . Ik heb van gee« 

nen hunner tot nog toe het nest en de eijeren kun- 
nen krijgen, en heb ook weinig hoop, om daartoe 
te zullen geraken. 

Meer nog worden de Dadapboomen door de groote 
tioepen van Dicaen verlevendigd (hier i), flavum , 

Q S HORSF. 



C m6 ) 

HORSK., pectorale kuhl , en zeer zelden comitans). 
Men zoude zich verbeelden eenen troep van ver- 
eenigde Kegulus en Parus ater te hooren. Hoe 
men deze allerlieffte , een zeer natuurlijk geflacht 
vormende vogels, tot de Nectariniën heeft kunnen 
brengen, begrijp ik niet; ik was echter verwonderd, 
in de magen van alle exemplaren, die ik tot nu toe 
onderzocht „ erwten , groote onrijpe vruchten en zel- 
den infekten te vinden. 

Hunne vrolijke troepen gaan gewoonlijk van Nec- 
tariniën (hier N. pectoralis Kvhlii en Mystacalis'), van 
Meezen (^atriceps is hier zeer gemeen) van Specht- 
Meezen (hier flechts gymnopus kuhl) en vele an» 
dere kleine infekt-etende vogels vergezeld; eene om- 
ftandigheid, welke ons opmerkzaam op hen maakte.— > 
Op zulk eenen togt vingen wij twee exemplaren van 
eenen nieuwen , langflaartigen mees. 

Dit diertje heeft, behalve den langen, wigvormigeii 
ftaart , nog den gewelfden fnavel van Parus cauda- 
tiis , en wat de leefwijze aangaat, is het even zoo 
tam als deze , hangt even zoo ten onderfte boven 
aan de buitenfle takken, met het zoeken van kleine 
infekten bezig. 

De overeenftemming vaii Parus atriceps met Parui 
major, is in vele opzigten buitengewoon groot. 
Zijn gezang en zijne lokftem zijn bijna niet te on- 
derkennen» 

De twee groote Cinnyris-ïoovtoxi komen hier ook 
voor, en al vangen zij ook al foms fpinnen, welke 
KUHL in hunne maag vond, zij zijn toch even zoo 
zeker honigzuigers , en even als de Nectariniën op 
de bloeijende Dadapboomen te vinden. Over 



( 247 ) 

Over het zonderling gezang der C. longirostrh 
fclireef ik reeds vroeger , en daar hetzelve , wat het 
hoofdkenmerk aangaat, het geheele geflacht onder- 
fcheidt, hoop ik fpoedig met de vierde foort van de 
jagt. te huiswaarts te keeren. Ik ken dezelve tot nu 
toe (lechts uit haar gezang, en meen , dat zij flechts 
half zoo groot als de andere foorten is. 

Het gezang der Nectariniën biedt zeer veel ver* 
fchil aan , en is , wat de foorten aangaat , niet zeer 
goed onderfcheiden. 

Gelijk alle Natuuronderzoekers, die de ornitholo- 
gie y in de Duitfche bosfchen beftudeerd hebben, is 
U het gezang van den Regulus ignicapillus br. be- 
kend; nu, even zoo zingt Neet. mystacalis ^ en 
daar ik nu toch van dit fraaije , kleine fehepfel 
fpreek , wil ik U nog verhalen , dat wij gisteren zoo 
gelukkig waren , nest en eijeren te bekomen ; het 
eerfte is gelijk dat der andere foorteu, zeer kunst- 
matig , en met bewonderingwaardige teederheid zamen* 
gefteld. 

Zeer algemeen is in deze omftreken de Mafurui 
marginalis Rw. Eindelijk hebben wij ook het nest 
en de eijeren van dezen vogel gekregen , welke even 
als andere foorten van het geflacht Malurus^ naar 
mijne gedachte, van de Rietzangers {RohrsyNien 
Calanioherpen fr. boie) ten minste zulke als aqua- 
tica, phragmitis ^ en anderen onmogelijk kunnen 
verwijderd worden. Leefwijze, bouw van het 
nest, alles fpreekt er voor. Ik ontdekte hier' twee 
nieuwe foorten van dit geflacht, waarvan de eenc 

Ma- 



( 248 ) 

Malurus Raahenii zeer nabij aan de /^z^wV/^r/V komt. 
In liet nest van den Malurus marginalis legt de 
Cue u lus hypoiodes kuhl zijn ei, waarvan ik mij 
gisteren op nieuw overtuigde. Aan den Parang vond 
ik een ei van dezelfde koekoekfoort , in het nest 
van den Enicurus coronatus (*). Hier hoorden en 
zagen wij het eerst den Cuculus tenuirostris. Zijne 
ftem is ligt van dien des canorus te onderfcheiden. 

Guk gu guk I — vw» v_y I of flechts alleen gu- 
guk I v^ — I • "^ — I (t)' De zoo gelijkvor- 
mige veel grootere Cuculus robustus, nieuwe foort 
van Sumatra komt ook in Cochinchina voor, en even 
zoo wel daar als hier mijn Cuculus barbatus , welke 

even 

(*) Deze zeer belangrijke waarnemingen, zijn een nieuwe 
grondflag voor de natuurlijke geflachten. Gelijk bekend is , 
legt onze Europeaanfche koekoek zijn ei gaarne in de nes- 
ten der zangers en kwikflaarten ; waarfchijnlijk omdat de 
infekten, met welke deze vogeltjes hunne jongen voede. 
ren, ook aan den jongen koekoek het aangenaaufte voedfel 
bezorgen. Welke groote overeenftemming in de leefwijze 
en de eigenfchappen der Javaanfche koekoeken met de 
onze! Immers zoo als boie bewijst, zijn de foorten van 
Malurus bepaaldelijk Rieizangers en hebben de Enicuren 
zoo vele overeenkomst met de kwikftaarten. 

SCHLEGEL. 

(t) Even zoo laat onze aschgraauwe koekoek, gewoon- 
lijk tegen den paartijd, van den top derboomen, hetdrie- 
fyllabig gefchreeuw hooren, terwijl men, gedurende den 
overigen tijd alleen flechts het tweefyllabig gefchreeuw 
verneemt, hetwelk hem den hiermede overeenftemmendea 
■aam, in zoo vele talen bezorgd heeft. 

7 . SCHLEGEU ■ 



( 249 ) 

even zoo groot maar meer uitgerekt , en in alle leef- 
tijden door cene zwarte kin onderfcheiden is. 

29 Julij. 

In het veld der Erpetologie hebben wij tot nu toe 
weinig nieuwe zaken gevonden, maar van vele door 
KUHL en VAN HASSELT Ontdekte foorten, van welke 
het Rijks mufeum Hechts enkele exemplaren bezat, 
fraaije volgreekfen verzameld. Onder de nieuwe door 
ons ontdekte foorten, munt vooral een Amblycepha- 
lus uit , welken ik om zijne ongedeelde ftaartfchilden 
Amblyc. boa genoemd heb. Hij fchijnt zeer zeldzaam 
te zijn; daar wij tot nu toe flechts een exemplaar 
van den Parang verkregen , en ik er hier flechts een 
paar bekwam. Het is een zeer wonderlijk fchepfel, 
dat bepaald niet van de andere Amblycephalen gefchei- 
den kan worden. Eindelijk ontving ik ook de eerste 
Calamariën, welke ik tot nu toe te vergeefs had 
gepoogd te krijgen. Den eenen ving ik (het was 
C. tesfdlata) , en den anderen C multipunctata heeft 
men ons gebragt. 

Belden zijn , zoo als ik reeds vroeger vermoedde , 
van onderen met roode en zwarte blokken geteekend ; 
de C. multipunctata is echter ook van boven rood. 
Zoo even brengen onze jagers de C. maculofa. De* 
zelve is met hetzelfde fchoone rood als de C. multi- 
punctata verfierd. Zelfs de overeenftemming in de 
verdeeling der kleuren fpreekt voor dit zoo natuurlijk 
geflacht! Waarom de heer fitzinger dit zoo onge- 
meen natuurlijk geflacht niet aangenomen heeft, be- 
grijp ik niet. 

Vooral moet ik nog cene nieuwe iesr belangrijke 

Naja 



I 



( «5« ) 

Naja vermelden, welke ik, om de gefteldheid der 
fcuta fubcaudalia ^ Naja biingaroidcs genoemd heb. 
Tot mijnen Ipijt echter kret-g ik tot nu toe fliichts 
een exemplaar. Van eene nieuwe foo't van het ge- 
flacht Xenodon? zend ik u tot nader onderzoek 3 
exemplaren. Het dier, praalt, gedurende zijn leven, 
met het fchoonfte purperroo 1. Teekeningen, naar 
het leven gemaakt, zoowel van dit als van alle andere 
niet afgebeelde Javaanfche kruipende dieren, zullen 
u geworden, zoodra ik tijd heb kopijen te laten ma- 
ken. Van Psamnophis puherulenta heb ik eene fchoone 
volgreeks te zamengebragt , en een fraai exemplaar 
van de geheele zwarte varië.uit gekregen, hetwelk ik 
Oük heb laten teekenen. 

Lophyrus gigant eus vonl ik rondsom den Parang 
in menigte; hier echter flechts eenmaal. Daarentegen 
kregen wij hier vele Lophyrus kuhlii. Van de 
Draken is hier Draco fimbriatus zeer menigvuldig , 
.en ook Draco hacmatopogon niet zeer zelden. 

Mijne verdeeling der draakfoorten naar geflacht, 
ouderdom enz, wolke ik in Holland maakte, vond 
ik hier, door mijne eigene waarnemingen, in de vrije 
natuur, ten volle bevestigd. Tropidonotus chryfar* 
gos is hier niet zeer zeldzaam, ook kreeg ik hier nog 
eens Dip/as Drapierii, welke echter rondsom den 
Parang menigvukiiger voorkomt. Van den fraaijen 
Tropidonotus rhodomdas krijgt gij, bij de eerste ver- 
zending eene kleine ////Ve, te gelijk met fraaije exem- 
plaren van de meeste Javaanfche Amphibiën , waarvan 
wij reeds eene rijke verzameling bijecngebragt hebben. 

Jammer flechts , dat alleen het toeval , den reiziger 
de zeldzame foorten bezorgt , want het is hier vol- 

ftrekt 



C 351 ) 

(Irekt onmogelijk dezelve in hunne fluiphoeken te ver- 
volgen. Python . biviitatt/s krijgt eene fchrikbarende 
grootte en veiflindt zelfs zwijnen en den Cervus 
Viuntjac. Een exemplaar, hetwelk Z. Excell. de 
gouverneur generaal levend bezat , dat echter op 
eene voor tnij onbegrijpelijke wijze uit zijn hok ont- 
fiiapte , daar hij het (lerke traliewerk, even als ware 
het door gereedfchappen , ftuk gebroken had, was 
wel zoo dik als de dij van eenen man. Tot nu toe 
hebben wij nog geene zoo groote exemplaren kunnen 
krijgen. Deze groote flangen fchijnen zich nooit aan 
menfchen zelfs niet aan kinderen te wagen ; men 
vertelt er ten minste niet eens fprookjes van. 

De Tropidonoten , onder welke de vittatus zeer 
gemeen is, houden zich her liefst in of digt bij 
de beken en de overflroomde Savvavelden op; de 
Dipfas , Dendrophis en Dryophis op bonmen. De 
man , welke mij het exemplaar van Amblycephalus 
boa bragt, verzekerde mij, dat deze foort foms in 
de huizen komt, en töc aan het dak toe klimt. y/;«- 
blycephalus carinatus vong ik eens bij het verzaqie- 
Jen van infektcn, onder de fchors van eenen omge- 
llorten boom. Oligodon hitorquatus is bij zijn leven 
van onderen van eene prachtige roode kleur, volko- 
men als de Calamariën, en in vele exemplaren zijn 
ook de heldere vlakken op den rug rood, zoo als ook 
bij Elaps furcatus de üreep op den rug en de on- 
derzijde van den ftaart, voor de punt. t- Deze kleur 
verdwijnt bijna altijd in wijngeest; de overige houden 
zich meest allen goed. — Zoo zijn ook de exemplaren 
VMTtopidanotus vittatus, Korros radiaius, Coluber 

me- 



C 252 ) 

melanr/rus enz. in de verzamelingen even zoo fraai, 
als zij het gedurende hun leven zijn. 

De Piychozoon van kühl (Gecko homalocephalus^ 
houdt zich op boomen op, en fladdert langs dezelve. 
De inlanders houden hem ten onregte voor zeer ver- 
giftig, waarfchijnlijk wegens zijne onaangename ge- 
daante. In eenen volgenden brief zal ik u meer over 
mijne nieuw opgemaakte geflachten mededeelen, ver- 
mits ik nu nog niet geheel met dezelve gereed ben. 
Welk geduld en welke tijd worden er niet gevorderd, 
om dit alles tot ftand te brengen? 



tC«'$>C(l«C>«S=»' 



EERSTE VERHANDELING OVER DE CRYPTOGAMISCHE 
PLANTEN VAN HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG ; 

medegedeeld door L. marchand. Lid van deSociété 

Linnéenne te Parijs, van de Soctété des Sciences 

Naturelles te Luik, enz. 



De 



'e beoefening der Cryptogamie, federt eenige jaren 
opgehelderd door mannen als bulliard , persoon , 

DECANDOLLE , BORY , LINK, PALISOT DE BEAUVOIS , 

AGARDH , GMELiN enz. , is niet meer zoo duister en 
verward, als toen de groote Zweedfche Natuuronder- 
zoeker, na ons de bevruchting der Phanerogamen 
verklaard te hebben , deze aarde verliet , zonder ons 
eenen veiligen wegwijzer achter te laten, om ons te 
geleiden in den doolhof, door deze zonderlinge fchep- 
felen gevormd. Hoeveel er echter ook na dien tijd 
reeds verrigt zij , blijft de weg echter nog onzeker , 

en 



( 253 ) 

en de dageraad eener betere toekomst , welke ons de 
nieuwere fchrijvers voorfpellen,- blijft nog fteeds een 
zwak en weifelend licht. !V noi'-oo! .-r 

Veelvormige wezens van eene fchier vloeibare zelf- 
ftandiglieid of groote broosheid , van de grootfte fijn- 
heid en fnel voorbijgaand beftaan , aan hetwelk een 
weinigje regen het aanzijn fchenkt, en welke een 
weinigje zon weder te niet doet gaan, doorloopen 
de meeste Cryptogamen dikwijls al de tijdperken van 
hun leven met den meesten fpoed, en vinden overal 
plaatfen , waar zij zich kunnen ontwikkelen, groei- 
jen en weder vergaan. Lichtfchuwend ziet men de- 
zelve in de ingewanden der aarde , in holen en onder- 
aardfche gewelven , in de fchaduw van donkere bos- 
fchen ; als woekerplanten mengen zij zich met de 
fchitterende kleuren der Phanerogamen , groeijen 
op ftengen , bladeren en fchorfen , vormen zich on- 
der de opperhuid , ja wasfen zelfs op andere Cryp- 
togamen; als Forens krijgen zij eene meer opgerigte 
en boomachtige gedaante, eene vastere zelfftandig- 
heid, naderen aan de Phanerogamen door hunne voe- 
dingbuizen en fpiraalvaten , en vreezen noch het 
fterke licht, noch de hitte der keerkringslanden ; als 
Wieren (Algae) fchijnen zij de organifche met de 
inorganifche zelfftandigheden te vermengen , en zijn 
op de uiterfte grenzen van het Dierenrijk geplaatst, 
ontdaan foms , even als de Ingewandswormen , door 
eene generatio [pontanea , en wekken onze bewonde- 
ring op , door hunne levendige prikkelbaarheid en 
oscillatorifche bewegingen. 

Doorzoekt de ganfche aarde en gij zult overal Cryp- 
togamen aantrefFiin, ja, bij iedere wandeling wederom 

Bijdragen, D. III, ST. I. K nieu- 



C 354 ) 

■nieuwe foorten; bij de duizenden reeds bekende zul- 
len de toekomende eeuwen duizend andere, thans 
nog onbekende, foorten voegen; geen menfchelijk ver- 
nuft zal dezelve ooit behoorlijk kunnen rangfchik- 
ken, daar zij nimmer die gemakkelijke ontleding, diê 
treffende onderfcbeidingsteekenen zullen aanbieden, 
welke de befchouwing der Phanerogamen zoo zeer 
veraangenaamt. De kenmerken der Cryptogamen zijn 
integendeel flechts voor korten tijd, foms toevallig 
aanwezig, door de groote veranderingen, welke ver- 
fcbillende ouderdom , luchtftreek , plaatfing en warm- 
tegraad veroorzaken ; mikroskopifche waarnemingen 
worden dikwijls bedriegelijk door weerfchijn van de 
Hchtftralen of door een valsch licht , terwijl de rasfche 
ontbinding dezer plantjes en derzelver verwelking bij 
het daglicht vaak een groot aantal foorten zelfs aan 
den handigften waarnemer doet ontfnappen. 

|s 'het noodig bewijzen aan te voeren van de wis- 
felende gedaante dezer fchepfelen , van de onftandvas- 
tigheid hunner kleuren en vormen? Zie dan met op- 
lettendheid dt Nostoch vulgare. Is het een dierlijk of 
plantaardig wezen ? Zekerlijk het laatfte (offchoon 
het honderden van diertjes in zich fluit, welke, even 
als infufiediertjes , het daarin bevatte vocht in eene 
zeer duidelijke fchoramelende beweging houden), want 
eene diergelijke gedaante komt als plant voor in Tre- 
mdla verrucofa en lichenoides , in Lichen gelatino- 
fus , gramilatus , crispus , fascicularis en vele ande- 
ren. Zie voorts de talrijke familie der Jgarici. De 
koude oefent op hen , en voornamelijk op ^g. Co- 
prinus en J?ratclla^ eenen aanmerkelijken invloed 
•uit , en verhindert zelfs bet te voorfchijn komen van 

ve- 



C a55 ) 

vele onderfcheidingsteekenen. Als zij op rottende orga* 
nifche ligchamen groeijen, hebben hunne plaatjes. 
(Jamellac) eene kleur, die van zwart tot rood af-, 
wisfelt , terwijl deze in diezelfde foorteu , maar op 
andere plaatfen gegroeid , ongekleurd zijn ; de plaatr, 
fing van het flammetje aan den rand , in het middelfj 
punt , aan de zijde of buiten het middelpunt van het 
hoedje, zijn zelden ftandvastig en foms alleen toevalf. 
lig, terwijl zelfs de gedaante van het hoedje dikwijls 
flechts als een kenmerk van den tweeden rang be- 
fchouwd n?pet worden. Ik zal hierin derhalve met mijnen 
VFJ^d, den geleerden kruidkundigen leveillé van Pa- 
rijs, voor de beste kenmerken der Agarici diegene 
houden, welke gegrond zijn op de rigting der plaat- 
jes van het hymenium , en in de overeenkomst van 
deze vorming met de verfchijnfelen der voortplanting. 
Ik zeg dan met hem: „Quand il's'agit de déterminer 
1, une espèce de ces champignons , il faut la dissé- 
„quer comme on dissèque une fleur pour en établir 
„ ]e genre ; c'est par ce moyen que l'on arriyera ,^ 
„des résultats positifs, c'est en examinant atteniive- 
j,ment toutes les parties qui la composent, que l'on 
„établira des divisions générales plus exactes et plus 
„faciles ^ saisir, que l'on pourra rapprocher les unes 
„des autres les espèces qui ont de l'analogie entre 
„elles, que l'on diminuera Ie nombre des variétés (et 
„espèces) et qu'enfin on régularisera les anomalies que 
„l'on obferve tous les jours, et qui sont véritable- 
„ment Ie fruit d'un examen trop superficiel." 

Op deze wijze zal men inderdaad eene meer naauw- 
keprige kennis Atx Agarici kunnen verkrijgen, en 
ten laatfte kunnen onderfcheiden wat eene wezenlijke 

R 2 foort^ 



C 256 ) 

foort , wat flechts eene verfcheidenheid zij; maar het 
is oneindig moeijelijl<er dit doel te bereiken bij dat 
veel grooter getal geflachten , met geheel mikrosko- 
pifche foorten, welke ik mij niet weerhouden kan, 
wezenlijke agamen te noemen ; foorten , bij welke 
de beste waarnemer dikwijls fchipbreuk lijdt, en 
waarbij men nog lang in het duister zal rondtasten , 
eer een meer verheven genie het ware, en van klip- 
pen bevrijde fpoor, aan de Natuuronderzoekers van 
minderen rang, zal aanwijzen. 

Het is mijn voornemen , om in deze Verhandeling , 
welke door meer andere zal gevolgd worden , een 
kort overzigt -te geven van de Flora cryptogamica 
van het Groothertogdom Luxemburg. De tijd is nog 
niet daar, om eene dergelijke volledige Flora van 
deze Provincie te geven (en als zoodanig befchouw ik 
dit mijn werk ook niet), maar ik wil flechts dat- 
gene mededeelen , wat ik zelf gezien heb , hetgeen 
ik geloof niet geheel onbelangrijk te zullen zijn , 
omdat het aantal dezer foorteii vrij aanzienlijk, en 
Luxemburg ook in dit opzigt , weinig of niet bekend 
is. Om geene plaats, meer dan voldrekt noodigwas, 
in deze Bijdragen weg te nemen , heb ik bijna overal 
alleen de namen der planten opgenoemd , en overi- 
gens alles in het Latijn gefield, daar toch ook dena- 
men der planten alle in deze taal voorkomen. 

'Ik hoop verder op den aangevangen weg voort te 
gaan , en mijne ontdekkingen , zoo mogelijk , meer en 
meer met nieuwe waarnemingen te vermeerderen. Mogt 
ik zoo kunnen flagen, om den weg te openen, welke 
anderen , in deze wetenfchap meer geoefend , in het 
vervolg met meerder vrucht zullen kunnen bewandelen ! 

CON- 



C ^57 ) 



CONS»ECTUS FLORAE CRYPTOOAMICAE MAGNI 
DUCATUS LUXEMBURGENSIS. 



Articulus primus. 

ALGAE. 

-Genus I. Nostoch. vaucher. 

N. commune, vaucher. Tremella Nostoch. L. (p. 

pi. p. 1625. Frequens ad terram post pluvias. 
N. coriaceum. vauch. Ad terram humidam paludo- 

fam, prope Arlon et Freilingen. 
N. lichenoides. vauch. Ad lapides arboresque post 

pluvias. 
N. laciniatura. D. C. Tremella laciniata. bull. Ad 

muscos et terram post pluvias. 
N. fphaericum. vauch. Ulva granulata. L. Ad ter- 
ram humidam. 
N. verrucofum. vauch. Tremella verrucofa L. Ad 

lapides in rivulis. 
Genus II. Rivularia. roth. 
R. tubulofa. D. C. Ulva gelatinofa. vaucher. In 

rivulis vere. 
R. fetida. D. C. Ulva fetida. vaucher.^ Totum per 

annum ad rivulorura lapides. 
Genus III. Ulva. L. 

Sectio I. Tubulofae. 
U. intestinalis. L. In Mofella prope Ehnen , Grei- 

veldingen, Wormeldingen etc. 

Sectio II. Membranaceae. 
U. minima, vaucher. Frequens vere adhaerens 

lapidibus in rivulis. 

U. terrestris. roth. Ad terram in hortorumambu- 
lacris. 

As Ge- 



( 258 ) 

Genus IV. öscillatoriti. vauchbr. 
O. nigra. agardh. In rivulis* 

GemïS V. Lemanca. bory st. vtncf.nt. 
L. corallina. bory. Conferva fluviatilis. L. Ad la- 

pides in flumineSürepropeDieldrch , Gemund, 

Bivels etc, 
L. atra. N. Chantranfia atra. D. G. In fontibus 

limpidis haud frequens. 

Genus VI. Chantranfia. D. C. 

Ch. glomerata. D. C. Conferva. L. Frequens in 

aquis puris. 
Ch. rivularis, D. C. Conferva, L. Ad fuperficiem 

rivulorum natans. 

var. (3. crispa. Prolifera crispa. vaucher. 
Ch. veficata. D. C. Parafita in foliis caulibusque plan- 

tarum aquaticarum. 

Genus VII. Conferva» L. 

Sectio I. Spirales. 
C. jugalis, MULL. In paludibus et aquis ftagnanti- 

bus vere atque ineunte hyeme. 
C. porticalis. mull. Frequens in aquis ineunte vere. 
C. inflata. D. C. In fosfis exeunte hyeme. 

Sectio II. Sullatae, 
C. gracih's. D.C. In fosfis. 
C. bulbofa. L. fp. 1634. Frequens in fosfis. 
C. decusfata. D. C. In paludibus haud frequens. 

Sectio III. Tuhulofat* 
C. angulata. N. Conjugata. vauch. Frequens in 

fosfis totum per annum. 
C. ferpeniina. muller. In ftagnis. 
C. floccofa. D. C. In aquis. 

Ge- 



( ^59 ) 

Gellui VHI. Batrachosp^rmum. ROTHéi 
B. moniliforme. vauch. Frequens rivülorum lapi-- 

dibus adhaerens propeScbengenk 
B. glomeratuöi, vauch. In lapidibus rivülorum 

hyeme atque vere. 
B. hypnofum. N. Draparnaldia hypaofa. bory. In 
fontibus. 

Genus. IX. Hydrodlction. ROTh*. 
H. pentagonum. vauch. Conferva reticulata^^L. 
In aquis ftagnantibus prope Diekiicb'. '1 

Genus X. Vauóheria. 0. C. 

Sectib J. Seminibas peduntulatiu 
V. multicornis. JD. C. In aquis. '* 

V. racemofa. D.C. Frequens in fosfis ineunte vere. 
V. cruciata. D. C. In aquis ftagnantibus. 
V. geminata. D. C. In fösfis. 
V. terrestris. D. C. Frequens totum per «nnum 

ad terratn madidam. 
V. hamata. D.C. In paludofis. 

Sectio IL Seminibus fesfiUbus. 
V» fesfilis. D. C. In ftagnis. 
V. caefpitofa. D. C. In rivulis et fluminibus. 
V, Priestleyi. N. Bysfus flos aquae. L. In aqua 
destillata aeri expofita. 



Articulus, fecundüs. 



FUNGI. 

Genus.' I. Bytfus, L. . ..| 

B. parietina. D. C. In domorum. pajietibus , fub- 

terrapeis, iBuris huroidig. ,.,.,:. 

B. candida. huds. In ^amis foliisque deciduis. 

A 4 B. 



( ftöÓ ) 

B. aluta. PERS. In arborum lignique mortoi fisftins 

internis. 
B. gigantea. D. C. In fisfuris arborum. 

Obf. An fpecies haecce et B. elongata D. C. 
latis fiint distinctae? 
B. cryptarum. lam. Ad dolia in cryptis humidis. 
B. rupestris. D. C. Ad rupes in loco Kreschleid 

dicto prope Diekirch. 
B. aurantiaca. lam. In obfcuris humidisque. 
B. aurea. L. Ad ]apides calcareos , muros , etc. 

haud raro. Prope Dudelingen. 
B. rubra. D. C. In ligno putrescente. 
B. herbarum. D. C. In foliis caulibusque planta- 

rum femiputridis. 

Genus II. Ifaria. albertini et schweinitz. 

■ I, epiphylla. pers. Vere autumnoque in fungis et 
foliis, 

Genus III. Monilia. persoon. 
M. glauca. pers. Mucor glaucus. L. Frequens 

in fructibus putridis. 
M. digitata. pers. In putrescentibus , praefertim 

in carne. 

var, (2. raceiïiofa. N. Monilia racemofa. pers. 

Genus IV. Botrytis. pers. 

Sectio I. Erectae racemofae. 

B. dendroides. D. C. In putrescentibus praefertim 
in Agarico eduli, 

B. racemofa. D. C. In foliis , fungis , oleribus pu- 
trescentibus. 

B. lignifraga. D. C. In cortice Betulae albae, ver- 
rucofae et carpqiicae, 

' Sec- 



( 26l ) 

Sectlo II. Prostratae fmpUcti. ' 
B. umbellata. D. C. In fructibus faccharinis. 
B. rofea. D. C.In arborum corticibus praefertim y^lni. 

B. glomerulofa. D. C. In charta madida aliisque 
fubftantiis. 

Genus V. Aegerita. pers. 
Aeg. puncdformis. D.C. In radicibus demerfis //jtf- 

cinthi. 
Aeg. aurantia. D. C. Frequens in cortice ligni'mortui. 
var. (3. variabilis. N. Aeg. crustacea. D. C. Ad 
fuperficiem cafei. 

y. flercoraria. N. Aeg. cinnabarina. D. C. 

Ad excrementa Felis domesticae. 
Aeg. epixylon. D.C. In ligno mortuo cortice denudato. 
Genus VI. Conopka. pers. Filamenta ramofa bys- 
foidea, femina pulverulenta fere globulofa ge- 
rentia. N. 

C. puccinioides. D. C. In foliis Caricis acutae 
prope Merl. Raro. 

Genus VII. Vanhallia. l. marchand. Filamenta 
plus minusve ramofa, bysfoidea, divergentia, 
comofa; femina inclufa receptaculo fubconico 
filamentis agglutinatis conflituto. 
V. cerealis. N. Conoplea cylindrica. pers. Raris- 
fima in culmo cerealium. Semel prope Diekirch 
obfervavi. 

Obf. Genus hocce nomine amicisf. van hall, 
clar. profesforis Groningani dicere volui. 
Amic. dumortier-rutteau illi jam 
obtulit genus HalUa , ast jamdüdum 
exftitit genus istiiis nominis. Ad genus 
nostrum adhuc retuli potest Conoplea 
atra pers. quam nondum indigenara 
obfervavi. 

^5 Ge- 



Genus VIII. Erineum, pers. 
E. acerinum. PERS. In ioXüs /Ic erts Psetido-plataniy 

platanoiciis et eampeitrk. 
E. mefpilinum. D. C. In foliis Mespili germanicae 

et cotoneastris. 
E. vitis. scHRAD. In foliis Fitis viniferae. 
E. juglandis. schleich. In foliis Juglandis. 
E. fagineum. D, C. In foliis Fagi fyhaticae» 
. E. tiliaceud. pers. In foliis Tiliae europaeae et 
microphyllae, 
E. betulinum. pers. In ioXy\&Betulaealni ttalbae, 
E. aureutn, pers. In foliis viridibus Populi nigrae. 
E. populinum. pers. Iu foliis Populi tremulae. 
Genus IX. Stilbum, tod e. 
St. figidum. pers. Ad truqcos putrescentes ineunte 

ver6. 
St. nigrum. schrad. In conict Juniperi, 
St. velutinum. N. «5"^. tomentofum schrad. et v/7- 
lofum ME RAT. ad hanc fpeciem pertinent. 
Post pluvias in fungis. 
St. vulgare. tode. Frequens in graminibus ficcis. 
Genus X. Pcriconia. tode. 
P. argentea. N. In caulibus ficcis i)/Vïö?/2w'obfervata. 
v^jr. /S. liclienoides, tode. 
'. — — y. bysfoides. pers. 
Genus XI. Helotium. pers. ■tvrvi\ni^ 

H. agariciformis. D. C. In ügno putrido. 
Genus XII. Leotia. pers. 

L. fimetaria. pers. In fimo exficcato. 
Genus XIII. Peziza. L. 

Sectio I. Coriacóue. 
P. coriacea. bull, In fimo equinó. 

F. 



( i63 ) 

P. hypodermia. D. C. Iri epidermide Pruni ceraft 

prope Guilsdorf, 
P. fusca. PERS. Ad epidermidem arborum , praece- 

dente frequentior. 1 

P. ribefia. pers. In epidermide Ribis nigri etruM. 
P. rofae. pers. Ad corticem ficcum Rofae caninae. 
P. cerafi. pers. Ineunte vere epidernnidetn C^tafi 

perforans. ' ■ .^ , 

P. fanguinea. D. C. In ligno mortuo. 

Sectio II. Carnofae^ 
P. cinerea. batsch. Ad truncos putresQentes exeun- 

te vere. 
P. patellaria. pers. In arboribus decorticatis prope 

Michelau. 
P. lenticularis. bull. In fylvis ad truncos. 
P. callofa. BULL. In ligno putrescente. 
P, araneofa. bull. Ad ter ram in madidis ineunte 

autumno, prope Grevels, Kockelfchauer etc. 
P. omphalodes. bull. Ad terram gregaiim. 
P. fcutellata. L. Ad terram in caudicibus. 
P. ciliata. bull. Infimohumanoatque bovino. 
P. pinguis. bull. In ligno putrido. 
P. chryfocoma. bull. In ligno putrescente gre- 

gatim. 
P. ftercoraria bull. In fimo animalium. 
P. granulofa. bull. In fimo vaccino. 
P. bicolor. BULL. In ramis mörtuis. 
P. corticalis. pers. Copiofe ad cortices truncorum 

exfiecantium. 
P. papillariö bull. Autumno m ligno putrido. 
P. folenia* pers. Gregatim in ligno putrido. 
P. imberbis. bull. Gregatim in ligno mortuo. 

P. 



C 2<54 ) 

P. lactea. bull. In ligno foliisque rnortuis. 

P. calicioides. D.C. In trunco arborum cavarum, 

inque fisfuris ligni antiqui. 
P. cyathoidea bull. In caulibus putrescentibus. 
P. fructigena. bull. Ad glandes quercinas et fruc- 

tus Fagi. 
P. coronata. bull. In caulibus Cannabis fativae. 
P. clandestina. bull. In ramulis foliisque deciduis 

madidis. 
P. echinophila. bull. In involucris Castaneae au- 

tumno. 
P. fubularis. bull. In femine putrescente Helian' 

thi annui et tuberofi. 
P. multivalvis. N. Xyloma multivalve. D. C. Splen- 

dens, numerofa, fparfa, integerrima, fubmargi- 

nata , fubconvexa , epidermide fisfa circumdata. N. 

In Ilice aquifoliO' 
P. Xylomoida. N. Xyloma cinereum. alb. et schw. 

Nigra, fesfilis, fparfa, mollis , concava, mar- 

ginata, crenulata. N. In Populo monilifera. 

Sectio III. Cartilagineae. 

P. Leveillei. l. marchand (Verhandeling over 
eenige Cryptogamifche planten van het Groot- 
hertogdom Luxemburg. Bydr tot de Natuurkun- 
dige Wetenfchappen. I, i bl.421). 
Rarisfima in fylvis umbrofis prope Diekirch. 

Sectio IV. Cerofae. 
P. acetabulum. L. Primo vere in umbrofis fylvae , 

Friedbusch dictae , prope Diekirch. 
P. tuberofa. bull. In neraorofis ad terram prope 
Colmar. 

P. 



C IÖ5 ) 

P. rapulum. bull. Stipite humo profunde infixa 
in umbrofis. 

P. ftipitata. büll. Ad terram in nemorofis prope 
Marche. 

P. coccinea. bull. Ad terram in fylvis et pascuis 
umbrofis exeunte aestate propre Diekirch, Dom- 
meldingen, Rodenhof, Blafcheid etc. 

P. cupularis. L. In ligno putrescente ad terram in 
fylvaticis prope Bonnerce. 

P. lanuginofa. bull. Ad terram in fylvis umbro- 
fis haud raro. 

P. crenata. bull. Solitaria ad terram in fosfis 
humidis prope Fischbach. 

P. cerea. D. C. In fimetis et ad terram. 
v<7r. /3. fesfilis. N. P. veficulofa. bull. 

P. labellum. bull. In fylvis umbrofis atque ad 
terram madidam. 

Sectio V. Gelaiinofae. 

P. auricula. L. In truncis fenioribus prope Grevels. 

P. tremelloides. bull. Ad truncos antiquos pu- 
trescentes. 
var. (3. violacea. N.' Tremella amethystea. bull. 

P. nigra. bull. Ad truncos caefos praefertim quer- 
cinos frequens. 

Genus XIV. Tremella, L. 
Tr. glandulofa. bull. Frequens ad truncos autumno. 
Tr. urticae. pers. Ad caules exficcatas Urticac 

dioicae primo vere. 
ïr.ustulata. bull. In citro et in fructibus car- 

nofis femi - putridis. 
Tr.deliquescens. bull. Frequens ad truncos ma- 
didos, 

T. 



( 266 ) 

Tf.cerebrina. bull. In ligno huuüdo vel ad trun- 
cos piitrescentes. 
c- Tr.mefenteriformis. bull. In ligno mortuo. 

Genus XV. Hehdla. L. 
H. mitra. L. Ad terram in nemorofis prope Hesch- 

dorf. 
H. elastica. bull. Ad terram autumno fatis fre- 

quens. 
H. gelatinofa. bull. Inter folia delapfa in fylvis 
"■" gregatim. 

Gemis XVI. Clavaria. ' '" 

Sectio I. Clayaria, holmsk. 
Cl. pistillaris. L. In fylva Grünwald ^ijC^ïa^ prope 

Dammeldingen ad terram. Raro. 
Cl. Marehandi. l. marchand, (Verh. over Crypt. 

Bijdragen^ L c. p. 418). Inter muscos natans in 

limpidis propre St. Hubert. Rarisfima. 
Cl. micans., PERS. In foliis ficcis primo vere prope 

Esch-im-Loch. 
Cl. lutea. D- C. Ad terram prope Eschdorf. 
Cl. citrina. L. marchand. (1,c. p. 419). In fylvis 

umbrofis prope Diekirch; prope St. Hubert 

(redoute). Rarius. An potius ad fectionem 

fequentem pertinet? 

Sectio II. Ramaria. holmsk. 
Cl. bifurca. bull. Ad terram, in fylvis, fatis 

frequens. 
Cl. filiformis. bull. Ih foliis putrescentibus. 
Cl. aculeiformis. bull. Gregatim in fisfuris ligni 

putrescentis. 
Cl.rugosa. bull. In fylvis ad terram. 

Cl. 



( a67 ) 

-i'Cr. bysfoidea. BULL. in ligno femiputrido. r 
Cl. muscoidea. bull. - Satis frequens in ligno pu- 

trescente. 
Cl.coralloidea. L. In fylvis et pratis. 

•• ••' var. (3. fastigiata. N. Cl. fastigiata. L. 

— y. cinerea. N. Cl. cinerea. bull. 

— S. violacea. N. Cl. amethystea. ByLL^i 

■ S^ctio III. Merisma. pers. ' " 

, Cl. laciniata. bull. In fylvis inter muscos aestate. 
Cl. coriacea. bull. Ad terratn. :;:r) 

Cl. antocephala. bull. In fylyis umbrofis ad ter- 

ram ineunte autumfio. 

Genijs XVII. Thdephora, D. C, . 

Sectio I. Craterdla. pers. 

- Th. cariophyllea. D. C. Ad terram in pinetisprope 
Bourfcheid. Rarius. 

.. Êji£üv;v-.:. Sectio II. Stereum. pers. 

Th. tremelloides. D. C In ligno putrido in fylvis 

autumno. 
^Xh. ferrugjnea. D. C. bull. In ramis mortuis et' 

caudicibus. 
Th. reflexa. D. C. In caudicibus, ramis mortuis 
. èt trabibus^ 

,,..,.;,. Sectio UI. Corticium. pers, 

Th. tremellofa. l. march. Merulius. pers. In 

. " trabibus femi-putridis. 
Th. musci^ena. pers. Gregatim in eaulibus mus- 

couiip. 
Th. papyrina. bull, In truncis putrescentibus crus- 
tas efFormans. 

T. 



( 268 ) ■ 

Th. cinerea. pers. Ad corticem lignumque denu- 
-I," datum Quercus roboris et Aceris campestris atque 
Psetulo-platani. i 

Th. corcicalis. bull. In ramis mortuis. 
Th. polygonia. pers. Vere atque autumno ad cor- 
ticem Hippocastani et Quercus. 
Th. phyllacteris. bull. Ad terram. 
Th. coerulea. D. C. In ligno mortuo propeGrevels 
.'■; obfervavi. Egregie violacea. > 

Genus XVIII. Hydnum. 

Sectio I. Hypophegea. N. 

H. ramofisfimum. l. marchand et r. courtois. 
Stiplte ramofisfimo , crasfo , irregulariter com-r 
presfo vel angulato, fubcoriaceo, albo-lutes- 
cente; ramis fubdichotomis , erectis, albescen- 
tibus; pileis infundibuliformibus umbilicatisque, 
cinerescentibus , marginibus finuato-crenatis , 
postea recurvis ; aculeis numcrofisfimis , elon- 
gatis, inferne perviis. Hydnum lo — ia pol- 
licare , folitariiim , rarius in fagetis umbrofis 
fylvae Friedbusch dictae prope Diekirch. De- 
texi menfe Julio , a". 1826, cum amicisf. cour- 
tois et KROMBACH, vide : Verjlag van een 
plant en landbomvkundig reisje, gedaan in de 
Ardennes en het Groothertogdom Luxemburg , 
door BRONN en courtois. (^Bijdragen tot de 
Natuurkundige Wetenfchappen. II. i. p. 473). 

Sectio IL Hericium. pers. 
H. erinaceum. bull. In truncis quercnura anti- 
quarum fylvae Seitert prope Diekirch, et fylvae 
Grünwald prope Luxemburg. 

H. 



C 269 ) 

H. ramofum. bull. InfylvAFriedbuschpropeDie- 
kirch ad truncos arborum vetustarum. Rarius. 

H. caput-Medufae. pers. Ineunte autumno in li'gno 
mortuo. 

Sectio m. Odoniia. pers. 
H. niveum. pers. Intra corticem quercuum. 
H. farinaceum. pers. In ligno mortuo. 
H. barba-jobi. bull. In ramis delapfis. 
H. cerafi. pers. Ad cordcem Ccrafi , hyeme. 

Seetio IV. Hydmm. 
H. auriscalpium. L. Ad llrobilos pini in terram de- 

lapfos prope Bourfcheid et Erpeldingen 
H. cyathiforrae. schaeff. In nemorofis prope Frë- 

lingen. 

H. hybridum.BüLL. In pinetis fylvae Grünwald. 
H. repandum. L. Ad terram in faginetis prope 
Diekirch. ^ 

Sectio V. Systoma. pers. 
H. bienne. D. C. Ad terram et truncos mortuos 
Genus XIX. Bohtus, L. 

Sectio I. FistuUna. bull. 
B. hepaticus. schaeff. Ad caudices quercinos vel 
ad terram in nemorofis inter folia putrescentia 
prope Bartringen. 

Sectio II. Poria. pers. 
, B. cryptarum. bull, In cryptis fuper trabes. 
B. medulla panis. jacq. In truncis arborum lan- 
guentmm prope Bettemburg. 

Sectio III, Boletus, 
A. pileo fesfili. 

B. verficolor. L. Frequens in arboribusmortuisto. 
turn per annum. 

Bijdragen, d. III, st. i. S y^r. 



( a7o > 

var- {3. unicolor. N. B. unicolor, BUtL, 

— r. glabratus. N. B. imberbis. bull, 
B. fuberofus. bull. In truncis. 
B. Pseudo-igniarius. bull. Ad truncos quercuum 

vetustarum. 
B. ungulatus. bull. In cortice truncorum. 
B. labyrinthiformis. bull. In trunco Crataegi tor- 

minalis prope Rodenhof et Dudelingen. 
B. fraxineus. bull. Ad truncos Fraxini langues- 

centes. 
B. luaveolens. bull. In truncis falicinis antiquis. 
,B. cuticularis. bull. Solitarius ad arbores emor- 

tuas prope Ham. 
B. falicinus. bull. Solitarius in truncis falicinis 

prope Walferdingen. 
B. hispidus. bull. In truncis Mali et Quercus. 

B. Pileo flipitato. 
a. ftipite laterali vel excentrico. 
B. calceolus. bull. Ad truncos languentes vel 

mortuos. 
B. juglandis. bull. In Juglande prope Diekirch. 
B. acanthoides. bull. In caudicibus femi - putridis 

gregatim. 
B. obliquatus. bull. In caudicibus. 

b, ftipite centrali, 
B. nummularius. bull. Ad ramos emortuos. 
B. nummulariformis, N. B. nummularius? l. mar- 
CHAND (Verband, over Crypt. 1, c. p. 415). Ad 
terram et in ligno mortuo in fylvaticis. 
B. perennis. L. Saepius gregatim ad truncos anti- 
quos adque terram. 



C a7i ) 

B. perfosfus. l. marchand. 1. c. p. 414. Solitarius 

ad terram et inter muscos. 
B. Lejeunii. l. marchand. 1. c. p. 413. In fylvl 

Friedbusch dicti prope Diekirch. 
B. fimbriatus. bull. Ad terram primo vere propc 

Diekirch, 
B. polyporus. bull. Ad terram in hortis. 

Sectio IV. Suillus, pers. 
B. betulinus, bull. Ad epidermidem Betulae albae, 
B. rubeolarius. bull. Ad terram in fylvaticis, 
B. aereus. bull. Ad terram in nemoribus. 
B. edulis. bull. B. bovinus. L. Ad terram in fyl- 

vis. umbrofis aestate. 
B. castaneus. bull. Ad terram in fylvis aestate. 
B. felleus. bull. Aestate in fylvis ad terram fatis 

frequens. 
B. cyanescens. bull. Ad terram prope Bastnacht. 
B. piperatus. bull. In fylvis ad terram auturano. 
B. chryfenteron. bull. In paludofis et in fylvi« 

umbrofis ineunte autumno frequens. 
B. fcaber. bull. Ad terram in fylvis autumno. 
B. aurantiacus. bull. Ad terram in fylvis. 
Genus XX. Meruüus. haller. 

Sectio I. Meruüus, — Pileo ftipitato concavo. 
M. cantharellus. pers. Agaricus cantbarellus. L. 
Frequens in fylvis ad terram , prope Diekirch , 
Guilsdorf, Stegen, Petiingen etc. 
var. /3. cantharelloides. N. Merulius nigri- 
pes pers. 

'M. lutescéns. pers. Gregatira post pluvias ad 
terram. 

S i 



( 272 ) 

M. tnbaeformis. pers. Ad terram in Tylvis um- 
brofis prope EngeldorfF. 
var. (2. hydrolips. N. Merulius liydrolips. D.C. 

y, cornucopioides. N. Peziza cornuco- 

pioides. L. 
S. crispiis. N. Merulius undulatus. pers. 

Sectio II. Plicaria. — Pileo fesfili. 

M. muscigenus. pers. In muscis vivis. 

M. retirugus. pers. In ramis et muscis. 

M. lacrymans. D. C. In locis humidis fuper trabes. 

M, labyrinthiformis. L. MARC HAND. Agaricus quer- 

cinus. L. Frequens ad truncos. 
M. abietinus. l. march. Agaricus abietinus. bull. 

Ad trabes abietinos , et ad truncos Betulae albae. 

var, (3. tricolor. N. Ag. tricolor, bull. 
M. coriaceus. L. march. — Ag. coriaceus. bull. 

Frequens ad truncos emortuos. 
M. alneus. l. march. — Ag. alneus. L. Ad truncos 

Alni aliarumque arborum. 

Oenus XXI. Agaricus. L. 

Sectio I. Pleur opus. pers. 

A. epixylon. bull. In truncis refectis. 

A. variabilis. D. C. In ligno mortuo et ad terram. 

A. eleuterophyllus. l. march. — Pleuropus. le-J 
veillé. Pediculo fubnullo vel tuberculofo. 
Pileo dimidiato, conchiformi, carnofo fuces* 
cente; laraellis dilutioribus , bafi liberis, ro- 
tundatis, crasfioribus. (leveillé). Vere ad 
truncos prope Luxemburg rarius. 

A. llypticus. BULL. Ad lignum exficcatum autumno 
atque hyeme. 

A. 



( 273 ) 

A. petaloides. bull. Ad terram ineunte autumno. 

A. inconftans. pers. Ad arbores. 

A. palmatus. bull. Ad truncos arborura. 

A. tesfelatus. BULL. In truncis quercinis et trabibus 

antiquis. 
A. dictiorhyfus. D. C. Ad terram limofam in cryptis. 

Raro prope Diekirch vidi. 
A. orcellus. bull. Ad truncos arborum nunc gre- 

gatim nunc folitarius. 
A. ulmarius. bull. In truncis praefertim Ultni. 

Sectio II, Rusfüla. (pers). 

A. pectinatus bull. Pasfim et frequens in fylvis. 
A. piperatus. bull. In fylvis, frequentisfime in 

fylva Seitert dictd prope Diekirch. 
A. bifidus. bull. In fylvis aridis. 
A, integer. L. In fylvis. 

Sectio III. Lactarius. pers. 

A. acris. bull. In fylvis vere atque autumno. 
A. dycmogalus. bull. Solitarius in fylvis. 
A. tlieiogalus. bull. Solitarius in fylvis prope Bet- 

temburg. 
A. pyrogalus. bull. Solitarius in fylvis. 
A. zonarius. D. C. Frequens in graminofis. 
A. azonites. bull. Pasfim ad terram in fylvis et 

campis. 
A. necator. bull. In fylvis ineunte autumno. 
A. deliciofus. schaeff. In pinetis prope Erpel- 

dingen et fylvam Grümvald. 
A. fubdulcis. pers. In fylvis et campis autumno. 
A. plumbeus. bull. In fylvis autumno. 

S 3 Sec- 



( 274 ) 

Sectio IV. Coprinus. pers. 
A. cphenieroides. bull. In fimetis. 
A. lacryraabundus. bull. In fylvaticis propc 

Bonnerce. 
A. picaceus. bull. In vegetabilibus putrefactis. 
.A. cinereus. bull. In hortis pasfitn et in fimo 

vaccino autumno in pratis. 
A. tomentofus. bull. In fylvis et hortis. 
A. cono - truncatus. leveillé. Stipite gracili, 

iistulofo, albo, bafi tomentofo, cum carne 

pilei continuo; pileo grifeo, membranaceo , 

ftriato , cono-truncato ; lamellis grifeis , liberis, 

utrinque acutis. (leveillé). 
Solitarius in graminofis in prato Walilenbruch 

dicto prope Diekirch. Vere. 
A. atramentarius. bull. In locis humidis gregatim. 
A. micaceus. bull. Gregatim in fylvis , pratis et 

hortis, fatis frequens. 
A. extinctorius. bull. In fimetis aestate. 
A. gosfypinus. bull. Gregatim ad terram in fylvis. 
A. digitaliformis. bull. Frequens in truncis mor- 

tuis falicis aliarumque arborum. 
A. ephemerus. bull. In fimetis. 

var. (3. ftercorarius. N. A. ftercorarius. bull. 

In fimo vaccino. 
A. hydrophorus. bull. Gregatim in fylvis et gra- 
minofis ad terram. 
A. deliquescens. bull. Gregatim et frequens in 

pratis et hortis. 
A. congregatus. bull. Frequens in umbrofis aestate 

autumnoque. 

A. 



( 275 ) 

fimiputris. bull. Gregatim in fimetis. 
A. papilionaceus. bull. In foliis mortuis in hortfs 

et fylvis. 
A. folifugus. L. MARCHAND. Stipitc ccntrali , te- 

nuisfimo, fragili, candido; pileo fubconico, 

membranaceo, ftriato, transparante, rufescente ; 

lamellis fubdecurrentibus , lutescentibus. Ag. 

I— a linearis , fugax , pileo gracillimo. -^ In 

umbrofis graminofis ad lignum putridum Salicis 

albae prop e Reisdorf. 
A. coprophyllus. bull. Gregatim in fimetis. 
A. bullaceus. bull. Gregatim in fimetis; fpecies- 

praecedenti adfinis. 

Sectie V. Pratella. pers. 

A. ftriatus. bull. Solitarius in pratis, fylvis et 
hortis ad terram. 

A. conocephalus. bull, 'Solitarius ad terram. 

A. Dumortieri. l. marchand. (Verh. over Crypt. 
1. c. p. 416). Ag. violaceo-lamellatLis. D. C^ 
Gregatim in fylvis autumno prope St. Hubert 
(redoute), prope Esch. (marchand), 

A. campanulatus. bull. Gregatim ad terram. 

A. femi-orbicularisBULL. Frequens in graminofis 
ad vias. 

A. pulverulentus. BULL. Gregatim in caudicibus 
putrescentibus fatis frequens. 

A. amarus. bull. Ad truncos putrescentes gre- 
garius in fylvis. 

A. nigricans. bull. In nemoribus ad terram au- 
tumno fatis frequens. 

-^4 h. 



( 27Ö ) 

A. fpaciiceus. schaeff. Gregatim in fylva Fried- 
biisch dictd prope Diekirch ineunte autumno. 

A. cyaneus. bull. Solitarius ad truncos in fylvis 
prope Freilingen. 

A. edulis. bull. In pratis et fylvis inque carapis 
montofis haud infrequens. 

Sectio VI. Rotula. pers. 

A. ftylobates. D. C. Ad ramos delapfos aestate haud 
frequens. 

Sectio VII. Mycena. 

A. arundinaceus. bull. Vulgo in pratis autumno. 

A. nigripes. bull. Ad truncos byeme, ad Tiliam 
europaeam prope Bourfcheid. 

A. alliaceus. bull. In foliis quercinis aggregatis 
autumno. 

A. ventricofus. bull. In fylvis ad terrara ineunte 
autumno. 

A. fistulofus. bull. Gregatim et frequens ad trun- 
cos in fylvis humidis. 

var. (3. nigrescens. N. — A. polygrammus.BULL. 
Solitarius et gregarius. 

y. conoideus. N. — A. filops. bull. Inter 

muscos. 

A. melinoides. bull. Saepius folitarius. in grami- 
nofis et muscofis autumno. 

A. fquarrofus. bull. Gregatim ad terram. 

A. adonis. BULL. Gregarius in nemorofis ad terram 
vel ad ramulos putridos. 

A. roseus. pers. Ad ramulos et folia emortua madida. 

A. clavus. L. In liumidis et umbrofis ineunte au- 
tumno ad terram , folia et ramulos putrescentes. 

A. 



( ^71 ) 

A. corticalis. bull. Ad corticem arborum Pyri 
communis , falicum , quercuum caet. 

A. pumilus. BULL. Ad pedes arborum inter mus- 
cos autumno. 

A. pygmaeus. bull. In ligno mortuo. 

Sectio VIII. Omphalia. pers. 

A. dryophilus. bull. In pratis fylvisque totum 
per annum. 

A. umbilicatus. bull. In fylvis folitarius exeunte 
vere, 

A. ardofiaceus. bull. Solitarius in pratis humi- 
dis autumno. 

A. pseudo-androfaceus. bull. Ad terram in fylva- 
ticis arenofis et ericetofis autumno. 

A. fibula. bull. Haud infrequens autumno inter 
muscos et ad lignum mortuum. 

A. amadelphus bull. Ad truncos mortuos. 

A. tigrinus. bull. Gregatim in fylvis aestate et 
autumno ad truncos. 

A. infundibuliformis. bull. Frequens in fylvis au- 
tumno. 
var. /?. variabilis. N. A. cyathiformis. bull. 

A. contiguus. bull. Solitarius in fylvis. 

A. pyxidatus. bull. Gregatim ad terram. 

A. amethysteus. bull. Autumno in fylvis umbrofis. 
Sectio IX. Gymnopiis. pers. 

A. Laminis in ftipitem decurrentibus. 
A. pellucidus. bull. Solitarius ad terram. 
A. geotropus. bull. Solitarius ad terram. 
A. pileolarius. bull. Solitarius in fylvis autumno 
inter folia putrescentia. 

Ss A. 



( i7« ) 

x^^A. ficoides. BULL, In pratis gregatim. 

A. eriocephalus D. C. Gregarius in ligno mortuo. 
--<A. eburneiis. bull. Solitarius in fylvis et ericeti» 

autumno. 

var. /?. ericetorum. N. — Agaricus ericeto- 

rum. BULL, 
A. odorus. BULL. Gregatim in fylvis autumno ad 

folia delapfa. 
A. acerbus. bull. Ad terram gregariè. 
A. albellus. D. C. Ineunte vere fatis frequens in 

fylvis. ' 

A* Thiebautii. l. marchand. (Verhandeling over 

Crypt. 1. c. p. 415). Autumno in humidis 

muscofis prope Diekirch et Befort. 
A. bimorphus. l. marchand. In fylvaticis et ad 

troncos putrescentes autumno. 

var. /3. fufipes. N. — Ag. fufipes. bull. 

y. fufiformis. N. — Ag. fufiforrais. bull. 

B. Laminis ftipiti adnexis, 
A. ovinus. bull. Solitarius in graminofis. 
A. grammopodius. bull. Solitarie ad terram. 
A. tuberofus. bull. Haud infrequens autumno in 

fylvis inter lamina agaricorum putrescentium. 
A. glaucus. BULL. Gregarius ast faepius quoque 

folitarius ad terram. 
A. purus. PERS. Solitarius ad terram in fylvis 

autumno. 
A. cameleo. bull. Solitarius in pratis et ad pedes 

arborum in fylvis autumno. 
A. butyraceus. bull. Gregariè ad terram. 
A. arcuatus. bull. Ad terram in pratis, hortis et 

^Ivaticis. 

Av 



( 279 ) 

A. molibdócephaliis. büll. Gregatim ad terratn in 
fylvis autumno. 

A. finuatus. bull. Ad terram folitarius. 

A. hariolorum. bull. Gregaiie in fylvis fuper fo- 
lia; putrescentia. 

A. carneus. bull. Solitarius in graminofis. 

A. fulphureus. bull. Frequens et folitarius ad 
terram in fylvaticis autumno. 

A. chryfentheriis. bull. Gregarie fuper folia putrida 
et lignum mortuum in fylvis. 

A. parafiticus. bull. Gregatim in agaricis putres- 
centibus. 

C. Laminis ftipiti minime adnatis. 

A. longipes. bull. Solitarius in fylvis et ad tran- 
ces putrescentes autumno. 

A. urens. bull. Gregarius fuper folia mortua. 

A. repens. bull. Haud infrequens autumno in 
fylvis inter folia putrescentia. 

A. contortus. bull. Aestate ad pedes arborum in 
fylvis. 

A. fulvus. BULL. Ad terram in fylvis gregarius. 

A. coccineus. bull. In fylvis , pratis , locis colli- 
culofis autumno fatis frequens. 

A. grammocephalus. bull. Solitarius ad terram in 
hortis haud frequens. 

A. cinerascens. bull. Gregatim ad terram in fyl- 
vis autumno. 

var, (3. frumentaceus. N. — Ag. frumenta- 
ceas. bull. 

A. murinaceus, bull. Haud infrequens in faginetis 
autumno. 

A. lividus. bull. In fylvis ad terram fatis fre- 
quens autumno. 

A. 



(■ 28o ) 

A. leucocephalus. bull. Subfolitarius in fylvis.aci 
terram vere atque autumno. 

A. villofus. BULL. Solitarius in ligno mortuo et ad 
ramos delapfos autumno. 

A. furfuraceus. bull. Subfolitarius in fylvis ad 
terram. 

A. columbarius. bull. In fylvis aestate atque au- 
tumno. 

A. argyraceus. bull. Frequens ineunte vere in 
fylvis ad terram gregarie. 

A. crustuliniformls. bull. Frequens in fylvis et 
pratis. 

A. rimofus. bull. In fylvis autumno numerofe. 

A. pyrospermus. bull. Gregarius in ligno putrido. 

A. ramealis. bull. In ramis deciduis autumno fre- 
quens. 

A. inodorus. bull. Solitarius ad terram. 

A. leucopodius. bull, Solitarius in nemorofis. 

A. geophilus. bull. Subfolitarius ad terram. 

A. tortilis. D. C. Autumno in ariiis. 

A. horizontalis. bull. In cortice Pyri communis 
vere atque autumno frequens. 

A. nudus. bull. In fylvis frequens totum per 
annum. 

Sectio X. Cort'inaria. pers. 

A. glutinofus. bull. Subfolitarius in fylvis autumno. 

A. turbinatus. bull. Haud infrequens autumno in 
faginetis. 

A. ileopodius. bull. Ad terram, corticem el folia 
deciiua fubfolitarius. 

A. purpureus. bull. Ad terram fubfolitarius. 

A. araneofus. bull. Solitarius ad terram in fylvis 

aesiate et autumno. 

A. 



C 281 ) 

A. castaneus. bull. In faginetis autumno. 

A. lanuginofus.BULL. Solitarius in fylvisadtêrram, 

in caudicibas et inter muscos vere atque autumno. 
A. mucofus. BULL. In fylvis folitarius ad terram. 
A. hybridus. bull. Ineunte autumno folitarius ad 

terram in fylvis. 
A. hydrophilus. bull. Frequens in fylvis post plu- 

vias autumnales. 
A. fquamofus. bull. Autumno in fylvis. 

Sectio XI. Lcpiota. pers. 
A. piluliformis. bull. Ad pedes arborum autumno 

inter muscos. 
A. nitens. bull. In pratis et fylvis fubfolitarius in 

fimo vaccino. 
A. helveolus. bull. Gregatim in graminofis, fylvis 

et viis. 
A, annularius. bull. Gregarius in fylvis ad terram 

et truncos arborum. 

var. 0. cinnamomeus. N. — « Agaricus lignati- 

lis. BULL. 

A. aureus. bull. Solitarius ad terram in umbrofis 
humidis exeunte aestate. 

A. radlcofus. bull. Ad truncos in fylvis umbrofis. 

A. ramentaceus. bull. Solitarius ad terram. 

A. mefomorphus. bull. Solitarius ad terram. 

A. togularis. bull. Subfolitarius ad terram. 

A. polymorphus. l. marchand. Autumno fubfoli- 
tarius ad terram in fylvis. 
var.fi. clypeolarius.N. -- A. clypeolarius. bull. 
— y. lepidocephalus. N. — A. lepidocepha- 
lus. L. MARCHAND. (Verhandeling 1. c. p.417). 

A. procerus. D. C. In fylvis et campis arenofis 
autumno. 

Sec- 



, r a8a ) 

Sectio XII. Amanita, pbrs. 

A. Volva incompleta. 

A. folitarius. bull. Raro in fylvis umbrofis prope 

Diekirch. 
A. muscarius. D. C. In fylvis ineunte autumno. 

B, Volva completa. 

A. aurantiacus. bull. In pinetis et nemorofis 

ineunte autumno. 

•var. (3. candidus. N. — Ag. ovoideus. D. C. 
A. bulbofus. BULL. Solitarius in fylvis arenofis. 

0. concavus N. — Ag. vernus. D, C. 
A. pufiUus. D. C. In fylvis et hortis. 
A. vaginatus. bull. In fylvis umbrofis aestate. 

Genus XXII. Morchella. pers. 

M. verpoides. l. marchand. (Verh. 1. c. p. 420). 
Verpa agaricoides ! pers. Ad margines fylvarum 
prope St. Hubert Credouté); prope Bonnerce 
et Champion (marchand). 

M. mefamorpha. pers. (Mycol. enr). — M. femili- 
bera. D. C. — marchand. 1. c. p. 419. In fylva 
Friedbusch dicta prope- Diekirch. 

M. esculenta. pers. Vere in fylva Grüwwa/fi? prope 
Luxemburg, Friedbusch prope Diekirch ; in fyl- 
vis prope Bartringen, Suttelingen caet. 

M. tremelloides. bull. In fylvaticis Kemchen dictis 
Diekirch; raró. 

Genus XXIII. Phallus. jussieu. 
Ph. impudicus. L. Ineunte autumno in fylvis prope 
Dommeldingen,- Diekirch, Dudelingen, Fisch- 
bach , caet. 



B IJ DRAGEN 

TOT DE 

NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN. 

OVER DE PROEVEN VAN KAPITEIN PARRY EN 
LUITENANT POSTER , AANGAANDE DE SNEL- 
HEID VAN HET GELUID. -- 
Door G. SIMONS. ! 

In het verflag der derde reis van Kapitein parry,."~! 
worden proeven medegedeeld over de fnelheid van 
het geluid C*), die allezins onze opmerking verdie- 
nen , vooral omdat zij bij zeer lage temperaturen ge- 
nomen zijn. 

De proeven werden te Port Bomn genomen met ^ 
een' metalen zesponder. De afftand , van den mond 
van het (luk gefchut tot de plaats der waarneming, 
werd door trigonometrifche metingen bepaald ; Kapi- . \ 
tein PARRY, vond dezen afftand 12892,96, Luit. foster 
12892,82 Engelfche voeten; het gemiddelde tusfchen 
beiden geeft dus de lengte der bafis 12892,89 En- 
gelfche voeten. De verloopen tijd, tusfchen het ' 
afvuren van het (luk en het hooren van het fchot,- 
werd bepaald door de tikken van een' zak-chronome! ' " 
ter, aan het oor van ieder' waarnemer gehouden. 
De rigting van het ftuk gefchut was Z. 710 48' O. 
De omftandigheden der waarnemingen kunnen uit on- 
derftaande tabel gekend._ worden. 

_= — DAG. 

^'^l^'Jf'f^t Pa,fage from the Atlantic to the Pacific; per. 
dfxfp. Z ^''"'' ^^^24-25, etc, Londen 1826. Appen- 

BgORAGENjD. III. ST. I. ö ?, 



^' tv 






(284 ) 



■^■"^ 


<— 1 
c 
a 

Om' 




r> 




^ 


*;? 


ö Z 






« 


3 




s « 


F 


3 
• 


CO ^ 

• • 


M 
CC 


> 


f- 


W 


• 


tt 


3 .t5 

• • 


•? 


P ■ 


• 


O 

• 


w 


'S 


03 


c» 


K> lo 


K> 


W 




W 

3 


w > 
fö ? 

• 


o 


,ü 


O 


o 


V» >o 


AO 


O 


\o vo 






M 


M 


w 


•V» m 


Os 


(O 


Ui co 


ö 


o 




Ui 


vo 


e» o . 


■*i. 


o\ 


ov -u 


5 


»3 


CO 


CO 


00 


UI 03 


ca 


W H* 


• 


+ 


+ 


1 


1 


1 1 


1 


1 


1 1 


*TJ 


Hst:? 


CM 


w 


10 


w 


w « 


>3 


w 




n S b: 


Ui 




»H 


co 


•vj CO 




W 


^ t 


>-s 


? S w 




m 


tn 


m 


Ui 


Ui 








1 


^3 


6 


^ 


O 


!■<:,' tyl 


■ "?! 


O 


"? ? 






• 

o 

• 


o 




o 




• 

o 

• 


• 

O 


o o 




PI i 

P) 1 














• 


• • 




^ 


















1 •"• 


re 

s 


s 


« 






3 








1 ^ 


o* 














oa • 






c . 

• 


om 


fRJf(lOf<i»U ^^Yif"' 




• 




^ 1 








R 


















M 


re 

3 

i 

d5' 
















£1* 


re 

•-1 

.^re ■ 

3 


re re 


3" 


re 

al 


S g 

3- S, 




jjig lil. 

W 
O 


r 


re 


?? 


o* 
re 




5^ 


. re 


s g- 




W 




p 


O 
O 

3 


1 

KI 


? ? 


■ r 




? ? 




P 


OV 


0\ 


0\ 


0\ 


o\ o\ 


0\ 


■t^ 


C\ UI 




Gejal Schoten. 




>H 


(3 




(0 » 


» 


t-4 


w 5 




^' \ ^- 










>W V 


K 


X* 








ÜI 


•^t 


4» 


o\ 


03 W 


c\ 


Ui 


co V,*' 




co 


03 


O 


*i 


-. -SJ 


to 


CO 






co 


CO 


O 


O 


^ •» 


VO 


co 






fa S < 


o 


• W 






•Ov, ,'.^, ; 


( 


^VO 


UI 




1 ^ ? O 


w 




''^ 


l-l* 


Hl M 


7 ;. 




M M 


1 • J i 




M 


M 


«0 


A^ 


.«^ '«P 


ia 


■»P, 


, £' *i 




Xk 


•Hf 


•>» 


•VJ 


VJ Ji ■ 


o\ 


4^ 


Ul '«^ 




53 S 3^ O 


7^ 




M 


co 


O -C» 




^ 


to ^ 






•^ 


ON 


o 


Os o 


o\ 


O 


CN o.» 












NI 


•^ 


O 


ON O 






" . • 


rï , 














q r^ a. 




.' t. 
















• 3- y 




t^ . 


i' 


£> 


f* ft 
KI K> 


w 




- „ ,■ :^ ïi ijci 


V;.^:v 


■ '\W - • > § 3 


C^ 


C>3 


Ui 

m 


■vi. 


9\ '. %. 


■^ 


'S, 


^^^■^1-^^ 


-.^i^A' 


:,'\Sv'r---v,. gVf^ 




^, 




O 


•" ,o\ 


•ï-t 


ND 




'O . T ^.3" 








'"?* i;;:.,:- 


..'«>. 


■i'i(^ 


, 7 2-«t.;{3 • 


■ i • \ ■ T 
■ • '* \, 




00 

o 


co 

«3 


M 

O 


o 

en 
VO 


M IH- 

O o. 
O V3 

va «• 

CO Ui 


M 

g 
■P 


O 


(H M ■ 

4^ V3 


. . 


o 2, ^. c^ g re 

s s^ s 5: S- 5 

2 3- p^ re re, 

3 re w g. « s: 























Wij 



( 285 ) 

•■ 'Wij zullen , voor zoo verre de opgegeven omdan- 
digheden ' het toelaten , de uitkomst dezer proeven 
raet de theorie vergelijken. Om deze vergelijking 
des te gemakkelijker te maken , zullen wij vooraf de 
opgaven tot metrieke maat , en de honderddeelige 
thermometerfchaal herleiden. 

In de Annales de Chimk et de Phyfique (*) heeft 
de Heer prony de verhouding opgegeven, tusfchen 
den meter en den Engelfchen voet; volgens deze op- 
gave is de meter gelijk aan 39,38255 Engelfche dui» 
men. Bij deze opgave is niet in het oog gehouden, 
dat de wettige lengte van den Engelfchen voet, niet 
gelijk die van den meter bij o" C. , maar bij 62» 
FAHR. gerekend wordt; de Heer prony heeft beiden 
op o" van de honderddeelige fchaal herleid. De 
(landaard der Engelfche maat, op welks vergelijking 
met den meter de opgave van den Heer prony 
rust , was van geel Itoper ; zoo wij dus voor de uitzet- 
ting hiervan een gemiddelde aannemen uit de proeven 
van LAVOisiER en laplace (f), vinden wij, uit de bo- 
vengenoemde opgave , de lengte van den meter bij 0° C, 
gelijk aan 39,37022 Engelfche duimen, bij 62° fahr. 
De Heer kater vond deze lengte , bij gelijke om- 
ftandigheden, gelijk aan 39,37079 Engelfche dui- 
men (§). Wij zullen bij gevolg geene aanmerkelijke 
fout begaan, wanneer Wij, bij onze herleidingen, ge- 
bruiken i" = 39,3705 Engelfche duimen (**). Het 

(*) Tom. V. p. 170. 

(t^ BiOT Traite de Phyfique Tom. I. p. 158., . 

C§; Philofophical Transactions. 1818. p. 109. _ 

(**) Bij mijne eerfce berekeningen dezer pïoevth, die 
door Prof. moll geplaatst zijn in de Philofophical Transac- 
tions van dit jaar, gebruikte ik, bij de herleidingen, de 
opgave van prony; doch ledert bemerkt hebbende, dat 
deze opgave, qm de bijgebragte redenen, niet naauwkeu- 
rig was, heb ik de berekeningen herhaald , en tevens 
het geheel eeni^zins veranderd en uitgebreid. 



■^- '-■:.. S'^^l 






2 



I 



C 286 ) 

Het is waarfchijnlijk , dat de barometerhoogten we- 
gens de capillariteit zijn verbeterd, dewijl wij in het 
meteorologisch journaal, gedurende de reis gehouden. 
Appendix, p. 4 feqq.) boven de kolommen voor 
den barometer vinden : Corrected for temperature , 
neutral point and capacity ; wij zullen daarom ook 
bij deze barometrifche opgaven veronderftellen , dat 
dezelve inderdaad verbeterd zijn , oJ'fchoon hiervan 
geen gewag gemaakt is. 

;,Bij de herleiding der graden van FiiHU. tot die van 
den honderddeeligen thermometer, zoude men, ftrikt 
genomen, ook acht moeten geven op het verfchil 
tusfchen de barometrifche drukkingen , waarbij de 
Franfchen en Engelfchen gewoon zijn liet punt van 
kokend water, op de Thermometer- fchaal aan te 
teek«nen; doch dit verschil is te gering, om hier in 
eenige aanmerking te kunnen komen. 

-J)ooi: deze herleiding verkrijgen wij de volgende 
tafel der waarnemingen: 



'^'^^.kx-- 


BA R 0- 


THER- 


Snelheid van 


DERWAARNE- 




MOMETER 


het geluid in i" 


'Ai.1 ; . ' 


METER. 






MlNG. 




C. 


in meters. 


1824. 


Meters. 






Nov. 24. 


0,75795 


— 2i'',67 


317,137959 


Dec. 8. 


0,75084 


—22,78 


316,177849 


1825. 








Jan. 10. 


0,76880 


, —38,33 


313,638892 


Febr, 7. 


O575303" 


.'—3^39 


311,194423 


^■^(sjf «T Sjr-i'- 


.A'0,75178 


-27,78 


316,760011 


^.■. "''-'• 


0,75526 


-38,61 


307,930049 


Maart 2 


0,77210 


—39,17 


309,182764 


„ 22. 


0,76854 


—29,72 


312,916524 


Junij 3- 


0,76499 


+ 0,83 


334,704354 


>» 4' 


0,76458 


H- I5Ö7 


340,793234 



De 



C 287 ) 

De lengte der bafis was 12892,89 Engelfche voeten 
of 3929^,7108. 

Laplace gaf voor de snelheid van het geluid in 
dampkringslucht , de volgende theoretifche formule: 



V = Vj^ X V-^ 



(*), 



waarin V de snelheid voorstelt , g de intenfiteit der 
zwaartekracht, p de barometrifche drukking, D de 
verhouding der digtheid van lucht tot die van kwik, 

en — - de rede tusfchen de fpecifique warmte der 
lucht bg eene bestendige drukking , en die bij een 
bestendig volumen. '"' n 

Volgens de proeven van arago en biot , wannéér 
wij acht geven op de uitzetting van het kwik, zoo 
als dezelve naderhand door dülong en petit be- 
paald is , vinden wij het gewigt van een' cubieken cen- 
timeter kwik, bij o", gelijk aan 138^,590152 (t). Dé 
zelfde Natuurkundigen vonden het gewigt van een' 
cub. centimeter drooge dampkringslucht , bij 0% en 
onder eene drukking van 0^,76, te Parijs, dus op de 
breedte van 48° 50' 14", gelijk aan oS'', ooi 29954 1 (§). 

Wanneer men hieruit wil afleiden, het gewigt 
van een' cub. centimeter dampkringslucht te Port 
Bowen, bij 0°, en eene drukking van o™,76, zal men 
men 06^,001299^541 moeten vermenigvuldigen , met de 

re- 

(*) Traite de Mécanique Cékste , T. V. p. 121— 123. 
Men kan hierover ook nazien poisson, fur la vitesfe du 
foni Ann. de Ch. et de Pbyf. T. XXIII. p. i feqq. ; ,v 

(t) Biot , 1. I. T. i . p. 402 feqq, 

(§) Biot, 1. 1. T. i. p. 387* 



( 288 ) 

edev an de intenfiteii der zwaartekracht te Parijs, tot 
die van Port Bovven. 

Zij de intenfiteit der zwaartekracht 
voor de breedte van Port Bowen g, en deze breedte /,• 
Parijs ..... ^;^ ,r— r*^- — /' , 

450 .... (^0 - ^'> 

Dan heeft men : 

g = (^) (1—0,002837 Coj. 2 /) 

^' = (^3 (i —0,002837 Cos, 2 /') 

- g 1 — 0,002837 Cos. 2 / . 
en dus —r. = z — -p, -7- 

• ; •;:'.'; it, 7 c^'>ii.. I — 0,002837 Los. 2/ ';' 

De breedte van Parijs of /' = 48° 50' 14"» dus 
Cos. 2 /' r= — 0,133544. De breedte van Port 
Bowen of / = 73° 13' 39" (*), Cos, a. l =z 

ff I,002'364503 

-0,833452. Bijgevolg 4; = ^ *^ "^ 



g' 1,000378864. r^ 

Bij eene drukking van o™,7ó en eene temperatuur 

van o» centigr. is dus, te Port Bowen, het gewigt 

van een cub. centim. drooge lucht 

os>-,ooi 299541 X i,oo23645o'5 

r— = oSTjOO 1302 1206, 

1,000378864 90 

0,0013021206 1 ;i 

en D =- 



135596152 10441,545' 

bij eene drukking p, en eene temperatuur t, is dus 

D= ly 

10441,545 X o'",76 (i + 0,00375 O 

Wij vonden de intenfiteit der zwaartekracht te Port 
1,002364503 
Bowen, of ^ = ^' 1,000378864 ' ^" ^'"'^^'^ ^' = 
9"',8o88, volgens de proeven van borda, is bij ge- 
volg g r= 9%82827. 

Volgens de proeven van deheeren gay-lussac en 

WEL- 

(*) Journal, p. 94 en p. 64 van het Appendix. 



C 289 ) 



WELTER, is de rede tusfchèn de specifi'qüë "waróite 
der lucht, bij eene bestendige drukking, en die bij 

eene bestendig volumen, of — = 1,3748 (*)', ^„ 
Wanneer wij alle deze waardijen stellen in de formule 



voor de snelheid van het geluid : 



verkrijgen wij " ,1-' 

\ — y pm^82827 X 10441*545 X 0,76(1 +0,00375 O ^ /^1j3748. 

Wanneer men in deze uitdrukking achtereenvolgens 

L de waarden.' van t stelt , zoo als die bij de verfchillen- 

^' de waarnemingen zijn opgegeven, verkrijgt men de 

volgende vergelijkende tafel, tusfcben. de waargeno-' 

P mene en berekende fnelheden. ■!- t : - ■ f 



DAG 

DER WAARNE- 


WAARGENOMEN 
SNELHEID 


BEREKENDE 
SNELHEID 


GROOTERp • 
SNELHEID 
WAARGENOMEN 


■1 MING. 


IN METERS. 


IN METERS. 


IN METERS. 


1824. 


.. iiuij n- 






Nov. 24. 


317,138 


313,866 


3,272 


Dec. 8. 


316,178 


313,153 


3,025 


1825. 








Jan. 10. 


313,639 


303,006 


To,633 


Febr. 7. 


311,194 


307,576 ' 


3,618 


« 17- 


316,760 


309,927 


6,833 


w 21. 


307,930 


302,820 


5,110 


Maart 2. 


309,183 


302,450 


6,733 


„ 22. 


312,917 


308,666 


4,251 


Junij 3. 


334,764 


327,981 


6,783 


» 4. 


340,793 


328,475 


12,318 



(*) Traite de mécanique céleste, T. V. p. 
Jance des tems y 1825, p. 372. 

^4 



Wij 
126. Connais- 



C 290 ) 

Wij zien hieruit, dat van de tien waarnemingen, vijf 
vooral zeer wel met de theorie overeenstemmen, na- 
melijk die van 24 Nov. , 8 Dec. , 7 en 21 Febr. en 
22 Maart; de waarnemingen van 17 Febr., 2 Maart 
en 3 Junij stemmen minder goed met de tl)eorie over- 
een, terwijl de waarnemingen van 10 Januarij en 
4 Junij een zeer groot verschil met de theorie ople- 
veren , waarom ik deze twee laatste waarnemingen , 
van de verdere beschouwing dezer proeven zal uit- 
i-\,. fluiten. 

Het is moeijelijk te bepalen, wat dereden moge zijn, 
dat de waarneming van 10 Januarij zoo aanmerkelijk 
met de theorie verfchilt; doch de oorzaak van het 
verfchil tusfchen de berekende en waargenomene fnel- 
heid van 4 Junij, is gemakkelijk te vinden, en ligt 
zeker in den sterken wind , op dien dag , in de rigting 
der bafis. .; • .,.).,i-r.,.' 1 o a (i ^ 

Om de proeven met elkander onderling re vergelij- 
ken, en het algemeen befluit uit dezelre te kunnen 
opmaken, zullen wij dezelve tot de zelfde temperatuur 
herleiden, en wel tot 0°, van den honderddeeligen 
thermometer. 

Wanneer V' de fnelheid van het geluid voorstelt 
bij o", en D de digtheid der lucht bij die zelfde tem- 
peratuur, zal men hebben 

als nu V deze fnelheid voorftelt bij ^°, al het overige 
het zelfde blijvende, is 

V = I Z^^ Cl +0,00375 ^ -) X T^^ 
waaruit ^ — V i 4, 0,00375 t Vol- 



( api ) 

Volgens deze uitdrukking verkrijgt liien de fhelheid 
van het geluid bij o». 



> 

C 

> 

O 

»-< 
&. 

(U 
-O 

<U 

'S 
> 



'24 Nov . . -,-. 330^,866 

8 Dec. .... ....-»-. 330, 614 

7 Febr. 331., 304 

17 ...... ... 334, 67a 

21 'Ij ;1* 332, 978 

2 Maart . ._-;_j_;j^. 334 , 74' 

"^^ • .• • • • ^cr-.;^;" 331» 9^^ 

> 3 Junij .....;. .'.334, ^^5 

Gemiddeld '. . . 332™ 673 

De theorie geeft 327, 45a 

Verfchil . ;'-,' . v »' ^\' 



5""? 221 



Het grootfte onderling verfchil der waarnemingen 
beftaat tusfchen die van 8 December en 2 Maart, 

dit verfchil is 4"», 127 of 5^ van de gemiddelde 
fnelheid. 

Wij hebben, bij onze berekeningen , geen acht kun- 
nen geven op de fpanning van den waterdamp , om- 
dat de hygrometer gedurende de proeven niet is 
waargenomen , of t,^n minfte deze waarnemingen niet 
zijn medegedeeld. Doch, uit hoofde der lage tempera- 
turen, waarbij de proeven genomen zijn, zou ook 
deze fpanning flechts eenen geringen invloed op de 
uitkomst der proeven en der berekeningen kunnen 
hebben , al veronderftelde men , dat de lucht geheel 
met waterdampen verzadigd geweest ware. 
^ Om dit nader aan te toonen , ftellen wij de fpan- 
ning van den waterdamp = T; volgens de proe- 
ven van GAY-LussAC, is de digtheid van water- 

^ 5 damp 



( 292 ) 

damp Hechts ^ van de digtheid vati drooge lucht; 
de uitdrukking voor D wordt dus: ! f •■/h'^ ij/! nzi 



10441,545x0,76 (1 + 0,00375 O 

al het overige blijft het zelfde. Deze waarde in de 
formule gefield, wordt de uitdrukking voor de fnel- 
heid van het geluid, of 



¥"=^.10441.545x0,76(1+0,00375^-^ X prs: 

Wij hebben de fnelheid berekend volgens de uit- 
drukking 



v''=/^. 10441,545 X 0,76(1+0,005750 X /^je: 



waaruit 



V" = Vx^^^,V = ^-^ 



Wij moeten dus om op de fpanning des water- 
damps bij onze berekeningen acht te geven , de be- 



rekende fnelheden met f^—l — , vermenigvuldigen , 

en om de proeven tot volkomen drooge lucht te her- 
leiden, moeten wij daarentegen de uitkomften van de- 



zelve door Z/Li — deelen. 

Wanneer N. het aantal graden voorfielt beneden 
100° van den honderddeeligen thermometer, en Tn 
de fpanning des waterdamps bij die temperatuur, in 
eene ruimte , met waterdampen verzadigd , zal men 
hebben, volgens eene formule, uit de proeven van 
DALTON afgeleid, 

Log. 



( 293 ) 



': Loè. Tn £= 1,8808101 —'"0,01537271116 N 


■■— 0,0000673241 N* + 0,00000003377 N^ (♦). 


Zoo wij in deze formule achtereenvolgens voor N 


ftellen 121,67; 122,78;. i 


31539; 127,78; 138,61; 


139,17; 129,72 en ,99» 17 
des waterdamns. of .'. .. 


,,.. vinden wij de fpanning 


i 




(o 


■",001 183653; . 


. . bij — 21°, 67 C. 




0,001097331 . . 


. . — 22, 78 




0,000595713 . . 


— 31, 39 


T -_ )o,ooo77io34 . . 


— 27, 78 


0,000352187 . . 


— 38, 61 


0,000336899 .. . 


^ 39, 17 


0,000680954 . . 


— 29, 7a. 


j'ipvó 10,005324648 .:. 
Hierdoor vinden wij: 


+ 0, 83 


D A G 

UER WAARNE- 
MING. 


Berekende fnel- 
lieid in de veion- 

derftelling van 

volkomen drooge 

lucht. 


Berekende fnel- 
heid in deveron- 

derftelling van 

volkomen vochtige 

lucht. 


verschil; 


Nov. 24. 


3i3-,866 


3i3'",958 


0^,092 


Dec. 8. 


313,153 


313,239 


0,086' 


Febr. 7. 


307,576 


307,622 


0,046 


M 17- 


309,927 


309,987 


0,060 

0,027'' 


„ 21. 


302,820 


302,847 


Maart 2. 


302,450 


302,477 


0,027 


y, '22.' 


308,666 


308,715 


0,049 


Junij 3. 


327,981 


328,406 


0,425' 



Het 
(*) Ik heb deze formule genomen uit mijne Commen- 
tatie (p. 46^ gedrukt in de Annalen der Utrechtfche Akg. 
demie van 1822—1823; met eenigzins andere coëfficiën- 
ten IS dezelve door biot gegeven , 1. 1. Tom. I. p. 277. 



C 294 ) 



DAG 

DER WAARNE- 
MING. 



Nov. 24. 
Dec. 8. 
Febr. 7. 

« 17- 
„ 21. 

Maart 2. 
„ 22. 

Junij 3. 



Waargenomen 

fnelheid, herleid 

tot 0°. C, zonder 

acht te geven op 

de fpanning 

van den 
waterdamp. 



3ó 



o"', 8 66 
33o>6i4 

33I5304 
334,672 

332,978 
334,741 
33159Ö1 
334,245 



Gemiddeld' 



332°',673 



Waargenomen 
fnelheidf , herleid 
tot o°.C.,endrooge 
lucht , in de ver- 
onder(i:clling,datde 
lucht met water- 
dampen zij verza- 
digd geweest. 



33oni 



330,523 

33^,255 
334,608 

332,949 
334,713 
331,908 

333,813 



332^567 



VERSCHIL. 



D",097 
0,091 
0,049 
0,064 
0,029 
0,028 

0,053 
0,432 



O'^jIOÖ 



Het blijkt hieruit, dat, bij deze proeven, het ver- 
zuim van hygrometrifche waarnemingen van weinig 
beteekenis is , in de veronderflelling zelfs , dat de 
lucht geheel met waterdampen verzadigd geweest zij. 

Wij vonden het verfchil tusfchen het gemiddelde 
dezer proeven en de theorie 5^,221 ; de proeven van 
Prof. MOLL en Dr. van beek geven een verfchil 
van 4™,598; deze zelfde proeven gaven de fnelheid 
van het geluid in 1" bij 0° C. en volkomen drooge 
lucht 332^,05; het gemiddelde uit de proeven van 
de Heeren parry en foster geeft deze fnelheid 
332'",673, wanneer men de geringe fpanning van den 
waterdamp niet in aanmerking neemt; het verfchil is 
dus 0^,623 ; in de veronderflelling dat de lucht vol- 

ko- 



C 295 ) 

komen vochtig ware , bij de proeven vain "parry en 
FosTER, wordt dit verfchil flechts o™,5i7. Doch, in 
beide gevallen, zal men het verfchil als zeer gering 
moeten achten, wanneer men in aanmerking neemt, 
-dat de proeven van Prof. moll en Dr. van Beek 
van den 27 en 28 Junij 1823, onderling een verfchil 
van 0^,66 hebben opgeleverd. 

De overeenkomst tusfchen proeven, onder zoo wijd 
uiteenloopende omftandigheden genomen, kan, dunkt 
mij, als een bewijs voor derzelver naauwkeurigheid 
worden aangenomen. In het geheel kan het oordeel 
over deze proeven, niet anders dan gunstig wezen. 
Wij hebben , wel is waar , de proeven van 10 Januarij 
en 4 Junij , om derzelver groot verfchil met de theo- 
rie, uitgefloten, om eene betere uitkomst te verkrij- 
gen , maar dit verfchil van den 4 Junij , moet aan den 
fterken wind op dien dag, en geenszins aan de mindere 
oplettendheid der waarnemers toegefchreven worden. 
Het verfchil bij de proeven van 10 Januarij , kan wei- 
ligt ook in de omfliandigheden gelegen zijn , doch al 
moest hetzelve ook geheel aan de waarnemers gewe- 
ten worden, zou het niet te verwonderen wezen , dat 
de waarnemingen van een' enkelen dag , bij eene kou- 
de van 37° onder nul van fahrenheit, minder 
gelukkig waren uitgevallen; veeleer hebben wij reden, 
om de goede uitkomst te bewonderen van het geheel 
dezer proeven, onder omfliandigheden genomen, die 
ons bijkans ondragelijk voorkomen. ' '" "•"', 

'Het grootfte onderling verfchil der proeven, ''^oor 

ons aangeteekend, is 5^ van, de gemiddelde waarge- 

nomen fnelheidj dit verfchil is bij de proeven van Prof* 
MOLL en D'. VAN BEEK flcchts s§3. — Doch wij 

moe- 



C 296 ) 

moeten hierbij in aanmerking nemen, dat de:lengfc 
der bafis, bij de cerfte proeven, nog geen J bedraagt 
van die lengte, bij de anderen (*); eenmisflag van o",'i 
in de waarneming, gaf, bij parry en foster, een 
verfchil van meer dan ylj van de waargenomen fnel- 
heid, bij Prof. MOLL_;en Dr. van beek, nog geen ^ïg. 
Deze proeven geven, even als alle vorigen, eene 
grootere fnelheid dan de theorie ; offchoon het ver- 
fchil tusfchen de waarneming en de berekening, bij 
deze en andere goede proeven , niet zeer aanmerkelijk 
moge zijn, maakt evenwel dit beftendig verfchil, aan 
eene en de zelfde zijde, het meer dan waarfchijnlijk , 
dat er omftandigheden beftaan, die op de fnelheid van 
het geluid invloed hebben, en niet in de formule zijn 
opgenomen; of dat de elementen der formule nog 
niet naauwkeurig genoeg bepaald zijn. Misfchien ook 
wordt het verfchil door beide oorzaken voortgebragt. 

■j.3i) 01:;. 

ir. 

.3-,- OVER DE TABASHEER. 

Door VAN RossEM, Med. Doct. te Amfterdam. ;•. 

""ïn'het Jahrbuch der Chemie und Phyfik 1828, 
B. I, Heft 4, van schweigger, vindt men uit 
het Edinburgh Journal of Science, N°. XVI over- 
genomen, eene verhandeling van d. brewster, be- 
vattende de natuurlijke gefchiedenis en eigenfchappen 

^ van 

(*) De lengte der bafis bij ■ de proeven van Profesfór 
MOLL en Doctor van beek , was i^ööp^jsS. 



( '^97 ) 

van de Tabasheer, (zijnde de kiezelvormirig ïn het 
Bamboes-rieO.. — De ontdekking dezer zelfftajidigheid, 
zoo zeer de aandaciit der Natuurkundigen waardige 
verdient allezins: onze opmerking zoo wel om deszelfs 
ontftaan uit de fappen dezer plant, de zeldzaamheid j 
waarmede dezelve in planten voorkomt, als om derzelver 
eigenfcbappen. — Een kort uittrekfel uit de genoemde 
verhandeling zal dus ook bij onze Natuuronderzoeker» 
niet geheel onwelkom zijn. ' • 

In de Philof. Transact. 1819, had brewstèr vele 
eigenfcbappen van de Tabasheer opgegeven, finds heeft 
hij, door het ontvangen van een fchoone verzameling 
van ftukken dezer zelfftandigheid , gelegenheid gekre- 
geq, om dezelve nader te leeren- kennen. 

De Bamboes , waarin zich de Hof bevindt , door den 
Gouvernements - Secretaris s win ton aan brewster 
toegezonden , -was vergezeld van eenige opmerkingen 
ovex diQ Tabasheer ^ welke Dr. wilson , Secretaris 
van de Aziatifche Maatfchappij te Calcutta, uit fchrif- 
ten van geneeskundigen inhoud in de Sanskritifche. taal, 
had getrokken. „Bambus 7 Manna {Bamboa-Mannay 
zegt T)^. wiLsoN , is in de Materia Medica der Hifl-i 
does onder , verfcheide benamingen bekend, welke 
zoo: veel:.beteekenen, dat dezelve een .voortbrengfel 
van. het Bamboes -riet is, of tegelijk eene zijner zigt- 
barg eigenfcbappen beteekenen^ als de Melk, de'Süi^ 
k&r oi Kamfer s^n het Bamboes-riet. — i De mee^- 
gfvjc^m wz^rn '\^ Banfa-rochuna. — De naiaöiy van- 
welken ?ich -de, Muhamedanen in Indien gewoonlijk 1)'e-' 
dienen, is Tabasheer, een Arabisch woord j welkivi^f^ 
Müsia aldus verklaart: ■.„ liquor, fpecie^ fdcchari con- 
cretus in aru.ndine Indica major e, et quafi petrefac-^' 
,r!0 .'jïoqgij.'i iiijMf 



( 298 ) 

tum^ in India Jiiccar Batiibu (Suiker van de Bamboes) 
dicittir, pro quo cineres nodorum aut radicum vulgo 
diitrahi föhnt.'"'' 'i^as P'-'-- 

Volgens Sanskritifcbe fchriften over Geneeskunde, 
die namelijk van Bhava Prakas en Raja Nighant 
is de Bunslochum (fieraad van de Bamboes) eenigzins 
wrang, zamentrekkend en zoetachtig van fmaakj de- 
zelve bezit verkoelende eigenfchappen, matigt den dorst 
en de koorts , en helpt tegen hoesten en engborstig- 
heid — verbetert de vochten en bewijst goede diensten 
in de geelzucht en melaatsheid. — Hare hoofdeigen- 
fchap echter, om welke deze (lof het meest geacht 
wordt, fchijnt hare verfterkende kracht te zijn, 
terwijl zij ook hoog geroemd wordt als jiphro' 
difiacum, ...r^ i';.' 

Op de markten van Calcutta wordt de Tabasheer 
in driederlei toeftand gevonden ; de beste noemt men 
Patnai, om dat dezelve uk Patna Wordt aangevoerd, 
beftaande uit kleine vaste ftukken, melkachtig van 
kleur, een' Emailglans bezittende en half doorfchijnend 
zijnde. Men noemt deze foort ook Nilkunthi , om ;' zijne 
blaauwachtige kleur, en Paharika om dat dezelve 
van Pahai wordt gebragt. — De tweede foort is' 
witachtig, heeft noch glans, noch doorzigtigheid , - 
en laat zich gemakkelijker dan de vorige verdeelen.-^' 
Zij heet Chheluta. — De derde en flechtste foort heet 
Deft^ of van het land komende ; is wit , minder ver- 
deelbaar dan de tweede foort, doch zonder glans en 
doorzigtigheid. — Deze laatfte is in water oplosbaar , 
de anderen niet. 

Men vindt de Bunslochum te Zelda, Boodoo zestig - 
mijlen van Hazazelbach , te Luka Kole, te Pala- 
ïuon en Nagpore. On- 



( 299 ) 

Onder 5o—6o planten zijn er flechts vijf of zes, die 
deze (lof bevatten. Uit ieder Bamboes-riet verkrijgt 
men gewoonlijk vier of vijf greinen , zeldzaam 40—50 
greinen. — In hetzelfde riet vindt men dezelve van ver- 
fcheidene foorten — de beste heeft eene blaauvirachtige 
witte kleur, en eene glinsterende oppervlakte — eene 
flechtere foori ziet wit als kalk, en mist allen glans; 
de flechtste foort eindelijk is bruin , dikwijls zwart. — 
De eenige bereiding beflaat in eene onvolkomene bran- 
ding; tot dit einde wordt eene hoeveelheid in een 
open vat , uit gedroogde klei vervaardigd , op een ko- 
lenvuur geplaatst, en hetzelve door blaasbalgen zoo 
lang verflerkt, tot dat het vat en de daarin bevatte 
(lof roodgloeijend worden. — Eerst wordt het Manna 
zwart; roodgloeijend zijnde, geeft het eene (ijne aro- 
matifche reuk van zich. — Eenigen tijd wordt hetzelve 
gloeijend gehouden en met eene ijzeren ftaaf omge- 
roerd. Het vuur uitgaande, bekomt de Bunslochum 
bij het koud worden zijne witte kleur. — In dezen 
(laat wordt deze zelf Handigheid ter markt gebragt, 
en wordt in de gedaante van poeder als verfterkend 
middel gebruikt , of ook wel met Betel gekaauwd , 
beide met oogmerk om het ligchaam te (lerken. 

Brewster laat hierop nog eenige waarnemingen 
over de Tabasheer volgen, die hoofdzakelijk de vol-, 
gende zijn : 

Daar deze zelfdandigheid zich in een klein getal 
van Bamboes- riet bevindt, zoo meende men te kun- 
nen aannemen , dat het eene ziekte der plant is , als 
dezelve gevonden wordt. 

Een inwoner van Vizagipatara , die eenige honder- 
den planten onderzocht, bemerkte, dat in eiken knop, 

BIJDRAGEN , D. III. ST. I. V Wel- 



C 300 ) 

welke Tabaiheer bevatte , eene kleine opening was , 
welke duidelijk door den fleck van een Infekt was ver- 
cfórzaakt , ên geloofde deswege , dat de fappen der 
plant door deze opening vloeiden , en aldaar tot Ta- 
basheer uitdroogden. 

Deze waarneming is geenszins aldus. — Ik heb (zegt 
brewster) de Tabasheer in vele knoppen gevonden , 
waarin geene zoodanige opening was, én daar deze ope- 
ningen niet met deze kiezelachtige ftof aangevuld zijn, 
daar zich verders g^tVizTabasheer vertoonde, zoofchij- 
nen deze aan de vorming geen aandeel te hebben. — Eene 
kleine afbeelding bij deze verhandeling toont , hoe 
deze ftof zich in het Bamboes bevindt. — Brewster 
befluit uit zijn onderzoek, dat de vochten der plant 
zich ïn de knoppen verzamelen , en dat het waar- 
fchijnlijk niét in het inwendig holle deel van het Riet 
kan komen j zoo lang de binnenfte rand en het vlies on- 
befchadigd blijven, hetgeen zoo lang de plant gezond 
blijft, het geval is. Zoo echter het vlies door ziekte is 
befchadigd of geheel vernietigd, zoo vloeit het vocht 
langs den knop door, overtrekt de opening en ver- 
hart alsdan in het vervolg tot Tabasheer. De hoe- 
veelheid^ 'welke in eene plant voorhanden is, hangt 
dus niet af van de grootte derzelve , maar van den zieke- 
lijken toeftand va:n derzelver knoppen 5 men zal de gröot- 
fte hoeveelheid in de zoodanige aantreffen, bij welke 
de knoppen geheel zijn vernietigd. Kapitein playfair 
zegt , dat vier of Vijf greinen de gewone hoe- 
veelheid is ; brewster vond tot twintig greinen. 
Door het affnijden en vervoeren van het Riet ge- 
raakt de verharde Tabasheer los; men vindt daarom 
dezelve in afzonderlijke ftukken van verfcliillende 

groot- 



C 301 ) 

grootte. — Door het geluid, hetwelk het Riet maakt, 
als men hetzelve beweegt , kan men zich van de 
aanwezigheid van deze zelfftandigheid overtuigen. 

De zuiverheid der Tabasheer is verfchillende: de 
fchoonfte verfcheidenheid , welke tevens de zeld- 
zaamfte is , heeft eene azuurblaauwe kleur^ laat 
zich gemakkelijk tusfchen de vingeren verdeden ; 
BREwsTER vergelijkt dezelve bij Halfopal. Eene 
andere verfcheidenheid is geel , eenigzins als Mo- 
lybdeenzuur lood. — Eene derde is wit, aan de kan- 
ten doorzigtig als Cacholong. — Eene vierde ein- 
delijk , heeft het aanzien van kalk en is geheel on- 
doorzigtig. — In eenig Bamboes vond brewster 
een ligchaam , hetwelk veel overeenkomst met Jaspis 
had; in ander was de oppervlakte met een glinfte- 
rend Email overtrokken , hetwelk volkomen den glans 
van kwarts had. — In eene noot wordt een uittrek- 
fel uit de Phil. Transact. 1797 Vol. LXXX. pag. 
283 door MACiE medegedeeld , hetwelk , om deszelfs 
merkwaardigheid, hier vermelding verdient; „ Een 
groen Bamboes (zegt macie) , hetwelk in eene trek- 
kas van Dr. pitcairn te IlUngton werd afgcfneden , 
meende men , dat in eencn zijner knoppen Tabasheer 
zoude bevatten^ omdat hetzelve bij het f chiidden ram- 
melde : als echter Sir j. banks hetzelve van een 
[pleet , vond hij geene gewone Tabasheer , doch een' 
vasten Kiezel/leen , ter grootte van eene halve erwt. 
Uitwendig bezat deze kiezel eene onregelmatige ronde 
gedaante^ en had eene dojikerbritine of zwarte kleur: 
inwendig dezelve roodbruin^ niet ongelijk aan ijzer- 
fteen, In eenen van derzelvcr kanten trof men 
giinfierende deeltjes aan , welke kristallen fchenen te 

V 1 zijn 5 



C 302 ) 

zijn , die echter uit hoofde van de Idcinhcid door het Mi- 
croscoop niet duidelijk onderfcheiden konden "oorden, — 
Deze /lof was zoo hard^ dat men glas daarmede kondc 
fnijden — voor de blaaspijp bleef dezelve onveran- 
derd — met Borax behandeld^ loste dezelve zich niet 
op , doch verloor de kleur — met Soda bruiste 
dezelve op, en vormde eene ronde Paarl van een 
ondoorzigtig en zwart glas — deze Paarlen , met 
zoutzuur behandeld en met ijzerhoudende blaauw- 
zurepotasch beproefd ^ gaven de tegenwoordigheid van 
ijzer tn kennen.'''' 

De fcheikundige zamenftellingder Tabasheer is nog 
niet volkomen bepaald. — Die , welke Dr. russel 
in 1790 uit de Indien bragt, beftond, volgens smith- 
SON , uit zuivere Kiezelaarde: fourcroy en vauque- 
LiN, die eenige (lukken ontleedden , door v. hum- 
BOLDT uit Zuid-Amerika medegebragt , vonden in 
dezelve 70 deelen Kiezelaarde en 30 deelenPotasch. — 
Naderband beeft john bevonden, dat behalve dezen, 
nog eenige aluinaarde en fporen van water, kalk 
planteftof en ijzer-oxydule, aanwezig zijn. 

Brewster fchijnt, betreffende de herkomst der 
Kiezelaarde of Tabasheer in het Bamboes , van gevoe- 
len te zijn, dat dezelve een wezenlijk deel der plant 
zelve is, en waarfchijnlijk eene gewigtige rol in de 

planten-huishouding fpeelt. E. turner, Prof. 

Chemiae te Londen^ die ooY^tTabasheerovi^exzoz^iX.^ 
is van meening , dat de Kiezelvormingen in de knop- 
pen van het Bamboesriet in het vocht der plant moe- 
ten opgelost geweest zijn , en uit de groote hoe- 
veelheid Kiezelaarde in de opperhuid van het Bamboes 
meent hij te mogen afleiden, dat deze aarde niet een 

toe- 



i 



C 303 ) 

toevallig, maar een wezenlijk beftanddeel van de vech- 
ten der plant uitmaakt. De wijze (zegt hij ver- 
derf, hoe eene zoo moeijelijk oplosbare ftof, door 
de wortelen der plant opgenomen wordt , is nog niet 
duidelijk. 

Men zoude kunnen aannemen , dat de Kiezelaarde , 
als dezelve uit eenige ligchamen , waarin zij is 
bevat , wordt afgefcheiden , door het water wordt op 
genomen , of dat de Kiezelaarde in den gewonen toe- 
ftand, door middel van een Alkali in water wordt 
oplosbaar gemaakt. Vond men beftendig kali in 
den Tabaskeer^ zoo zoude het laatfte gevoelen het 
aannemelijkfte zijn; doch daar ook volgens ber- 
ZELius de Kiezelaarde , wanneer zij aan de inwerking 
van water wordt blootgefteld, daarmede kan vereenigd 
worden, is het toch ook mogelijk, dat zij aldus 
wordt aangevoerd. 



GEDACHTEN OVER DEN HONIGDAUWJ 
door H. C. VAN HALL. 



« Ganz. berichtigt sind die Begriffe 
'nvon den Kranhheiien der Pflanzen 
anoch nicht.''' 

Thaer, Grundsalze, 1821. IV. p. aS. 

i-/e verfchillende ziekten , welke de granen en an- 
dere gewasfen aandoen en op den land- en tuin- 
bouw vaak eenen gewigtigen invloed uitoefenen, wor- 
<fen, hier te lande, nog zoo dikwijls met elkander vec- 

^ 3 ward. 



C 304 ) 

ward, en er heerfchen, op fommige plaatfen , nog zod 
vele verkeerde begrippen over derzelver waren aard, 
dat het niet overbodig kan geacht worden, op dit punt 
de aandacht te vestigen, en door eene gezette overwe- 
ging der tot hiertoe gedane waarnemingen over een 
gedeelte derzelve, iets tot derzelver regte kennis toe 
te brengen. 

Ik zal mij tot dit einde vooreerst bepalen tot den 
honigdaim ^ en beginnen met deze ziekte te onder- 
fcheiden van andere diergelijken, welke foms, of in- 
derdaad, of Hechts door verwarring van naam, met 
dezelve verwisfeld worden. 

Gewoonlijk verftaat men onder honigdaim (melligo) 
eene zoetachtig-kleverige ftof, welke bij warm en 
droog weder op de bovenfie oppervlakte der bladen 
van onderfcheidene boomen en vooral van de linden , 
eiken en elzen, en ook op andere gewasfen aange- 
troffen wordt. Zij wordt fomwijlen verward met den 
meeldauw (albigo) en door velen met deze ziekte 
voor eenerlei gehouden. Zonder nu bepaaldelijk overal 
verwarring van denkbeelden te dezen aanzien te mo- 
gen vooronderftellen , is het zeker , dat het fpraakge- 
bruik op meer dan eene plaats den meeldauw neemt 
voor honigdauw , en omgekeerd (*). Ter vastere be- 
paling echter der onderfcheidene woorden, waarvan 
men te dezen aanzien gebruik maakt, geloof ik, onder 
meeldauw te moeten verfiaan , die witte vlekken , 
welke vaak op de bladen der hop (JJumulus lupulus^, 
der erwten, en der doove netelen {Lamium album 

en 

(*) Zie Staat van den Landbouw in het Koningrijk der 
Nederlanden over 1819, § 4. 



( 305 ) 

^n purpureuni) enz. gezien worden , welke ook dik- 
wijls het mt genoemd, en door de Botanisten gehou- 
den worden voor onderfchejdene foorten van het cryp- 
togamisch plantengeflacht Eryfiphe hedw. of Jlphi- 
tomorpha wallr. (*). Anderen gelooven , dar het 
een witachtig flijm is, waarmede fommige foorten van 
bladliiizen de bladeren zouden bedekken. Deze ziekte 
komt gewoonlijk op de peulvruchten voor, doch vol- 
gens fommigen ook als eene kleverige uitzweeting op 
de tarwe (f) , en fchijnt dan den honigdauw al zeer 
nabij te komen. 

In het vierde deel, derde ftuk der Verhandelingen 
van het Zeeuwsch Genootfchap, Middelburg 1827, 
fchijnt de honigdauw geheel en al verward te worden 
met den roest (rubigo). Immers de uitgeverg van ge- 
noemde Verhandelingen doen de in dat fluk voorko- 
mende bekroonde Verhandeling van den bekwamen 
landman h. ponse , over den honigdauw, voorafgaan van 
eene eenigzins bekorte vertaling van het bekende werk 
van j. BANKS , On the Blight in Corn , (geplaatst achter 
de Praciical Ohservations on the British Grasses van 
euRTis, London 1805,) in welke Verhandeling ech- 
ter, ook volgens den Engelfchen Schrijver loudon 
t. a. pi. § 1657, alleen die foort van roest bedoeld 
wordt, welke, op de bladeren en halmen dèr granen 
ontfi:aande , als een roestachtig ftof van tusfchen de 
opperhuid der plant te voorfchijn komt , hetwelk bij de 

Bq- 

(*) Zie THEM. LESTiBouDois, Botaiiographie Belgique 
1827. I. p, 166—169. ' 

(t) J. c. LOUDON, Enc:jcIopadie der Landv)irthfchaft , aus 
dem Englifchen. Weimar 1827, § 1359. ' 

Va 



C 3o6 ) 

Botanisten als ecne crypt ogamifche plant (Uredo 
rubigo-vera van decandollr) bekend ftaat, en in 
de aangehaalde Verhandeling van banks, door den 
uitmuntenden Teekenaar fr. bauer op eene voor- 
treffelijke wijze is afgebeeld (*). Men ziet den eigen- 
lijken honigdauw alleen geheel boven op de opper- 
vlakte der bladeren enz. , terwijl de roest de opper- 
huid der plant zelve doet openfcheuren. Met den roest ^ 
eene ziekte, die eene opzettelijke behandeling voor- 
zeker wel zoude verdienen, vindt men dikwijls kleine, 
geelachtig - roode wormtjes vereenigd , welke het na- 
deel dezer ziekte vermeerderen en door fommigen 
voor de oorzaak der kwaal worden at;ngezien. Dit 
komt mij echter minder geloofelijk voor , daar ik dik- 
wijls roest zonder zoodanige wormtjes gezien heb ; 
doch er fchijnt meer dan eene foort van roest te be- 
ftaan. Zie loudon t. a. pi. § 1653—1657. 

Deze onderfcheiding van den honigdauw van de 
beide genoemde plantenziekten (want met de eigen- 
lijke brand -aren (f) zal wel niemand den honigdauw 
verwisfelen) wordt ook nog bevestigd door hetgeen 
wij nopens de eigenlijke natuur van den honigdauw 

uit 

(*^ De woorden ook van banks, t. a. pi,, p. n , „/jr 
„ is believed to begin earlj in the spring and fint to appear 
„ on the kaves of wheat in the form of rust , or orangc 
„cokured powder''' , pasfen zeker niet op den gewonen 
honigdauw. 

Cf) Nopens de brand-aren^ doorgaans veroorzaakt door 
Uredo carbo decandolle (JJ. Segetum pers.) , vindt men 
eenige Verhandelingen in de genoemde nieuwe Verh. van 
het Zeeuwsch Genootfchap. I. Deel, \%q-j. 



( 307 ) 

lilt de reeds bekende verfchijnfelen met eenige waar- 
fchijnlijkheid kunnen opmaken. De gevoelens hier- 
omtrent zijn zeer verfchillende : velen toch onder 
onze landlieden meenen , dat hij als een wezenlijke 
dauvf uit de lucht zoude nedervallen. Dat dit echter 
niet het geval is , blijkt onder anderen daaruit , dat 
dikwijls van twee naast elkander ftaande planten , de 
eene van den honigdanw wordt aangetast, terwijl de 
andere daarvan vrij blijft. Ook zal men op andere 
dan levende plantaardige ligchamen , bij voorbeeld op 
fteen, nooit honigdauw aantreffen, ten ware die van 
hooger ftaande boomen nedergevallen , of van andere 
gewasfen door den wind ware aangevoerd , uit welke 
oorzaak men fomwijlen ook den honigdauw als een 
oheachtig vliesje op het water ziet drijven. 

De beroemde curtis (Transactions of the Lin- 
naean Society , vol. VI; is van meening, dat de honig- 
dauw niets anders is dan de uitwerpfelen van bladluizen. 
Dat deze infekten fomwijlen door deze honigachtige 
ftof worden aangelokt en een diergelijk kleverig vocht 
op de planten achterlaten , is niet te ontkennen ; doch 
dit fchijnt iets anders te zijn dan de ziekte , waar wij 
thans van fpreken. Dikwijls toch zag ik honigdauw 
in overvloed, zonder eenig fpoor van bladluizen. 
Ook ziet men in het voorjaar de elzenboomen vaak 
geheel bedekt met bladluizen , welke echter meestal 
verdwijnen, wanneer in de maand Junij en in het 
begin van Julij de honigdauw zich op deze boo- 
men algemeen begint te vertoonen. Van daar dan 
ook het gevoelen van vele tuinlieden , dat de 
honigdauw de bladluizen uit het hout zoude ver- 

V 5 drij- 



( 3oB ) 

drijven (*> Dat de honigdauvv niet van de bladlui" 
zen afhangt , wordt ook bevestigd door de , allezins 
met de mijne ftrookende , waarnemingen van eenen on- 
genoemden in goethe's zttr Naturwisfcnfchaft über- 
haupt ^ hefonders zur Morphologie. Stuttgard und 
Tubingen 1820, Ërsten Batides, Drittes Heft, 
p. 294 en volgg. Deze Natuuronderzoeker zag het 
ondervlak der bladeren van eenen pruimenboom ge- 
heel met bladluizen als bedekt , tervi^ijl het bovenvlak 
dier bladeren honigdauw in overvloed, doch geene 
levende bladluizen toonde. Ook vond hij meenigmaal 
volftrekt geene van deze infekten op linden, die van 
den honigdauvv er als gevernist uitzagen. 

Wat mij betreft, houde ik den honigdauw voor eene 
affcheiding van de bladeren, en welligt ook van an- 
dere deelen der planten. A priori meen ik dit te 
kunnen opmaken uit de natuur der ftof zelve , welke 
met die van vele andere, door de planten afgefchei- 
den ftoffen , overeenkomt. Wij weten toch , dat bij 
voorbeeld de Berken een zoetachtig fap bevatten ; het- 
zelfde nam ik ook in den Kanadafchen Populier en 
in vele andere boomfoorten waar. Eene honigachtige 
flof wordt in zeer vele bloemen gevonden , onder an- 
deren ook in de bloemen van den Lindeboom , op 
welke de honigdauw ook menigvuldig voorkomt. Men 

kan 

(*) Sommige landlieden meenen ook, dat de honigdauw 
de rupfen zoude verjagen; doch die verdwijnen dei* rnpfen 
fchijnt mij veeleer van den tijd des jaars , waarin zij , naar 
hunnen aard, in popjes moeten veranderen, dan van den 
honigdauw af te hangen; daar zij alle jaren, genoegzaam om 
denzelfden tijd, hunnen ftaat van rups verlaten. 



C 309 ) 

kan het zoetachtig Manna zoo wel door infnijdingeri 
in den ftam van Fraxinus Ornus , L. (Ornus Eu- 
ropaea pers.) verkrijgen, als door het van de bla^ 
deren van dezen boom af te fchrappen (*). De uit- 
wafeming eindelijk der bladeren van gewasfen in den 
gezonden toeftand, is dikwijls ook fuikerachtig, gelijk 
DE LA HiRE dit aan Oranjeboomen waarnam (f), ter- 
wijl SPRENGEL (§) op de bladeren van Casfine Mau- 
rocenia ware fuiker vond , wanneer de zon door de 
glazen der broeikasfen te fterk op deze plant brandde. 

Meer waarfchijnlijk nog wordt dit gevoelen , wan- 
neer wij a posteriori de dadelijke waarnemingen hier- 
omtrent nagaan. Onze beroemde landgenoot mus- 
SCHENBROFK (**) waarfchuwde reeds , om de water- 
achtige uitwafemingen der gewasfen niet met den ei- 
genlijken dauw te verwisfelen, en noemt den honig- 
dauw ook reeds te regt eene uitwafeming der boomen 
en planten, ten bewijze waarvan hij zegt, op het Ra- 
penburg te Leyden honigdauvv gezien te hebben, in 
menigte gevallen op de jfleenen onder de boomen, 
terwijl de overige fteenen der ftraat geheel droog en 
zindelijk waren Cff). Eene dergelijke waarneming 

komt 

(*) J. E. SMiTH, Anleirnng zum Studium der Botanik, 
aus dem Englifchen überfetzt von j. a. schultes. Wlen 
1819, p. 145. 

(f) Zie SMITH t. a. pi. p. 145 en duhamel du monceau , 
Physique des arbres. I. p. 150. 

(§) Von dem Bau und die Natur der Gewachfe. Halle 
1812. p. 519. 

(**) Introductio ad Philofophiam naturalem. Lugd. Bat. 
1762, § 2345. 

(tt) Introd. § 2357, 



. C 310 ) 

komt ook in de aangehaalde Verhandeling bij goethb' 
voor. Het jaar 1827, waarin zeer veel honigdauw ge- 
vallen is , leerde mij mede ten duidelijkfte, dat honigdauw 
van plantaardigen oorfprong is, daar ik, onder ande- 
ren te Utrecht , deze (lof op en onder vele linden- 
boomen zag, terwijl de opene ftraat geen' honigdauw 
vertoonde. Kolbe verhaalt, dat de honigdauw voor 
het jaar 1708 aan de Kaap de Goede Hoop onbekend 
was, omdat de grond vóór dien tijd onbebouwd was, 
doch dat men dit verfchijnfel aldaar wel heeft waar- 
genomen , nadat, door de Hollandfche kolonisten, 
granen, moesgewasfen , boomen en wijnftokken aldaar 
gezaaid en geplant zijn (*). 

De honigdauw komt hier te lande meest in de 
maanden Junij en Julij voor , bij langdurige droogte 
en warmte , vooral zoo deze na eenen kouden voor- 
zomer volgen. Het fchijnt, dat de (lerke warmte 
alsdan de planten meer doet uitwafemen , terwijl van 
de uitgewafemde ftofFen de waterachtige deelen fpoe- 
dig vervliegen , en de meeste klevende honigachtige 
ftoffen op de oppervlakte blijven (f). De planten wafe- 
men , even als de mensch , in den natuurlijken toe- 
ftand onmerkbaar eenige vloeiflofFen uit iperfpiratio 
infetifibilis'), welke vochten bij fterke hitte zigtbaar 
worden als zweet ^ waarmede de honigdauw het best 

kan 

(*) Kolbe, Befchrijving van de Kaap. Eerfte Deel; 
MusscHENBROEK , § 2357. M.t\\ Vergelijke mede over den 
plantaardigen oorfprong dezer Hof einhof, Bemerkungen 
über den Mehlthau und Honigthau in hermbstadt , Archiv 
der Agricultur ■ Chemie , III. p. 416—422. 

(t) Men vergelijke het aangehaalde werk van goethe. 



C 3" ) 

kan vergeleken worden. Indien de mensch, even als 
vele gewasfen, fuikeraclitige vochten bezat , dan zoude 
dit zweet op de huid blijven kleven en door te groote 
menigte eindelijk met der daad fchadelijk worden. 

Even als nu zeer zwakke menfchen ligtelijk meer 
dan gewoonlijk uitvvafemen , even zoo ontftaat de ho- 
nigdauw ligtelijk bij gewasfen, die door vele onge- 
makken in den winter of andere oorzaken verzwakt 
zijn , op welke dus de warmte eenen fterkeren invloed 
heeft, terwijl de meer zwakke opperhuid de uitwafe- 
mende (lof ligter doorlaat. Van daar dat wij dikwijls 
den honigdauw bij zeer volfappige planten aantreffen, 
doch meer "ilfcg, gelijk de gefchiedenis van onzen 
Landbouw leert , bij planten , die door bijzondere 
oorzaken verzwakt zijn. Bij de laatflie ten minste zal 
hij veel nadeel veroorzaken , en er zullen ligter roest 
of andere kwalen op volgen. 

De honigdauw fchijnt dus uit de nadeelige werking 
van fterke warmte en droogte op planten te ontftaan. 
In eenen ligten graad is dezelve niet fchadelijk , wijl 
de Natuur zich alsdan door dit hulpmiddel van den 
te grooten overvloed van vochten fchijnt te ontdoen; 
doch wanneer dezelfde uitwendige oorzaken lang 
voortduren , en deze meer dan natuurlijke uitwafeming 
niet door regens enz. afgefpoeld wordt, vormt de 
kleverige ftof een digt vernis, waardoor de ver- 
dere uitwafeming vertraagd en de, eerst onfchade- 
lijke, ontlasting thans wel degelijk ziekelijk wordt. 
De warme en drooge zomers van 1826 en 1827 heb- 
ben veel honigdauw veroorzaakt. In het jaar 1828 , 
door langdurige regens afgewisfeld, is hij flechts kort 
te zien geweest. Hij tast niet alleen de boomen, 

maar 



( 312 ) 

maar ook andere planten aan. Onder de granen is 
de honigdauw vooral fchadelijk voor de tarwe (*) , 
doch tast ook de rogge aan (f). Ponse zegt(§), 
dat als de tarwplanteh' door de flakken gedund, of 
voor een gedeelte door de vorst vergaan , en de over- 
geblevene zwak zijn , men alsdan in den zomer dit 
kwaad altoos te verwachten heeft. 

Sommigen tellen den veenrook mede onder de oor- 
zaken, welke den honigdauw te weeg brengen, het- 
geen dan ook in zoo verre niet onmogelijk is , als de 
veenrook eene meer dan gewone droogte in den 
dampkring veroorzaakt (**)) en welligt ook op de uit- 
wafemende poriën der planten eenigen -invloed heeft. 
De ondervinding zal echter hieromtrent nader moe- 
ten beflisfen. 

Uit het voorgaande is genoegzaam gebleken , dat de 
honigdauw, in eenen hoogen graad aanwezig , voor 
een kenteeken moet gehouden worden van eene zie- 
kelijke gefleldheid der vochten eener plant, hetgeen 
2ich ook daarenboven vaak door eene ongezonde kleur 
der bladeren openbaart (ff). Wanneer nu de fappen 
eener plant in eenen tegennatuurlijken toeftand zijn, 
hebben zij als van zelven aanleg tot het voortbrengen 
van onderfcheidene crj/i/o^^OTZ/cy^ó planten (§§), het- 
geen 

(*) Staat van den Laiwiboiiw 1814, § 4, § 42. 

(t) Staat van den Landbouw 1808 , § 4. 

(§) Leerboek ov^r den Landbouw, !• p. 47. 

(**) Zie de Verhandeling van den Hoogl- thyssen over 
de vorming van den Mist» in deze Bijdragen II, i,bl<2i9. 

(tl) Staat van den Landbouw 1815, § 4- 

(§§) Dit is eene algemeene en zeer wijze befchikking, 
waardoor ziekelijke of doode planten veel fpoediger ver- 
nield 



C 313 ) 

geen welligt de oorzaak is , dat de honigdauw dik-- 
wijls den roest en andere ziekten , die uit kleine 
zvvammetjes bij de planten ontftaan, voorafgaat, waar- 
door fbmmigen den honigdauw als het eerfte tijd- 
perk , roest enz. als het opvolgende tijdperk van 
eene en dezelfde ziekte hebben aangezien. Wil- 
len wij ons echter , overeenkomftig de Natuur , uit- 
drukken, dan moeten wij den honigdauw als eene 
eenvoudige ziekelijke uitwafeming der planten befchou- 
wen, meeldauw, roest en brand-aren daarentegen , als 
inderdaad georganifeerde wezens, kleine zwamuietjes, 
die zich , ten koste van de granen en andere gewas* 
fen, als woekerplanten Qparafitae^ ontwikkelen. 

PoNSE zegt , in zijne Verhandeling over den Honig- 
dauw, blz. 25' „Honigdauw vertoont zich aan den 
„halm eerst als vocht, waarvan het vloeibare gedeelte 
„ door de lucht wordt opgenomen , en hierdoor wordt 
„ de uitgevloeide üof bruin , en eindelijk blijft er een 
„ roestkleurig ftof over; hetwelk men van den halm 
„ kan afvegen." Deze opgave van den oorfprong des 
honigdauws is allezins juist, doch omdat roest zich 
nü èö dan na den honigdauw vertoont (*) , fchijnen 

PON- 

nield worden, en dóór gezomle, jonge gewasfen kunnen 
vervangen worden. Hoe lang zoude niet, bij voorb. een 
doode boom in een bosch blijven flaan, indien geene crjp' 
tcgamifche planten en infekten deszelfs vernieling befpoe. 
digden ? 

(*) Thaer zegt in zijne Grimdsatze 1821, IV- p. 24, 
dac hij den roest bijna altoos als een gevolg van den honig- 
dauw heeft waargenomen. Hij befchouwt ook den meel- 
dauw als van eene gelijke oorzaak als honigdauw afhan- 
kelijk. 



C 3H ) 

PONS E cn anderen deze roestkleurige (lof voor het 
tweede tijdperk der ziekte te houden, hetgeen ik meen 
te moeten betwijfelen. Meermalen toch heb ik roest 
en br and-aren gezien op plaatfen , op welke ik vol- 
ftrekt geenen honij^dauw had kunnen bemerken. Door 
fterke regens wordt de honigdauw afgefpoeld , terwijl 
het roest veel gevonden wordt , wanneer fterke warmte 
met regens plotfeling afwisfelt- Twee ziekten kun- 
nen elkander dikwijls opvolgen , zonder daarom de- 
zelfde te wezen. 

Dit bevestigt zich jdoordien men op eiken, elzen, 
linden enz. wel honigdauw, raaar geen roest waar- 
neemt. Het uitgezweete honigachtige fap verdroogt 
en vertoont een bruinachtig of vuil zwart (lof, wan- 
neer geene regens hetzelve affpoelen , doch dit op- 
pervlakkige ftof is een afgefcheiden deel, een dood 
imrganisch ligchaam , dat niet , zoo als de roest , in 
de opperhuid zelve ingeworteld is. Afgewasfchen ho- 
nigdauw laat geen fpoor op de bladeren over; afge- 
wasfchen roest, duidelijke likteekens in de opperhuid 
der plant. Onlangs deelde mij ook de Heer r. wes- 
TERHOFF , Med. Doet. te WarfFum , de bevestigende 
waarneming mede , dat hij in het jaar 1827 op de 
bladeren der gewone fnijboonen eerst veel honigdauw 
gezien had , en naderhand in groote menigte op de- 
zelfde planten het rood (Uredo Fabae, pers.), het- 
geen zeker weder andere plantjes zijn , dan die , welke 
roest en brand-aren vormen. 

Ten opzigte van de gevolgen van den honigdauw 
heerfchen er onderfcheidene gevoelens, doch meest 
alle afgeleid van het denkbeeld, dat deze ftof, even 
als dauw , uit de lucht zoude nedervallen , doch ove- 

ri- 



( 3ï5 ) 

ïigens gedeeltelijk, ten minste uit de ondervinding 
der landlieden, ontleend. ! ■. '■ 30; ;;:;,( 

Vooreerst wordt lionigdauw algemeen gehouden- ais! 
oorzaak van den roesi, mecldainv en br and-ar en\ 
welke alle echter verfchillende ziekten zijn , die vaak 
op den honigdauw volgen, en dikwijls uit eene en de- 
zelfde oorzaak ontdaan. Sommige tuinliedenmeenen, 
dat het vallen van den honigdauw het -wit of den 
meeïdamv in de erwten zoude veroorzaken , terwijl 
vele kleiboeren in de Provincie Utrecht integendeel 
gelooven , dat de honigdauw .de veld-erwten veel goed 
doet , wijl deze dan- eerst wel zouden beginnen te 
groeijen en te laden^ , Daar, nu de honigdauw juist 
waargenomen wordt in het jaargetijde, dat voor den 
groei der gewasfen het voordeeligst is , kan men op: 
deze laatfte waarneming weinig ftaat maken ; .doch zoa 
dezelve gegrond is, is in dat geval de honigdauw/ 
welligt alleen als een teeken van volfappigheid aan: 
te merken. De tegen ftrijdigheid echter van de g'e^: 
voelens der landlieden op dit punt doet genoegzaam 
zien, dat zij met de ware natuur des honigdauvvs 
niet bekend zijn. ' ' .y^^j ;; 

De Heer j. w. serrurier te 's Heerenberg in 
Gelderland befchouvvt als de bewezene oorzaak van 
den brand in de tarwe: „den honigdauw, wanneer 
„in het heete jaargetijde, vóór, omftreeks, of even 
„na St. Jan, één druppel van denzelven, den tee- 
„ deren bloemknop der tarwe, terwijl zij zich pas 
„ontüoten heeft, bedekt (*)" en raadt daarom aan , 

om 
Q) Zie den Vriend des Vaderlands- I , biz. 8p6. 
Bijdragen D. III ST. I. . X 



C 316 ) 

om de tarw uit te zaaijen van vóór de helft van 
Jiilij tot in liet laatst van dezelfde maand, en wel 
het groffte en zuiverde koren, hetwelk vrij was van 
alle onkruidzaad. Offchoon ik mij nu met deze ver- 
klaring van het ontdaan der brand-aren , volgens het 
vroeger gezegde , moeijelijk kan vereenigen , verdient 
echter de flotfom der ondervinding van dezen prac- 
tifchen landbouwer , dat hij , namelijk , federt de in- 
voering dezer nieuwe handelwijze, in zijn geheel 
verbouw nooit meer eene enkele van brand befmette 
aar heeft ontdekt (t. a. pi. blz. 894) al de aan- 
dacht van deskundigen. Misfchien worden , door 
deze zeer vervroegde zaaijing, (die evenwel, niet overal 
zoude zijn in te voeren) , de tarwe-planten fterker en 
hierdoor aan den eenen kant minder aan honigdauw, 
aan den anderen kant minder aan brand-aren onderhe- 
vig. Wanneer de planten, als een bewijs van eene 
min gunflige gefteldheid hunner fappen , in den bloei- 
tijd honigdauw vertoonen , is dit natuurlijk daarom 
vooral nadeelig, omdat de planten alsdan de meeste 
en best-bereide fappen noodig hebben , hetgeen dan 
ook bevestigd wordt, door de waarneming der Oost- 
vriezen (*) , dat hoe trager de aren rijpen , de ho- 
nigdauw te meer nadeel veroorzaakt. Daar echter 
de honigdauw in eene geringe hoeveelheid , gelijk 
boven is aangemerkt, niet fchaadt, maar, alleen bij 
zeer fterke warmte en droogte, door overmaat na» 
deelig wordt , is het te begrijpen , dat de honigdauw 
der tarwe geen kwaad doet, wanneer deze vóór het 
begin van Junij, dus vóór de flerkfte warmte en 

droog- 
(♦) Staat van dea Landbouw i5o8 » § 4. 



i 317 ) 

droogte, heeft afgebloeid. De met regt bij onze 
landbouwkundigen beroemde landman ponse (*) geeft 
ook als algemeene ondervinding op, dat tarwe in 
drooge gronden en vroeger gezaaid zijnde, minder 
brandkoorn voortbrengt, dan die welke, in natte gron- 
den en later te velde gebragt is. Hij bedoelt echter 
geene zoo zeer vervroegde zaaijing , als die , waarvan 
de Heer serrurier fpreekt. 

De waarneming door de Zeeuwen in 1821 gemaakt, 
dat wintertarwe , door toevallige omftandigheden eerst 
in Januarij en Februarij uitgezaaid, niet geleden had 
door den honigdauw , op plaatfcn , waar deze anders 
dat jaar veelvuldig befpeurd werd (+), is moeijelijker 
te verklaren. Ook weet ik niet , of deze waarne- 
ming dikwijls genoeg gemaakt is , om algemeen geldig 
te zijn. 

In de Statistieke Befchrijving van Gelderland ^ 
blz. 239 wordt ook melding gemaakt van den fcha- 
delijken invloed des honigdauws op de aldaar ge- 
teelde hoppe , die hierdoor geheel zwarte bladeren 
zoude krijgen. Op de bijenteelt werkt de honigdauw 
inzonderheid zeer nadeelig, daar de bijen dikwijls 
deze ftof in plaats van wezenlijken honig tot Voedfel 
gebruiken, hetgeen ziekte en zelfs den dood bij de- 
zelve ten gevolge heeft. In het jaar 1814 had men hier- 
van onder anderen in Vriesland de droevige onder- 
vinding, waar de bijen, die op den honigdauw ge- 
aasd 

(*) Zie zijne Verh. over het Brandkoorn in de Nieuwe 
Verh. van het Zeeuwsch Genootfcbap, Deel I blz. 1^^ 

(t) Staat van den Landbouw 1821 , § 4. 

X o, 



C 318 ) 

aasd hadden , bij ganfche hoopen dood voor de kor- 
ven nedervielen (*). 

Of de honigdauw ook fomwijlen voor den mensch 
fchadelijk kan worden, is mij nog niet zeker, of- 
fchoon LE FRANCQ VAN BERKHEY (f) éóüt Waarne- 
ming mededeelt, dat, na het vallen van eenige drup- 
pen honigdauw op de wangen, eene roosachtige ont- 
fteking zoude gevolgd zijn. Sommigen hebben aan 
den honigdauw van het gras het ontdaan van de 
tonghlaar of den kanker in den mond der runderen 
toegefchreven (§) anderen het ongans of de leverziekte 
der fchapen (**) , anderen wederom enkele andere 
ziekten van het vee; doch de Schrijvers over de 
Veeartfenijkunde drukken zich hieromtrent niet ftellig 
genoeg uit , dan dat men dit alles voor bewezene 
waarheid zoude mogen aannemen. 

Eigenlijke hulpmiddelen om den honigdauw te 
weren of te genezen, worden zelden of nooit aan- 
gewend, behalve die, welke in het algemeen ftrekken , 
om de planten gezond te doen zijn, en die oorzaken 
des honigdauws, welke eenigermate* in onze magt 
ftaan , weg te nemen. Een geringe graad van deze 
ziekte vereischt geene geneesmiddelen; een boven- 
matige ziekelijke graad kan alleen door (lerke regens 

wor- 

(*) Staat van den Landbouw 1814, § 43. 

(f) Natuurlijke Historie van Holland, I, biz. 319. 

(§) J. LE FRANcq VAN BERKHEY , Natuurüjke Historie 
van het Rundvee in Holland, 5de ftuk biz. 74,- a. numan. 
Handboek der Genees- en Verloskunde van het Vee. Gro- 
ningen 1826, bl. 290- 

(_**) A. NUMAN, Handboek, bl. 501. 



( 319 ) . 

worden weggenomen. Ducht men derhalve voor eene 
enkele plant , waarin men groot belang (lelt , fcha- 
delijke gevolgen van deze ziekte , dan zal het vlijtig' 
begieten en afvvasfchen der bladen het beste hulpmid- 
del zijn (*). 

Uit hetgeen ik hier in het midden gebragt heb , 
kan men, vertrouw ik, genoegzaam opmaken, dat 
de honigdauw, even als de overige voor den land- 
bouw gewigtige ziekten der planten , wel eenig na- 
der onderzoek vereischte. Heb ik, bij deze opper- 
vlakkige befchouwing, aan enkelen mijner lezers reeds 
bekende zaken herinnerd , ik zal , hoop ik , ook aan 
anderen het een en ander medegedeeld hebben, dat 
of niet genoeg bekend of, bij de bepaling der eigene 
natuur van den honigdauw, niet genoeg gewaardeerd 
is. Mogt ik zoo dit onderwerp eenigzins hebben op- 
gehelderd ! 



■ ' JlM >€!t)^^^^Uil>^ 



KORT BERIGT OVER VETWAS (aDIPOCIRE), ONLANGS' 
IN ONS VADERLAND GEVONDEN; 



medegedeeld door th. van swinderen , 
Hoogleeraar te Groningen, 



D. 



'e Student j. w. lieftink , bragt mij onlangs 
eene vetachtige zelfftandigheid, waarvan, naar zijn zeg- 
gen , eene aanmerkelijke hoeveelheid in de gemeente 
Odoorn (provincie Drenthe) gevonden was, en het- 
geen men dadr voor een verfteend zwijn had ge- 
houden. 

Dat 

(*) Zie LouDON, t. a. pi. § i<S<5r. 

X 



o- 



C 320 ) 

Dat dit laatfte het geval niet "was, zal ik zeker 
niet behoeven te zeggen, maar intusschen boezemde 
mij de zaak zelve , het vinden van zulk eene aanmer- 
kelijke hoeveelheid van eene in allen gevalle in ons 
vaderland ongewone zelfflandigheid, genoegzaam belang 
in , om nader onderzoek te doen naar de omftandig- 
heden , onder welke deze (lof gevonden was , en naar 
den aard der ftof zelve. 

Niemand in den omtrek van Odocrn kennende, 
deelde ik aan den Predikant der plaats, D". j. speck- 
MAN, mijn verlangen mede, om eenige nadere bijzon- 
derheden omtrent deze zaak te weten , en gaf inmid- 
dels hetgeen mij van de gevonden ftof was gebragt 
aan mijn' ambtgenoot Profesfor s. stratir-gh, e.z., 
met verzoek, om dezelve fcheikundig te onderzoe- 
ken, en mij zijne gedachten daaromtrent mede te 
deelen. 

Ik fchreef aan D°. speckman, dat men hier en 
daar plaatfen heeft, waar rottende dierlijke zelfftandig- 
heden fpoedig geheel overgaan in eene vetachtige 
ftof, die de Scheikundigen Adipocirc noemen, zoo als 
onder anderen gebleken was bij het opruimen van ze- 
ker kerkhof te Parijs , waar men , op eene bepaalde 
plaats, alle lijken in deze ftof overgegaan gevonden 
had (*) ; dat het mij voorkwam , dat de mij gezon- 
dene ftof ook van dezen aard was, en dat ik het 
daarom van belang oordeelde, om daaromtrent eenige 
nadere bijzonderheden te vernemen , ten einde die ver- 
volgens aan het publiek te kunnen mededeelen. 

Ik 

(*) Zie URE, Dict. de Chirnie , traduit par riffaült, 
1822, I. p. 358 en volg. 



( 321 ) 

Ik vroeg te dien einde aan D°. speckman: 

1°. Waar ter plaatfe dat zoogenaamde verlteende 
zwijn (want onder dien naaai was de gevondene 
masfa algemeen bekend) gevonden was? 

2°. Hoe diep het aldaar onder de oppervlakte, van 
den grond had gelegen , en hoe de gefteldheid 
van den grond op die plaats was?r,) ris n^^ir. ., 

3°. Wanneer en bij welke gelegenheid deze (lof al- 
daar was gevonden , en wat er eigenlijk gevon- 
den was in gedaante en in hoeveelheid ? 

4°. Waar de gevondene ftof gebleven was, en of, er 
daar ter plaatfe ook meer van dergelijke ftof ont- 
dekt was in vroegeren of lateren tijd? 

5», Of men ook kon nagaan hoe lang dat zooge- 
noemde zwijn daar gelegen had ? daar toch op 
fommige plaatfen deze verandering der geflor- 
vene of gedoode dierlijke ligcharaen binnen zeer 
korten tijd , in eenige weinige jaren , ja zelfs 
maanden , gefchiedt ; terwijl ik ^WJEe;w. ein- 
delijk v,r> CC." . -r:" .. 

6°. verzocht , mij alle zoodanige bijzonderheden me- 
de te deelen , als betrekking mogten hebben tot 
deze zaak , welke daaraan eenig licht zouden 
kunnen bijzetten, of deze ontdekking eenigzins 
belangrijk zouden kunnen maken. 

Ik ontving daarop weldra een zeer verpligtend ant- 
woord, welks korte inhoud hierop neerkomt: , 

1°. „ Het zwijn is gevonden in de gemeente Odoorn, 
„ongeveer een kwartier -uur gaans van Valtlie of 
„ naar den kant van Weierdinge , dat onder de ge- 
„ meente Emmen behoort , in het veen van den Heer 

y, J. BOELKEN. 

X 4 2«. 



( 322 ) 

a». „ Het lag daar ongeveer ter diepte van vier voe- 
„ ten onder het veen. Dit veen is daar ter plaats 
„ zeer zuiver ^ zwart, tamelijk droog, en vi^ordt tot 
„ lange 'turf vergraven. 

'■ s°« 'W De arbeiders van den Heer boelken von- 
„ den -hetzelve in het begin van de maand April , 
„ toen zij daar ter plaatfe lange turven groeven. Het 
„ zwijn' werd in zijn geheel uit het veen gedolven, 
„ doch zonder . kop en pooten , waarvan geene 
„ fporeii meer . aanwezig waren. Jammer intus- 
„ fchen' is het, dat dit zwijn, in weerwil van de 
„ orders van. den Heer boelken , door arbeiders 
„ en andere perfoneh in ilukken is gefcheiden ; ten 
„ gevolge van welke fcheiding ook verfchillende ftuk- 
,, ken 'door verfchillende lieden zijn weggehaald , 
'^, waardoor het dan ook ten uiterfte moeijelijk is ge- 
„ worden, om de zwaarte van het zwijn op te ge- 
„ ven-. Daar het evenwel van eene gewone ' lengte 
„ was', '■ö> op het dikfte ongeveer eene hand dik fpek 
j, had , zoo durfde de Heer boelken het wel op 
-„ meer dan loo oude ponden begroot en; hoezeer ook 
„de dunnere deelen door meerdere verkatking ook 
„ meer in zwaarte hadden verloren. Van hier dan 
„ ook , dat het buikfpek geheel in eene kalkaardige 
y, zelfftandigheid fcheen te beftaan. De vaste deelen 
„ waren geheel vergaan. De fpooren van derzelver 
„ voormalig aanwezen zijn echter nog blijkbaar. Van 
„ binnen was het zwijn geheel hol en zwart van het 
„ veen, gelijk van buiten. Het zwoord, hoewel het 
„ geleden heeft , is nog zeer zigtbaar. 

4°. „ Voor een gedeelte berusten er nog eenige 
„ ftukjes bij den Heer boelken , den Heer Burge- 

„ mees- 



( 323 ) 

„ meester en eenige andere menfchen. Een goed ftuk 
„is daarvan dadelijk met een Proces -verbaal aan den 
„ Staatsraad Gouverneur van Drenthe gezonden. Men 
„ kan daarom ook niet bepalen , welk eene hoeveel- 
„ heid er nog in de gemeente Odoorn voorhanden 
„ is; noch ook in hoe verre dezelve nog zoude 
„ zijn te verkrijgen. 

„ Overigens weet men zich in deze omftreken 
„ niet te herinneren , ooit dergelijke voorwerpen uit 
t, het dierenrijk, uit het veen te hebben gedolven. 

5°. „ Er zijn volftrekt geene fporen aanwezig, 
„ waaruit het zoude kunnen blijken , hoe lang dit 
„ zwijn daar in het veen gelegen heeft. Het eenige, 
„ dat men met zekerheid zeggen kan , is , dat het 
„ zwijn niet in de laatfte vijftig jaar daar gelegd of 
„ gezonken is ; omdat het veen in dien tijd te droog 
„ en te vast geweest is , dan dat daar eenig zwijn 
„ zoude kunnen inzinken of neergelegd zijn. Daar- 
„ enboven is het veen daar ter plaatfe geheel vlak, 
„ en zoo als daar rondom met heide bewasfen. 

6". „ Daar het achterfte deel van het zwijn naar 
„ het Noordwesten en het hoofdeinde naar het Zuid- 
„ oosten gekeerd was, zoo kwam het fommigen 
„ waarfchijnlijk voor, dat dit zwijn in den Cimbri- 
„ fchen vloed verdronken was; doch zoude men" 
zegt de Heer speckman „ niet even goed aan eenen 
„ lateren watervloed kunnen denken ? Wordt dit ver- 
„ moeden zelfs niet waarfchijnlijk , daar het zwijn 
„ flechts 4 voeten onder het veen zat , en het veen 
„ daar eene diepte heeft van 13 voeten? 

^ Immers op den bodem van het veen vindt men 
j, hier het zoogenoemde veenhout ^ dat, of bij afge- 

-^ 5 „ bro- 



C 324 ) 

y, gebrokene ftoven nog geworteld is , of, losgemaakt, 
„ onder op den grond ligt in eene noordwestelijke en 
y, zuidoostelijke rigting. De Heer boelken vooron- 
„ derftelde, dat het zwijn verdronken was, omdat 
„ het zoo terftond aan den hoogen zandgrond, bij 
den aanvang van het veen , gevonden werd. In- 
tusfchen is ook voor dit gevoelen weinig grond ; 
kan dit zwijn daar niet voor langen tijd , toen de 
veenen nog kwabbig en moerasfig waren , door het 
veen geraakt zijn ? Kan het niet daar nedergelegd 
zijn, om het te beveiligen voor gewelddadige weg- 
„ voering enz. Het gemis van kop en pooten , dunkt 
mij , kan hier weinig of niets afdoen ;daar die deelen , 
„ uit mindere vetachtige ftof beftaande , even zoo 
goed kunnen vergaan zijn als afgekapt. Daar het 
rijk der mogelijkheden zoo groot is, zoo durve ik 
zelfs geen vermoeden plaats geven, omtrent de 
wijze , op welke dit zwijn daar gekomen is ; doch 
waarfchijnlijk is het mij , dat het daar eenige hon- 
derden van jaren gelegen heeft. Ook de ligchame- 
lijke fituatie kan misfchien weinig afdoen, daar het 
zwijn genoegzaam vlak lag , doch eenigzins met 
„ den buik naar onderen gekeerd. " 

Dus verre de Heer speckman. 
Mijn ambtgenoot stratingh berigt mij omtrent 
zijn fcheikundig onderzoek der gevondene ftof het 
volgende: 

„ Deze ftof was vetachtig, zacht op het gevoel , 
„ en de buitenfte korst van de huid van het dier meer 
„ hard, en met de oneffenheden, door het haar ver- 
oorzaakt, voorzien. De binnenfte deelen meer wit 
y, paarlemoerachtig'; de buitenfte meer geelachtig grijs. 

. „ Bij 



ji 



( 3^5 ) 

„ Bij ligte warmte fmolt het als vet, en liet op het 
„ papier eene gewone vetvlak achter. 

„ De ftof brandt ook even als vet of talk. 

„ In bijtende potasch- en foda-loog werd dezelve 
„ bijna geheel opgelost en flelde eene zeepfoort daar. 

y, In kokenden alcohol van 32° werd zij, op 
„ eenige vezeldeelen na , opgelost , en viel de op- 
„ geloste flof bij langzame verkoeling daaruit ne- 
„ der, eenigermate in eene korrelig-kristallijnen ge- 
„ daante, zoo als bij de fpermaccti meer duidelijk 
„ wordt opgemerkt, nade oplosfing in kokenden alcohol. 

„ Het komt mij voor, dat deze ftof bijna gelijk 
„ te houden is met de ftof, door fourcroy onder 
„ den naam van Adipocire {Spt. de Conn, Chym, 
„ Tom. IX, 33, 61, rao, 250, 255, 296. X, 43, 
n 50, 83, 30a) befchreven, en gevonden bij in den 
„ grond verzameld geweest zijnde lijken. In de 
„ Dictionn. de Chimie par andr. ure , fur h plan 
„ de NiCHOLSON , traduit par riffault , 1822, 
„ Tom. I, p. 358 en vervolgens, is eene zeer breed- 
„ voerige befchrijving van deze ftof, even als in vele 
„ andere fcheikundige werken , voorhanden. 

„ Phareul (zie l. gmelin, Handb. der theor. 
„ Chemie^ 1822, B. II, S. 1213) heeft later deze 
„ vetftof der lijken voor acidum margaricum ( talk- 
„ zuur, vetzuur) verklaard, en eene derde foort ge- 
„ houden van galfteenvet cholesterinum en fpermace- 
„ tivet , adipocerinum , welke alle drie door four- 
„ CROY meer voor eenzelvig gehouden werden." 

Daar het doel van deze Bijdragen niet zoo zeer is, 
om bekende waarheden of daadzaken te herhalen , of 
hetgeen in andere werken ook gelezen kan worden 

op 



( 326 ) 

op . nieuw af te drukken, zoo heb ik gemeend hier- 
door voldaan te hebben aan de uïtnoodiging van mij- 
nen ambtgenoot van hall, die mij verzocht een 
kort berigt van hetgeen mij in dezen v(^as voorgeko- 
men , voor deze Bijdragen op te ftellen , en zoo 
doende , aan het Vaderlandsch Natuurkundig publiek 
mede te deelen. 

Groningen^ den 8 Oct. 1828. 



AANTEEKENING OVER DE BEWEGING DER ARMPOLY- 

PEN (hydrae) ; 

door H. C. VAN HALL. 

Xn den afgeloopen zomer het geluk hebbende om 
eene vrij groote menigte gewone Armpolypen [Hydra 
grifea lamarck, II p. 60, trembley , Tab. I 
f. a) te vinden, en mij met de zonderlinge eigen- 
fchappen en bijzondere bewegingen dezer diertjes ver- 
makende , meende ik het een en ander op te merken , 
nopens de wijze, waarop zij zich in het water bewe- 
gen en zich aan de oppervlakte van hetzelve vast- 
hechten , hetgeen ter nadere uitbreiding van de uit- 
muntende verhandeling van trembley (*) welligt 
niet onbelangrijk zal geacht worden. 

Mijne polypen in een glas met gewoon flootwater 

(*) Mémoires peur fervir k rhistoire d'un genre de 
Polypes d'eau douce , è bras en fortne de cornes. Leide 

1744. 



C 327 ) 

geplaatst hebbende , zag ik al fpoedig verfcheidene 
derzelve met het achterfte gedeelte van hun ligchaam 
aan de oppervlakte van het water hangen , hetgeen 
mij toefcheen te gefchieden door middel van een zeer 
klein luchtblaasje, door welks fpecifieke ligtheid het 
teedere ligchaam des polyps in het water kon blijven 
drijven. Trembley (r. a. pi. blz. 37 en 38) ver- 
klaart dit verfchijnfel daardoor , dat het achterlijf des 
diers, of dat deel hetwelk aan de lucht blootgefteld 
is , dadelijk droog wordt en hierdoor het weder in- 
zakken belet; tot ftaving waarvan hij aanvoert, dat 
als men een' droppel water op het dfooge deel laat 
vallen de polyp dadelijk naar den grond zakt. Dit 
laatfte is echter genoegzaam af te leiden uit de 
flerke zamentrekldng des diers , waardoor het bij elke 
aanraking inkrimpt en , aan geen vast ligchaam ver- 
bonden , natuurlijk naar den bodem van het glas 
moet zinken. Als men de polypen uit het eene glas 
in het andere overbrengt en hen niet op eenig vast 
ligchaam in het water plaatst , zinken zij ook dade- 
lijk alle naar den grond. Dit inkrimpen nu en dit 
zinken mag befchouwd worden als een bijkomend 
hulpmiddel der natuur, waardoor dit weeke fchepfel 
de vervolgingen van fommige andere dieren ond^omt 
en , bij fterke bewegingen van het water , minder 
fchade lijdt. — Offchoon trembley het hangen der 
polypen aan de oppervlakte van het water op eene 
andere wijze verklaart , maakt hij echter op blz. 51 
melding van fommige polypen, die hij aantrof met 
kleine luchtbelletjes in het kanaal , dat volgens hem , 
van den mond des diers af, het ligchaam van het 
eene einde tot het andere toe doorloopt; en door 

wel- 



C 328 ) 

welke lucht het geheele ligchaam des diers in het 
water werd opgeheven. Kunnen deze luchtbelletjes 
in dit kanaal gevormd worden , dan kunnen wij ook 
begrijpen , hoe het diertje door behulp daarvan aan 
de oppervlakte des waters kan blijven hangen en mo- 
gen wij zelfs vermoeden , dat dit hulpmiddel mede- 
werkt tot de vaste aanhechting van hun achterlijf aan 
de hen omringende ligchamen. 

Tremblby zegt ook blz. 41 dat hij de polypen 
nooit heeft zien zwemmen , offchoon hij dezelve 
meermalen met opzet van de wanden van het glas 
had losgemaakt, en tot beweging gepoogd had te 
dwingen; doch deze waren allen, zoodra zij losge- 
maakt waren , naar den bodem gezonken. Hetzelfde 
ondervond ook rösel (*) en ook ik heb dezelve 
nooit door kunst aan het zwemmen kunnen brengen , 
noch dezelve zien zwemmen , nadat zij eenen gerui- 
men tijd in glazen bewaard waren geweest , waar- 
fchijnlijk wegens grootere zwakte of ziekelijkheid , 
welke hunne bleeker wordende kleur fcheen aan te 
toonen. Toen ik hen echter nog maar zeer korten 
tijd in een glas gehad had, en zij dus nog meer in 
eenen natuurlijken ftaat waren, heb ik dit zwemmen 
bij meer dan eene polyp duidelijk gezien. Als zij, 
namelijk , aan de oppervlakte van het water uitge- 
ftrekt lagen , trokken zij hun achterlijf naar de ar- 
men toe, hielden vervolgens het achterlijf ftil, ora 
de armen, die bijna den ganfchen tijd krom uitge- 
fpreid flonden, vooruit te brengen en trokken zij 

dan 

(*) De Natuurlijke Historie der Infekten, III Deel, 
2de Stuk, blz. 424. 



C 329 ) 

dan weer het achterlijf tot zich. Deze beweging 
vorderde echter langzaam, en had niet dikwijls plaats. 
Ik ben eindelijk in mijne waarneming bevestigd ge- 
worden door scHaFFER, in zijne verhandeling over de 
Armpolypen, blz. 17 (aangehaald door kleemann 
bij RösEL , blz. 425) waar hij van deze dieren zegt: 
„ Zij zwemmen niet zelden in het midden van het 
„water, vrij en onverhinderd , van de eene plaats 
„ naar de andere ; en wel , zoo vaak , als ik het ge- 
y, zien hebbe , in diervoege , dat hunne armen altoos 
„ boogsgewijs gelijk eene fpringbron liaan." 

Ik geloof dus te kunnen befluiten, dat het zwem- 
men , als hulpmiddel ter beweging , ook der polypen 
niet kan ontzegd worden. 



OVER DEN CROCODILUS BIPORCATUS. (cUV.) 
Door N. C. DE FREMERY. 

v-^nlangs heeft D'. c. abel eenige waarnemingen 
medegedeeld over eenen zeer grooten , 18 voet lan- 
gen Krokodil, welken hij te Bawachpore van den 
Heer wallich ontvangen had (*). Deze krokodil, 
volgens hem, door de inlanders Ciemmeer geheeten, 
kwam in de meeste uitwendige kenteekenen overeen 

met 

(*) Edinb. Journ. of Sciences , jipril \%<i% — en daaroic 
FRORiEp's Notizen, N». 446. B. XXI. S. 84. 



C 330 ) 

met den Crocodiliis biporcatus {]) van cuvier, maar . 
verfchilde daarin aanmerkelijk , dat de binnenfte teen 
der acliterpooten en de beide binnenfte teenen der 
voorpooten door geen zwemvlies met de overige tee- 
nen verbonden , maar geheel vrij vaaren. Dit ver- 
fchil gaf D'. ABEL aanleiding, om, zoo hetzelve 
ftandvastig alzoo gevonden werd, dit dier niet alleen 
voor eene afzonderlijke foort te houden ,^ maar zelfs 
alsdan de juistheid der kenteekenen van het onder- 
geflacht Crocodilus van cuvier (Champse merrem) 
in twijfel te trekken , alzoo , volgens deze, al de teenen 
in dit geflacht min of meer door vliezen zouden ver- 
bonden zijn. 

In het bezit zijnde van een uitmuntend wel be- 
waard exemplaar van den Crocodilus biporcatus van 
CUVIER, mij door mijnen geachten vriend, den Heer 
M'. F. VAN TEUTEM , thaus Lid van het Hooge Ge- 
regtshof te Batavia, uit Celebes toegezonden, oor- 
deelde ik het wel der moeite waardig, hetzelve met 
de kenteekenen van dit gedacht en deze foort, zoo 
als dezelve door den grooten Franfchen Natuurkenner 
zijn opgegeven, te vergelijken. Deze vergelijking zal 
ons, zoo ik 'mij niet bedriege, en de juistheid der 
door CUVIER opgegevene kenteekenen en het waarfchijn- 

lijk 

(f) Men zoude aan deze foort mogelijk den naam van 
twee-kammige kunnen geven. — De naam van t^ee -wrattige ^ 
door den Hoogleeraar van svvinderen gebruikt , past, mijns 
bedunkens , niet zoo goed op de over den fnuit loopende 
kammen, welke bet karakter der foort uitmaken. Maar 
waartoe bij fystematifche namen , andere dan Latijnfche , 
gebezigd? ' 



C 331 ) 

lyk ongegronde der door D'. abel geüitte vermoe- 
dens doen zien. 

De krokodil uit mijne verzameling, is, van het 
voorfte van den fnuit tót het uiterfte van den ftaart 
gemeten, 2™«-,5 lang, terwijl de lengte van den 
ftaart i'^^-^^.ö , en dus iets meer dan de lengte van 
het halve dier bedraagt. De lengte van den kop is 
oniet.^28, terwijl de grootfte breedte aan^ den hoek 
der onderkaak o^'^-yZ , en dus iets meer dan de helft 
der lengte bedraagt ; de lengte van het eigenlijke 
cranium is o^'^-joó , dus minder dan § van de ge- 
heele lengte des kops , alle welke afmetingen zeer 
wel met het door cuviek. opgegeven karakter van 
dit ondergeflacht overeenkomen (*}. 

In de bovenkaak heeft dit exemplaar van weerszij- 
den 18 tanden, en komt dus met het door D'. abel 
onderzochte dier overeen. Cüvier telt 19. In de 
onderkaak vond ik met cüvier en abel 15 tanden.. 
Behalve de ongelijke lengte dezer tanden , en het 
zeer in het oog loopend kenmerk , waardoor zich de 
eigenlijke krokodillen van de Alligators onderfchei- 
den , [dat , namelijk de vierde tand der onderkaak , 
welke een der grootfte is, in eene daartoe beftemde 
uitfnijding der bovenkaak wordt opgenomen, merk ik 
nog op: 1°. dat alle deze tanden bijna regtkegelvor- 
mig en niet zeer fcherp zijn, met uitzondering alleen 
der a voorfte in de onderkaak, die fcherpe punten 

heb- 

(*) Zie G. CÜVIER , sur les ossemens des Crocodiles in zijne 
Recherck. sur les ossemens fossiles. Nouv, Édit. Tom. V, 
part. z, f. 31. Paris 11 34. 

Bijdragen, D.m.sT. I. T 



( 332 ) 

hebben, en meer dan de andere van voren bol, van 
achteren hol gebogen zijn ; 2". dat de 14 voorde tan- 
den der bovenkaak over de onderkaak henen fchieten 
en daar in ondiepe groeven liggen , in de buitenzijde 
der onderkaak te vinden. De groef, waarin de derde 
tand der bovenkaak wordt opgenomen, is evenwel 
diep , eene ware uitfnijding , bijna als de (Iraks ge- 
melde in de bovenkaak. Alleen de vier laatfte kleine 
en korte tanden der bovenkaak worden in kleine hol- 
ten, boven op den rand der onderkaak te vinden , vol, 
gens de juiste waarneming van D"". abel , opgenomen. 
In de vijfvingerige voorpooten zijn de vier binnen- 
fte vingers duidelijk door kleine zwemvliezen met 
elkander vereenigd, terwijl de bultende, veel klei- 
nere, bijna vrij is. In de achterpooten is de getande 
kam aan de buitenzijde, welke tot de kenmerken van 
dit ondergeflacht behoort, duidelijk zigtbaar. Der^ 
zelver vier vingeren zijn alle door een uitgebreid 
vlies met elkander verbonden, hetgeen alleen tus- 
fchen den binnenften en daaraanvolgende vinger minder 
ontwikkeld is , gelijk dit ook in de afbeelding , door 
cüviER gegeven (♦), duidelijk zigtbaar is. Bij het 
individu, door D'. abel waargenomen, was, gelyk 
wij zagen, alleen de binnenfte teen der achterpooten 
geheel vrij, hetgeen zeer wel een individueel ver- 
fchil kan geweest zijn, vooral daar cuvier, bij de 
befchrijving der kenmerken van dit ondergeflacht al- 
leen zegt, dat in de achterpooten, de plaats tusfchen 
de vingeren, ten minste tusfchen de buitenjie, geheel 
met een vlies gevuld is, en dus de volkoraene ver- 

bin- 

(*) t. a. pi. PI. II, Fig. 10. 



( 333 ") 

binding van al de vingeren do-ir het zwemvlies niet 
zoo fterk drukt , als dit door D'. abel wordt opge- 
geven. 

■ Bij het verder vergelijken der kenmerken van mijn 
exemplaar, hebben zich eenige kleine verfcheidenhe- 
den , bijzonder in de verdeeling der fchubben , op- 
gedaan , welke ik het niet ongepast oordeel, hier bij 
te voegen (*j. De twee grootere, fterk gekamde nek- 
fchubben zijn hier niet duidelijk : achter de zes meer 
achterwaarts gelegene, welker plaatfing met de af- 
beelding van CU VIER (f) geheel overeenkomt , be- 
vond zich ter linkerzijde nog eene. zevende fchub met 
fterk ontwikkelden kam. Het aantal rijen der gekamde 
rugfchilden bedraagt, even gelijk bij cuvier, 17. — 
Dan zoo wel de tweede als de eerste rij hebben flechts 
4 Ichubben , de 3^^ en 4*^^ 6 ; de s'^^ 7 ; de 6^^ tot 
de 11^^ 8; de i2^« tot de 15^* wederom 6, en de 
16^* en 17^^ 4. In den ftaart heb ik nog 11 rijen 
fchubben geteld, welke ieder 4 fchubben met duide- 
lijk ontwikkelde kammen hadden. Daarop volgen 
nog 10 rijen fchubben , bij welke de kammen der 
middelde fchubben allengs minder ontwikkeld wor- 
den en eindelijk geheel verdwijnen , terwijl de kam- 
men der builende fchubben integendeel meer en meer 
in grootte toenemen , en zich aan de zijden van den 
daart tot twee doorgaande opdaande kammen vormen , 
die weder bij elkander komen en tot ée'nen regtopdaanden 

kam 

(*) Soortgelijke verfcheidenheidea vindt men ook opge- 
teekend in tiedemann, oppel en liboschitz Naturg. der 
Amphib. i H. S. 71. 

(f) CüViER t. a. pi. PI. II, Fig. 8. 

1 2 



( 334 ) 

kam worden , welk uit elf of twaalf achter elkander 
volgende fchubben bedaande, tot aan het einde van 
den ftaart voortloopt. 

De fchubben van den rug hebben , naar het mij 
voorkomt , eerder eene langwerpig vierkante , dan 
eene eironde gedaante. De poriën aan de achterzijde 
der buik- en rugfchubben, welke schneider (*) zoo 
zeer ontwikkeld vond , dat hij aan deze foort daarom 
den naam van Crocodilus porofus 'gaf, en welke ook 
door cuviER zijn opgemerkt, heb ik in mijn exem- 
plaar niet kunnen zien. Tiedemann teekent reeds 
aan, dat zij aan de rugfchilden alleen bij oudere die- 
ren gevonden worden. 

Dat deze foort van krokodillen ongemeen groot 
wordt, blijkt uit het 18 voeten lange individu, 
door D''. ABEL befchreven. Ook cuvier had van 
D'. WALL IC H uit Calcutta, een fkelet ontvangen van 
17 voeten lang, van een in den Ganges gevangen 
individu. Als een voorbeeld der vraatzucht van dit 
monster, voeg ik hier nog bij, dat D^ abel in de 
maag van zijn exemplaar de overblijffelen vond van 
eene vrouw, eene geheele kat, de overblijffelen van 
eenen hond en een fchaap , met verfcheiden ringen 
en enkele deelen der oorringen {common bungks)^ 
welke daar te lande door de vrouwen gedragen 
worden. 

(*} Hht. AmpUh. Fase 2. p. l^jp. 



OVER 



C 335 ) 

OVER EEN NIEUW KENMERK OM HET GESLACHT 
LIBELLULA VAN AESHNA TE ONDERSCHEIDEN. 



Door J. VAN DER HOEVEN. 



n 



w 



e juffertjes of korenbouten , ook libellen genoemd, 
vormden in het ftelfel van linn^us flechts een en- 
kel geüSLcht {Libellula), dat hij aldus heeft bepaald: 
Os maxillofam, inaxillls pluribus; anténnae thorace 
hreviores ,• alae extenfae , cauda (maris) hamofo- 
forcipata. 

De beroemde Eutomoloog fabricius heeft hiervan 
naderhand (1776) drie geflachten gevormd, Libellula, 
Aeshna^ Agrion (Gentra Infectorum) ^ p. 146 — 148), 
die thans algemeen zijn aangenomen. 

Wij moeten echter , om billijk te zijn , doen op- 
merken, dat reeds vóór hem, door reaumur de dria 
verfchillende vormen dezer peesvleugelige infekten waren 
opgemerkt , en dat hij, fchoon hij aan deze groepen geene 
namen heeft gegeven , echter de ware auteur dezer 
drie geflachten is. In zijne verwonderingwaardige 
Mémoires poiir servir è VHist. des Inscctes ^ een 
werk , even rijk aan waarnemingen , als belangrijk , 
om den geest , waarmede dezelve zijn gedaan , onder^ 
fcheidt hij de drie geflachten volgens kenmerken , van 
de geheele gedaante ontleend. Het eerfl:e geflacht 
{^Lihellula eabr.) heeft een kort en platgedrukt lig- 
chaam ; bij de twee andere geflachten is het ligchaam 
rolrond, dun en langwerpig j de juffertjes van het 
tweede geflacht {^Aeshna fabr.) onderfcheiden zich 

3* 3 van 



C 336 ) 

van die van liet ccrlle alleen d-'or de [gedaante van 
het ligchaam ; maar het derde geflacht onderfcheidt 
zich van de twee eerden door bet korte en breede 
hoofd, door de van elkander afitaande oogen en door 
de wijze , waarop de daartoe behoorende infekten 
hunne vleugels dragen, als zij (lil zitten (reaumur VI, 
Mém, XI). Het is thans mijn oogmerk niet, om te 
fpreken over de kenmerken , die door fabricius voor 
deze drie geflachten zijn voorgeflagen geworden, en 
die van de monddeelen , vooral van de gedaante der 
onderlip, ontleend zijn. Het geflacht Agrion onder- 
fcheidt zich genoegzaam door de van elkander verwij- 
derde oogen, de fmalle vleugels, en, wanneer men 
de gedaanteverwisfeling kan waarnemen , door den 
vorm der maskers, wier achterlijf met drie vinachtige 
platen eindigt. Een nieuw geflacht (Macrofomd)^ 
hetgeen men onlangs heeft voorgefteld, onderfcheidt 
zich , naar het fchijnt , van Agrion alleen , door de 
nog grootere lengte van het achterlijf. 

De Libellulae en Aeshnae gelijken elkander veel 
meer, en hunne maskers hebben in beide geflachten 
vijf aanhangfels aan het einde van het achterlijf, en 
nagenoeg dezelfde gedaante, hoezeer die van het ge- 
flacht Ae$hna langer zijn. Behalve de monddeelen , 
onderfcheiden zich deze geflachten dus alleen door 
het min of meer lange achterlijf, een kenmerk, het- 
geen onzeker en onbepaald is. 

Innig overtuigd , dat natuurlijke geflachten zich door 
alle deelen moeten kenfchetfen , en doordrongen van 
de waarheid van den regel van linn^us : Character 
non facit genus ^ heb ik mij moeite gegeven, in 
de vleugels een duidelijk kenmerk te vinden , om 

de 



C 337 ) 

dé Aeshnae van de Libdhdae te onderfcheiden. De 
cellen en vaten der vleugels, die, na bet voorbeeld 
van jüRiNE , met zoo veel vrucht gebezigd zijn , om de 
vliesvleugelige , en zelfs de tweevleogelige infekteÉ 
te onderfcheiden, fchenen mij te beloven, hetgeen ik 
zocht. .,Ov..v a;* 

Naauwelijks begon ik dit onderzoek , of ikwaé gsè- 
troffen door eene driehoekige cel in de voorvleugels 
der Libellulae , digt bij hun grondftuk. Deze arm- 
of vleugelfchijf-cel (j:ellula hitmcraïis s. discoidalis') 
biedt de gedaante van eenen omgekeerden regthoeki- 
gen driehoek aan , met de punt naar beneden. Roe- 
SEL, wiens afbeeldingen een voorbeeld van naauw- 
keurigheid opleveren, heeft ook inderdaad, bij onder- 
fcheidene Lihclhilae een zeer goed karakter afge- 
beeld , hetgeen tot nog toe aan de aandacht der ftel- 
felmatige infektenkenners fchijnt te zijn ontfnapt. Bij 
de Aeshnae daarentegen ziet mfen terzelver plaatfe eene 
waterpas liggende , grootere cel , en er is bijkans 
geen verfchil tusfchen de voorfte en achterfte vleugels 
bij deze infekten. 

Ik bad dezen vorm in het eerst flechts bij eenige 
inlandfche foorten waargenomen , die ik zelf verza- 
zameld had. Een onderzoek van de reeks van foor- 
ten uit alle deelen der wereld, die zich in het Ko- 
ninklijk Mufeum bevinden, waartoe zich mijn vriend 
DE HAAN met mij wel heeft willen verledigen, heeft 
bewezen, dat ik mij niet bedroog, met aan dit ken*- 
merk eenig gewigt te hechten. 

Die Aeshnae intusichen , wier oogen van elkander 
verwijderd ftaan iJeshna forcipata fabr,, A. un~ 

^ 4 gui' 



C 338 ) 

■guiculata)^ en die in het ftelfel van den Heer van 
aiERi LINDEN de twecdc, afdeeling van dit geflacht vixt' 
maken {^eshna Bonomen/is, Bononiae, 4°.. i82oy, 
bieden dezelfde driehoekige cel aan als de Libellulae, 
maar korter en breeder. Voor het overige gelijken 
de voor- en achtervleugels zeer op elkander, even 
als bij de overige Acshnae, hetgeen bij de Libellulae 
nooit het geval is. De Heer de haan heeft uit deze 
peesvleugeligen het geflacht Lindenia gevormd, en 
dit nieuwe geilacht moet tusfchen Libdlula en Aeshna , 
veelligt tusfchen ,Libellula en Jgrion in het midden 
ftaan. 

Wat de Agrions betreft , ] ik meende in het eerst , 
dat de meestal vierkante cellen in derzelver vleugels, 
die vijf- of zeshoekig bij de Aeshnac en Libellulae 
zijn, hen onderfcheiden , maar een naauwkeuriger on- 
derzoek heeft mij overtuigd, dat zulks geenszins al- 
gemeen doorging. Misfchién zijn de zwakke arm- 
aderen (nervi humerales) en de fmalle vleugels vol- 
doende , om hen te onderfcheiden. Zij verdeelen zich 
voorts, ook door de vleugelc ellen, 'm zekere groe- 
pen , aan welke wij echter gelooven , dat het weinig 
nuttigheid zoude hebben, bijzondere gedachtsnamen 
te geven. 

Ik onderwei-p dit nieuwe kemerk aan het oordeel 
der infektenkenners , die zich bijzonder met deze fa- 
milie hebben bezig gehouden, en hun oordeel erover 
te vernemen, zal mij ten hoogfte welkom zijn. 

Tot beter verftand van dit kort opftel , meende ik 
er eenige Figuren bij te moeten geven. Zij zijn alle 
van linker-bov'envleugels , en van dien aard , dat ik 

ge- 



pim 



•^ ^ 



^. z. 





^j. 3. 



J^jr. 4. 



\ 







^r-j, 



1 



( 339 ) 

geloof, er geene andere verklaring te behoeven bij te 
voegen , dan de opgave der foorten , waarvan zij ge- 
nomen zijn (*). 

Fig. I. Aeshna grandis. 

— 2. LibeUula depresfa. 

— 3. Lindenia (^Aeshna) forcipata. 

— 4. Agrion puella. 

In de drie eerde figuren , is de driehoekige cel door 
de letter a aangeduid. In dezelve heeft men ook al- 
leen flechts de cellen aan den grond der vleugels af- 
gebeeld, 

O De Heer de haan heefc mij federt het opftellen van 
dit ftukje, medegedeeld, dat het llijk's Mufeiim de vol- 
gende, zoo bekende, als nieuwe foorten der drie gcflach- 
ten LibeUula , Aeihna en lindenia bezit. 
LibeUula loi. 
Aeshna 23. 
Lindenia 13. 
Deze getallen kunnen eenigzins ten waarborg voor de 
geldigheid van dit kenmerk verftrekken. 



3' 5 



(340 ) 

EENIGE BEDENKINGEN OVER DE OMGEKEERDE RIG- 
TING DER BEELDJES OP HET NETVLIES, DOOR 
DE VOORWERPEN VAN BUITEN GEMAAKT , NAAR 
AANLEIDING VAN EENE VERKLARING, WELKE 
DE HEER RUMBALL DAARVAN WILDE GEVEN, 
VERMELD I'N DE BIJDRAGEN TOT DE NA- 
TUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN. DEEL III, 
N°. 2, BLZ. l66 VAN DE WETENSCHAP- 
PELIJKE BERIQTEN. 

Door JOH'. BUYS, te Amfterdain. 

Oedert dat onze helderziende Natuurkenner h. aene^e, 
bij eene noot in het door hem vertaalde werlqe van 
G. ADAMS, over het zien, op blz. 58—65 en het 
bifvoegfel o^ blz. 171, ondernaar, [dit verfchijnfel te 
verklaren , hetwelk door mi] , wat het denkbeeld betreft, 
in mijn Natuurkundig Schoolboek is gevolgd gewor. 
den , meende ik , dat deze zwarigheid genoegzaam 
was opgeheven. Immers was deze verklaring van dien 
aard, dat zij met den üand dezer beeldjes op het net- 
vlies niets te doen had , omdat , volgens dezelve , het 
regt of verkeerd fliaan, door ons verftand, alleen bij 
vergelijking moest begrepen worden. De beeldjes 
ftaan achter in het oog niet alleen verkeerd, maar 
zelfs in alle rigtingen , naar mate wij het hoofd op 
zijde houden; is het hoofd geheel op zijde gedraaid, 
of bezien wij de voorwerpen , wanneer wij uitgeftrekt 
op een rustbed liggen , dan ftaan de beeldjes der 
voorwerpen achter in het oog, voorzeker, geheel 

over- 



C 341 ) 

overdwars, en bukken wij met het hoofd zoo verre 
naar beneden, dat wij tusfchen de beenendoor, naar 
voorwerpen zien , dan moet ook het beeld geheel op 
het netvlies voorkomen, en een' ftand aannemen ge-j 
heel omgekeerd bij dien , in welke wij gewoon zijn 
te zien ; ondertusfchen leert de ondervinding , dat in 
al die verfchillende gevallen en ftanden der beeldjes , 
het in ons zien , geen het minste verfchil maakt , en 
wij de voorwerpen altijd regt zien , alleen dan zien 
wij de voorwerpen verkeerd en het onderst boven 
flaan, wanneer wij door geflepen glazen of an- 
dere middelftoffen , die de lichtftraltn ombuigen, het 
beeld der voorwerpen zelf, omkeeren. Het blijkt 
dan nu al terftond , dat de ftand der beeldjes achter 
in het oog niets aan ons zien afdoet ; de ziel heeft 
immers geen tweede oog , om die beeldjes te zien , 
het indrukfel , welke deze te zamen gekomen licht- 
flralen veroorzaken, maakt de gewaarwording uit: 
bedenken wij flechts, dat wij niet kunnen weten hoe- 
danig de indrukfelen der zinnen , de voorflellingen 
in onze ziel maken : bij voorbeeld , ik zie een' toren :• 
de lichtftralen , welke deze toren terugkaatst, komen 
in mijne oogen , veroorzaken daar eenen indruk, en 
daardoor ontftaat in mijne ziel een denkbeeld, waar- 
door ik zeggen kan: ik zie iets: wanneer ik nu reeds 
te voren een denkbeeld van een' toren gehad heb , en 
ik dan dit denkbeeld daarmede vergelijk, dan kan ik 
zeggen : ik zie een' toren : maar (laat nu deze toren 
regt of omgekeerd? Bezien wij eerst, wat wij regt 
of omgekeerd noemen: het is immers klaarblijkelijk, 
dat wij alles bij den grond, waarop wij ons zelven 

be- 



C 342 ) 

bevinden, vergelijken en naar den fhnd van ons 
eigen ligciiaam oordeelen. Wij zeggen dan een voor- 
werp regt overeind te ftaan , wanneer het onderste ge- 
deelte zich op den grond bevindt, en het bovenfte, even 
als ,ons hoofd , naar lucht en wolken gekeerd is , dat is , 
wanneer het ftaat, zoo als' wij zelven gewoon zijn 
te ftaan en de zwaartekracht ons dit doet gevoelen. 
Alle voorwerpen dan , welke met hun onderfte ge- 
deelte op den grond ftaan , hebben een' ftand zoo als 
wij zelven hebben , en ons. verftand, befluit , dat zij 
regt (laan. Het begrip dan van regt en omgekeerd 
ftaan der voorwerpen, hangt af, .van deh grond , 
waarop wij zelven ftaan of leven , zoo als wij reeds 
zeiden van den ftand van ons ligchaam. Brengen wij 
dit nu over tot de beeldjes, welke de te zaraen ko- 
mende lichtbundels achter in het oog formeren, dan 
volgt, mijns inziens, van zelf, dat het indrukfel, 
welke dat beeldje maakt, ook den grond, waarop iiet 
fl-aat , te gelijk met anderen met zich voert : elk 
beeldje dan in het oog, hoedanig ook op het netvlies 
afgeteekend, regt, fcheef of omgekeerd, wordt door 
ons regt opftaande waargenomen , wanneer het boven- 
einde van hetzelve tegelijk met alle anderen , naar 
lucht en v»rolken gekeerd, en het voetftuk of onderfte 
deel op of naar den grond rustende is , bij voorb. , 
de boom waarvan wij zoo even fpraken, ftaat dan 
achter in het oog of op het netvlies omgekeerd; 
doch de grond ook eveneens, hij ftaat met het wortel- 
einde op den grond, en de top van denzelvenis, naar 
hetgeen wij boven noeüien, gekeerd: hij ftaat zoo 
als wij ons bevinden, wanneer Vij regtop ftaan, en 

wij 



J 



C 343 ) 

wij zeggen: deze boom ftaat regt. Zoo noemen wij 
iets omgekeerd te ftaan , wanneer hetzelve eene rig- 
ting heeft, die het tegengeftelde is van onze rigting 
-en hetgeen wij tegelijk daarmede waarnemen; bij 
voorb. , wanneer wij door een' kijker zien met twee 
brilleglazen, dan vertoonen zich de voorwerpen ge- 
heel omgekeerd; en wij befluiten uit onzen eigen 
ftand , en uit de andere voorwerpen , die wij buiten 
den kijker waarnemen , dat het voorwerp , door den 
kijker gezien, een' ftand heeft, geheel ftrijdig met den 
onzen en dien van vele anderen. Het is waar , dat in den 
kijker, de voorwerpen zich ook op den grond vertoo- 
nen, maar het indrukfel van dien grond is niet op die 
plaats en in die rigting, als wij door de zwaarte- 
kracht den grond, waarop wij ftaan, gevoelen; welk 
eene moeijelijkheid gevoelen wij [ook bij het gebruik 
van zulk een' kijker, om de voorwerpen te volgen, 
dewijl alles .ftrijdig is met onze gewone waarne- 
mingen ? 

Want hoezeer er tusfchen indruk en denkbeeld , tus- 
fchen de voortelling van een voorwerp en het voor- 
werp zelf, tusfchen de ziel en het ligchaam, op 
en door hetwelk zij werkt, een fcheidsmuur zijn 
moge, zoo is het nogtans zeker, dat volmaakt 
gelijke indruksels op de zintuigen, onder dezelfde 
om Handigheid, volmaakt gelijke voorftellingen of be- 
grippen ten gevolge moeten hebben, en daarom moet 
ook de indruk van grond en top , dat van onder en 
boven voOrftelIen, en de ftand van dit indrukfel zel- 
ve, doet daar niets toe of af, wanneer flechts de 
indruk, welke de voorftelling van grondftuk te 
weeg brengt, door het verftand op zijne regte plaats 

ge- 



( 344 ) 

geoordeeld wordt en met onzen eigenen ftand overeen- 
laomt. — Men zegge hier niet, dat wij niet weten, 
of er een beeld op het netvlies geformeerd wordt, 
omdat wij onze zintuigen niet anders kunnen waarne- 
men dan door onze zintuigen zelve. Het is zoo; 
doch de indiukfels, welke het licht in onze oogen 
voortbrengt , hebben ons dan toch de begrippen ver- 
oorzaakt van lichtbundels of kegels, die van ieder punt 
der voorwerpen afdralen , dat deze lichtbundels door 
niiddelftofFen , zoo als gellepen glazen , gebogen en in 
brandpunten vereenlgd worden, leeren ons de waar- 
nemingen , en aan deze kennis zijn wij de gezigtkunde 
verfchuldigd. Ondervinden wij dan , dat een gefiepen 
glas in eene donkere kamer op het gefpannen doek, 
de voorwerpen van buiten afbeeldt naar gezigtkundige 
wetten, en zien wij hetzelfde verfchijnfel naar de- 
zelfde wetten plaats hebben in het dierlijke oog, 
wanneer het uitgenomen is ; dan komt het ons voor , 
dat wij kunnen zeggen, dat het verfchijnfel achter 
in het uitgenomen dierlijk oog of op het netvlies van 
hetzelve, volkomen gelijk ftaat met dat van de don- 
kere kamer. Ik weet wel, dat het zien van een' 
boom op het netvlies van een oog, even als dat van 
een* boom op het doek in de donkere kamer, 
alleen het begrip is, dat wij er van maken; doch het 
indrukfel in het oog, dat de boom maakt, is dan 
toch gelijk aan den indruk , welken de boom in d'e 
donkere kamer op het oog te weeg brengt, en doet 
in beide gevallen ons een' boom zien; in het eerfte 
geval is het indrukfel van den boom zelve af komllig ; 
in het tweede geval , van het beeld , dat door het ge- 
flepcn glas op het doek gemaakt is , alleen met dat 

on- 



■ C 345 ) 

onderfcheid , dat het verftand door vergelijking weet, 
dat liet eene op het doek is gefchilderd , en het an- 
dere de boom zelve is , dien het waarneemt. Even zoo 
als ik dan het begrip krijg van een voorwerp in eene 
donkere kamer , krijg ik zulks ook , als ik een dier- 
lijk oog van achter van deszelfs bekleedfel ontdoe ; 
zoo deed dan rumball , en zag achter in het oog , 
even als op het doek, een beeldje omgekeerd ftaan ; 
waartoe hij het glasachtig vocht deed uitpuilen en de 
as verlengde, is mij niet klaar. Meermalen zag ik 
zulk een beeldje, zonder de as te verlengen; mis- 
fchien is door het uinemen het doorfchijnend deel 
van het hoornachtig' vlies verplat , en daarom het 
verlengen der as noodzakelijk geworden, om het 
beeldje duidelijk te zien. Dat hij bij het uithollen 
van het glasachtig vocht, het beeldje regt zag, ver- 
dient immers geene opmerking ; want men bedenke 
flechts, dat er nu in het glasachtig vocht een holle 
fpiegel geboren is , waarin het beeldje zich omge- 
keerd en dus regt vertoonen moet, wanneer het- 
zelve , zoo als hier het geval zal zijn , zich buiten 
het brandpunt van den fpiegel bevindt ; de proeven 
dus van den Heer rumball, hebben dan ook van de- 
zen kant bezien, weinig waarde, en misfen, naar mijn 
inzien, op de hier vóórgezegde gronden , al haar doel, 
en zijn befluit, dat er op het netvlies noch een om- 
gekeerd , noch een regtflandig beeldje geworpen wordt , 
is geheel voorbarig en onjuist. 

Na deze bedenkingen komt het mij voor, dat het 
moeite en tijd verfpillen is, iets meer van die zwa- 
righeid bij het zien te reppen : wij hebben met geene 
ontleedkundige , noch met bovennatiiurkundige ver- 

kla- 



( 346 ) 

klaringen iets te doen ; de beeldjes mogen dan , zoo 
als wij hier boven hebben getracht te verklaren, ach- 
ter in ons oog op het netvlies , regt , verlieerd of 
hoedanig ook ftaan, het komt alleen aan op den be- 
trekkelijken ftand met ons eigen ligchaam, en op het 
befluit dat wij zelven van den indruk maken , die wij 
door de zamenkomende lichtftralen der voorwerpen in 
het oog verkrijgen : daarom zeide reeds adams te 
regt: dat de beeldjes flechts middelen zijn, om te 
zien , doch dat zij zelven niet gezien kunnen worden. 



BOEKBESCHOÜWING. 



>4«{^&|94< 



Prtjsver handeling betref ende hef leven en de w/- 
diemten van CH\KV%T\hhn brunings, doorww, 
CONRAD, tnet een Foorberigt door j. h. van der. 
PALM, V Gravenhage op 'j lands drukkerij, 

lOedert ik in de gelegenheid ben geweest de aangele- 
genheden van den Nederlandfchen vvaterftaat meer van 
nabij te leeren Itennen, is de eerbied, dien ilc voorde 
nagedachtenis van den grooten christiaan brunings 
koesterde, fchier bij elke gelegenheid vermeerderd, en 
ik had reeds voorlang de levendige overtuiging , dat ons 
Vaderland, federthet begin dezer eeuw, geen' burger 
had verloren, wiens leven nuttiger, dan dat van 
dezen edelen man geweest is. 

Het is eene treurige waarheid , dat weinigen , in het 
moeijelijk en noodzakelijk vak van den waterftaat, alle 
die kundigheden vereenigen, welke tot de beoefening 
van hetzelve volftrektelijk vereischt worden. Eenigen 
munten uit , in het bouwen van een of ander water- 
bouw-werk, en zijn geheel onkundig van de meeste 
andere deelen van het vak. Een zeer groot aantal 
mist ten eenemaal alle theoretifche kundigheden , ter- 
wijl er wederom andere en zeer uitmuntende wis- 
kundigen zijn geweest, die niet in ftaat waren otn 
het geringae werk aan te leggen. Die gelukkige , hoogst 
zeldzame vereeniging van befpiegelende wetenfchap 
BIJDRAGEN, D. IK. s. 3. A en 



c -- -) 

en uitvoerende beoefening Ichijiu bij brünings in de 
hooglle mate beftaan te hebben. Zijne fchriften , 
zijne veelvuldige rapporten dragen blijlcen , dat hij alle 
de deelen van zijn vak naauvvkeurig had beftudeerd, 
dat hij de fchrijvers, die over deze ingewikkelde on- 
derwerpen handelden , had gelezen , en zich wist te 
dienen , niet alleen van zijne eigene uitgebreide on- 
dervinding , maar ook van die door anderen elders 
verkregen. Daarenboven bezat hij ook de gave van 
zijne denkbeelden en ontwerpen op eene duidelijke, 
eenvoudige, van alle woordenpraal verwijderde wijze, 
voor te dragen. Hij fchreef eenen (lijl , die duidelijk, 
eenvoudig, en door kracht van redenen wegflepend , 
de overtuiging afdwong. Eene verdienfte, welke des 
te hoogcr te fchatten is , naarmate dezelve zeldzamer 
wordt aangetroffen. 

Zijne nagelatene bibliotheek bevatte eenen fchat van 
zeldzame en uitmuntende werken over dewatcrbouw- 
én warerloopkunde. De beroemde van swinden was 
op de verkooping der boeken van bruninos in de 
gelegenheid geweest, zich de meeste werken , die hem 
over die vakken nog ontbraken j aan te fchaffen , en 
als een bewijs, hoe weinig die werken hier te lande 
gekend of geacht worden, kanftrekken, dat ik, op de 
veiling der boekerij van den heer van swinden, het 
grootfte gedeelte van eene volledige verzameling der 
fchriften van Italiaanlche waterbouwkundigen , voor 
eenen hoogst geringen prijs, ten behoeve der Utrecht- 
fche bibliotheek heb kunnen verkrijgen, terwijl nie- 
tige werkjes voor meer, dan waarvoor men dezelve had 
kunnen doen affchrijven, verkocht werden. 

Het leven van brunings moet voor conrad, die 

zoo 



C 3 ) 

Eoo geheel van zijnen geest doordrongen was, ge- 
makkelijk te fchrijven zijn geweest. Hij behoefde 
geene lofrede te maken, waarin hij zijnen held flechts 
van de voordeeligde zijde had te vertoonen, waarin 
men gebreken te bedekken, fouten te verbloemen en 
zwakheden te verontfchuldigen had. In het leven van 
BRüNiNGS was het niet noodig fieraden van eene 
kunstmatige redekunde te ontleenen. Het onderwerp, 
hetwelk conrad te behandelen had , was uit zich zelf 
groot en verheven genoeg. Hij had er Hechts het 
zachte licht der waarheid op te werpen, om het in 
deszelfs vollen glans te doen fchitteren. 

Zeldzaam is het, althans bij ons, dat het een 
waarlijk groot man gebeurt, dat zijne verdienden 
aan de landgcnooten worden opengelegd door iemand, 
die volkomen in ftaat is, om dezelve op den waren 
prijs te fchatten. Bij gebreke in den lofredenaar 
of levensbefchrijver aan de noodige kennis, om de 
verdiensten desgenen, dien hij vereeren zal, in het 
ware licht te plaatfen, vindt hij zich Iverpligt dit 
gebrek aan wezenlijkheid , door fraaije woorden en 
fchoone -volzinnen, te verbloemen. Zulke fchrif- 
ten mogen onkundigen bevallen, doch zij, die de zaken 
beter kennen , misfen in zulk gefchrijf die echte wel- 
fprekendheid , die op overtuiging rust en uit het hart 
alleen opwelt. Conrad heeft als waterbouwkundige, 
als leerling , als vriend , dat regt aan de verdiensten 
en het edel karakter zijns weldoeners en leermeesters 
gedaan , hetwelk er moeijelijk , misfchien onmogelijk , 
door een' ander aan konde gedaan worden. 

Wij leeren uit dit gefchrift kennen wie erunings 
was , hoe hij leefde , hoe hij handelde , en wat hij ge- 
daan heeft. A 2 Vc- 



C 4 ) 

Velen, die dit leven van drunings zullen lezen, 
zullen zich verwonderen , dat er zoo kort nabij onzen 
leeftijd zulke groote werken in ons land zijn uitge- 
voerd, en dat men van dat alles bijna nooit heeft hoo- 
ren fpreken. Hoe velen onzer landgenooten , wat zeg 
ik, hoe vele leden onzer dijksbefluren zijn er niet, die 
niet weten, wat het Bijlandfche kanaal eigenlijk is, noch 
waarom hetzelve gegraven werd. Het beteugelen van 
het Haarlemmer meer, dat meesterftuk van oeverdekking, 
wordt gewis, door vele onzer ingezetenen, niet op den 
regten prijs gefchat, indien zij al weten, dat iets dier- 
gelijks beftaat. De koophandel van -^wy?^/-^^?^ zal wel 
overtuigd zyn van het nut, door het daarftellen van 
bet Nieuwe Diep gedicht. Maar velen , die in bqe- 
Ifen en journalen de befchrijving van de telkens in- 
ftortende haven van Cherburg gelezen hebben, of die 
zich in verwondering opgetogen vinden bij de Fran- 
fche befchrijvingen van den weg over den Simplon, 
zullen niet weten, welk een uitmuntend kunstge- 
wrocht zoo digt bij hunne hoofdftad ligt. 

Wanneer men het aantal der groote werken ziet 
opgeteld, welke brunings ontworpen, beftuurd, of 
waaraan hij deel genomen heeft , wanneer men daarbö 
bedenkt van hoe velerlei verfchillenden aard die wer- 
ken waren , dan moet men nog meer verflerkt worden 
in het denkbeeld, hetwelk wij reeds voorheen mog- 
ten hebben opgevat, dat hij een waar model ople- 
verde van een' volmaakt opperbeftuurder van onzen 
waterftaat , rivier- en zeewerken ; . droogmaking van 
polders , aanlegging van havens en dokken , de uit- 
vinding van een' voortrefïelijken ftroommeter, vaneen' 
zeer goeden regenmeter, verbetering van eenenwind- 

me-. 



Cs) 

meter, weerkundige waarnemingen ; met een woord: 
niets van hetgeen van den opperbeftuurder van Ne- 
derlands waterftaat kon verwacht worden, fcheen 
te veel voor zijn veel omvattend vernuft, voor de 
uitgeürektheid zijner kundigheden, of zijne onver- 
moeide werkzaamheid. 

Eene zonderlinge overeenkomst tusfchen brunings 

en den beroemden Engelfchen waterbouwkundige en 

jngenieur rennie , is daarin gelegen, dat beiden de 

fterrekunde met veel liefhebberij beoefenden. Ik be- 

, zit nog werken over de fterrekunde, op de verkoo- 

ping der boeken van brunings aangekocht, voorzfen 

met aanteekeningen van de hand van dien grooten 

man, en welke bewijzen, met hoe veel oordeel, op- 

lettendheid en kunde de moeijelijke gedeelten der 

fterrekunde door hem waren onderzocht. Een exem- 

plaar van horatius , insgelijks met onderhalingen 

' van zijne hand voorzien, toont aan, hoe zeer hem de 

fchoonfte plaatfen van dien eerflen der latijnfche dich- 

teren konden treffen. 

Zij, die in den roem van Nederland, in dien van 
BRUNINGS , in wetenfchap in het algemeen , en in 
waterbouwkunde in het bijzonder , belang (tellen , moe- 
ten zich aan .den heer wenckebach hoogst verpligt 
gevoelen. Hij was het, die den heerscHiMMELPEN- 
NiNCK voorftelde, de verdiensten van buun/ngs door 
een gedenkteeken en eene levensbefchrijving te veree- 
ren, en het is nu weder aan zijne onvermoeide zorg, 
aan zijnen ijver om zijnen afgeftorvenen vriend regt mati- 
ge hulde te bewijzen , dat wij het in het licht verfchij- 
nen dezer verhandeling verfchuldigd zijn. Zonder hem 
zoude dezelve voor altoos onder de papieren van het 

A 3 Mi- 



C 6 ) 

Ministerie in vergetelheid bedolven gebleven zijn. 

Den heer van der palm zijn wij, voor een kort 
Icvensberi'gt van den voortrefFel ijken fchrijver van het 
leven vanijRUNiNGS, dank fchuldig. Het aflterven 
van coNRAD was, na het verlies van brunings , de 
gevoeligfte flag, die onzen waterftaat kon treffen. In 
hem had men mogen hopen weder te vinden , wat 
men in brunings verloren had. 

Het valt te betreuren , dat de verdiensten van den 
Hoogleeraar lulofs , den uitmuntenden voorganger van 
BRUNINGS, als Infpecteur Generaal, nimmer in het 
ware licht zijn gefteld geworden. Ook deze heeft, om- 
trent onzen waterftaat, onfchatbare en weinig bekende 
verdiensten. Lulofs muntte daarenboven uit als na- 
tuur-, fterre- en wiskundige. Zijne proeven over de 
lengte van den fekunden flinger , zijne fterrekundige 
waarnemingen , zijne fchoone wis- en natuurkundige 
befchou wing van den aardkloot , en zijne wijnroeikunde , 
zijn alle zoo vele blijken van de uitmuntende talenten 
van dien niet genoeg gefchatten Leydfchen Hoogleer- 
aar. Ik heb voor eenigen tijd eene poging aangewend, 
om bouwftofFen voor eene fchets van het leven en 
de verdiensten van lulofs te verzamelen, doch ik 
heb niet kunnen flagen ; ook niet bij de naastbeftaan- 
den van dien beroemden man. 

Eindelijk zoude ik nog ten flotte mijne fpijt 
moeten te kennen geven, dat men bij het uitgeven 
van het leven van brunings door conrad , hun 
beider afbeeldingen niet heeft gevoegd, indien in het 
Vaderland van houbraken de kunst van portretten 
te graveren niet verloren scheen. 

moll. ■ 

Over 



( 7 ) 



ïStCCl»^!»*^*»*: 



Over het gebruik van de Chlorure de Soude, en 
Chlorure de Cbaiix, door a. g. labarraque, 
vertaald en met aanmerkingen , betreffende de 
bereiding i zamenflelling^ eigenfchappcn en het 
gebruik dezer zouten, toegelicht door a.h. van 
«ER BOON MESCH, tc Lcjdcn , bij Haak en 
Comp. , 1827, 136 bl. , 8». • iii,,j\, 

De Chlorine- verbindingen, befchouv/d in ha'rè 
fcheihundige ^ fabrijkmatige , genees- en huishoud' 
kundige betrekkingen , door s. stratingh , e. z. 
met vijf fteendruktafelen , te Groningen , bij Oome 
kens, 1827, 492 bl., 8°. 



Wa 



anneer men, al is het flechts oppervlakkig, de 
Gefchiedenis van Kunsten en VVetenfchappen door- 
loopt, valt het dadelijk in het oog, dat men in het 
algemeen er op is uit geweest, om enkele middelen 
te vinden, waarmede men veel konde beoogen. Reeds 
vroeg hadden diegenen groote waarde, die eenvoudig 
waren zamen te ftellen ofte verkrijgen, die gemak- 
kelijk aanwendbaar en van uitgebreide toepasling wa- 
ren. Doch niet altijd heeft men deze eenvoudigheid 
bevorderd; voornamelijk, naar ons inzien, daaruit 
voortvloeijende , omdat niet iedereen, hetzelfde denk- 
beeld van eenvoudig had. Het ware eenvoudige ken- 
nen ook flechts weinigen , en onder degenen, die hiervan 
ecne goede voorllelling hebben, ontbrak het velen aan 
den praktifchen zin, het dagelijkfche leven van de bij 
hen bekende eenvoudigheid deelgenoot te maken. De ge- 

A 4 . nces- 



C 8 ) . 

nceskunde vooral heeft deze waarlieid te betreuren. 
Ilierin is men zelf minder vereenvoudigd , hoewel de 
rijen der ontlede zelf handigheden oppervlakkig zou- 
den doen opmaken, dat men thans in de geneeskunde 
zoo eenvoudig mogelijk konde zijn. Uit dit zelden 
zuiver begrip van eenvoudigheid, veel meer, dan uit 
de roasfa der ziekten , gelooven wij het heir genees- 
middelen te moeten afleiden, hetwelk geheele boek- 
deelen opvult en onze Apotheken met voortbrcng- 
felen van fterke en zwakke , ligte en zware , ge- 
kleurde en ongekleurde, vaste en vloeibare zelfllan- 
digheden , met voortbrengfelen uit alle oorden der 
wereld , in groote menigte aangebragt , doet opproppen. 
Men huivert voor het denkbeeld van ziek te wor- 
den, als men deze groote vergadering van flesfchen 
en potten aanfchouwt ; veel meer nog, als men da- 
gelijks tusfchen zieken verkeert en als het ware 
onder hen leeft. 

Intusfchen gaat men fteeds voort deze menigte uit 
te breiden, zoodat het weldra dus gefchapen zal zijn, 
dat één huis voor eene Apotheek te klein zal wezen , 
dat één mensch te veel omvattende kennis zal moeten 
hebben om artfenijbereidkundige te zijn. En wat 
moet er dan van de arme zieken worden ! 

Onder deze zich verdringende voortbrengfelen der 
nieuwere geneeskunde zijn echter, zoo als onder 
iedere groote menigte van wat het ook zijn moge, 
ook nuttige zelfftandigheden : middelen , die waarlijk 
gewenscht zijn, en die den naam van eenvoudig in • 
den volden zin des woords verdienen. Zij zijn te 
dikwijls opgenoemd om ze hier weder aan te geven. 
Men ftelt deze dan ook vrij algemeen, altijd, zoo 
• als 



( 9 ) 

als in alles , enkele uitgefloten , op den voorgrond , 
en er is dikwijls weinig tijtls noodig , om dezelve , 
oogenfchijnlijk voor altijd, onder de beste hulpmidde- 
len te zien opgenomen. 

Iedereen, die met lietgeen er in het wetenfchap- 
pelijke der natuurkundige wetenfchappen van onze 
dagen gedaan wordt , een weinig bekend is , denkt 
hier aan de Chlortireta'^ en wij aarzelen dan ook 
niet om te zeggen , dat zoo ooit eenig middel op 
onderfcheiding aanfpraak heeft kunnen maken, het 
voorzeker deze Chlorüreta zijn en zullen blijven. Doch 
wij moeten het ook zeggen, zelden was er eene 
zelfflandigheid , tot wellcer onderzoek zich zoo fpoe- 
dig en zoo ijverig , verdienftelijke en voortreffelijke 
mannen verledigden. 

Aan LABARRAQUE komt de eer toe deze C/^/orwr?;^ 
in hare innerlijke waarde te hebben leeren kennen. 
Niet, dat hij dezelve ontdekte, of het eerst zamen- 
ftelde , niet , dat hij het beginfel , waarop hare wer- 
king (leunt het eerst verklaarde: dit alles was voor 
hem gedaan en tot eene groote mate van volkomen- 
heid gebragt. Maar, hetgeen men zelden ziet, de 
vroegere uitmuntende ontdekking van het Chloriiim 
en de aanwending van dit voortreffelijk middel, zoo 
wel in geneeskunde, als tot huishoudelijk gebruik, 
door velen onderzocht en bijna altijd geflaafd en uit- 
gebreid, liet eene gaping over, die vele jaren, naliet 
ontdekken der voortreffelijkfte derzelver eigenfcliap- 
pen, gevuld wordt en thans weinig meer te wen- 
fchen overlaat. Het Chlorium als gas tot berookin- 
gen, en in het algemeen ter zuivering gebezigd, was 
te vlugtig, te ongeftadig, en hierdoor te onzeker. 

A 5 Door 



, C lo ) 

Door LABARRAQUE voornaiiiclijk wordt lictzelve aan 
ftcrkere kluisters gelegd, en ziedaar het vcrmogendfte 
middel ontdaan, hetwelk de om Handigheden, waarin 
Iict Chlorium werd aangewend, vorderen kunnen., 

Voor een groot gedeelte heeft de , voor ruim een 
jaar in ons Vaderland geheerscht hebbende ziekte , tot 
het naarftig onderzoek van deze zelfftandighedcn van 
pnze Nederlandfche gel eerden, aanleiding gegeven. Te 
Groningen werden zij dadelijk aangewend, en in 
dien tijd bleef men niet in gebreke dezelve te ver- 
vaardigen , in het groot daar , te ftellen en naauw- 
keurig te onderzoeken. Te dier tijd las men dan 
ook in onze tijdfchriften de uitkomflen van het onder- 
zoek van onze geleerden. Thans zien uitgebreidere 
vruchten van twee onzer Scheikundigen over dit 
onderwerp het licht. 

Waren wij niet geheel en al overtuigd, dat een 
eerstbeginnende in wetenfchappen het regt niet heeft 
om goedkeuring te geven, wij zouden voorzeker niet 
kunnen nalaten , den onvermoeiden ijver van den voor- 
treffelijken Groninger Hoogleeraar s, stratingh, e. z. 
aan onze Landgenooten , uit deze nieuwe vruchten 
van zijnen arbeid wederom blijkbaar, bekend te ma- 
ken ; wij zouden insgelijks den heer van der boon 
MESCH van Leyden^ aan het publiek moeten doen 
kennen , als nuttige bijdragen tot de kennis der Chlo' 
rurcta te hebben geleverd. Doch , doordrongen van 
de waarheid, dat alleen de bijzondere denkwijze van 
beproefde mannen eenige waarde heeft, onthouden 
wij ons hiervan geheel en al. Vv^ij zullen ons ook 
altijd hiervan trachten te onthouden. Jntusfchcn 
wenfchenwij iets bij te dragen tot het doel, hetwelk 

ge- 



( II ) 

gemelde heeren met hunne gefcliriften hebben geliad , 
tn zullen daarom te dezer plaatfe eene korte Ichcts 
van de hierboven aangekondigde ftukken mcdedeelen, 
om alzoo derzelver waarde min of meer te doen uit- 
komen. Wij vangen aan met het fluk van den heer 
VAN DER BOON MESCH. Hetzelve bevat eene ver- 
taling van het (lukje van ladarraque, over het ge- 
bruik van het Chloriiretum sodae en Chïorurttum 
calcis ^ waar achter aanmerkingen van den heer van 
DER BOON WESCH gevocgd zijn , over de bereiding , 
zamenftelling , eigenfchappen en gebruik dezer zelf- 
ftandigheden. Uit de vertaling leeren wij , dat la- 
barraque eerst toen met zijne uitvinding voor het 
publiek is opgetreden , toen een groot aahral daad- 
zaken, door verfchillende mannen bevestigd, konden 
bekend gemaakt worden. Het ware te wenfchen , dat 
dit algemeen werd nagevolgd, inzonderheid in het 
aanbevelen van zelfftandigheden tot het een of ander 
gebruik , waar men door tijdverlies , veel verloren 
kan hebben , hoedanig het dikwijls in de geneeskun- 
de het geval is. Deze daadzaken worden dan in dit 
ftukje opgegeven, en met inftructiën van hoogere 
autoriteiten , omtrent het gebtuik , of oordeelvellin- 
gen van geleerde genootfchappen , over de nuttigheid 
van de Chlorurcta geftaafd. Het is te bejammeren , 
dat LABARRAQLiE dit een en ander met zoo weinig 
orde heeft ter nedergefteld. Doch dit doet weinig 
ter zake. De daadzaken zijn afdoende en pleiten vol- 
komen voor het zuiverend vermogen dezer Chlorii" 
reta in bijna alle gevallen , waar rottende of tot rot- 
ting neigende zclfllandigheden nadeel kunnen aan- 
brengen. 

Van 



( 12 ) 

Van der boon mescii fpreckt in zijne aanrcclccnin- 
gen op dit Iliikje , vooreerst over de ziiiverbcki en hoe- 
vccllicid der flofFen, die men tot ontwikkeling van 
liet CA/orïum gehrnikt. De beste verhouding der ver- 
Ichillende , hiertoe benoodigde zelfftandigheden geeft 
hij op deze te zijn: i. d. keukenzout, i. d. bruin- 
ftcen, a. d. geconcentreerd zwavelzuur, en 2. d. 
water. In de tweede plaats wordt hier over de ver- 
bindingen van het Chlorium met de zuurftof gehan- 
deld, vervolgens over de bereiding van het Chloru- 
return calcis en fodae en over de zamenftelling dezer 
Chlorureta. V. D. boon mesch houdt met eerzelius 
deze Chlorureta voor CA/or//ej(Chlorigzure zouten), 
en geeft vele redenen hiervoor op, die verdienen ge- 
lezen en gekend te worden : zij hebben ons tot zijn 
gevoelen overgehaald , en hoewel de zaak niet als ge- 
heel beflist kan aangemerkt worden , hetwelk ook niet 
dan uiterst moeijelijk te bereiken zal zijn, zoo is er 
alle reden voor, de Chlorureta als zeer waarfchijnlijk 
voor Chlorites te verklaren. In de vijfde plaats vin- 
den wij iets over de eigenfchappen der ligchamen , die 
v. D. BOON MESCH, om Verwarring voor te komen, 
Chlorureta blijft noemen , aangeteekend ; hij fpreekt 
hier vooral over de ontleding dezer zelfftandigheden 
door koolftofzuur , door den Iloogleeraar van der boon 
MESCII het eerst door proeven aangetoond, en over het 
ontkleurend vermogen van indigo, in zwavelzuur opge- 
lost. Eindelijk fpreekt hij over het gebruik dezer 
Chlorureta (Chlorites') , en voegt alzoo eenige merk- 
waardige daadzaken, omtrent het nut, hetwelk het 
gebruik dezer zelfftandigheden opleveren , bij die , in 
het ftukje van labarraque vermeld j hieronder vindt 

men 



C 13 ) 

men ten flotte de ondervinding van onze Vaderland- 
fclie geleerden, omtrent deze ftoffen, die allezins 
doet blijken, hoeveel goeds er ons in het vervolg van 
dezelve te wachten ftaat. 

Deze korte fchets van het ftuk van v. d. boon mesch, 
zij genoegzaam , om onze lezers met den inhoud van 
hetzelve min of meer bekend te maken , en die be- 
langftelling voor hetzelve op te wekken , welke het 
naar ons oordeel verdient. - Wij gaan over tot de 
befchouwing van het werk van Prof. stkatingh, 
hetwelk van grooteren omvang is, en dus ons een 
weinig langer moet bezig houden. 

De heer stratingh, in de algemeene ramp, die 
Groningen trof door eene ongefteldheid deelende, 
kon zich, ten tijde der aldaar heerfchende ziekte [ 
met de bereiding der insgelijks daar gewenschtê 
Chlortireta niet bezig houden. Hij fchreef daarom 
aan labarraque om voor fladskosten eene hoeveel- 
heid Chïorureta naar Groningen over te zenden. 
„Het zoude bijna niet mogelijk zijn (zegt stratingh 
„in zijne Voorrede; om op eene verpligtender en 
„dienstvaardiger wijze te handelen, dan door den 
„heer labarraque daarop in dezen gehandeld is; 
„daar hij ons niet alleen terftond een beleefd ant- 
„ woord, onder toezending van eenige flukken, tot 
„dit onderwerp betrekkelijk, heeft doen toekomen; 
„maar ook bovendien eene aanzienlijke hoeveelheid 
„ van de in zijne fabrijk vervaardigde Chlorine-kalk 
„ en Soda aan de ftad heeft verzonden en ten ee- 
„fchenke aangeboden; welk edelmoedig aanbod ^de 
„ Regering in de gegevene omftandigheden niet heeft 
„willen van de hand wijzen; terwijl zij, doordron- 

„ gen 



C 14 ) 

„ffcn van deze edelmoedige handelwijze, mij belast 
,^ heeft, om in dezen de tolk van hunne dankbare 
„gevoelens te mogen zijn.'* Dit moet ieder Neder- 
lander aangenaam zijn te vernemen, en wij deekn bet 
daarom nog eens mede. — Bij zijne herftclling was 
Prof. STRATiNGii , ZOO als iedereen dit van hem 
kon verwachten , bedacht deze middelen , die toen 
in Groningen met vrucht gebruikt werden, zelve te 
bereiden. Aan het hoofd eener kommisfie, op zijn 
verzoek aangcftcld , had hij dan ook het grootc ge- 
noegen mogen fmaken, den grooten nood der in» 
vvoners toen mede te lenigen, en al ras eene aan- 
z.icnh'jke hoeveelheid dezer Chlorine bereidingen daar 
te rtcllcn, die met gunflig gevolg aangewend, en 
fleeds meer en meer als hoogst nuttig blijkbaar werden. 

Dit is de aanleiding van het uitgewerkte (luk van 
den heer stratingh geweest, en, zoo als hij ge- 
woon is te doen , heeft hij deze veel omvattende be- 
fchrijving der C/^/or//z6- bereidingen in het algemeen 
gegeven, die zich niet alleen uitftrekt tot de wijze 
van zamcnllelling en daarflclling dezer middelen, in 
het groot, maar ook de heilzame uitwerkfelen der- 
zelve in een huishoudkundig en geneeskundig opzigt 
befchouwt. 

Wanneer wij Hechts den inhoud van het werk van 
den heer stratingh wilden opgeven , zouden wij 
reeds e,ó:te ruimte van twintig bladzijden noodig 
hebben.. ''Het doet ons leed, dat ons beftek dit niet 
gedoogt. Wij kunnen, om den rijkdom van zaken, 
alleen flechts den hoofdinhoud opgeven. 

. Het eerde hoofdftuk handelt over de Gefchiedenis 
der Chlorina verbindingen.. Hier krijgen wij eerst 

eene 



( 15 ) 

éene gefchiedenis van het Chloriiim zelve, daarna 
van de vloeibare verbindingen des Chloriums met pot- 
asch,fodaenkalk, van den droogenChlorine-kalk, een 
onderzoek van de zamenftelling der Chlorine- verbin- 
dingen , en de aanwending derzelve als luchtzuive- 
rend, ontfmettend en rottingwerend middel, de ge- 
fchiedenis hiervan , toepasfing van dezelve , vooral op 
de bleekkunst, enz. en eindelijk wordt het plan der 
verdere behandeling voor het onderwerp opgegeven. 

Het tweede hoofdftuk behelst de bereiding der Chlo- 
rine-verbindingen. Hier vindt men: vooreerst de berei- 
ding van vloeibaar Chlorium en vloeibaren Chlorine- 
. kalk , van anderen beichreven en getoetst , en daarbij die 
van den Hoogleeraar zelve gevoegd, waarin men de 
voordeelen, die men hiermede verkrijgt, handtaste- 
lijk zal vinden. Deze befchrijving is uitvoerig en 
met platen opgehelderd , die voor niet meer dan proe- 
ven te houden zijn eener pas opgerigte fteendrukkerij 
van ooMKENS. Wij mogen echter niet ontveinzen , 
dat zij het werk niet verfieren. Intusfchen ontbreekt 
er niets aan de duidelijkheid, en men heeft dus alle 
reden dezelve op prijs te ftellen. — De tweede af- 
deeling geeft de bereiding van de Chlorine-Soda op, 
de derde van den droogen Chlorine-kalk , lerwijl de 
vierde de hoeveelheden der te bezigen ftofFen voor 
deze bereidingen leert kennen. Dit alles is wederom 
zoo ingerigt, dat vooreerst de bevindingen vati „ande- 
ren met aanteekeningen worden opgegeven, daarna de, 
op grond van ondervinding van den Schrijver, voor, 
de beste te houden wijze , door hem zelven in het 
werk gefteld, wordt befchreven. Vooral wordt deze 
bereiding fabrijkraatig ontvouwd; omdat toch dezelve 

in 



( i<s ) 

in groote hoeveelheden verbruikt worden , en het 
er dus op aankomt , om met de minftc hoeveelheid 
van ftoiïen, de grootde hoeveelheid deugdzame Chlo- 
rium -bereidingen daar te ftellen. Ieder een die het 
onderfcheid kent, hetwelk er beftaat tusfchen algc- 
mcene en toegepaste wetenfchappen , zal de noodza- 
kelijkheid hiervan gevoelen, en zich alzoo bij zulk 
eene behandeling van dit onderwerp verblijden, dat 
voornamelijk de op geld ziende beoefenaars van ge- 
deelten der fcheikunde, de fabrikeurs, hierin eene 
handleiding en vraagbaak tevens zullen verkregen 
hebben. 

In het derde hoofdftuk worden daartoe de zamcnjlclm 
ling en beftanddeelen van de Chlorinc'verbindingcn ^ 
en onderzoek van dezelve op haar gehalte van Chlo- 
rium opgegeven. In dit hoofdftuk handelt de eerfte 
afdeeling over het fcheikundig onderzoek der Chlo- 
rine-verbindingen , dus over die met waterftof , zuur- 
(lof, kalk. In de tweede afdeeling wordt bepaaldelijk 
over Chlorium gehalte gefproken, naar aanleiding 

van DALTON, THOMSON, URE, GAY-LUSSAC , met 

eene befchrijving van deszelfs Chloro7neter ^ hoüton- 
LAHiLLARDiÈRE , PAYEN , MORIN , terwijl hier we- 
dcr telkens een onderzoek dezer verfchillende wijze 
vyordt in het werk geileld. 

Na dus de Chlorine«bereidingen te hebben leeren 
kennen , en de wijze van bereiding te hebben opge- 
geven , handelt het vierde hoofdftuk over de aamven- 
ding der Chlorine -verbindingen in geneeskundige 
betrekking. Vooreerst wordt hier gefproken over de 
aanwending derzelve tot zuivering en ontfmetting 
van bedorvene lucht. Dit onderwerp , als dadelijk aan- 

wij - 



C 17 ) 

wijzende hoe veelvermogend deze middelen zich 
reeds meermalen vroeger hebben getoond , bevat ver- 
der eenige waarnemingen van beproefde geneesheeren 
omtrent de aanwending dezer middelen , bij gelegen- 
heid der ziekte te Groningen , en wel van de Hoog- 
leeraren s. E. STRATiNGH en HENDRiKsz , van de Ge- 
neesheeren OUDEMAN, TELLEGEN, BAART DE LA 
FAILLE5HUBER, van den fchrijver zelven en van an- 
deren. De tweede afdeeling bevat de aanwending 
der chlorine-verbindingen tot zuivering van befmette 
cnftinkende plaatfen.zoo wel door andereq , als door 
STRATINGH zelven bewerkftelligd. De derde afdce. 
ling behelst de aaanwending der chlorine-verbindingen 
tot wegneming van den llank van rottende voorwer- 
pen , en tot bewaring van dezelve voor verder be- 
derf, alwaar inzonderheid over het behandelen van 
lijken met deze ftoffen gefproken wordt. Daarna ke- 
ren wij de chlorine- bereidingen als genees- en heel- 
middelen kennen , insgelijks door waarnemingen van 
Noderlandfche geleerden geftaafd. Eindelijk wordt 
ons hier de wijze van werking der chlorine-verbin- 
dingen *,'als ontfmettende of luchtzuiverende middelen 
opgegeven , waar voornamelijk het vroeger 'md^tKonst- 
en Letterbode beliandelde van de heeren stipriaan 

LUÏSCIUSjH. C. V. D. BOON MESCH en BEETS , OVCr 

deGuytonfche berookingen , en de betrekkelijke deug- 
den van deze berookingen ten opzigte der chlorine- 
verbindingen wordt opgegeven , benevens eigene waar- 
nemingen en proeven over de werking van de clorine- 
verbindingen , na alvorens die van gaultier de 
claübrYjDarcet en de gevoelens van vauquelin , 
BouLLAy en VAN MONS hlerover medegedeeld te hebben. 

ByORACENjD. III.S. I. B IJec 



C i8 ) 

Het vijfje of laaide lioofdftuk behelst <k oaTWcn- 
difig der chlorine- bereidingen in huishoudkundige 
en andere toegepaste betrekkingen. Vourocrst wordt 
liier over de bleeking gehandeld, en gefchicdkundig 
deze bewerking door middel van chlorine* en chloriuni- 
verbindingen opgegeven , met bijvoeging van proeven 
van den heer stratingh me,t de heeren van kos- 
sem of VAN svviNDEREN , ovcr hct ODtklcuren van 
was , goralak , gewone hars , fwiker , ftijffel en fpons 
genomen. In de laatfte afdeeling worden nog eenigc an- 
dere aanwendingen der chlorine-verbindingen ontvouwd ; 
als tot zuivering van ftinkenden wijngeest , ter bereiding 
van chlorine-aethers, tot daarftelling van zuiver chlo- 
rium , ceraentering van goud en zilver niet chlorine-kalk. 

Dit is dan de voorname inhoud van het bock van 
den heer stratingh. Het valt moeijclijk ecne be- 
fchouwing van zulk een veel orovattend werk te ge- 
ven, en wij hebben ons dus voornamelijk bij eene 
hoofdzakelijke inhoudsopgave van hetzelve willen 
bepalen. Wij zijn den heer stratingh voor de 
toezending van hetzelve verpligt, en hebben daarom 
ons gehaast onze lezers met hetzelve min of mee? 
bekend te maken , die in de noodzaaklijkheid zullen 
zijn het werk zelve te lezen , wil men met den fchat 
van kennis en wetenfchap van den fchrijver in dezen 
rcgt goed bekend worden. Het ware te wenfchen, 
tlat de heer stuatingi-i van dit werk eene Franfche 
en Duitfche vertaling liet bezorgen, opdat hetzelve 
zoo veel mogelijk bekend worde. Onze taal toch , 
wordt elders zelden gelezen , en vooral niet onder 
diegenen, die dit werk totj leerboek in hunne fa- 
brijken of werkpiaatfen. zullen noodig hebben. 

G. j. i^r, 



Onr eenen zoogcnaamden zwavelregen, in Mei 
1826, in Vriesland gevallen^ door den Heer 
CLAAS MULDER, HoogUeraar in de kruide, 
fchei- en artfemjmengkunde te Franeker ; cor" 
responderend lid van het Genootfchap te Ba- 
tavia enz. Te Amfierdam^ bij L. van Es 1827, 



Me 



Len is den Hoogleeraar mulder inderdaad dank 
verfchuldigd , dat hij zicii de moeite heeft gegeven, 
om alle berigten te verzamelen van een bijzonder 
luchtverfchijnfel , in Mei 1826 op verfcheidene plaat- 
fen in Vriesland waargenomen. Het beftond uit 
eencn geelgekleurden, of 2oogenaamden zwavelregen, 
hoedanig verfcbijnfel hier te lande zeldzaam is , of 
zoo het , gelijk waarfchijnlijk is , reeds vroeger in 
ons Vaderland was waargenomen, dan ten minde niet 
naaiiwkeurig genoeg door onze voorvaderen onder- 
zocht is; zoodat men zich mag- verheugen , dac de 
gefchiedenis van dezen regen ons door den Hoog- 
Iceraar mulder is bewaard gebleven. 

De berigten van onderfcheidene kanten ingekomen, 
bepaaldelijk van Heerenveen , Bolsward en Workitm , 
en vooral een uitvoerig fcheikundig onderzoek van den 
fchrijver, geven aan het vermoeden grond, dat deze 
regen, die menigeen buiten noodzaak in angst heeft 
gebragt , ontftaan zal zijn , uit het fluifmeel {.pollen^ 
van een of meer gewasfen , door den wind of door 
hoozen opgenomen en daarna met den regen weder 
neder gevallen. Dat dit (luifmeel zich zeer ver door 
den wind moet hebben verfprcid , blijkt daaruit , dat 

B 2 het 



C 20 ) 

het ook onder anderen op het eiland Tcxd is waar- 
genomen, offchoon men aldaar niet met vvaarfchijn- 
lljkheid eenige planifoort zoude kunnen aantoonen , 
die eene genoegzame hoeveelheid ftuifracel zoude 
hebben kunnen verfchafFen. — Ook in andere landen 
heeft men zoodanige regens , van ftuifmeel hcrbora- 
ftig , in vcrfcheidene ftreken , waargenomen , waarvan 
de fchrijver ons in dit ftuk talrijke voorbeelden mede- 
deelt. 

•"De fchrijver heeft het gele flof, hetwelk met den 
regen was nedergedaald , ook microscopisch onder- 
zocht, doch niet ftellig kunnen bepalen, van welke 
foort van planten het herkomftig was, daar de juiste 
gedaante hem niet in allen opzigte duidelijk was. De 
reden hiervan is waarfchijnlijk deze, dat de iluif- 
meelkorreltjes van onderfcheidene gewasfen in het 
water openfpringen en doorgaans van gedaante ver- 
anderen , gelijk dit door meer dan eenen waarnemer 
.is opgemerkt. 

Op bl. ia merkt de fchrijver aan, dat de heer 
THUSSEN in zijne verhandeling over de vorming van 
den mist in deze Bijdragen , D. II , bl. aop , bloedre^ 
gens en zwavelregens voor eenerlei fcbijnt te hou- 
den. Het is mogelijk, dat de kortheid van de zin- 
fnede aldaar eenige moeijelijkheid geeft, doch ik heb 
uit de aangehaalde plaats begrepen, dat de Heer 
TiiijssEN beide verfchijnfels alleen in zoo verre voor 
eenerlei houdt , als zij beide als voorteekenen van 
onheil in de oogen van het ligrgeloovige volk door- 
gingen. 

Altoos veel belang in de natuurlijke gefchiedenis 
van ons Vaderland ftcllcndc, heb ik dit gchcele 

Uuk- 



(tukje met groot genoegen en veel nul vóór mij zel- 
ven gelezen , en kan ten flotte de wensch niet on- 
derdrukken , dat elkeen van de gelegenheid lot on- 
derzoek , die hem ten dienst ftaat , altoos zulk een 
gebruik maakte als de fchrijver van dit werkje. Wij 
zouden dan niet nog zoo vele ftukken , tot de regte 
kennis van den natuurlijken toeftand onzes Vaderlands 
noodzakelijk, tot nu toe, geheel en al misfen, 

V. H. 



Iets voor landbouwers , over het zaaijen van kool- 
zaad en andere, veldgcwasfen op rijen ^ met de 
afbeeldingen van •werktuigen , 'welke hiertoe in 
de provinciën Groningen en Vriesland -worden ge- 
bruikt ; door Dr, A. NUMAN, Directeur van 
^s Rijks Veeartfemjfchool ^ Hoogleer aar aan de- 
zelve ^ en Secretaris der Commisfie van Land- 
howw in de provincie Utrecht enz, , enz. Gro- 
ningen bij R. J. Schierbeek 1827, 6z bladz, 
in gr. 8°. 

Uct is voor den ijverigen beoefenaar der natuur- 
kundige wetctifchappen niet voldoende, om deze we- 
tcnfchappen zelve grondig te kennen , maar hij ver- 
langt ook natuurlijk de nuttige toepasfingen derzelvc 
op het dagelijksch leven en op onderfcheidene prak- 
tifche bedrijven te weten te komen. Deze toepasfin- 
gen toch mogen voor het ware doel en eindoogmerk 
van de beoefening dier wetenfchappen gehouden wor- 
den , en het is hierom , dat wij reeds bij den aan- 

B 3 varg 



C " ) 

vang van dit tijdfchrift ons voorgcflcld hadden, om, 
bij de behandeling der natuurkundige wetenfchappen 
zelve, bijzonder ook aan ftukkcn, betreffende de 
fahrijkkunde , artfenijmcngkunde, landhuishoudkunde, 
en andere vakken van toegepaste 'wetenfchap , eene 
plaats in te ruimen. Eene korte befchouwing der- 
halve van dit werk van den Hoogleeraar nüman, 
hetwelk een belangrijk punt van vaderlandfchen land- 
bouw behandelt, kan dan ook hier niet als overbo- 
dig befchouwd worden. 

Men weet, dat de onderfchcidene veldvruchten in 
onze noordelijke gewesten in het algemeen uit de 
hand over het veld gezaaid worden , doch Groningen 
en een gedeelte van Vriesland maken hierop eene 
aanmerkelijke uitzondering (*). In het noordweste- 
lijk gedeelte, vooral van de provincie Groningen is 
het in de laatfle jaren in gebruik gekomen , om het 
winterkoolzaad uit te zaaijen op rijen, op eenen af- 
ftand van aö— ai oude duimen van elkander, gelijk 
ons de Hoogleeraar numan in dit werkje berigt. 
Dit zaaijen van koolzaad op rijen is overigens nog 
hier te lande zeldzaam , daar zelfs in de Groninger 
veenkoloniën , waar de zomergewasfen , als : haver , 
boekweit, zomergarst, boonen, aardappelen, vogel- 
tjes- of kanariezaad , en zelfs het zomerkoolzaad op 
rijen verbouwd worden , de wintervruchten , als rogge 
en winterkoolzaad, gewoonlijk uit de hand over het 

veld gezaaid worden. 

Het 

(*) In Gelderland is er ook hier en daar een enkel 
landbouwer, die op rijen bouwt j doch het behoort daar 
niet tot de gewone wijze van bouwen. 



I 



( ^3 ) 

Het zaaïjcn op rijen gcfcliiedt door middel Van rol*, 
fonde, op eene fpil ronddraaijende , met gaten door- 
boorde blikken trommels, waarvan het eerRe denk- 
beeld welligt te zoeken is in diergelijke zaaitrom- 
mels , reeds vuor eenen gcruiracn tijd in Friesland 
bij de cichorciteelt in zwang. De befchrijving der 
thans gebruikelijke koolzaadtrommels maakt een groot 
gerfeelte van dit werk uit. De fchrijver meent, dat 
men dezelve zonde kunnen verbeteren, door losfe 
wanden of ringen van blik rondom een blijvend ge- 
raamte van eene trommel te flaan , ten einde , door 
het vervvisfelen dezer wanden , dezelfde trommels 
voor het zaaijen op rijen ook van andere gewasfen 
als granen enz. te doen verftrekken. Dit alles wordt 
opgehelderd door twee ftcendrukplaten, welke minder 
gelukkig zijn geflaagd, doch waarbij ter verfchoo-* 
ning dient, dat zij eene der eerfle voortbrengfe- 
len zijn der lithographifche inrigting van den Heer 
ooMiiENS te Groni^igen , zoodat men hoop mag voe- 
den , dat étzQ. , bij meerdere oefening , verbeterd 
zullen kunnen worden. 

In het begin waren alle deze trommels enkelvou- 
dig, zoodat de zaaijer bij zijnen arbeid eene trommel 
aan eenen ftok onder zijnen arm moest nemen, doch 
in het jaar 1814 en 18 15 kwam de Hoogleeraar uil- 
KKNS op het denkbeeld, om meerdere derzelve aan 
eenen gemeenfchappelijken ftok te verbinden , en al- 
dus eenen geheelen akker, met éénen werkman aan 
elke zijde van den ftok , op eens te bezaaijen (bl. 19). 
De gehoopte goede uitflag van deze inrigting verwe- 
zenlijkte zich , en thans zijn de zamengeftelde zaai- 
trommels verreweg algemeener in gebruik , dan de 

B 4 en- 



C =4 )■ 

enkelvoudige. Elke trommel rust op liet land donr 
middel van eene Ichijf, waarvan in het werk wel de 
middcllijn , maar niet de dikte of breedte van den 
kant der fchijf wordt opgegeven. Dit laatfte maakt 
echter, naar mijn inzien, eenig verfchil in de behan- 
deling. Op het kabinet van werktuigen voor den 
landbouw aan de Hoogefchool te Groningen zijn deze 
fchijven der koolzaadtrommels van onderfcheiden' aard ; 
in de oudfte, of die van de eerfte uitvinding, zijn 
zij van blik en geheel fcherp op den kant, in de 
latere zijn zij van ligt hout met blikken rand, en 
hebben eene breedte van ruim i Nederlandfchen duim, 
waardoor zij minder diep in den grond moeten inzak- 
ken , en dus voor het gebruik gefchikter zijn. Deze 
laatfte trommel, welke mij de heer j. eikema , theol. 
ftud. alhier, uit het Hunlego-kvvartier bezorgd heeft, 
verfchilt ook van de gewone, door eenen dubbelen 
fteel , welke met beide handen gehouden wordt , het- 
geen zeker , indien men eene enkelvoudige zaaitrom- 
mel wil bezigen , gemakkelijker fchijnt , dan dat men 
het werktuig onder den arm moet nemen. In een' za- 
mengeflelden koolzaadzaaijer , welke onlangs in het 
kabinet is gekomen , zijn de fchijven van blik , maar 
met eenigzins omgeflagen* rand, waardoor zij minder 
diep zakken. Voor het overige beveelt zich het be- 
Ichreven werktuig ook door eenvoudigheid en on- 
kostbaarheid , twee voorname vereischten van werk- 
tuigen in den landbouw aan , daar eene enkele trom- 
mel op ƒ a. 50 cents , eene zamengeftelde met vijf 
trommels op niet meer dan ƒ13 te ftaankomt (bl. 21). 
De bewerking van den grond voor de rij-zaaljing 
is dezelfde, als voor het zaaijen uit de hand. Ook 

ver- 



e 25 3 

verfchilt de hoeveelheid van her re gchniilccn zaaizaad 
niet (bl. 35). Meer vcrlchilt de bcarbeiding, i.adat 
het koolzaad is uitgekomen , daar men mer de aldaar 
gebruikelijke voetploeg, doch eenigzins ligter van 
maakfel , eens in den herfst en twee- of drie-malen 
in het voorjaar tusfchen de rijen ploegt, om dfen 
akker van onkruid te zuiveren en de aarde tevens te- 
gen den wortel der planren een weinig op te hoo- 
gen, waartoe men natuurlijk eens naar de eene zijde 
en eens weer terug moet ploegen, om de rijen aan 
elke zijde aan te hoogen. Zoude men tot het bou- 
wen tusfchen deze rijen niet met vrucht eene aan- 
aardploeg kunnen bezigen , welke namelijk aan elke 
zijde een rister of (Irijkbord heeft, en dus, door 
een paard tusfchen de rijen voortgetrokken zijnde, 
den grond aan weerszijden te gelijk tegen de planten 
aanhoogt? (*) 

De voordeden van deze nieuwe wijze van land- 
bouw beftaat , voornamelijk hierin, dat het koolzaad 
daarbij op minder zuivere akkers kan verbouwd wor- 
den, en vooral dat de grond door de geftadige om- 
werking en blootftelling aan de lucht voor een op- 
volgende vrucht veel gefchikter wordt. De plant 
wordt wel fterker van gewas, doch velen meenen 
dat het zaad zelve minder deugdzaam is , uit hoofde 
dat het, bij meerder nagroei en grooter aantal zij- 

fcheu- 

(*) Dit verdag reeds gefteld hebbende, las ik tot mijn 
groot genoegen in den Vriend de% Faderlandi I. D. , bl. 895: 
(Nov. 1827) dat de Heer j. w. seururier te ^sHeeren- 
berg, in Gelderland^ dezen ploeg met dubbele risters bij 
het op rijen gezaaide koolzaad reeds gebruikt. 

B5 



( 26 ) 

rchcutcn, ongelijker rijp wordt (bU 40—44). Hoe 
het zij, de voordeelen ichijnen naar de ondervinding 
der landlieden , hierbij de nadecJcn te overtreden , 
daar de rijentcelt van bet koolzaad in de provincie 
Groningen hoe langer hoi algenie.rer wordt. 

Op bl. 14 en 15 meldt de fchrijver te regt, dat 
het koolzaad hier en daar in de provincie Gronitigen 
door lilt planting verbouwd wordt , door namelijk , de 
reeds aanwasfende planten door eene fpade . of eenen 
fchcrpen ftok in den grond te brengen. In de zan- 
dige gronden van de Meijerij van den Bosch ^ boven 
Eindhoven, zag ik de koolzaadplanten in de maand 
September achter den ploeg aan door jongens in de 
vore leggen en met de volgende vurg door den ploeg 
bedekken, tot welke bedekking de aldaar gebruike-» 
lijke Brabandfchc ploeg bijzonder nuttig is. 

Ten flotte geeft de heer numan eene befchrijving. 
en afbeelding van een werktuig om boonen op rijen 
te zaaijen , hetwelk ook voor erwten gemakkelijk kan 
ingerigt worden, en op beiderlei wijzen in de verza- 
meling van werktuigen voor den landbouw te Gro» 
niugen voorhanden is. Dit werktuig, hoe doelmatig 
ook en onkostbaar C / H) » Js echter nog weinig in 
gebruik, om dat het zaaijen van boonen op rijen in 
de provincie Groningen minder algemeen is, behalve 
in het Oldampt en de Vcenholonièn, waar men ech- 
ter dit werktuig niet gebruikt. 

Deze opgave van de voornaamfte in dit gefchrift 
voorhandene zaken zij genoegzaam , om onze lezers 
ecnigzins met deszclfs algemeenen inhoud bekend te 
maken. Bij nadere befchouwing zal men nog meerdere 
wetenswaardige zaken in hetzelve aantreffen , welige 

de 



( 27 ) 

de lezing van hetzelve voor clkcn werkdadigen land- 
bouwer van groot gewigt maken. Mogten wij ras op 
gelijke wijze ook niet andere bijzonderbeden van on- 
^en vaderlandlclien landbouw bekend gemaakt worden. 

V. H. 



Anatomie comparée du fysteme dentaire , chez 
les principaux anwiaux par L. T. E. M. Rous- 
SEAü. Paris 1827. Livr. I— IV in quarto. 



B 



last met de zorg over eene anatomifche verzame- 
ling, welke in rijkdom hare wedergade in Europa niet 
heeft, en in verband ftaande met eenen geleerde, die 
de tanden tot vornamen grondflag zijner fystematifche 
verdeeling genomen heeft, werd de Heer rousseau 
als van zelve genoodzaakt , deze werktuigen op eene 
meer bijzondere wijze te beftuderen. Hij deelt de 
vruchten zijner nafporingen , in het onderhavige werk, 
aan het publiek mede. De vier eerfte afleveringen 
van hetzelve kwamen mij onlangs ter hand , en daar 
men in buitenlandfche tijdfchriften , vooral in de 
Franfche nogal hoog van dit werk opgegeven heeft, 
kwam bet mij niet ongepast voor , onze lezers er mede 
bekend te maken. 

Het vangt met eene befchrijving der kaken en der 
fpieren, welke dezelve bewegen, van den mensch 
aan. Hierop volgen eene befchouwing van het tand- 
vleesch, en de verklaring van de wijze, waarop de 
tanden zich ontwikkelen, waarin, zoo als van zelve 
fpreekt, de tandvvisfeling behandeld wordt; waarbij 

dan 



C 28 ) 

clan ook de zcnnvvcn en bloedvaten der tanden bc- 
Iclirevcn worden. De tanden van den nicnsch aldus 
bclchouwd zijnde , wordt ook aan die van den Oiirnng- 
oiitang , Pongo , Mandrill , Hond , Kat , Komjn , 
Orycteropus , Orniihorhynchus, Elejant ^ enz. ccnc 
plaats vergund. 

Wat de heer.jR.oussiïAU met dit werk voorgehad 
heelt , is moeijelijk te begrijpen , en ook is het niet 
wel overeen te brengen , met de zucht , anders aan de 
Franfchen zoo eigen, van iets nieuws te doen. In 
hetzelve is immers, zoo als ik geloof, niets nieuws; 
de bcfchrijving van de fpieren van het aangezigt , 
van de bloedvaten en zenuwen zijn in vele anatomie* 
iche handboeken en plaatwerken, even goed te vin- 
den ; over de tanden van den mensch heeft fox , 
zonder van anderen te gewagen, ons een uitvoerig 
werk geleverd (*) ; en wat de dieren aangaat , was het- 
geen F. cuviER, hierover in een afzonderlijk werk (f) 
en G. cuviER in zijne onwaardeerbare Recherches sur 
les osfemens fos files geleverd heeft , voldoende ; de 
Heer rousseau fchijnt dit laatfte zelf gevoeld te 
hebben, vermits hij ons, over de tandvorming van 
den Ekfant , vijf en twintig pagina's letterlijk van 
CUVIER nagefchreven , fchenkt. Vier en twintig pla- 
ten zijn bij de eei^e livraifons gevoegd, waarvan de 
uitvoering mij zeer matig voorkwam. 

Het oordeel over de volgende livraifons fchort ik 

op, 

(*) FOX , the natiiral hhtor-^j of the himan teeth. Lon- 
don 1S03. 

(^t) F. Cl' VIER, de% dents des mammifères confidéréi 
comme caractires zo'ólogiqvcs. P.rij 1825. 



op, tot dat ik ze zaV gezien hebben; zoo dezelve 
ecliter niet belangrijker dan de vorige zijn , heeft de 
ïleer roüsseau een u^erk geleverd, dat zeer wel 
had kunnen gemist worden. 

w. V. 



■»-^_». 



Het ge/lacht der Muizen door linnaeus opgeflcJd ^ 
volgens den tegemvoordigen toefiand der %'eteu- 
fchap, in familiën, gejlachten en f oor ten ver- 
deelde door A. brants , tnet eenc plaat, Ber- 
lijn 1827. 

JUe heer buants, eenigen tijd in de fraaije Bcr- 
Jijnfche mulea doorgebragt hebbende, heeft zich 
dezen ten nutte gemaakt, om het nog zoo verwarde 
geflacht der Muizen^ aan een nader .onderzoek te 
onderwerpen; deze arbeid, eerst flechts tot eigene 
oefening ondernomen, kreeg allengs zulk eenen om- 
vang en (trekking, dat hij, op aanraden van zijnen 
beroemden leermeester lichtetvstein, befloot, den- 
zelven wereldkundig te maken. De befcheiden toon , 
welke door het gelieele werk heerscht , en de over- 
tuiging van de moeite, welke aan diergelijke na fpo- 
lingen verknocht is, beletten mij hetzelve met die 
geftrengheid te beoordeelen , welke anders het belang 
der wetenfchap, bij de beoordecling van een dierge- 
lijk fystemarisch werk, zoude vereifchen. Ik verge- 
noeg mij derhalve met kortelijk onze lezers met den 
inhoud van hetzelve bekend te maken, en zal mij 
hier en daar flechts veroorloven , de bedenkingen 
voor te dragen , welke onder de lezing bij mij opge- 
komen zijn. 

Even 



( 30 ) 

Even als meest alle Linnefche geflachtcn bevatte 
ook liet geflacht Mus , een te groot aantal en te zeer 
van elkander verfchillende foorten. Alle knaagdieren 
immers, met fleu telbeenderen voorzien, die zich niet 
door eenig uiterlijk ligt in het oog vallend kenmerk 
o derfcheiden , werden tot hetzelve gebragt. Pallas 
verdeelde het om deze reden in zes familiën 1°. Mu- 
rcs foporofi (^Arctomys') ; a». Subterranei (Spalax , 
Bathyergus); 3°. Cunicttlarii (^Lemmus, Hypudaeus^ ; 
4®. Buccati (^CHceitis') ; 5». Lethargici {Dipis , 
Merioms , Myoxus') ; 6°. Myofuri (^Mus). Gmelin 
liet hiervan de vijfde familie varen , en zonderde ook 
étMtires foporofi af; maar behield daarentegen eenige 
foorten, vrelke pallas afgefcheiden had, namelijk de 
JSIurcs cauda apice comprcsfa, Cuvier behoudt het 
gedacht Mus 'm den Linnefchen zin bijna in zijn ge- 
heel, alleen fcheidt hij er die af, wier onderfte fnij- 
tanden niet puntig eindigen, maar regtlijnig afge- 
knot zijn. Illiger deelde de foorten, welke hij tot 
het geflacht Mus bleef rekenen , in tweefamihën, de 
Murina en Cumcularia. 

Na aldus kortelijk te hebben doen zien, op welke 
wijze vroegere fchrijvers dit geflacht hebben be- 
fchouwd , blijft mij nog overig , de verdeeling op te 
geven, welke brants van hetzelve voorftelt. Deze 
komt hoofdzakelijk met die van illiger overeen en 
(inderfcheidt er zich alleen van, doordat Arctomys 
onder de Murina geplaatst wordt. Zij houdt derhalve , 
als het ware, den middel weg tusfchen de verdeeling 
van CUVIER en die van illiger , en zulks wel op de 
volgende wijze: 

Het gcheele geflacht Mus wordt in twee familicn 

gedeeld. 

■ " - I. CU' 



( 31 ) 

r I. Cumcularia. 

De fnijtanden der onderkaak, even als debovenfte, 
vlak, bijtelvormig en regtlijnig overdwars afgeiheden, 
de voeten alle met vijf vingers, welke graafnagels 
dragen. Hiertoe behooren de geflachten 

Spalax, Sfphneus , Ascomys en Bathyergus, 

II. Mnrma. 

Snijtanden der onderkaak met eene gebogene bui- 
tcnvlakte zijdelings , als het ware , te zamen gedrukt , 
altijd toegefpitst en eenigzins den vorm hebbende van 
het mondftuk eener clarinet (jlcnts en bec de fliitc) , 
voorvoeten met vier vingers , en een , dikwijls nageld 
loos duira-flompje. Tot deze familie rekent brants 
Lcmmiis ^ Hypudaeus , Büryotis^ Mus, Cricetus» 

Alle deze geflachten en hunne foorten worden ver- 
volgens afzonderlijk behandeld , met opgave der fyno- 
nymen , en bijvoeging van de bijzonderheden , welke 
zij in hunne leefwijze aanbieden, Eene korte karak- 
teristifche zinfnede en eene maatbepaling gaat elke 
befchrijving vooraf; en bij eene enkele , de Euryotis 
irrarata , wordt dezelve door eene zeer goede koperen 
plaat opgelielderd. Ook worden , in den vorm van aan- 
Jiangfel , aan het einde van het werk de twijfelachtige 
iborrcn behandeld. 

• Het gemis eener zoölogifche verzameling in onze 
rhoofdftad belet mij, al de geflachten en foorten van 
uiiANTs, aan eene gefchikte kritiek te onderwerpen. 
Ik bepale mij derhalve alleen tot diegenen, welke 
het mij vergund is nu in oogenfchouw te nemen. 

Het geflacht Bathyergus biedt zich daartoe het 
eerst aan. Dit geflacht door cuvier Rat-taiipe ge- 
naamd , werd zeer juist door illiger in twee gc- 

flacli- 



( 32 ) 

flachtcn gcfclieiden, waarvan liet eerde onder den 
naam van Bathyergus , de B. maritimm of groote 
zandgraver f het andere onder dien van Gcorychits, 
de Mus capenfis of de Blcsmol van de Kaap bevat. 
Op het voetfpoor van cuvier brengt brants beide 
tot één geflacht Bathyergus. Zulks komt mij weinig 
doelmatig voor, daar beide dieren in hunne bewerk- 
tuiging en levenswijze zoodanig verfchillen, dat het 
mij noodzakelijk voorkomt , ze even als illicer zulks 
deed, van een te fcheiden en tot twee afzonderlijke 
geflachten te brengen. Om mijn gezegde te ftaven, 
zal ik de fchedels van den Bathyergus mariiimus en 
den Mus capenfis, welke ik uit het mufeum van mij- 
nen vader voor mij heb, zamen vergelijken. 
" Bij den Bathyergus mariiimus is de fchedel lang, uit- 
gerekt ; bij den Mus capenfis daarentegen kort , inge- 
drongen. Bij den eerften is de overlangfche kam zeer 
fterk; bij den tweeden ter naauwernood zigtbaar; bij 
den eersten is de bovenste oppervlakte van den fche- 
del vlak, en loopt fchier in eene gelijke lijn naar de 
neusbeenderen af; bij den tweeden , is deze opper- 
vlakte bol en daalt in eene meer fchuinfche lijn naar 
beneden, zoodat zij, ter zijde gezien, als het ware, 
aan den fchedel eene halfcirkelvormige gedaante geeft. 
Bij den eerften is het gedeelte der voorhoofds-been- 
deren, hetwelk de oogholten van elkander fcheidt, 
fmal , bij den tweeden breed. Bij den eerften zijn de 
fnijtanden door eene fleuf, als het ware, in tweeën 
gedeeld , bij den tweeden glad en gaaf. Zoo wij dit 
onderfcheid in zijne bijzonderheden verder wilden na- 
gaan , zouden wij de grenzen ecner bocl<bcichouvving 
vene overlchrijden ; het gezegde zal volducndc zijn, 

om 



C 33 ) 

om te doen zien , dat beide dieren te veel van elkan- 
der verfchillen, om tot één geflacbt te kunnen ge- 
bragt worden. Dringt men vervolgens tot hunne 
levenswijze door , dan zal men ook hier geen minder 
verfchil aantreffen. Terwijl de eerfte zich alleen aan 
het ftrand ophoudt , woont de tweede flechts in de 
tuinen van de Kaapftad. (*) 
Ook verwonderde het mij, bij de befchrijving van 
. de Bypiidaeus arvalis ^de veldmuis^ geen woord te 
zien gewagen van de verwoestingen , welke dezelve 
in de jaren 1818 en 18 19 , in vele ftreken , vooral 
ook in ons land aangerigt heeft, en welke aanleiding 
gaven tot het uitfchrijven eener prijsvraag, door 
c. NiCATi beantwoord (f). Bij de opgave der ken- 
merken van zijne tweede familie, dt Murina^ liet 
BRANTs voorafgaan, dat geen der dieren, welke de- 

- ' '- zelve 

(*) Onlangs ging een Duitfchenatuurdndférzoeker d. j. kaup 
nog verder. Hij beweerde , dat niet alleen de Bathyergus 
tnaritimus en de Mus capenfis geene afzonderlijke geflachten 
uitmaakten , maar wilde hen zelfs voor dieren van ééne en 
dezelfde- foort gehouden hebben. Deze zonderlinge mee. 
ning is waarfchijnlijk haren oorfprong verfchuldigd aan de- 
zelfde oorzaak, welke reeds zoo meenigen nieuweren bui- 
tenlandfchen geleerde van het fpoor deed dwalen. Ik be- 
doel de onberedeneerde zucht om met alle geweld iets 
nieuws voor den dag te brengen, en, in plaats van naar 
nieuwe daadzaken te zoeken, liever aan oude eenen nieu- 
wen vorm te geven. 

Z. ueber Bathyergus illïg. oder Orycfen /fTcuv. von 
j. KAUP in oken's Ifis, Band XX Heft 12. S. 1026. " ' 
, Ct) Commentatio de tmre domestico, plvaiico atque arvali 
auctore constant, nicati Traj. ad Rhen. 1822. "' 

* BIJDRAGEN, D.III. ST. I. C 



C 34 ) 

zelve zamenflellen , in eenen winterflaap vervalt. Hij 
brengt ecliter den Hamfier , die , gelijk bekend is , den 
winter Oapende doorbrengt, tot dezelve, en om nu 
deze tegenftiijdigbeid te verklaren, is hij genoodzaakt 
een gedwongen onderfcheid tusfchen den winterflaap 
van d^n Ila^^fier en dien van de overige winterflaper? 
te maken. De gronden echter, welke hy daartoe 
aanvoqrt» komen mij weinig voldoende voor. Hij 
nieent namelijk , dat bij den Hi^m{ler , de winterflaap 
va,n eene andere oorzaak , dan de koude afhangt. Dit 
is echter weinig waarfchijnlijk , vermits de hamfl^ers 
jni$t op dien tijd van den winter inflapen , als de 
koude het ftrengfte is. Bovendien kan het gebrek 
^^n toevoer van verfche lucht , nooit , zoo als erants 
zulks doet, gezegd worden den winterflaap te ver- 
oorzaken. De hamfter fluit wel tegen de aannadering 
van den winter de uitgangen zijner woning zorgvuldig 
tpe ; maar hgewel deze wij?e voorzorg , waartoe hij 
- door ?ajn infl;inct gedrongen wordt ^ zeker met den 
winterflaap in verband i§ ,, ka.n zij ppgit , naar mijn 
inzien» als oorzaak van den^elven befchouwd wor- 
den. Zij komt mi veeleer voor gevolg te zijn en te 
dienen, om bet dier, geduren<Se ?;ön6n fcl^yndood, 
voor de roofzueht van andere dieren te befebermen. 

De winterflaap van den Hamfier fchijnt mij derhalve 
toe geheel met den toefland overeen te komen, in 
welken fommige andere knaagdieren des winters ver- 
vallen, en die wél 'de koude tot zigtbare oorzaak 
heeft, maar welks doel uit een meer verheven wfjs- 
geerig oogpunt behoort befchouwd te worden. 

Dezelve levert ons iminers een nieuw bewijs op 
van de werkdadige z,org der natuur voor het behoud 

der 



( 35 ) 

der gefchapene wezens ; door welke deze dieren, oi- 
ftaat gefield worden, juist dien tijd van liet jaar, of) 
welken hun voedfel, meestal in granen en vruchten 
beftaande, fchier niet te bekotaen is, ook zonder het 
zelve door te brengen. 

De Heer brants houde mij deze geringe be- 
denkingen ten goede, welke ik, door zijne eigene 
uitnoodiging , geregtigd ben geworden hem mede 
te deelen. De gelukkige gelegenheid, door welke 
hij zich nu in de nabijheid van hetRijk's mufeum be- 
vindt, en zijn ijver voor de natuurkundige wetert- 
fchappen , zullen hem genoegzaam in ftaat (lellen , 
zijne belangrijke nafporingen, ook in andere 'geflach- 
ten voort te zetten. Een doorgaand verblijf in het 
vaderland en de omgang met vaderlandfche geleerden 
zullen dan ook voldoende zijn , om hem , in zijnen 
fchrijfftijl , van de hinderlijke gewoonte der germanis- 
men te ontdoen. Wij zullen onder vele anderen , 
alleen de woorden hetrachtelijk ^ door grijpend ^ of dit 
gevoelen zich wel doorvoeren laat, naagdieren enz. 
enz. alhier ten voorbeelde aanvoeren. 

w. V. 



C 2 WE- 



WETENSCHAPPELIJKE BERIGTEN. 



,. Wa 



aarnemingen , door baumgürtner gedu- 
rende 9 maanden op den gang van een flinger-uurwerk 
gedaan , fchijnen aan te toonen , dat ook de Electri- 
citeit fomtijds invloed kan uitoefenen op den gang 
van horologiën. In een uurwerk, waar de fiinger 
door glazen buizen met den overigen toeftel verbon- 
den, en dus geïToleerd was , nam B. waar, dat , wan- 
neer het gewigt (zijnde van lood , en gevat in eenen 
ring van geel koper) tot op de hoogte van de geel- 
koperen lins des flingers gedaald was, het uurwerk 
vertraagde, of zelfs ftilftond, naarmate het gewigt 
niet of wel geïfoleerd was : zelfs wanneer de flinger 
niet geïfoleerd was , had er eene vertraging in den 
gang van het uurwerk plaats, maar het Hond niet 
meer ftil. (^Btdlet, Techn. Nov. 1827, pag. 343). 

w. w. 
2. In de Hertha ," }xxm 1827, vinden wij eene 
voortzetting van de proeven , die er genomen zijn , om 
de lengte des flingers te bepalen. Het derde artikel 
behelst proeve over de lengte des fekunden - flingers 
te Londen , door Kapitein kater genomen. De uit- 
komst dezeï proeve deelen wij hier mede. Hij vond 
namelijk door zeer naauwkeurige proeven, gedaan 
in het huis van den Heer browne op de Portland- 
Place ^ gelegen op eene breedte van 51° 31 '8", 4 in 
bet vacuüm en bij o" Fahr, = o'",994ii6o. Om 

nu 



( 37 ) 

nu deze lengte tot die , welke dezelve zqn zoude , op 
de oppervlakte der zee, te herleiden, heeft hij door 
den Barometer de hoogte der plaats bepaald, en deze 
gevonden = 83 Engelfche voeten, of as^jS. Ne- 
mende nn de gemiddelde radius der aarde =636198™, 
zoo heeft men voor correctie o°>,ooooo79. Hierom : 

Gemetene lengte = 0,9941 160, 
Herleiding tot de oppervlakte zee = 0,0000079 , 



Lengte des fekunden-flingers op 
de oppervlakte der zee, op de m 
N. breedte van 51» 31' 8",4 .... =0,9941239. 

In hetzelfde ftuk der Hertha vindt men eenige 
belangrijke hoogte-metingen voor den Barometer, ge- 
daan door Prof', k. fr, volk. hoffman , op eene 
reis naar Drcsden , over T'ópUtz en Karhbad naar 
Franzensbad' g. j. m. 

3. In het Jaarboekje voor 1828, uitgegeven op last 
van Z. M. den Koning, ^sGravenhage 1827, wor- 
den' op blz. 140 — 143 de uitkomften gevonden der 
waarnemingen, welke de Generaal kraaijenhoff ge- 
durende de eerfte 9 maanden van 1827 gedaan heeft, 
betrekkelijk de declinatie en inclinatie der Magneet- 
naald, alsmede betrekkelijk de dagelijkfche verande- 
ringen der declinatie. w. w. 

4. Proeven van galy-cazalat over de juistheid 
der wet van mariotte, hebben hem tot de uitkomst 
geleid, dat de dampkringslucht minder zamendruk- 
baar was , dan zij volgens de genoemde wet 
zoude wezen. De eerfte onderftaande rij wijzen aan 
de ruimten , welke eene zekere hoeveelheid lucht bij 

C 3 ver- 



( 3B ) 

verfchillende drukkingen innam , volgens de geno- 
mene proeven; de tweede rij de ruimten, volgens de 
wet van mariotte: 

864 s88,7 145,5 91 73 58,5 49 
■ ' 864 288 144 96 72 57,4 48. 
(.Rullet, d. Sc. Math. Nov. 1827. p. 322). 

w. w. 

5. De Heer saygey, die de eerfte Sectie van het 
Bulletin redigeert, kondigt in het N°. van October 
1827 van deze fectie aan; dat de metalen platen, 
door ARAGO gebezigd, in zijne proeven, over het 
Magnetisme door omwenteling, ijzer bevatten en wel 
zoo veel, dat zij eene magneetnaald kunnen aantrek- 
ken;' 'Wij hopen, dat hij dit nader zal bevestigen, 
óf ARAGO zijne proeven zal kunnen verdedigen. In 
allen gevalle meenden wij onze lezers hiermede be- 
kend te moeten maken. q.'j. 'm. 

6. Emmett heeft eenige directe proeven gehö- 
meh over het vermogen van eenige vochten , om in de- 
zelfde haarhuis op te klimmen , en dit vermogen met dat 
van het water vergeleken. (^Bulletin des Sc. Math, Nov. 
\%^f). Het ware te wenfchen deze proeven met 
naauwkeiirige opteekening van temperatuur-drukking,' 
en vermogen van afwijking op de magneetnaald in den 
galvanometer , vochtigheid des dampkrings, dus der 
haarhuis enz. eens te herhalen. g. j. m. 

7. De la rivb heefr de waarneming van balard 
bevestigd , aangaande de ongeleidbaarheid der Electrici- 
teit door het Bromium. Het is van belang op te 
m^erken, dat eveneens als het zwavelzuur door bijvoe- 
ging van zuiver water , hetwelk de electriciteit ins- 
gelijks niet geleidt , meer geleidbaar wordt , even zoo 

ook 



C 39 ) 

ook het water door eenige druppels Bromium zeer 
goed de electriciteit kan geleiden» QAnn. de Chim, et 
Phys. Juin 1827). G* j. »u .1 

8. In FRORiEP's Not. n°. 386, Sept. 1827 ^ vin* 
den wij eéne befchrijving van eene luchtreis, in iVbi'* 
"ïork, door robertson ondernomen. Het was ftil weder 
toen hij des avonds 40' lia' 5 uur den 16 Odtober 
1826 j met eene bailoti van löjooo cub. voeten in- 
houd, vergezeld van eene jonge vrouw, de reis on- 
dernam. De groote ballon was omgeven van vier klei- 
nere ballonnen , ieder 10 voet in diameter. Merk- 
waardig zijn de bijzonderheden, die wij van deze reis 
opgeteeketid vinden , vooral toen robertsoJ* , feijne 
gezellin nedergelaten hebbende, om 7| uur 's avonds 
alleen opfteeg. Hij had eene lamp van davy bij 
zich ; doch deze was hem onnoodig , omdat het fterren- 
licht hem in ftaat rtelde , om alles naauwkeurig te 
kunnen waarnemen. Op eene hoogte van 4,000 voet 
ftond de therm. 39° Fahr. De lucht was ftil. 7* 40' 
ftond het kwik in de barom. 16 duim en eenige lijnen hoog 
endethérm, op— 4° Fahr. Geconcentreerd acidum hyw 
drochl. gaf weinige dampen boven zich. De hygro- 
meter (welke lezen wij niet) ftond op volftrekte droog- 
te. Op eene hoogte van 21,000 voet ftond de therm. 
op 21° Fahr. Maagdeburgfche bekkens , die beneden 
luchtledig waren gemaakt, werden, geopend zijnde, 
in eéne fekunde gevuld, waartoe op de aarde 5"noo- 
dig waren. De ademhaling was moeijelijk en pijnlijk , 
de koude ondragelijk , vooral aan de eene hand , waarin 
hij eene ftang had vastgehouden. Een druppel aether, 
dien hij op het objectief van een' kijker bragt , ver- 
dampte in 4§ fekunde. Een electrifeer-toeftel bleef 

C 4 zon- 



C 40 ) 

zonder eenige werking (dit is- tegenovergefteld aan 
de ondervinding van gav-lussac). Onder deze on> 
(landigheden had robertson weinig lust om langer 
te toeven, en na de klep geopend te hebben , daalde 
de ballon en hij kwam behouden op de aarde terug. 

G. J. M. 

9. In de //<?r//^/7,Zeitfchrift für Erd-, Völker- und 
Staatenkunde von berghaus und hoffmann , Juli j 827.. 
S. éj^ vinden wij een ftukje overgenomen, over de' 
verhouding der winden in het noordelijk Europa, uit 
Bcitragen zur yergleichenden Klimatologie von Pro- 
/(?Vö^- SCHOUW (Kopenhagen 1827.) Hierin lezen wij 
1°. Ia het noordelijk Europa , tusfchen 50° en 60° 
breedte, heeft de westewind boven den oosten, en 
hebben de westelijke boven de oostelijke een merkbaar 
overwigt. 2°. Dit overwigt der westelijke winden 
boven de oostelijke neemt van de Atlantifche zee 
naar het binnenfte van het vaste land af. 3°. De 
westelijke winden zijn in de nabijheid der Atlantifche 
zee meer zuidelijk; naar het oosten toe hebben zij 
meer, van den westelijken ftreek. De noordelijke win- 
den worden in het oostelijk gedeelte van Europa me- 
nigvuldiger. 4°. FFet overwigt der westelijke winden 
is in den zomer grooter dan in den winter en het 
voorjaar. Dit fchijnt echter geenszins zoo in het 
oostelijk gedeelte van Europa het geval te zijn. 5°. De 
westelijke winden blijven in den zomer meest juist 
west of noordelijk. 

Men vindt daar verder deze winden in verhouding 
gebragt met de temperatuur der aard-oppervlakte en 
aangetoond, hoedanig de in heetere gewesten op- 
ftijgende lucht door ftroomen , uit koudere ftreeken 

ko. 



( 4t ) 

. komende , weder wordt vervangen. Wij kunnen hier 
niet meer van overnemen , maar verwijzen onze le- 
zers naar het ,fl:uk, hetwelk wij hebben aangekon- 
digd , en dat , naar ons inzien , alle aandacht verdient. 
Hierbij moet gevoegd worden, hetgeen de heer 
E. H. MiCHAELis over atmosphcrifche ftroomen in 
het (luk van Sept. der Hertha heeft medegedeeld, 
waarin vele belangrijke opmerkingen voorkomen , die 
wij, om derzelver uitvoerigheid, echter niet kunnen 
mededeelen. Onder anderen wordt hier eene verklaring 
gegeven van de dagelijkfche barometer- veranderingen, 
die. RAMOND in zijne Mémoire fur la formtih baro- 
metrique pag. 84 heeft opgegeven : veranderingen , 
die, zoo als bekend is, vrij regelmatig zijn, en in 
de tropifche gewesten door von humboldt zoo on- 
veranderlijk gevonden werden, dat hij hierdoor in 
ftaat was het uur van den dag of nacht door baro- 
metrifche waarnemingen te bepalen. c. j* in» 

10. De heer specz heeft uit zeewater Bromium 

trachten te vervaardigen. Toen hij 100 liters hiervan 

tot op 10 had uitgedampt, deed hij er chlorium door 

gaan , waardoor het vocht licht gekleurd werd ; daarna 

fchudde hij dit te zamen met aether fulphuricus. De 

aether , die daarna boven kwam , had eene rood-geel- 

L achtige kleur, werd afgefcheiden en met bijtende /öü?« 

WL gemengd, waardoor de kleur verdween. De aethe- 

■ rifche oplosfing , zacht warm gemaakt zijnde , liet 

w cubifche kristallen los, beftaande uit hromurctum 

fodae {bromide de foude") hebbende 5 grein gewigt. 

Met peroxydujn mangane^fii gemengd zijnde , en daarna 

verdund zwavelzuur er op gegoten hebbende, werd 

hét mengfel op eene a/c oho I-lamp warm gemaakt, en 

C 5 hier- 



( 42 ) 

hiertloor liet Bromium overgehaald , onder de gedaante 
eener rood«hyacynthachtige vloeillof. De 5 grein 
Bromuretum Sodae gaven 3^278 grein Bromium en 
1,72a Soda. 

Ofti nu het verfcbïV tusfchen het Bromium en het 
Chloruretum i'ódii , die beide in reuk en eenige andere 
eigenfchappen overeenkomen, aan te toonen, heeft 
SPECZ htx. Protochloriiretujn en Perchlortiretum iödü 
beide afzonderlijk met aeihcr gemengd; waardoor 
de kleur verdween, en de aether licht geel gekleurd 
werd. Nadat hierbij bijtende foda gevoegd was, 
werd het iödiiim afgefcheiden , dat eerst aan het vocht 
eene roode kleur gaf; doch, nedervallende , werd 
deze kleur weder verminderd. Door uitdamping ver- 
kreeg hij ook geene kristallen , zoo als hij vroeger bij 
het Bromium had verkregen. (^Bulletin des Sc» Math. 
Oct. T82 7. G. J. M. 

II. Het gebruik van het water van Oranjebloemen, 
(fleur d'orange^ aqua naphaè) onder den naam van 
fleur -"Water bekend, fedért eenigen tijd dermate toe- 
genomen zijnde, dat het thans niet alleen in de ge- 
bakken , maar ook in de huishoudelijke dagelijkfche 
dranken der meer gegoede inwoners gebezigd, en 
bijna tot mode-drank geworden is, kwam mij het 
gerucht, dat dit water, zoo als het in fommigeFran- 
fche- of parfum-winkels verkocht wordt, met lood 
bezwangerd zou zijn , voor de gezondheid onzer ftad- 
genooten te belangrijk voor , om de waarheid hiervan 
niet dadelijk te onderzoeken. Mij uit een dier win- 
kels van dit water verfchaft hebbende , ondervond ik 
weldra, dat het gerucht te veel gronds had. Dit wa- 
ter immers helderder van kleur, veel flerker en aan- 

ge- 



C 43 ) 

genamer van geur en fmaak, en misfende dien lafFen , 
walgelijken nafmaak aan onze overgehaalde wateren 
in het algemeen eigen , was zoo verzadigd met lood- 
deelen, dat eene geringe hoeveelheid aqita hydro- 
fulphurata hiervan de duidelijkfte blijken gaf. Ver- 
nemende, dat dit water, uit Metz en Niccy zoo 
wel als uit Livorno en Genua , fabrijkmatig , in ko- 
peren flesfchen óf busfen {estagmns') van omtrent 
60 ponden , werd aangevoerd , zocht ik gelegenheid 
eene zoodanige flesch te bekomen. Het Oranje-water , 
dat hierin eenen geruimen tijd gedaan had, was in 
alles het eerst onderzochte gelijk en niet minder met 
lood verzadigd. De flesch gebroken hebbende , zag 
ik , dat dezelve inwendig met eene foort van vertinfel 
bekleed, en dat dit bekleedfel, vooral op den bo- 
dem , met eene bruinachtige ftof bezet was. Ver- 
moedende , dat in dit bekleedfel de looddeelen zouden 
bevat zijn, fchrapte ik hiervan af, loste het op en 
bevond mijn vermoeden bevestigd. Vervolgens waschte 
ik het met zuiver , hier gedestilleerd Oranje-water . 
af en zag dat dit wiijven alleen voldoende was , om 
het water met lood te bezwangeren. Om nu te zien 
of het plantenzuur in het fleur-water aanwezig, vol- 
doende zou zijn, om het lood, in het vertinfel be- 
vat, te verzuren en op te losfen, deed ik eenig lood 
in zuiver, alhier gedestilleerd water van Oranje- 
bloefem, dat ik alvorens onderzocht had, en bevond 
na eenige dagen , dat het aqua hydrofulphurata 
hierin een nederploffel gaf, volmaakt gelijk aan het- 
gene ik, in het aangevoerde, bij herhaling heb ge- 
vonden, en waarop ik meende de oplettenheid te 
moeien vestigen , wijl dit aangevoerde water en om 

de 



( 44 ) 

don gciiiigeren prijs en om de meer aangename fmaak 

trteer en meer gezocht en verzonden wordt, en dit 

ongemak kan voorgekomen worden door het betalen 

van eenige regten , waaraan het ingevoerde in glazen 

flesfchen onderhevig" is. •;] '- 

Amflerdam ^ H. F. thvssen. ■''' 

16 Feb. 1828. 

■'12. Paven heeft tabaks -asch ontleed en hierin ge- 
vonden : 

Carbonas calcis . 4a , 

Phosphas 6, 

Silica 12, 

Chloruretum potasfii et fodii . . . 28 , 

Sulphas potasfae 9 , 

Sub carb, pot.^ oxyda manganefii^ ■ 
fcrriy fulphas et fulphuretum 
ferri^ carbo et materies ani- 
malis ■ 3, 

100. 
iAnnales de F industrie nat. et étrang. Mai 1827). 

G. J. M. 

13. Graham heeft, behalve de hydras calcis en 
fulphas fodae , nog bovendien gevonden , dat de phos" 
phas magnefiae ook het vermogen mist, om in warm 
water gemakkelijker, dan in koud opgelost te worden. 
{^Phil. Mag. July. 1827). G. j. m. 

14. Door eenvoudige infnijding der plant , op ver- 
fchillendé plaatfen gedaan, verkreeg D''. hopff in korten 
tijd eene vrij aanzienlijke hoeveelheid lactucarium , 
hetwelk flechts behoefde gedroogd te worden. {Bulkt, 
des Sc. Méd. Nov. 1827). g. j. M. 

Uit 



V 



45 ) 



^ 15- Uit eene Dis/, inauguralis chemica^ ds Aspir 
diofilice mare auct. v. batso Vindobonae 1826 leereii 
wij , dat in deze plant een bijzonder zuur en alcali 
zoude'gevonden zijn, aan welke de namen van ^aV«», 
filicictm en filicinum gegeven worden, (brandes 
Archiv. Bd. 21. 1827). G. j. M. 

16. Aqua rofarim, lietwelk een weinig fuiker en 
_ alcohol bevatte, fcheidde na eenigen tijd kristallen van 

ücid. benzoïcum af. (Trommsdorff's Neues Journ. 
für Pharm. Bd. 14. 1827). g. j. m. 

17. De Heer rosé heeft de proeven van engel- 
hart, over het ijzer in het bloed aanwezig , herhaald 
en bevestigd. De oorzaken der moeijelijkheid , om dit 
per te ontdekken, zoodat het zelfs weder menigmaal 
m het bloed is ontkend geworden , heeft rose aan- 
getoond in de kleurftof des bloeds gelegen te zijn. 
Deze maakt, dat het ijzer doorammoniac, brjvoorb ' 
niet wordt afgefcheiden. Hij zettede zijne proeven 
voort op andere ligchamen, en vond, dat men in dit 
opzigt twee klasfen van ligchamen moet aannemen , 
waarin de eene het ijzer al, de andere hetzelve niet 
beletten, dat het door ahalièn afgefcheiden worde • 
Alle die organifche zelfftandigheden, welke in het wa- 
ter oplosbaar, en vatbaar zijn om op eene hooge 
temperatuur ontbonden te worden, behooren tot de 
eerde, tot de laatfte die organifche deelen, die in 
water oplosbaar en bij eene hooge temperatuur ge- 
fchikt zijn, om zonder ontbinding vervlugtigd te wor- 
den. Tot de eertten behooren dus: de kleur/lof des 
bloeds , serum fanguinis, verder de oplosfingen van 
albimen, yan gelatina, van gmnmi arabicur^, 
mucilago feminum lini, van kandij^ meel-, melk- 
en 



( 46 ) 

en diabetes'fuiker ^ van glycyrrhiziniim^ van man- 
nitc , van de acida perticmn , quinicum , mticicum , 
malicum , citricum en tartaricum. Het acidüm iiri- 
cum maakt eenige uitzondering. Tot de tweede 
behooren de acida oxalicum , aceticum , formicum , 
pyro - tartaricum , pyro • citricum , pyro' mucicum , 
fuccinicum , benzoïcum , butyricum , capricum , /'i^o- 
cenicum^ de twee zuren, die men verkrijgt, wanneer 
men zuiver acidum malicum destilleert, de alcohol tn 
aethcr fulphuricus, (^Ballet, des Sc. Méd. Nov, 1827). 

G. J. M. 

18. Uit eene ontleding van regenwater , door bran- 
DES gedaan, zou het hem gebleken zijn, dat in 30 
oneen regenwater , iedere maand vergaderd , dus in 360 
oneen in een geheel jaar , 2,75 grein vaste ftof aan- 
wezig is. Deze beftond uit: refina ^ pyrrhinum^ 
mucus , hydrochloras , fulphas en carbonas magne- 
fiae , hydrochloras fodae , fulphas en carbonas cal' 
cisy hydrochloras potasfae^ oxydum ferri et man- 
ganefïi en een ammoniac-zout, QBulletin des Sc. 
Math. Oef, 1^27^. 9' J' ^• 

19. Pfapf heeft in de Lichen Island. een zuur 
gevonden , hetwelk van de bekende onderfcheiden is. 
Hieraan wordt den naam van acid. lichenicum ge- 
geven. Obid"). 

ao. Zeize heeft in de As/a ' foèttda zwavel ge- 
vonden. (f'^^W.) : r. zw. -r ;..,•>, 

21. Thomson heeft een nieuw "brandbaar gas ont- 
dekt, beftaande uit i at. hydrog. lat.carb, eni,$at. 
chlorium, (ihid,") p. 284. * " '."*' g. j. m. 

Eene 



C 47 ) 

21. Eene foort van glas, waarin noch potasch, 
noch foda aanwezig is , heeft jos. jaeckel keren ken- 
nen. Hij geeft hiervoor de volgende beftanddeelen op : 

Veldfpath 33,3 S 

Zand 38,6 

Kalk 10, 

Keukenzout 10, 

Oxydum raanganefii 4 oneen. 

(^Bullet.des ScTechnol.Oct. i^o.j'), g. J. M. 

22. Door den Heer .th. g. jones hebben wij 
geleerd ftalen platen op eene gemakkelijke wijze in 
ftukken te verdeelen. Het ftuk ftaal wordt zoo warm 
gemaakt, dat hetzelve -was kan fmelten, waarmede 
het beftreken wordt, om het, koud geworden 
zijnde, hiermede geheel en al overtogen te hebben. 
Men maakt alsdan fchvappen in hel 'was , op de plaat- 
fen, waar men het ftaal wil fcheiden en legt hetzelve 
daarna in een mengfel van 6 deelen water en i deel 
zwavelzuur. Na een half uur kan men bet ftaal aan 
ftukken breken. Jones ftelt dit middel voor, " om 
gaten in ftaal te maken. Men behoeft echter in dit 
geval, het geheele ftuk ftaal niet in het vocht te 
dompelen, maar maakt flechts een walletje van was 
om de plaats , waar men de opening wil maken , en 
vult dit met het zuur. Men herhaalt dit aan de andere 
zijde en flaat daarna het in de opening teruggeblevene 
gemakkelijk weg, QBulkl^. d^s Sc, Techn, Oct. 1827). 

G. J, M. 

23'. Men heeft te Alka , in Schotland , de ontdek- 
king gedaan van eene foort van zand , dat tot de vervaar- 
diging van het Flintglass , veel beter is dan de Lynis 



( 48 ) 

Regis, welke men daartoe in Engeland en Schot- 
land bezigr. De heer bald heeft dit zand , gewas- 
fcben zijnde , erkend voor zuivere kiezelaarde , terwijl 
microscopisch onderzoek geene de minfte vreemde 
deelen daarin gemengd heeft doen ontdekken. Het 
door den heer marshall, met dit zand vervaardigde 
Flintglass ^ bezat alle de eigenfchappen , welke men 
in hetzelve vordert. j. c. pilaar. 

25. De heer vittorio, handelende over de bou- 
wing van fchoorfleenen , keurt , ten gevolge zijner onder- 
vinding, af, dezelve van onderen wijd en naar boven 
vernaauwende te maken , als gevende oorzaak tot ne- 
derflaan van den rook ; hij taadt daarentegen de omge- 
keerde wijze aan; gevende naöielijk eene flaauwe ver- 
wijding naar boven. j. c. p. 

2,6. De heer madioe heeft een' lindenftam tot blok- 
ken van 4 el lengte laten zagen , de fchors er afnemen en 
die, gedurende drie maanden, laten weeken. Na dit 
tijdsverloop kon men 114 lintachtige riemen, welke 
opi elkander lagen, van een fcbeiden ; welke naar 
het gevoelen van M. het aantal jaren van des booms 
ouderdom aanduiden. De naast aan het hout gelegen 
riemen zijn de fijnfte , en hebben gediend tot de ver- 
vaardiging van hoeden , vesten , kistjes , werkzakjes 
en doosjes , welke zeer voldoende waren. 

Zeelieden hebben 'aan den heer M. verzekerd , dat 
het touwwerk en de kabels , van deze ftof geflagen , veel 
langer dan die van hennep , aan het water konden 
weêrftand bieden. ■\. c. p, 



Eeni' 



( 49 ) 

Ëinigê daadzaken omtrent fioomf/erktuigen. 

Eene lange ondervinding heeft geleerd , dat voor 
de paardenkracht van een werktuig, ten minfte lo 
vierkante voeten oppervlakte van den ketel , aan de 
onmiddellijke werking der hitte van het vuur moeten 
blootgeflield- zijn. 

Men kan reigenen op ten minfle 30 kubiek voeten 
ftoom , welke in elke minuut worden verkregen , van 
10 voeten oppervlakte van den ketel, aan het vuur 
blootgefteld. 

. Om deze uitkomst te verkrijgen , behooren de vol- 
gende voorwaarden plaats te hebben: 

V, Het vuur moet, door een werkzaam en ge- 
oefend floker , beftendig gehouden worden op denzelf- 
den graad van hitte , welke een goed trekkende fchoor* 
fteen kan veroorzaken. 

a°. Voor eene vlammende brandftof zoo als (leen* 
kool, ftrekt zich de nuttige hitte der verbrande pro- 
ducten , of van den rook , niet verder uit dan onge- 
veer 6 voeten afftand van het brandend ligchaam ; 
een' goeden trek in den fchoorfteen veronderftellende ; 
en als men Coaks brandt niet verder dan 3 voet — 
hierdoor worden de grenzen bepaald , waarin de 10 voe- 
ten oppervlakte moeten begrepen zijn, om ééne paar- 
denkracht ftoom te verwekken. 

3°. Er moet gezorgd worden , dat de ftookplaats 
behoorlijk ingerigt zij , om geen buitengewoon verlies 
van hitte te veroorzaken ; en geene ongunstige om- 
ftandigheden voor de verbranding te kunnen doen plaats 
hebben. 
Hetgeen hier gezegd is voor lage druklung , is op 

BIJDRAGEN, D. III. ST. I. D tlkö 



< 50 ) 

elke hoogere drukking tocpasfelijlc : alzoo geven lo voe- 
ten oppervlakte 15 kiib. voetenfiioom van twee damp- 
kringen , 10 voeten van drie dampkringen digtheid enz. 
Maar Indien men acht flaan wil op bezuiniging van 
brandftof , moet men daartoe veel grooter hitte aan- 
t?rengen , dan bij lage drukking. 

Het beste middel om zich te verzekeren , of een 
ftoomwerktuig de kracht heeft, die men er aan toe- 
fchrijft , is door proeven en berekening te onderzoeken , 
of het zoo vele malen 3okub. voeten ftoom , ter digt- 
heid van een' dampkring, per minuut, als er paarde^ 
krachten deszelfs vermogen voorftellen , maiightfieedt. 

Men heeft getracht , de ketels te doen vervangen 
door allerhande inrigtingen van buizen, doch men 
heeft fpoedig bevonden, dat deze in korten tijd bui- 
gpn,. barsten, gloeijend worden en verbranden. 

Van alle pogingen om de ftoomketels te verbete- 
ren, en de voordeelen en bezuinigingen, welke men 
daarvan verwachtte, heeft de praktijk geen nut ge- 
trokken ; en men is voortgegaan met het nemen van 
proeven om groote hoeveelheid ftoom voort te brengen. 

Men moet dus niet ligtelijk geloof flaan aan de 
waarfchijnlijklieid , om, met eenen kleinen toeftel 
en weinig brandftof, veel ftoom te veroorzaken, en 
moet de uitfpraak van eene lange ondervinding af- 
wachten , alvorens zich. een gunstig denkbeeld, te vor- 
men van eenen toeftel, welke op andere grondbegin- 
felen is vervaardigd, dan die, waarop men gewoon- 
lijk bouwt. (^Bulletin des Sciences Technologiques. 
Aoüt 1827. 

Wat men ook moge meenen omtrent het nog fteeds 
algemeen gebruik van groote ftoomketels; het is toch 

ze- 



C 51 ) 

xeker, dat by de Perkinfche machines van hooge 
drukking de ftoom gevormd wordt in buizen of pij- 
pen. Het breken van eene dergelijke pijp lieeft- on. 
langs een belangrijk verfchijnfel doen ontdaan , vi^aar? 
van de heer perkins in eene memorie aan de Ko- 
ninklijke Akademie te Parij's verflag geeft. Men 
hoorde namelijk een vrij zwak dof geluid , hetwelk 
deed vermoeden , dat de lloomketel gebarsten was, 
doch daar men geen' ftoom noch water gewaar werd , 
en de machine , met eene drukking van 20 dampkrin- 
gen bleef doorwerken , begreep men , dat de breuk , 
indien zij plaats had, flechts gedeeltelijk wezen 
moest; men verzwakte dus het vuur; en nadat de 
temperatuur een weinig gedaald was, hoorde men een 
fterk gedruisch , hetwelk de bewoners der omliggende 
gebouwen verontrustte, en toen eerst flortte zich het 
water en de (loom in het vuur uit. Men bevond 
den bodem van de pijp wijd genoeg gefpleten om 
het water te kunnen doorlaten. 

Offchoon verfcheiden geleerden van oordeel waren , 
dat de eerfte hooge temperatuur,, het metaal genoeg 
had doen uitzetten, dat de opening daardoor was ge- 
floten geworden, en daarna bij de verkoeling doof 
de zamentrekking weder geopend, fchrijft de heer P. 
het verfchijnfel toe aan de afftootende kracht der 
hitte, en heeft eene proef genomen, om deze (telling 
te bevestigen. Hij bragt, namelijk, eene flerke 
buis , met eene kraan voorzien , aan , op eene 
gemaakte opening van | duim diameter, in het eene 
uiteinde van de pijp, waarvan het andere uiteinde 
voorzien was van eene veiligheidsidep , beladen met 
50 dampkringen. Nadat het. uiteinde , waar zicli-de 

D 2 kraan 



• C 5^ ) 

kraan bevond, gloeijend was gemaakt, werd het wa- 
ter in de pijp gepompt, en de ftoom ontfnapte langs 
de veiligheidsklep , zonder dat bij het openen der 
kraan , iets door dezelve wegdroomde. 

Men verzwakte daarna het vuur, en nadat de tem- 
peratuur genoegzaam gedaald was, werd het geloei 
van den (loom fchrikbarende. De heer P. heeft be- 
kend gemaakt , dat hij deze belangrijke proef binnen 
kort in het publiek zal herhalen. Bulletin Technol, 
Nov. 1827. j. c. p. 

28. In dat zelfde nummer wordt gevonden een (luk 
van den heer john taylor , overgenomen uit het 
Phil. Mag, Febr. 1827: over de oorzaken van het 
fpringen der ftoomketels , hetwelk fomtijds plaats 
heeft in gevallen , waar noch de fterke fpanning van 
den (toom , noch gebrek aan de gewone voorzorgen , 
of aan fterkte van het metaal, noch de flechte ver- 
vaardiging, als volftrekte oorzaken kunnen worden 
aangemerkt. De heer T. werpt de vraag op, of het 
niet zoude kunnen worden veroorzaakt door ontplof- 
fingen van gas, in den vuurhaard, dus buiten den 
ketel ; en geeft eenige gevallen op , welke een beves- 
tigend antwoord op deze vraag fchijnen aan te geven. 
Alle deze gevallen fchijnen te hebben plaats gehad 
bij werktuigen van hooge drukking. j. c. p. 

29. Uit het Polytechn. Journal, van Mei 1827 , vindt 
men in het Bulletin des Sciences Tcchn. Nov. 1827 
overgenomen, dat de zink onder onze landslieden 
veel in gebruik is, om goten of daken mede te be- 
dekken , en dat dit eene zeer gevaarlijke gewoonte is , 
waarom men het gebruik hiervan afraadt {qu''on de 
vrait Ie faire abandonner). De reden hiervan zegt 

men 



( 53 ) 

men in de bekende daadzaak gelegen te zijn , 'dat de 
zink zeer brandbaar is , en dus bij brand dezen niet 
alleen kon verergeren, maar zelfs het toegangbaar ma- 
ken der brandende gebouwen , om de ginds en her 
geworpene gloeijende metaalftukken , moeijelijk en 
zeer gevaarlijk maakt. Er is ons geene ondervinding 
dienaangaande bekend, en hierom kunnen wij niet 
beoordeelen, in hoeverre de fchrijver dezes, in de 
gemelde tijdfchriften , regt hebbe het gebruik van de 
anderzins nuttige zink af te raden. Wij noodigen 
derhalve hen uit, die in de gelegenheid geweest 
zijn, dit bij ondervinding te kunnen bevestigen of 
tegenfpreken , om ons hunne bevindingen mede te 
deelen , daar wij dit voor onze landgenooten allezins 
belangrijk achten. g. j. m. 

30. Eene bereiding van goud en zilver voor fchil- 
ders , vindt men gegeven in het Bulletin des Sc. Techn. 
Oct. 1827. Men maakt eene pap van honig en blad- 
goud of bladzilver. Men droogt die , en na ze tot 
poeder geflooten te hebben , wascht men dit af en 
verzamelt het goud of zilver door uitdamping, 

G. J. M. 

31. Mathieu heeft aan de Academie des Scien- 
ces eene uitvinding bekendgemaakt, ora een horologie 
met water te doen bewegen. {Bulkt, des Sc. Techn. 
Mat 1827). Het model , aan de Academie overhan- 
digd, behoeft flechts 1,500 liters, om meer dan drie 
maanden in beweging gehouden te worden. 

C. J. M. 

32. Bij PRiTCHARD in Londen Picket-fireet , 
N". 18) worden thans microscopen met diamanten lin- 

D 3 zen 



'(. 54 ) 

zen verkocht , die boven de gewone met glazen linzen 
zoo veel voorhebben , dat , indien de laatfte 24 maal 
vergrooten , de eerfte , bij dezelfde grootte en gedaante 
64 maal zouden vergrooten. (Froriep, iVb?./^/// 1827). 

G. J. M. 

33. Volgens de proefnemingen van de Heeren 
M". A.L. wicHERS en G. YXYV'E.v.^Beh^opte Befchrij- 
vingenz. Gron, 1827, p. 29) zoude het beste mengfel 
voor zoogenaamde tinnen vochtmat en , hetwelk eene ge- 
noegzame ftevigheid bezit, en tevens niet hoog in 
prijs komt, beftaan uit eene vereeniging van lien 
deelen ruw tin en één deel ruwe zink. De na- 
dere bijzonderheden dier proefnemingen kunnen in het 
werk zelve nagezien worden. 

34. Het is bekend , dat de Heer longchamp vóór 
eenigen tijd in een ftukje over de falpetervorming , 
geplaatst in de Annales de Chimie et de Physique^ 
heeft beweerd , dat de vorming van het falpeterzuur, 
bij uitfluiting was toe te fchrijven aan den damp- 
kring, welks hoofdbeftanddeelen ook die van het 
falpeterzuur zijnde, flechts in bijzondere omftandig- 
hedcn gefield behoefde te zijn tot het bedoelde oog- 
merk ; zonder dat daartoe eenige dierlijke ftof ver- 
éischt werd. 

De Heer gay-lussac heeft dit wederlegd, en 
befchouwt de tegenwoordigheid van dierlijke ftof» 
fen als een hoofdzakelijk vereischte der falpetervor- 
ming; toegevende echter, dat het waar is, dat er in 
fommige bijzondere gevallen , waar het aanwezen van 
dievlijke ftofFen zeer onwaarfchijnlijk was, echter op 
eene nog niet verklaarbare yvijze falpeterzure zouten 
waren gevormd. 

In 



C 55 > 

In de jilnnaks van JuUj 1827 vinden wij twee 
ftukjes omtrent dit zelfde oijderwerp, 
'Het eerfte is van de Heer braconnot, welte in 
181 1 met het fcheikundig toevoorzigt over eene beet- 
wortelen -fuikerfabrijk belast, onder eenige door hem 
gedane proeven ter bepaling der beftanddeelei-i dier 
plant, vooral in deszelfs Helen en bladen eene zeer 
groote hoeveelheid zuring- en appelzurepotasch.yond, 
Eenige van deze bladen, ter drooging aan draden op- 
gehangen zijnde , op eene middelmatig verlichte , 
warme en een weinig vochtige plaats, bevond de 
Heer B.|, na verloop van verfcheidene maanden , de 
ftelen dier bladen geheel doordrongen van en be- 
dekt met eene ontelbare menigte kleine falpeter- 
kristallen, zoodat het falpeterzuur de plaats van de 
zuring- en appelzuren bad ingenomen. Indien nu deze 
falpeterzuurvorming, naar longchamp's theorie., aan 
den dampkring moet worden toegefchreven , hetwelk 
BRACONNOT niet wel gelooven kan; dan moet ook 
linnen, dat met zuring- en appelzure potasch door- 
trokken is, in dezelfde omftandigheden als de beet-, 
wortelenbladen voornoemd , geplaatst , met eene over- 
vloedige menigte falperer-kristallen overdekt worden; 
waaromtrent echter geene proeven genomen zijn. 

Het tweede ftukje is een uittrekfel uit eene noot 
van de heer liebig. Deze geleerde heeft bij het 
onderzoek van verfchillende regenwaters, bevonden 
dat omi'^^rj- regenwater altoos eene hoeveelheid fal- 
peterzuur bevat; fchrijvende hetzelve toe aan de ver- 
binding van zuur- en ftikftof , door den blikfem , 
even zoo als cavendish en na hem seguin, door 

D 4 mid- 



( 56 ) 

middel van de ekctrifche vonk , van deze beide dof- 
fen, falperzuur hadden daargefteld. 
' Het met falpeterzuur rijkelijk voorziene regenwa- 
ter, bij dergelijke gelegenheden, wordt door de po- 
riën van kalkaardige en andere gebergten, opgeflurpt 
en teruggeliouden; waardoor langzamerhand eene me- 
nigte van falpeterzure zouten gevormd worden , welke 
zich aanzetten op die plaatfen , welke voor den regen 
en weêrsgefteldheden befchut zijn ; zoodat de falpeter 
niet aldaar ter plaatfe, volgens longchawp , maar 
werkelijk in den dampkring, bij zekere eiectrifche 
omflandigheden , zich bevindt; en dus de theorie der 
vorming van het falpeterzuur op de oppervlakte in 
zich zelve, door de opgegeven daadzaak, blijft, wat 
zij geweest is. r 

De heer L. haalt eene Verhandeling aan van 
onzen stipriaan luïscius, waarin deze geleerde, 
op grond zijner proeven, beweert, dat, ingevalle men 
dierlijke ftolFen, onder vrijen toegang van water en 
lucht, aan de ontbinding overlaat, er veel falpeter- 
zuur en weinig ammoniak gevormd wordt. Het 
eerfte van deze aanmerkingen is ten fterkfte bevesti- 
gend voor de theorie van gay-lussac , en de tweede 
zeer ftrijdig met het gevoelen van longchamp , welke 
voorondcrftelt , dat al of bijna al de ftikftof , die bij 
de ontbinding van dierlijke ligchamen vrij wordt, 
zich verbindt met de waterftof tot ammoniac ; en dat 
het gedeelte, dat zich met de zuurfliof tot falpeterzuur 
verbindt, niet noemenswaardig is. 
r In diepe putten, waar de omftandigheden tot de 
falpetervorming zeer voordeelig waren , heeft de heer 

U6» 



C 57 ) 

lÏebig, buiten de ftad Gicsfen, geène falpèterzure 
zouten gevonden; maar wel binnen de ftad. — Het 
eerfte alweder tegenftrijdig met longchajvip, en het 
tweede juist zoodanig, als door gay-lussac, in 
een' brief aan longchamp, is voorgefteld geworden. 

j. c. P. 

- 35. Voor het Obfervatoriiim , hetwelk tegen- 
woordig te Brusfel gebouwd wordt, worden door 
^en beroemden Engelfchen kunftenaar troughton, 
twee inftrumenten vervaardigd, die gelijk zullen zijn 
aan de volmaaktfte, welke de Engelfche fterrekundi- 
gen thans gebruiken , te weten : een muraal-cirkel 
van 6 voeten middellijn , en een aequatoriaal , ins- 
gelijks van groote afmetingen. Bovendien is de niet 
minder bekende Franfche kunstenaar gambey bezig 
met voor hetzelfde Obfervatoritmi een' meridiaan- 
kijker te vervaardigen van 7 voeten 4 duimen lengte, 
van eene geheel nieuwe en volmaaktere inrigting: het 
voorwerpglas , te maken door cauchois , zal 6 d". 
5 lijnen middellijn hebben. (^Corresp. Math.etPhys, 
T. III. N°. 5. p. 236). w. w. 

- 36. In het Buil. des Scienc. Math. Sept. 1827, 
vinden wij een ftukje van den heer bellani aange- 
haald, in hetwelk onderlcheidene ontdekkingen aan 
geheel andere perfonen worden toegekend , dan men al- 
gemeen meent, dat dezelve behooren. Wij zullen met een 
woord de daar opgenoemde opgeven , om alzoo de 
waarheid bevorderlijk te zijn. Want, hoewel wij al 
in zeer weinige ontdekkingen eene zekere eer voor 
de ontdekkers meenen te vinden , zoo moet men toch 
geene zaken aan andere , dan aan de ware perfonen 
loekennen. Zoo lezen wij dan, dat guyton mor- 

J3 5 VEAU 



( 58 ) 

VEAU hét acidum fulphuricum]\2it\. nordhausrn in 
1786 reeds leerde kennen als acid. ftelph. anhydr, , 
waarvan in 1824 bussy, en in 1827 melandri heb- 
ben gewag gemaakt. Dat bellani vóór bostock 
(1809—1825) eenige oorzaken opnoemde, die het 
kookpunt van het water konden veranderen. Dat 
BELLANI en niet gay-lussac het eerst had, aange- 
toond, dat het water in glas langzamer aan den kook 
geraakt , dan in metaal , doch dat men door er me- 
taalvijlfel in te doen, dit kon verhelpen, dat dit van 
het grootfte belang was om op te merken , in het 
vervaardigen van thermometers. Dat bellani vóór 
gay-lussac vele opmerkingen gemaakt had, over de 
theorie der dampen en hunne mengfels met gasfen. 
Dat BELLANI vóór DAX'Y cenc theorie der vlam heeft 
gegeven. Dat bellani de beweegbaarheid van het 
nulpunt des thermometers het eerst heeft aangewe- 
zen, en de oorzaak hiervan verklaard. Dat hij ins- 
gelijks het eerst, dus vóór daniel had aangetoond, 
dat alle barometers met der tijd lager gaan flaan ; dat 
BELLANI reeds in 1813 voor phosphorus en zwavel 
heeft doen kennen, hetgeen faraday onlangs om- 
trent het laatfte had opgemerkt, namelijk; dat dit 
vloeibaar konde blijven bij de gewone temp. enz. enz, 
In dit zelfde fluk, waarin voor de eer der ware 
ontdekkers gevochten wordt, wordt intusfchen al 
weder ten onregte geftreden. Men vindt er namelijk 
in : dat men in Frankrijk met regt erkent , dat bel- 
lani het eerst het verbranden van den phosphorus in 
eene verdunde' lucht zoude hebben ontdekt. Hawks- 
BEE , intusfchen , heeft dit verfchijnfel reeds waarge- 
nomen en befchreven in zijne Expcrictices Phyftco' 



C 59 ) 

Méchaniques , Tom. I. p. 140, terwijl van marum 
in de Verh. van teylers 2^ Gen. io« ftuk 1)1. 40, 
eene naauwkeurige befchrijving van dit verfchijnfel 
heeft gegeven, hetwelk hij in 1798 had waargenomen. 

G. J. M. 

37. Eene nieuwe plant, die helder en gezond 
water affcheidt, wordt in brewster's Journal ^ 
N°. XIV (Oct. 1827) op de volgende wijze , naar 
aanleiding vaneen' brief uit de Indien, vari 3i Maait 
1827, vermeld: „Er is in onze Indifche landen 
„ een ftruik ontdekt , uit wiens Ham , wanneer de- 
„ zelve doorgefneden wordt, eene rijke plantaardige 
„bronwei van helder en gezond water ontfpringt. De 
i, inboorlingen kennen deze bronnen, en daarom vi;- 
„den wij flechts zelden eene volledige plant. Het 
„is eene groote klimmende plant {KlcttcrpJIanzc)^ 
„volkomen nieuw en niet befchreven." 

Dit berigt, overgenomen uit froriep's Notizcn , 
XVIII. S. 250, wekt niet alleen de begeerte op om 
dit gewas eerlang goed befchreven, nader te mogen 
leeren kennen , maar verlevendigt bij mij den wensch , 
dat men toch eenmaal de noodige en gewis allerbe- 
langrijkfte phyjiologifche proeven, in de Indien, met 
planten zal ondernemen. Waarlijk , wij ontvangen 
zoo vele naauwkeurige en fysteraatifche beCchrijvin- 
gen van de kolosfen der heete gewesten , ook wel 
nu en dan eens iets van hare aankweeking en nuttig- 
heid, maar ik weet niet of iemand nog wel een oor- 
fpronkelijk licht over de ftructuur , en vooral over de 
verrigtingen van fapbeweging, bevruchting enz., bij 
dezelve verfpreid heeft ? Hoe oneindig vele phyfiolvgi- 
/c/?c proeven , met Europefche gewasfen genomen, 

ver- 



( 6o ) 

verdienden niet dddr te worden lierhaald. Welk een 
aanwinst konde der wetenfchap te beurte vallen, als 
men amici's voortreffelijke werktuigen naar de /«- 
diën^ tot zulke oogmerken, overvoerde. m— r.-;! 
Bij de bovenftaande opgave kan nog , ter nadere 
bevestiging , gevoegd worden het berigt , te vinden in 
hetzelfde tijdfchrift van froriep. Toni. XVIII. p. 88, 
van eene foort van Tillandfia^ in Zuid-Amerika ^ 
welke bij infnijding in den ftam eene zoo groote me- 
nigte helder drinkbaar water oplevert, dat arbeiders 
in de bosfchen aldaar nimmer drinkwater behoeven 
mede te nemen. Ik herinner mij diergelijke waarne- 
mingen ook nog elders gelezen te hebben , onder an- 
deren in de reis van den Prins van wied-neüwied 
naar Brazilië^ Tom. I. bl* 119 en II. bl. 32, en 
meen zelfs, dat zoodanige gewasfen, wier ftam drin- 
baar water oplevert, in onze Oost-Indifche koloniën 
mede gevonden worden; waaromtrent de heeren rein- 
WARDT en BLUME meerdere inlichting zouden kun- 
nen geven. Van belang ware het zeker, deze gewas- 
fen phyfiologisch te onderzoeken. Dat fommige bladen 
water bevatten is bekend. Ncpenthes destillatoria 
L , Madagascarienfis poiret en cristata bron- 
GNiART bezitten alle bijzondere zakken (^ascidia) aan 
de bladen , waarin het water door eigene klieren 
binnen in deze ascidia fchijnt afgefcheiden te worden. 
Zoodanige ascidia met water gevuld, worden ook 
door BROwN befchreven in de Cephalotus foUicula^ 
ris f LABiLLARDiERE. Men zie Annales des Sciences 
naturelles 1824, Tom. I, p. 43 — 49; brown v^r^Tz. 
Bot. Schrifte ^ I. p. 144 — 147 en deze Bijdragen^ 
n« Deel, 2<= (luk, bl. 11 r, n" 97. v. h. 

De 



ï 



C öi ) 

38. De Annales des Sciences Naturelles , Septembre 
et Octobre , bevatten een allerbelangrijkst ftuk van 
ADOLPHE BROGNiART. Het i's ccn Mémoirc fur la 
Génération et Ie Développement de f£mbryon dans 
les végétaitx phanérogames. — Hij begint met eenige 
algemeene wenken over de gefchiedenis van de leer der 
fexualiteit bij de gewasfen , en zegt bij die gelegen- 
heid te regt, dat de bekende werkjes van schelver 
en HENSCHEL, tegen die leer,naauwelijks opmerking 
zouden verdienen , als zij niet tot gefchriften , als die 
van TREVIRANUS, hadden aanleiding gegeven. — 
Zijne waarnemingen bepalen zich tot het onderzoek 
der volgende punten : 
10. De inwendige ftructuur en ontwikkeling van 

het ftuifmeel. 
20, De betrekking tusfchen het ftuifmeel en het 

merk. 
3o. De wijze van gemeenfchap tusfchen het merk 

en het ei. 
40. De flructuur van het ei. 
50. Het inbrengen (Tintroduction) van de bevruch- 
tende zelfftandigheid in het ei en de vorming 
van het embryo. 
60. De ontwikkeling van het embryo en deszelfs 
verband met de weeffels [les tisfus)^ die het- 
zelve , tot aan den volmaakten toeftand toe , 
omgeven. 
- No. 38. De uitvoerigheid van het (luk ^zijnde in de bo- 
ven aangehaalde Nos. nog flechts een gedeelte der opge- 
noemde punten behandeld) , het verband tusfchen des- 
zelfs deelen , de noodige opheldering door afbeeldin- 
gen , de fchade , welke eenige onnaauwkeurigheid in 



( öi ) 

een uittrekfel zou kunnen veroorzaken , zijn zoo vele 
redcticu , waarom wij het niet wagen bier meer te 
doen, dan de belangrijke punten, waarover deze ar- 
beid loopt , op te geven. Dat de heer brogniart 
.den waren weg om tot de waarheid te geraken , bewan- 
delt , en hoe veel deze weg van die der zoogenaamde 
Natuur'philofphen verfchilt, kan men uit zijne vol- 
gende , aller behartiging waardige , woorden opmaken. 
nj^ai chcrché d''abord a ouhlicr toutes les hypothè- 
fes qui m'étaient connues ; je me fiiis occupé en' 
f int e du clasfement des faits et de leur étude fuc^ 
cesfive; ce tï'est qu''aprcs avoir faifi renfemhle , que 
f ai rapprocké les concliifions de détail pour en tirer. 
une theorie propre a les repréfenter d^une maniere 
complete et fidele.''' (p. ip). m — r. 

39. Hoe veel er, bij al hetgeen er reeds op on- 
dericheidene plaatfen der wereld in het plantenrijk 
ontdekt is, nog te doen valt, eer wij een volledig 
overzigt van alle gewasfen van den aardbodem bezit- 
ten, büjkt onder anderen uit een berigt, hetwelk ik 
vond in de Notizen van froriep , XVII. p. 282, dat 
D^ WALLicH op de reize van een Engelsch Gezant- 
fchap naar Ava, bij de 13000 planten verzameld 
heeft ,: waarvan bijna een derde gedeelte nieuwe foor- 
ten zoude bevatten. Ploe kunnen wij ons, zoo 
groote nieuwe ontdekkingen lezende, dan nog ver- 
wonderen, dat er in onze proeven, om de planten 
naar hunne natuurlijke overeenkomst te ordenen, 
nog zoo vele gapingen en feilen gevonden worden? 

V. H. 

40. Men gelooft in Amerika algemeen , dat de 
blikfem nimmer inflaat in den breedbladigen Beukj 

eene 



( 6 



j 



eene verfcheidenheid van onzen gewonen Beuk (Fagus 
Sy/vatica)» Men zegt, dat ook de gewone Beuk en 
de Katel-Popiilicr dikwijls minder dan andere boo- 
men , van den blikfem getroffen worden. Zie fro- 
RiEP , Not. XVIII. p. 344. V. H. 

. 41. Een ieder, die flechts eenigzins met de ftu- 
die der Zyvammen (Fungi) bekend is,, weet, hoe 
moeijelijk derzelver bewaring is, en hoe zeldzaam zij 
op den duur een gedeelte van een welgeordend her- 
barium kunnen uitmaken. Dit geldt vooral ten op- 
zigte van die z'wammen en paddejloden^ welke fapr 
rijk en vleezig zijn , en hierdoor aan de vernieling der 
infekten bovenal zijn blootgefteld. Nu heeft onlangs 
LÜDERSDORFF (*) een middel voorgeflagen , om de- 
zelve duurzamer te doen zijn , door , namelijk dezelve 
in wijnmoer te dompelen, daarvan geheel te laten 
doortrekken en daarna met een doorfcliijnend vernis 
te bekleeden; dan deze handelwijze kost veel tijd en 
neemt bij de bewaring der planten naderhand eene 
zeer groote ruimte in, — Persoon raadt aan, om 
1°. de leder- en kurkachtige zwammen, vóór dat zij 
oud zijn, te verzamelen; 2°. de dunne foorten bij 
eene zachte dfulcking te droogen , en , even als de 
vorige, van tijd tot tijd aan de lucht bloot te Hel- 
len; 3°. de geleiachtige foorten, als de Tremellae 
enz., tot aan hunne volkomene drooging toe, in de 
opene lucht te laten , daar zij naderhand in water ge- 
dompeld, hunne voormalige gedaante en kleur weder- 
krijgen; 4°. de geheel teedere foorten in was af te 

druk- 

(*) Das auftrockiien der Pflanzen and die /iufbewahrmg 
der Pilze. Eerlyn 1827. 



u 



( Ö4 ) 

drukken of in zwakken wijngeest te bewaren ; 5». dé 
Lycoperdom half rijp te verzamelen , en in de lucht 
te droogen, tot dat zij eene ligte drukking, zonder 
^lunne gedaante te verliezen , kuunen verdragen ; 
6°. zeer fijne foorten , als Trichla enz. , moeten in 
kleine doosjes met boomwol bewaard worden; 7°. 
platte papierachtige zwammen, als ook die, welke 
op bladen groeijen, op de gewone wijze in filtreer* 
papier te droogen ; 8°. alle eindelijk , zoo mogelijk , 
in papieren huisjes te bewaren, om hen van infekten 
en andere nadeelen vrij te houden. — Wil men ech- 
ter op eene aangename, offchoon niet geheel onkost- 
bare, wijze alle deze moeite uitwinnen eneenegroote 
gaping in zijn herbarium met goede en naauwkeurige 
afbeeldingen aanvullen, dan wordt hiertoe eene iilti 
muntende gelegenheid aangeboden in het werk van 
E. SCHMALZ , getiteld : Fungorum Species novis ico- 
nibus novisque defcriptionibus illustratae. Pars I. 
Fungi carnofi. Te Leipzig , bij j. a. barth , 4°* 
met fraaije letter en papier. De prijs zal van het 
getal inteekenaren afhangen , doch voor elke afleve- 
ring , beflaande uit 25 platen , met losfe befchrijvin- 
gen , niet meer dan zes Sakfifche daalders bedragen. De 
afbeeldingen, die hi}\\ti Prospectus gexoQgd zïya , la- 
ten niets te wenfchen overig, terwijl de waarde van 
het werk nog verhoogd wordt, doordien het juiste af- 
beeldingen bevat van die ylcezige foorten , welke in 
plantenverzamelingen niet goed kunnen bewaard wor- 
den , en vooral doordien de beroemde fchrijver van 
het Systema mycologicum , E. fries , alle de teeke- 
ïiingen en befchrijvingen nagezien en zijne nieuwlle 
ontdekkingen daarbij gevoegd heeft, door al hetwelk 

dit 



( 65 ) 

dit (luk, indien het aan het Prospectus beantwoordt, 
eene inderdaad klasfieke waarde zal vericrygen. 

V. H, 

42. Volgens een fluk uit de Annahs de la 
Société Linnéennc de Paris overgenomen in het Po- 
lytechnifches Journal, Sept. 1827, p. 542, zoude 
men uit de Korstmosfen CFlechteu , Lichenes^ in vele 
ftreken met voordeel brandewijn kunnen maken , door 
dezelve met zwavelzuur in eene fuikerachtige ftof te 
veranderen en dan in gisting te brengen. Deze voor- 
llag van roy is nader beproefd door leoriee , welke 
uit Z9 ponden Lichenes 6§ liters brandewijn van 21 
graden verkreeg. v. h. 

43. De bloemen van Cacalia septentrionalis wa- 
femen eene aromatifche geur uit, wanneer de dra- 
len der zon op dezelve vallen. Men kan dezen geur 
doen ophouden en weder doen terugkeeren door de 
ftralen der zon met den hoed of de hand te onder- 
fcheppen of het licht weder tot de bloemen vrijen 
toegang te laten. Zie Bibliothèque phys. écon. Aoüt. 
1827. p. 124 en FRORiEP, Not. XVIII. p; 136. 

V. H. 

44. Dat de eigene fappen {fucci proprii) der plan- 
ten meer als gefcheidene Qexcreta') dan wel als 
voedende fappen moeten befchouwd worden, bleek 
onlangs uit eene fraaije verhandeling van l. c tre- 
viRANUS , Ueber den eigenen Saft der Gewdchfe , 
feine Behalter , feine Bewegungen und feine Bestim- 
mung, te vinden in het Zeitfchrift für Phyftologie 
van TiEDEMANN enz. I. p. 147—180, waarin hij on- 
der anderen het voorbeeld aanhaalt der flinkende 
Gouwe {Chelidonium majus') , welke, jong zijnde, in 

BIJDRAGEN, D. III. S.l. E het 



het voorjaar veel voedende, maar weipig eigene ged- 
gckleurde fappen bezit , terwijl bij meer gevorderden 
ouderdom juist het tegendeel plaats heeft. Nog merk- 
waardiger zijn in dit opzigt de proeven van schübler 
en ZELLER, medegedeeld in de Not. van froriep 
XVIII. p. ii6, waaruit bleek, dat de eigene fappen 
van narcotifche planten, uit^wendig aan den wprtel 
aangebragt, dezelfde planten, waarin zij anders ge- 
woonlijk gevonden woi'den, doodelijk waren. Schüb- 
ler en ZELLER hebben ook nog andere proeven van 
dergelijken aard genomen, welke verdienen vergele- 
ken te worden met die van macaire-prinsep, mar- 
CET en den Hoogleeraar mulder. (Jiijdr. II , bl. 38 
en volggO? welke laatfte ook in de Not. van fro- 
riep XVIII, p. 273 en volgg', vertaald voorkomen. 

V. H. 

45. Volgens eene mededeeling van den Hoogl. 
c. A. BERpsMA, tc Gcnd , heeft een leerlooijer te 
Berncaster , met name rapedins, met het beste ge- 
, ^ volg proeven genomen, om met.de hlaauy/e Bosch- 
^ besfen (Faccinium Myrtillus $') het leder te.looijen. 
Hij verzamelt daartoe dit gewas in het voorjaar , om- 
dat men hetzelve alsdan het best droogen en hierdoor 
ook het best fijnmalen kan. Hij meent, dat men door 
dit middel in korter tijd, dan op de gewone wijze, 
l.ooijen kan , en recent dat 3*- s genoegzaam zijn , 
"om één g leder te looijen, waartoe men anders 6 gg 
eiken fchors noodig heeft. Daar deze plant ook hier 
te lande zeer algemeen is, kan het niet onbelangrijk 
gerekend worden , om deze proef ook bier te herha- 
1^9;. --r Reeds vroeger was van de looijende krachten 
van deze Boschbesfen met één woord gewag gemaakt 

door 



( 67 ) 

(Joor GLEjDiTSCH. Zie Möm. de l' Academie d^ Berlttt^ 
1754^ en Uitgezochte Verhandelingen ,, IV. bl? 437* ' 
, : Vx H. 

46. Men weet, dat vele menfchen met eep)e ge^ 
yoelige huid, geene katoenen bekleedfels op het 
vel kannen verdragen eo nog veel minder op won- 
den ,, welke daarvan gewoonlijk eenige ontfteking on^^ 
dergaan. De reden hiervan is ons verklaard door 
CULL (Technical Repository , ]m^ 1827, p. 370),, 
welke v-ond, dat de fijnfte vezels van katpen o£ 
boomv^^ol zich onder eenen zeer fterk vergrootenden 
microscoop vertoonden ajs vlakke banden met zeer 
fcherpe, fnijdende kanten; terwijl de fijnfte' vezels 
van het vlas,, gladde,^ dporfchijnende cilinders vorm- 
den. Jjlet^ linnen heeft ook dit prikkelend vermogen 
niet op de huid. v, n 

47. Volgens de getuigepis der Academie vaö 
Landbouw , Kunsten en, Koophandel te Verona , 
heeft, de heer rigatej.li ,: apotheker te Veronu , een 
volkomen gelijkwerkend ///rro^/^ö^ gevonden der ^ij^óf- 
velziire, quinine , uit eene plant , die niet alleen ijl 
Itïiüèy maar ook in géh&Ql Europa inlandsch en zeer 
algemeen is. De ontdekker meent vooreerst nog dent 
naam der plant geheim te moeten houden, zoodat der 
weetlust en nafporingsgeest der fcheikundigen een 
r,uim veld tot onderzoek is geopend. Verder berigt 
k?n men hierover vinden in, de Bibliotheca Italiana , 
No. 1.30,, Oct. 1826, p. .150; en in de Notizen van 
FRORiEP XVr. p. 249—252, Febr. 1827. — Zoude 
het niet der moeite waardig zijn, om de Variolaria 
amara , een Lichen , die op vele oude boomftammen 
hier te lande voorkomt, in dit. opzigt te onderzoe- 

E 2 ken, 



C Ö8 ) 

ken, daar dit plantje door zijnen bijzonderen bitteren 
[maak zoo kennelijk is? v. h. 

48. Een Engelsch reiziger , douglas , heeft in 
het Noordwesten van Amerika eene nieuwe en 
zeer bijzondere foort van Pijnboom (Pinus^ ontdekt. 
Zij groeit 200 voeten hoog en is geheel zonder tak- 
ken tot bijna aan den top, waar zij eene prachtige 
fchermvormige kroon heeft. De vruchtkegels zijn 
zeer groot , foms 16 duimen lang en 10 duimen in 
omtrek. De dikte van den boom is aan zijne gewel- 
dige hoogte gêëvenredigd , hetgeen denzelven eene 
groote waarde geeft, daar het een zeer goed werk- 
en brandhout oplevert. Zie Revue Britannique , 
Mars 1827. en Froriep Not. XVIII. p. 26, 

V. H. 

49. De Aardappelen zijn op nieuw in het wild 
wedergevonden door Caldcleugü 'm Chili, waar zij 
de grootte hebben van een hoenderei , weinig in getal 
aan dezelfde plant , niet bitter en niet vergiftig zijn , 
gelijk fommigen gemeend hadden. Zie froriep, Not. 
XVIII. p. 42. V. H. 

N». 50. In den Vriend des Vaderlands , Deel ï. 
Ho. II. bl. 890 — 896 wordt door den Heer j. w. ser- 
RURiER te 'j Heerenberg in Gelderland de honigdauy/ 
als oorzaak van den brand in de tarwe opgegeven , 
en als middel hiertegen aangeraden , om de tarwe zoo 
vroeg te zaaijen , dat zij voor St. Jan heeft uitgebloeid. 

V. H. 

51. Men weet, dat de natuurlijke familie der 
fchermbloemige planten (Umbelliferae') in de laatfte 
jaren , vooral door sprengler en koch , met naauw- 
keurigheid is bewerkt. Nieuwe en belangrijke bijdra- 
gen. 



C <S9 ) 

gen, vooral voor de kennis der geflachten in deze 
familie, zijn onlangs geleverd door den uit zijn Va- 
derland gewekenen Spanjaard Don mariano lagasga 
(Ocios de Espanoks emigrados ^ Dec. i825en volgg.), 
zoodat men hoop mag voeden, dat decandolle in 
het nog uit te geven gedeelte van zijnen Prodromus, 
de fystematifche rangfchikking der Umbdlifcrae op 
vaste grondflagen zal kunnen vestigen. v. h. 

52. De tiende en laatfte aflevering der Rubi ger- 
manici^ door weihe en nees von esenbeck , is 
onlangs uitgekomen. v. h. 

53. Men mag eerlang eene Flora van Guinea 
verwachten , welke in de Verhandelingen van de 
Koninklijke Maatfchappij van Koppenhagen het licht 
zal zien, en 518 plantfoorten , waaronder 300 nog 
onbefchrevene , zal bevatten. Zie het Bulkt. d. Sc. 
Nat. van de Ferussac, Oct. 1827, p. 234. 

V,. H. 

54. De oscillatoriae , bekend wegens hunne zon- 
derlinge trillende bewegingen , hebben in bory de 
ST. VINCENT eenen monographifchen bearbeider ge- 
vonden , wiens werk gevonden wordt in het twaalf- 
de Deel van de Dictionnaire clasfique d'histoire na- 
turelle^ en een uittrekfel daarvan in het aangehaalde 
Bulletin, Oct. 1827, p. 241 — 243. v. h, 

$5. In de Mém, de la Soc. de phys. et d'hist, 
nat. de Genève, III. parr. 2. en bij uittrekfel in het 
Bullletin, Oct. 1827 p. 243 — 245, wordt melding 
gemaakt van eene foort van Oscillatoria , door de- 
candolle O. rubens , door bory in zijne zoo even- 
genoemde monographie, O. pharaonis genoemd, en 
waardoor het water in het meer Mor at, in Zwitfer- 

E 3 land. 



ia^, van November 1824 tot Maart oiF At^ril 1825 
geheel roodgekleurd was; zoo zelfs, dat fommige 
visfcben, als de baars en de fnoek ook roode graten 
én róód vleesch verkregen. Iets diergelijks heeft ook 
in het öieer van Ge/ieve , bij Vevcy , in het voorjaar 
plaats. Reeds vroeger heb ik in deze Bijdragen 
oplettend gemaakt op de Verhandeling van nees von 
ESENBECK, in het eerfte Deel van brown's Verm. 
Boiati. Schrifte, p. 343—356 eil p. 571—672 over 
den rooden regen en roode fneeuw , door eene jilga , 
ProtvcocCus Kermefinus agardh, höogstwaarfchijnlijk 
veroorzaakt. Onlangs is dit op nieuw bevestigd door 
SOMMERFELT (zie het Butletin, Oct. 1827 p. 246 — 
247), die den rooden fneeuw op de Nordlandlthe ber- 
gen in Noorwegen , op 3000 voeten hoogte boven de 
oppervlakte der zee aantrof. Ook hij gelooft, dat dit 
verfchijnfel door Algae veroorzaakt is, waarvan hij 
een nieuw geflacht opftelt, met de volgende ken- 
merken : 

Sphaereï/a,veiiculae gélatinofae globofae minutisfimae. 
" Drie foorten zijn hem hiervan bekerid, naöielljk : 
ï. SpA. nivaUs, veficulis disperfis Oh nive) puncti- 
formibus, fanguineis. 

2. SpA. JP'rangelii , veficulis in crustam pulverulen- 
tain aggregatis (ad rupes inundatas calcareas), 
fanguineis. — Deze is de Lepraria kermefina 

van WR ANGEL. 

3. Sph. botryoides, veficulis aggregatis, tninutis. vi- 
ridibus. Deze laatfte is eene, ook bij onS, alge- 
meene foort, welke door linnaeus Mucor bo- 

' tryoides^ door agardh Nostoc botryoides ^ en 
door LYNGBYE Palmella botryoides genoemd wordt. 

Men 



C.7I •) 

Men vergelijke oók nog deze Bijdragen Deel II. , 
ft. 2. bl. 170. V. H. -i 

$6. In de LandivirthfchaftUche Zdting van o. lil 
SCHEE, 1826 bl. 70, wordt melding gemaakt van 
eenen wijnberg bij Petérw'ardih, die door hageï- 
flag verwoest !s , fii weerwil dat er hagel-dfleiders 
op denzelven geplaatst waren. Zie ook deze Bijdra^ 
gen II, ft, 2, bl. 109".' ' -•' '— --'-iJ -v;- H; " 

57. Voor de GeogrdpBa pldntd'fum \k de waar- 
neming van MARCEL DB SEPvRES (in het Bulletin 
Sept. 1827 p, 49) niet onbelangrijk vah eene UIva 
lumbricaUs in zoet water gevonden, te gelijk met 
Phyfd acuta, èene zoetwater fchelp. v. h. 

58. Op den 5^° November 11. is bij Ostendc een 
Walvisch geftrarid, welke eene lengte van meer dari 
tachtig voeten bezat , en tot het ondergeflacht Bdtenöp- 
tère h ventre plisfé behoorde. Eigenlijke oiitlédihg 
is van het dier niet gemaakt ; in weerwil van de 
moeite , welke de hoogleeraar breda zich hiertoe ge- 
geven heeft, is van hetzelve niets dan het geraamte 
en eéh ftuk huid overgebleven; het overige was dooi: 
rtiwè fpekfnijders weggeworpen. Eénige bijzonder- 
heden échtÈt over de uiterlijke gefteldheid van héi: 
dier worderi oris medegedeeld. Vooreerst: had het- 
zelve , aan dé punt van den mond eenên bos van ronde 
baleinen , of liever van dikke haren , die aan den wor- 
tel door eene gemeenfchappelijke membraan vereenigd, 
voor het overige over hunne geheele lengte van eeri 
gèfcheiden, en aan de pürit in zeer fijne haren ver- 
deeld waren. Deze baleinen , die eenen dikken bos 
moeten uitgemaakt hebben, waren volgens de ge- 

E ■ 4 tui- 



( 7a ) 

tuigenis van velen, van verfchillende lengte, fommi- 
ge wel drie voeten lang. Zij zijn waarfchijnlijk met 
de knevels van vele andere zoogdieren te vergelijken, 
en dienen derhalve tot organen van gevoel. Deze 
bijzonderheid is van veel waarde; daar zij, hoewel 
door CAMPER opgegeven , echter door cüvier tegen- 
gefproken werd. 

Aan het uiteinde der borstvin , als ook aan dat der 
beide zijden van de ftaartvin, was aan de binnenzij- 
de eene kleine infnijdiug; eene bijzonderheid, die als 
foortelijk kenmerk welligt niet zonder waarde is. 

Opmerkelijk waren ook de plooijen of ribben in de 
huid, die op de onderkaak onderling evenwijdig eenen 
aanvang nemen , en zich in groot aantal over den 
borst en buik tot aan den navel toe uitftrekken. 
Lacepede hield deze geplooide huid , voor de wan- 
den van eene foort van zwemblaas. De Heer breda 
is niet van dit gevoelen en laat de zaak nog onver- 
klaard. 

Breda vond eindelijk eenen bal, uit plantaardige 
ftof zamengefteld, in de ingewanden ; hij vergelijkt 
denzelven bij de haarballen, zich op dezelfde wijze 
in de herkaauwende dieren voordoende. Is deze ver- 
gelijking echter wel zeer juist? De oorfprong van 
beide is immers niet dezelfde. Bij de herkaauwende 
dieren worden deze ballen door het lekken; en daar- 
op volgend indikken der haren voortgebragt , welke 
zich met het maag- en darmflijm tot eenen bal za- 
menpakken , en eindelijk met eene harde korst omge- 
ven worden. In den Walvisch, daarentegen kan aan 
den plantaardigen bal geenen dergelijken oorfprong 
toegefchreven worden. Zoude de Walvisch zich niet 

fora- 



C 73 ) 

fomtijds met zeeplanten voeden , en zoude dan de vor- 
ming van dezen bal niet aan dewerl^ing der maag of der 
darmen op dit voedfel moeten toegefchreven worden. 

Welligt is dezelve ook een nieuw bewijs voor het 
herkaauwen dezer dieren; waartoe hunne zoo zaam- 
geftelde maag reeds meermalen deed befluiten. Dit 
zijn echter niet meer dan vooronderftellingen , waar- 
van de bevestiging aan den tijd moet overgelaten 
worden. 

Zie eenige bijzonderheden omtrent den Walvisch , 
die den 5^*" November 1827 bij Oftende geftrand 
is door den Hoogleeraar van breda. Algcm. Konst- 
en Letterbode voor het jaar 1827. N°. 48. Vrijdag 
30 November. w. v. 

59. De heeren say en ord hebben onder de 
knagende dieren, twee nieuwe gedachten, ontdekt en 
onder den naam van Neotoma en Sigmodon bekend 
gemaakt, welke zich aan het geflacht Mus aanflui- 
ten. De kenmerken en overige bijzonderheden der- 
zelve worden in de Ifis von oken. Band. XX , Heft XII , 
gevonden. w. v. 

60. Volgens RUPPELL zijn de hoorns van de 
GiraflFe , door naden , als afzonderlijke beenderen van 
de voorhoofds en fchedelbeenderen gefcheiden. Bij het 
wijfje zijn er twee, op deze wijze op Atnkroonnaad 
(Jutura coronalis') geplaatst, bij het mannetje voegt 
er zich hier een derde bij op het midden van den 
voorhoofdsnaad , waarvan bij het wijfje fl echts de. 
grondvorm onder de gedaante van een os wormianum 
beftaat. De vorming , gedaante en plaatfing van dezC; 
hoorns zijn derhalve geheel verfchillend van hetgeen 
men bij andere herkaauwende dieren aantreft, en de 

E 5 mo- 



' ( 74 ) 

niogcHjkKeid , dat er aldus ceh hoorn midden op 'eehen 
beennaad kan geplaatst zijn, brengt R. tot de over- 
tuiging , dat de Eenhoorn werkelijk kan beftaan. Ook 
werd hem door Arabieren verzekerd, dat zij dit dier 
gezien hadden. Op grond 'van deze eigenaardige ge- 
fteldheid der hoorns, draagt ruppell de volgende 
diagnofis voor: 

Gorhubus tribus conóidibus , pelle tectis , fascicüló 
nigro terminatis , quorum posteriora duo futurae coró- 
ndii ihfident, anterius frontali; femiha antetióri ca- 
reiis. Color fuperioris "corporis utriusqué ifabellinus , 
maculis varïae fortnaé Badiis. Jiibé cervicali ad mediüni 
dorfum descendens. 

Atlas zu der Reife im nordlichen Afrika vori 
EDuAfeö RUPPELL , I* Abthéil. Zoölogie 3" Heft. 
Frankf. a/m 1827; w v. 

61. Baird zegt bijdëiti trügen LoniStenops tardi- 
gradus") eene dubbelde tong waargenometi te hebben , 
welke uit twee boven elkander geplaatfte deelen be- 
ftaat. De eigenlijke tong is de bovenfte , de andere 
de onderde. Beide komen in werking, als hét dier 
eet of drinkt, eii het kwam Hém voor, dat zij dit 
altoos gelijktijdig doen. Daar hij het dier echtei: niét 
dan levend gezien heeft , zoude hier ligt gézigtsbëdrog 
kunnen heerfchen; ik herinner mij ten minftè niet, 
iti eetie aanvérwsinte foort, de Lemtir graciUs iets 
dergelijks waargenomeil te nebben. (Revue Èritan- 
nique n*». 26. Aout 1827). p. 366. w. v. 

62. DesmouLins had in zijne Anatomie des 
Systèmes Nerveux des Animaux è vertèbres \ Paris 
1825, gezégd, dat het ruggemerg van de Petromjzon 
Marinus , geene zenuwen afgeeft. De beroemde 

hoog- 



i 



t 75 ^ 

hoogleeraar carus , wieh dièrgelijke fijne ériatöniifche 
ndfporingen in den hoogden graad to'ébétrouwd 2ijn , 
heeft ons echter onlangs geleerd , dat die zenüwtakjes 
wel degelijk Aanwezig, maar zeer fijn zijn, en der- 
halve met veel èorg en onder water jgèpriépareerd bè- 
hooren te worden. In een Petromyzon fiuviatilis , 
heb ik dezelve ook z'eet duidelijk waargenomen èri 
geprepareerd. w. v. 

G. cArus geg'eh nfesivrouLiNS. Dass das Rücken- 
'marck der Lamprete allerdings Nerven habe, ïn 
oken's Ifis B.XX, H. XII S. ID05. 

63. In de ]>iotiz. van froriep XVI, bl. 159, 
wordt tóen opmerkzaam gemaakt op eene ziekte, 
welke de bloedzuigers in den gevailgenen ftaat on- 
derworpen zijn. Deze Egelpest ^ zoo als die daair 
genoemd wordt, is kennelijk aan knobbeltjes eh 
hardheid des ligchaams , eh is zöo befinéttelijk , dat 
Êén ziek dier deze kvvaal aan de ganfcbe verzameling 
bloedzuigers mededeelt , en zij zich zelfs dooi: dé 
houten vaten, waarin de bloedzuigers bewaard ge- 
weest zijil, voortplant. V. h. 

04. Bij vele befchoüwers vari de vèrfchijnfelen 
der Natuur zal dikwijls, evefa als bij mij, de lust 
zijn opgekomen , om iets naders te Wéten over dé 
zoogenaamde najaarsdraden; dat fijne fpirirdg, het- 
welk ibms onze velden geheel en al bedekt. Meér'- 
tóalen heb ik, op het land verkeerende, zoodanige 
weeffels met eenige kleine fpitinen daarop uit de lucht 
zien nederdalen , welke fpïnneri ik echter toert Ver- 
zuimd heb nader te onderzoeken, en in allen gevalle 
kött ik ttiij niet regt verklaren , op welke Wijze de- 
zélve in de lucht oprezen. Aarigenaain was het lïiij 

der- 



( 7Ö ) 

derhalve in de Notiz. van froriep (XVI, bl. 56) te 
vinden , da": john mürray (denkelijk in zijne Expe' 
rimental Refearches in Natural History , Glasgow 
1826) , deze foort van fpinnen houdt voor eene 
nieuwe van Aranea objlttrix verfchillende foort, 
welke hij Aranea aêronauta noemt, en welke hij 
gelooft, dat hare draden in de lucht doet oprijzen 
door middel van eenen electrieken toeftand, welke de 
deelen des dampskrings affloot en voor zich uirdrijft. 
De bewijzen , welke hij hiervoor aanvoert , verdienen 
in het genoemde werk verder nagelezen te worden. 
Men zie vooral ook froriep , XVIII , bl. 225—234. 

v. H, 

65. In de Beige Ami du Rot et de la patrie 
van Donderdag 22 Nov. 1827 (N». 326) wordt als iets 
zeer nieuws en eenig in zijne foort, het geval ver- 
haald eener vrouw , welke bij een voldragen kind , 
een ander van flechts vier maanden , ter wereld ge- 
bragt heeft, waarbij dan gevoegd wordt: „0« dit^ 
qu'il n^y a point d'exemple de ce phénomène'^. De 
heer jorritsma heeft in den Konst- en Letterbode 
van Vrijdag 14 Dec, met regt beweerd, dat dierge- 
lijk verfchijnfel niet zoo zeldzaam is , en zijn gezegde • 
getlaafd, door het voorbeeld eener overeenkomflige , 
door hem bewerkftelligde verlosfing; en door de 
voorbeelden, welke smellie en mauriceau hier- 
van opgeven. Hierbij hadden echter ten nadere be- 
wijze de gevallen kunnen gevoegd worden , welke 
Doctor luber in zijne Disfertatie (♦) vermeld heeft, 

en 

(*) M. w. LUBER, DIsf. de foetu mature cum altere 
immaturo, prioris placentae adhaerente, uno partu edito 
Araftelod. 181 1. 



( n ) 

en welke ook na dien tijd zich in de verzameling 
van mijnen vader nog vermeerderd hebben. Ook 
heeft G. M. RICHTER (*) te Moskou een geheel 
hiermede overeenftemmend geval bekend gemaakt. Het 
blijkt derhalve , dat het derven eener vrucht van vier 
i vijf maanden dragt , en het bijblijven van dezelve in 
de baarmoeder, tot dat het te gelijk met een voldra-' 
gen kind uitgedreven worde , in het geheel geene zoo 
zeldzame zaak is. Wil men ook het geval vergelij- 
ken met de tweelinggeboorten van een misvormd, 
onvolmaakt kind, tegelijk met een voldragen, regel- 
matig en volmaakt, dan kunnen er, behalve het door 
' JORRITSMA aangehaalde voorbeeld van bonn nog vele 
anderen opgegeven worden. Men zie flechts Mé- 
moiré fur un foetus monflrucux nó au bout du S»»» 
mois de la grosfesfe , en même temp qu'un enfant 
bien conforme par G. vrolik, Amfterdam 1822, 
Chez L. VAN ES. w. V.-.! -. 



66. Geometrie descriptive, avec des appUcations 
h da recherche des omhres^ par G. h. dufour, 80. 
84 p. Genève 1827. 

61. Theonis Smynaci Platonici expofitio eorum, 
quae in arithmeticis ad Platonis lectionem utilia 
funt. — BuLLiALDi interpretationem latinam , lectionis 
diverfitatem , fuamque annotationem addidit s. j. de 
GELDER. Lugduni Batavorum apud s. et j. lucht- 
MANs, 1827. . . 67. Mé' 

(*) Historia partus fingularis , fuperfoetationem veram 

inentientis , cum descriptione foetus pufilli , qui uno 

eodemque partu cum altero infante maturo vivo in lucera 

editus est, in o. m. richter , fynopfis praxeos raedico. obs- 

I letriciae, Mosquae 18 10. 



C 7» ) 

68. Mémoire sur rappUcation du calcul d§i resi-> 
diis (i la solution des problèmes de- physiqu^. mathé-> 
tfifltiquc y par cauchy, 40. 56 p. Paris 1S27. 

(Sp. Cours ds Physique , par cay-lusac, rccuelli 
cp. publid par gR-Osselin, Paris 1827. 

6.9. Traite de Physique appliquée au arts et métiers 
^t principqlement a la. constructiot}^ des. fourneaux ,, 
4^(?;, Qalorifères è air et vapeur , par gailloud. 
Paris 1^17. 

71. Exposé de quelques principes nouveaux sur 
Pacoustiqu» et^ la theorie des vibrationsy et leur 
applicapion et plusieurs phémmènes d& la, Physique, 
pcir BLEiR-a 40. 43pag. Paris 1827. 

7a. Traite élémentaire de, physique , par des- 
PR?T»,, 2%: È-dit» 80, 853 p. Paris i,&27,. 
i.;ZSr Jv J* ERMERiNS Specimen de lege repulfionis 
electricae, Zr«5<5?. Bat. ^pud hbrdinghi, 1827. iq4<'. 

51 pag'. 

74. Recherches sur la compressibilité des liquides 

et sur /<? 4;alorique qiiils ém&ttent sous des forces 
connues , par oaly-cazalat , 40. 38 p. et 1 pi. 
Paris 1827. 

75. Tables des carrés et des cubes , ainsi que de 
Icurs racines respectives pour tous les nombres, de- 
puis un jusqu'ci un billion , ou nouvelle methode pour 
obtenir tres facilement , è faide d'une division , 
toutes les racines carrées et cubiques jusqu^èi un 
million .... par j. b. beyens , Gand , chez j. n< 
HauDiN, 1&27 

76. Ovep de onmogelijkheid der kwadratuur des 
cirkels ., doch waarbij tevens eene nieuwe manier 01 
tot dezelve te naderen, gegeven wordt, door h. dé] 

har- 



C i^ >. 

HARTOG, openbaar Leeraar der Wis-, S|erre-. e^ 
Zeevaartkunde aan, het Athenaeum Illustre der (la^ 
Amfierdam^ bij Gebr. ijiederichs , 1827. 

77. E erft e gronden der Meetkunst^ ten gebruik e 
der Latijnfche Scholen en an4.ere CoUegiën, door 
JACOB D^ GELDER , Hooglceraar te Leyden •• V Gra^ 
venhage tx^Amfterdam^ bij. Gebr- van cleef, 1827. 

77*. Beknopte Befchrijving van Werktuigen ^ ter 
verificatie van inhoudsmaten voor drooge waren , ei}. 
Proefnemingen ter vinding van een gefchikt meng- 
fef vanTin voor vochtma.ten ^ dporM'. a.l« wichers 
en G. KUYPER , te Groningen, bij j. oomkens, 1827, 

78. Wis- en Krijgskundige Oefeningen , door l. t.' 
GEERLiNG, Kapitein- A,djudant bij^ den G.eneraal- 
Majppr REisTNO,, en Wis- en Krijgskundig Onderwij- 
zer te Arnhem , No. i , te Arnhem , tjü <?., a* 
THïEME , 1827. 

79. Natuurkundige Mengelingen voor jonge, lieden^ 
met platen, te Zalt-Boemel, bij j. noman , 1827. 

80. Essai de physique élémentaire, ou. Premières 
notions de physique , mis es a la, portee des ,élè,v.es de, 
la diyision supérieure dans les éeoles primair es, 
par FRED. RouvERoy. Liège chez j. a. latour, 1828. 

81. Katechismus der Natuur, door j. f, mai^- 
TiNET. Zesde aanmerkelijk vermeerderde en naar. den 
tegenwoprdigcn ftaat der Natuurkennis verbeterde 
druk. Eerfte Deel. Te Zalt • Boemel , bij j, no- 
man, 1827. 

82. Elements of Chimistry ^yED. turner, Edinb. 
1827. 723. 

83,. Populare Darftellung der neueren Chemie tnit 

Be- 



C 80 ) 
Bert'ichfichtigung ihrer technifchen An'wcndung von 

o. L. ERDMANN, Lcipzig 1828. 8°. I VOl. 586. 

84. Manucl de Pharmacie théoriquc et pratique^ 
par E. soNBElRAN , Paris i vol. in 8°. 

85. Code Pharmaceiitiquè ou Pharmacopée fran- 
gaise, traduction de a. j. l. jour dan , 2° édit. 
"'•^6. Handwörterbuch der practifchen Chemie^ an- 
gewendet auf die andern Zyveige der Naturkunde, 
wie auf Künfle und Gey/erbe von ure. Nach der 
neuesten Ausgabe des originah mit Berückfichtigung 
der franzofifchen Bearbeitung von riffoult, aus 
dem Engl. 18127. 

87. SAM. PARKES Chemifcher Katechismus , aus 
dem EngU von j. b. trommsdorff, Weimar 1826. 

88.' Manuel de Pharmacie théorique et pratique, 
par' F TROY. Paris et Montpellier, 1827. 

89. Pharmaceutifche Waarenkunde von D'. göbel. 
I. Bd. I St. Eifenach, 1827. 

^o.'Pharmacopée Raisonnée , au traite de Phar- 
macie théorique et pratique, par henry et GUi- 
BOURT. (Sous presfe). 

91. Das Bierbrauen in alle feinen Zweigen^ als 
Malzen , Gdhren , Schroten , Hopfen enz. von 
MUNTz. Neuftadt, 1827. 

92. Lexicon chemisch -pharmaceutifcher Nomen' 
claturen , nebst Vergleichungen der abweichenden 
Bereitungs-Vorfchriften nach den vorzüglichflen Phar- 
macopöen, von varnhagen. 2^ Ausg, Smalkal- 
den, 1827. 

93. John nicholson der Practifche Mechaniker 
und Manufacturist. Aus dem Engl. Weimar, 1827. 

94. Ma- 



( 8i ) 

94. Manuel du tourneur , ou traite f implifiê et 
complet de eet art , par dessables. 2 vol. in ia™°. 
Paris, 1827. 

^5. Guide-manuel de Pépicier - droguiste , par ysa- 
BEAU. I vol. in ia™°. Paris, 1827. 

9Ö. Moniteur Universel de Pindustrie Frangaise , 

Journal fpécial d'annonoes de tous les nouveaux pro- 

duits des Sciences ^ des Arts et du Commerce ; par 

une Société d* Amateurs de Technologie. Hiervan 

zijn reeds eenige No^ verfchenen. , 

97. Le petit prodiicteur Frangais , par Ie Baron 
CH. DUPiN, Tom. I". Petit tableau des forces 
productives de la France depuis 18 14. Tom. 2^ Le 
petit propriétaire Frangais. Tom. 3*. Le petit Fa- 
bricant : 3 voh petit in i8^°. prix de chaqueTome 
75 cents. Paris 1827. 

98. Traite de Véclairage^ /»«rM. e. péclet , wol. 
in 8w. Paris 1827. 

99. Volljldndige Feuerungs - Kunde ^ von j. ch. 
LEUCHS. I vol. 8°. Nurünberg 1827. 

loo.Garde-feu et chenets soufiansmémoire dans lequel 
se trouvent les principes généraux qui doivent servir 
è dispos er nos foyers domestiques , par de LATOURé 
Paris 1827. 

I o I. Manuel du fabricant et de Vépurateur d'hui- 
les , suivi dhm apergu sur Péclairage par le gaz , 
/»«r JULIA FONTENELLE, in i8™°. Paris 1827. 

10a. Archives des découvertes et des inventions nou- 
velles , fait es dans les sciences , les arts et les ma-^ 
nufactures ^ tant en France que dans les pays 
étrangers, pendant Pannée 1826. Svo. 590/». Paris 1827. 

BIJDRAGEN, D. III. ST. I. F 101. EU' 



( 8a ) 

103. Élëmem de viijiérohgie appliqués nux scien- 
ces chmiqiies; ouvrage basé sur la methode de 
Mr. BERZELius, suivi d'uTi précts élémentaire de 
géognosie , par girardin et lecoq. 

104. R. BRANDES tind Fit. KRÜGER , Neue Phyfi- 
calisch-Che)nifche Befchreibung der Mineralquellen 
ztt Pyrmont, nebst nattirgeschichtUche Darflellung 
ihrer Umgebung. Pyrmont xSaóv 8vo. Dit werk bevat 
behalve eene béfchrijvJng der beroemde minerale wate- 
ren te Pyrmont , ook eenige geologifche opmerkingen 
over die ftreken , eene fystematifche Naamlijst der 
Planten^ en een blik op de Fauna van den omtrek. 

105. E. iÈMMOUs , Manual of Mineralogy andGeo" 
logy etc» Albany, 182Ó. ia™". 

166. Verhandelingen over den Honigdauw , door 
HENDRIK PONSE , Lid der Commisfie van Landbouvvr 
ih Zuidholland enz., wonende te ten Bommel, op 
het eiland Flakkee; te Middelburg, bij s. van 

BENTHEMj 1827. 

107. Over Planten-Geographie van Duitschland ^ 
zie men een ftuk van den Heer miest te Tubingen, 
als Academifche Verhandeling, onder Prof. schub- 
Lfift. gefchreven en overgenomen in de Hertha\ 
Juli 1827. 

108. Sketches to'wards a Hortus botanicus Ameri- 
canus '•) or , coloured Platcs , mth a catalogue and 
concife and familiaf Descriptions of many species of 
nev and valuable plants of the West-Indies and of 
North- <?;7fi? South- Am erica, /z/jo of several other Na- || 
tives of Africa and the East Indies , arranged of the 
Lmnean systcm and accómpanied ivith Indice, Glos- 
sa- 



( 83 ) 

far'^ , Tabu of Habüats etc. bij vv. j. titford , 
M. D. London 1826, 4°. 

109. Concordances de persoon (Synopfis methodica 
Fungorum) avcc dec/\ndolle (^Fïore Franpaise?!! 
et IV volumes') et avec fries (Systema Mycologi- 
cum / et II vol.') et des Figures de Champignons de 
RüLLiARD avec la nomenclature de fries. Par M, 

LE TURQUIER DE LQNGCHAMPS, Paris 1826. 80. — 

Eene Synonymie derhalve van eenige voorname werken 
over de Fimgi. 

iio. Nouveau Manucl de Botanique ou Principes 
éUmentaires de physique végétale etc. , par MM. 
J. GiRARDiN et j. juiLLET. Paris 1827. 80. 

111. Bey trage zur vcrgleichendenCümatologievon 
Doctor und Profesfor j. c. schouw , Kopenhagen, 
1827, 8'. 

112. Flora Australasica. By rob. sweet. Lon- 
don 1827.: gr. 8°. 

113. Compendium of the Flora of the nor t hem 
and middle States: containing generic and fpecific 
descriptions of all the plants ,■ exclusive of the Cryp- 
togamia, hitherto found in the United States ^ north 
of the Potomac. By john torrey M, D. , Profes- 
for of Chemistry in the Westpoint Military Acade- 
my, New- York 182Ö. ia"?», 

114. Algues de la Normandie ^ recueillies et pu- 
bliés , la part ie des articulées par M, robe roe et 
la partie des inarticulées par M, chauvin etc. , 
Caên 1827. -T. Deze verzameling gedroogde Algen 
zal omtrent 300 foorten bevatten, verdeeld in twaalf 
afleveringen , waarvan elk voor den prijs van xo fran- 
ken verkrijgbaar is. 

F 2 112. An- 



C 84 ) 

Ï15. Antonii hertolony , prelectiones rei herba- 
riae et prolegomena ad Florani Italicam. Bononiae 
1827, 8". 

116. Stirpiura Dalmaticarum fpecimen , auctoreRo- 
berto dtVtfiard, Patavii 1826. 8°. 

117. Van den beroemden Kunstfchilder p. j. re- 
doute is wederom een nieuw prachtwerk uitgeko- 
men , onder den titel : Choix des plas belles fleurs 
prifes dans diférentes families dn regne végétal, de 
quelques branches des plus beaux f mits ; groiipées 
qtielqnefois et sotiveiit animées par des insectes et 
des papillons ; gravées et imprimóes en couleur et 
retouchées au pinceau avec un soin , qui doit rc' 
pondre de leur perfection. Van dit werk zijn reeds 
eenige afleveringen in 1827 te Parijs in het liciit 
gekomen. 

118. Des Champignons comestibles ^ suspects et vé- 
néneux avec Pindication des moyens è etnployer pour 
neutraliscr les effets des espèces nuisibles etc, , par 
M. E. DESCOURTILZ. V arts 1827. %'°, 

'119. Voyage autour du Monde ^ fait par ordre 
du Kot sus les corvettes l'Uranie et la Phyficienne , de 
18 17 — 1820 par Ie Cap. freycinet. Panie bota» 
nique par charl. gaudichaud , Paris 1827. Met 
de vierde aflevering van dit werk begint het befchrij- 
vend gedeelte , in hetwelk de Algae door agardh, 
de Fungi door persoon bewerkt zijn. 

120. Worterbuch der Naturgefchichte dem gegen- 
wartigenStande der Botanick , Mineralogie undZoo-- 
logie angemesfen. Weimar 1826. 

121. Histoire naturelle des poissons par M. Ie Ba- 
ron cuviER et M. VALENCiENNES. 15 è 20 volumes 

in 



C 85 ) 

in 8°. OU 8 ^ 10 vol. in 4o. Prospectus par M. Ie 
Baron cuvier. Onder den naam van Prospecttus 
heeft de beroemde en verre boven onzen lof verheven 
CUVIER, eene volkomene gefcbiedenis der ichthyolo- 
gie van de eerfte tijden tot op onze dagen toe, gege- 
.•vöb;.i Dezelve moet derhalve niet zoo zeer als eene 
boekverkoopers aankondiging, als wel, als eene in- 
leiding tot het werk zelve, en eene uitnoodiging 
aan alle natuurkundigen tot medewerking befchouwd 
worden. Zoo de arbeid van eenen cuvier eenige 
aanbeveling verdiende, dan ware voorzeker deze 
Prospectus de best mogelijke. Dezelve voor geen 
uittrekfel vatbaar zijnde, vergenoegen wij ons met 
de voorwaarden der inteekening hieronder te doen 
• volgen. 

La publication se f era par Uvraisons d''iin volume 
de texte, avec un cahier de 15 ^i 20 planches , ex- 
cepté la première livraison , qui sera de deux volu- 
mes ; elle paroitra au commencement de i8a8 CJt les 
suivantes de trots mois en trois mois. 

Le prix de chaque livraison dhin volume avec un 
cahier de 15 a 20 planches , sur papier carré super- 
fin satiné sera de 12 fr. ^ocent., sur papier cava- 
lier velin, de 18 fr. (// nc sera tiré sur ce papier 
qu''un petit notnbre d''cx6inplaires , texte et planches 
destinés a accompagner Védition des oeuvres de 
BufFon , imprimée sur ce format'). 

La livraison in 40. d''un demi volume représen- 
tant le volume in 8°. avec le même nomhre de plan- 
ches , tirés in 4°. sur carré super fin satiné iS fr. 
(Ce format , tiré a petit nombre , est destiné a ac- 
compagner le Buffon , édition de Vimprimerie royale'). 

F 3 Ton- 



( 86 } 

m' Toutes les planches seront imprimées s'Ur papier 
velin ; il en sera fait des exemplaires coloriés , pour 
'lesquels Ie prix sera de lo francs de plus par 
livraisoft' w. v. 

laa. yiilas zu der Keife im Nordlichen Africa^ 
von EDUARD RUPPELL , I* Abtheil, , Zoölogie' 
Frankf. am Main, 1826 tmd 1827. -' — S"^ Heft. 

Daar wij reeds in ons tweede Deel, bl. 100 — 102 
een verflag van de eerfte aflevering van dit belangrijlc 
werk gegeven hebben, bepalen wij ons hier hechts 
aan de uitvoering der platen al dien lof toe te wij- 
den, welke dezelve in volle mate verdienen. Eene 
opgave van de in de vier laatfte Uvraisons afgebeelde 
en befchreven dieren , komt ons weinig doelmatig 
voor; te meer daar wij, van hetgeen ons het meest 
belangrijk voorkwam , reeds in een wetenfchappelijk 

berigt, N". 60 melding gemaakt hebben. 

w. V. 

Ï23. ZeitfchHft fürdieOrganifchePhyfik^ heraus- 
gegeben von Dr. carl friedrich heusinger. 
Heft I und II. Eifenaeh 1827. 

Onder dezen tite! is federt het voorleden jaar een 
Tijdfchrift in Duitschland in het licht verfchenen, , 

•waarvan de bedoeling genoegzaam iiit den titel blijkt. 
Het bevat zoo wel oorfpronkelijke ftukken , als over- 

: genomen bijdragen uit andere, vooral buitenlandfche 
Journalen. Wij zullen in de gelegenheid zijn de be- 
langrijke betoogen uit hetzelve, onze lezers mede te 
deelen. w. v. 

124. Monographie der Spinnen^ von Dr. carl 
-WILHELM HAHN. Numberg , t^ — 4« Heft. — v -^> 

125. Petrificata Suecana formationis cretaceae dêstJi^a 

an- 



C ^7 ) 

annotatiobus illustrata a s. nilsson. Pars I. Londini 

Gothorum^ 1827. 

226. Testacea fluviatilia , quae, in itinereper Brafiliam 
annis 1817— 1820 jusfu et auspiciis Maximiliaiii Jo- 
fephi I. Bavariae regis augustisfimi fuscepto , colleglt 

et pingenda curavit D'. j. b. de spix; digesfit, de- 
fcripfit et obfervationibus illustravit D'. j. a.wagner. 
Ediderunt D'". t. a. paula de schrank et D^ c. t. 
P. DE martius. Monachii typis wolf 1827. — Een 
'prachtwerk met negen en twintig fraaijelithographifche 
platen 

127. Mufeum anatomicum academiae Lugduno- 
Batavae. Vol. III. Defcriptum a gerardo sandi- 
FORT. Lugduni Batavorutn apud s. et j. lucht- 
MANS, 1827. 

128. Staat van den Landbouw in het Koningrijk der 
Nederlanden^ gedurende het jaar 1826, opgemaakt 

.door den Hoogleeraar j. kops te Utrecht. ''sGra- 
venhage ter Algemeene Lands-Drukkerij, 1827, en 
aldaar verkrijgbaar bij den Boekhandelaar van weelden. 

129. Jaarboekje over 1828, uitgegeven op last van 
;Z. M. den Koning. Amfterdam bij j. staats boo- 
nen en 'j Gravenhage bij a. j. van weelden , 1828. 

130. Handleiding tot het teekenen yan Land-, 
Zee- en Hemelkaarten enz., naar het Hoogduitsch van 
T. j. MAYER , door M. LEMANS. Twcede en laatfte 
Ibk. Amfterdam bij g. portielje, 1827. 

131. Verhandeling, inhoudende eene Befchrijving 
van de Hennepteelt in Nederland en eene aanw^- 
zing van haar nut in den Landbouw en andere be- 
drijven ; door H. c. VAN hall, Med. Doet. en 

F 4 Hoog- 



( 88 ) 

Hoogleeraar te ; Groningen. Te Groningen bij j. oom- 
KENS, 1828. ,V„.) 

•13a. De Heer quetelet is door Z. M. den Ko- 
ning aangefteld geworden tot Directeur van het Ob- 
fervatorium , hetwelk te Brusfel wordt opgerigt. 

W. 'Vf. 

133* D'. BREM3ER , ZOO bekend door zijne Helmin- 
thologifche werken, is in den ouderdom van 60 jaren 
te Weenen overleden. 

134. Terwijl wij ons verheugden door de ijverige 
pogingen van de door ons Gouvernement naar Indiè 
gezonden' Natuurkundigen, meer en meer in ftaat 
gefteld te worden, de dierlijke voortbrengfelen dier 
ftreken te leeren kennen, verwachtten wij weinig, dat 
onze vreugde zoo ras in rouw zoude verkeeren. Het 
hoofd der zending, D'. heinrich boie , aan wien 
ons Tijdfchrift zoo vele belangrijke Bijdragen ver- 
fchuldigd is , overleed na eene korte ziekte van 10 
dagen, in het begin van September, op Buitenzorg 
bij Batavia- Wij vermelden hier flechts voorloopig 
dit droevig affterven, in de hoop van fpoedig op 
's mans deugden en verdiensten te zullen terugkomen. 

w. V. 

PROSPECTUS. 

1 35* Genera et fpecles Orchidearum , et Asclepi- 
dearum , quas in itinere per infulam Java jusfu et 
auspiciis Guilelmi I Belgarum regis augustisfimi col- 
legerunt D^ h. kuhl tt D''. j. c van hasselt 
editionem et defcriptiones curavit j. g. s. van breda» 

in 



( 89 ) 

n univerfitate Gandavenfi profesfor ordinarius, horti 
Gandavenfis praefectus. Prospectus. 

Met genoegen vernemen wij uit deze prospectus , 
dat de Orchideae en Asclepideae , welke onze onge- 
lukkige Natuuronderzoekers kühl en van hasselt 
óp Java verzameld hadden , zullen uitgegeven wor- 
den. Te meer , daar deze arbeid gefchiedt door den 
Hoogleeraar van breda , die zich tot denzelven , in 
de gelukkigst mogelijke gelegenheid bevindt. Het 
werk zal in x^Uvraisons , elk van vijf platen en even 
zoo vele pagina's druk verfchijnen. De prijs van elke 
livraison is ƒ 6 : 36: — voor de inteekenaars,! eiï 
f7'.—:— na de inteekening. De laatfte termijn 
was op den eer/ien Januarii 1828 bepaald. A-i 

PROSPECTUS. 

136. P. LYONET Recherches sur V anatomie et les 
métamorphoses de diférentes espèces dUnsectes. Oeuvre 
posthume publié par w. de haan , D'. en Philoso- 
phie, Conservat. au Mus. royal d'Hist. Nat. è 
Lei de. 

Het kan aan de landgenooten van den grooten 
LYONET niet dan aangenaam zijn, dat het vervolg 
van zijn onlchatbaar werk : Traite Anatomique de la 
Chenille , qui ronge Ie bois de saule , hetwelk men 
meende verloren te zijn, eerlang door D'. de haan 
zal uitgegeven worden. Het manufcript bevindt zich 
benevens de koperen platen, grootendeels door lyo- 
NET gegraveerd, in het bezit van dien Natuuronder- 
zoeker. Het bevat de ontleding van de Pop en de 
Vlinder der Wilgenrups, welke er het tweede ge- 
deelte van uitmaakt, benevens de gedaanteverwisfe- 

lin- 



( 90 ) 

lingen van onderfcheiJenc Coleoptera, Neuroptera ^ 
Ilymenoptera , Lepidoptera , Diptera en waarneiuiii- 
gen over Spinnen enz. Het werk zal ongeveer uit 
24 vellen in quarto beftaan , verfierd door 54 pla- 
ten. Deze platen zijn op dezelfde wijze, als die van 
het bovengemelde werk , met de uiterste zorg be- 
werkt, waarvan wij ons door de bezigtiging over- 
tuigd hebben. De prijs der inteekening is ƒ25 : — : 
en kan gefchieden te Amjierdam bij de Heeren mul- 
ler en Comp. , dufour en d'ocagne , sepp eN 
ZOON ; te Brusfel bij de mat , wahlen en brest van 
kempen; te Gent bij mahne; te Groningen bij 
VAN B0EKEREN ; te 'j Hagc bij VAN CLEEF ; te Ley- 
den bij luchtmans en van den hoek; te Leuven 
bij DE MAT ; te Luik bij collardin ; te Rotterdam 
bij VAN BAALEN, CH te Utrccht bij alt heer. 

w. y. 



Drukfouteu in Deel II , N" IV. 

bl. 547» reg. 12 vanboven, staat onderhaaht lees bovenkaak, 
» 553, » 2, Alegonien lees Alcyonien 
a 554 , » a ; V. ond. t. a. p. lees Natuurl. Hist. der Insecten 

III" Deel. 
» 555 , » 5 , oligaetis lees oligactis 
Boekbeschouwing bl. 242, reg. 11 , Lumbicus lees Zumbricus, 



BOEKBESCHOUWÏNG. 



1°. Handleiding , om op verfchilhnde wi/zen de 
breedte buiten den middag of meridiaan te 
vinden , door 'iv aarnemingen aan de zon of 
fiarren , ^oor a. c. hazewinkel. Groningen, 
b^' R. j. scHiERBEEK, 1827 , tn %vo, Prij's 
fi, 50. 66 hladz. en 6 tafels, 

fi». Nouvelle methode pour calculer la latitude 
par deux hauteurs du soldij prises hors du 
méridien^ par r. lobatto ; Bruxelles, chez 
H. TARLiER , 1828. 24 bladz, in 8vo. met 



D. 



ééne tafel. 



'e manier ter bepaling der geographifche breedte, 
welke tegenwoordig het meest bij de zeelieden in 
gebruik is, voor het geval, dat zij dezelve niet 
door hoogtemeting van een hemelligchaam in den me- 
ridiaan kunnen bepalen, beftaat in het waarnemen 
van twee hoogten buiten den meridiaan, en het 
uit deze beide hoogten en den tusfchen beiden ver- 
loopenen tijd berekenen der breedte. Om deze be- 
rekening zoo kort mogelijk te maken, gebruikt men 
als gegeven eene gegiste breedte, met "behulp van 
welk onnaauwkeurig gegeven men gebragt wordt tot 
eene berekende of zoogenaamde bevondene breedte , 
die in vele gevallen nader aan de waarheid is , dan de 
gegiste. Zeer dikwijls is echter de gevondene breedte 
niet naauwkeurig genoeg; men herhaalt dan de bere- 

BXJDUAGEN, D. III. ST. 2. G kc- 



C 94 ) 

kcniriff, de bevondcne in plaars der gegiste breedte 
als gegeven gebruikende; of liever, nicn bercl<ent 
door andere middelen de verbetering, v/elke aan de 
bevondenc breedte aangebragt moet worden , door de 
zoogenaamde Brinkkyfche correctie. Deze herhaling 
echter, of deze re berekene verbetering maakt de 
indirecte methode van berekening altijd langer dan de 
regtftreekfche, Jn welke men , geene gegiste breedte 
bezigende, uit naauvvkeurige gegevens ook dadelijk 
eene naauwkeurige uitkomst verkrijgt. De indirecte 
methode immers, of die van douvves gebruikt ii lo- 
garirhmen of getallen, in de tafels op te zoeken; de 
regtftreekfche 15; het verfchil is dus 4; elke herha- 
ling daarentegen vereischt 5 logarithmen. Het zoude 
dus wenfchelijk zijn , dat die regtftreekfche manier 
onder de zeelieden meer algemeen in gebruik kwam. 
De Verhandelingen ondertusfchen van delambre en 
anderen, in welke het nut derzelve boven die van 
DOuwES en alle andere niet regtftreekfche methoden 
opzettelijk bewezen wordt , komen vele zeelieden 
nooit in handen , en zijn bovendien zoodanig gefchre- 
ven , dat vele van hen dezelve niet of moeijelijk zou- 
den kunnen verflaan. Wilde men dus inderdaad hen 
tot de overtuiging van het meerdere nut der regt- 
ftreekfche manier brengen , en deze ingevoerd zien , 
dan was het een noodzakelijk vereischte, dat dezelve 
opzettelijk verklaard werd in een werkje, hetgeen 
„eenvoudig en voor den zeeman algemeen bevatte* 
,jjjk" gefchreven, dezen tot handleiding bij het ge- 
bruik konde dienen. 

Zoodanig eene Handleiding beftond er in de Ne- 
derduitfche taal nog niet. De vervulling dezer be- 
hoef- 



C 95 ) 

Iioefte is het hoorddoel geweest van den Heer haze- 
vviNKEL bij de uitgave van het onder N». i opgege- 
vene werkje, hetwelk ons voorkomt, in weinige blad- 
zijden, vele voor den zeevarende nuttige zaken te 
behelzen. 

De fchrijver geeft te dien einde eenen regel , om de 
breedte buiten den middag uit twee hoogten, 
eenigen tijd na elkander gemeten , te berekenen ; bij 
bepaalt de uren van den dag, op welke de dikwijls 
onvermijdelijke fouten der hoogtemeting den minst 
nadeeligen invloed op de berekende breedte moeten 
hebben; hij behandelt den invloed, welke de plaats- 
verandering van het fchip tusfchen de twee waarne- 
mingen op de berekening hebben moet ; h{j geeft 
buitendien eenige tafeltjes, welker gebruik het opzoe- 
ken van eenige logarithmen uitwint, en brengt dus de 
manier tot de meest mogelijke kortheid in het gebruik. 
Wij moeten eerst over de manier fpreken, op 

welke H. het voorname vraagftuk heeft opgelost. Zij 

in de nevensgaande figuur: 
Z het zenith; 
P de pool; 
S en S' de beide 

plaatfen van de ©, 

welke onderfleld wordt 

niet in declinatie te 

veranderen ; dan begint 

HAZ. de loodlijnPM 

neder te laten, en in 

den regthoekigen A 

MSP, uit Z; M P S 

en PS, de baüs MS 




G 2 



en 



C 9^ ) 

■ f n de loodlijn M P te berekenen ; vervolgens eenen 
boog trekkende door het punt M en liet zenith , 
berekent hij uit de gegevens in de beide AA S'S Z 
en MSZ, dezen boog Z M en den L S'MZ of 
deszelfs complement Z M P ; daarna in den A Z M P 
de loodlijn ZL nederlatende , berekent hij ZL en 
ML, en eindelijk uit LP = MP — ML en ZL 
wordt gevonden ZP = complement breedte. 

Deze manier van oplosfen van H. is niet geheel 
nieuw. In de Connoisfancc des Tems voor 1822, 
pag« 335' — 339 vindt men eene gelijkfoortige oplos- 
fing van den heer querret te St. Malo , alleen 
met dit onderfcheid , dat de beide declinatiën niet 
onderfteld worden gelijk aan elkander te zijn. Beiden 
namelijk hebben gevonden, dat, wanneer men uit 
eenen hoek van eenen driehoek eenen boog trekt , 
die de tegenoverftaande zijde in twee gelijke deelen 
deelt , zoo als in onze fig. PM en Z M , deze boog 
zoo wel als de hoek, dien dezelve met de zijde maakt , 
door zeer eenvoudige formules in de drie zijden kon- 
de uitgedrukt worden ; daar nu in ons problema in 
de beide AA Z S S' en P S S' de drie zijden bekend 
zijn , zijn zij op het denkbeeld gekomen , de comp. 
br. ZP niet uit A ZSP of A ZS'P, maar door 
middel van die bogen PM en ZM, en den hoek 
ZMP uit A ZMP te berekenen, hetgeen het voor- 
deel had van dadelijk verfcheidene tot logarithmifche 
berekening zeer. gefchikte formules te geven. 

Maar zoo wel querret zelf, als del/vmbre en 
TUYLL (*) , die zijne methode opgegeven hebben , 

heb- 

(*) Dissertatio de latit. ex observ. duabus astrorum aliit. 
determ.y pag. 30 ec pag. 41. 



C 97 ) 

hebben dezelve niet toegepast op het geval , dat 'de 
beide dechnatiën gelijk waren, of zonder merkelijke 
fout als gelijk konden genomen worden; zij hebben 
dus niet opgemerkt, hetgeen de heer H. gevonden 
heeft, dat, wanneer men in den A ZMP de lood- 
lijn ZL nederlaat, deze onmiddellijk in de zijden 
ZS, ZS' en SS' konde uitgedrukt worden, zonder 
dat het noodig was , eerst Z M en Z, Z M P te bc 
reken. Hierdoor wordt het problema zoo zeer be- 
kort, dat in de oplosfing van H. flechts 15 verfchil- 
lende logg. voorkomen, en dus evenveel als in de 
wone oplosfing door de A PSS', ZSS' en ZSP. 
Zie hier de formules van H A Z. 

Sin. M S = Sin. t. Cos. D. 
Sin D. 

Cos. MP = 

Cos. MS. 
Sin. ^, _ Si°-KH'-H)Cos.|CH-+rn. 

Sin. MS 
Cos. M L = ^^"•iCH^+H)Cos.|CH/~H ). 

Cos. MS Cos. ZL 
Sin. Br. = Cos. ZL Cos. (MP^ZML) 
alwaar t den halven verloopen tijd, 
D de zonsdeclinatie , 

kenen. " '" ^^' '^^ ^''^' ^''""^'"^ ^°ogt^n b«ee- 

Deze formules hebben bovendien de voordeelen 
dat er niet dan finusfen en cofinusfen in voorko! 
men, dat onder de 15 logarithmen 4 maal, a naast 
elkander op dezelfde bladzijde gevonden worden, en 
dat men geene tafel van natuurlijke finusfen of van 
ogarubmen der natuurlijke getallen noodig heeft 
Wjjzyn dus van gevoelen, dat de oplosfiing van H.' 

^ 3 voor 



Vf^or gecrie andere regiltreeklche in cenvoudiglicid 
onderdoet ; misfchien zelfs kan men dezelve voor 
gemakkelijker houden. 

Kort naJar H. deze manier heeft bekend gemaakt, 
is in het licht gekomen het 6de nminner van het 
IIK deel der Corrcsp, Math. et Phys. , in welke 
wij op bl. 286—308 de oplosfing van hetzelfde pro- 
blema door den heer lobaïto vinden, welke wij 
onder n°. a aan het hoofd dezes aankondigen ; het 
is merkwaardig, dat deze laatfte langs eenen geheel 
analytifchen weg tot dezelfde formules is gekomen, 
als H. door middel der trigonometrie. Beide heb- 
ben echter niets van elkander geweten. De oplos- 
fing van den heer lobatto is reeds in 1824 gedrukt 
geworden in de werken van het Amfterdamsch Ge- 
nootfchap : „ een otivermoeide arbeid komt alles te 
^^boven,'''' Aan beiden komt dus- gelijkelijk de eer 
der uitvinding toe. Wanneer wij beider behandeling 
van het problema vergelijken, komt het mij voor, 
dat de trigonometrifche manier van hazewinkel verre 
weg gemakkelijker is om te onthouden , en dus bij 
voorkeur aan onze zeelieden moet medegedeeld wor- 
den ; waarbij echter de orde van bewijs , zoo als 
die op bl. 62—63 voorkomt, verbeterd en het be- 
wijs duidelijker voorgedragen worden moet. 

De heer hazewinkel heeft getracht zijne methode 
rog korter te maken door het berekenen van afzon- 
derlijke hulptafels, welke, als Tafel I. en IL, voor- 
aan in zijne bandleiding gevonden worden, en de 
waardijen bevatten van de beide regthoekszijden MS 
en M P voor de meest van pas komende waardijen 
van t en D. Hierdoor wordt het opzoeken van 

twee 



C 99 ) 

twee getallen in de tafels uitgewonnen, zoodat ten 
(lotte zijn regel flechts twee logarithmen meer ver» 
eischt dan die van doüwes. — Het is mij niet on- 
bekend, dat velen voor het gebruik van zoodanige 
hulptafels zijn. Ik voor mij , intusfchen , zoude er 
aan twijfelen , of er wezenlijk moeite befpaard wordt , 
wanneer men om twee logg. uit te winnen, eene 
nieuwe tafel van ten minfte 30 k 40 bladzijden in- 
voert, waaruit men de getallen nog eerst aanvullen 
moet door evenredige deelen van verfchillcn, zoo 
wel vcor de minuten der declinatie, als voor de fe- 
conden van den verloopenen tijd ; daarbij is het mo- 
gelijk, dat de uit dezelve genomene bogen bijna iJ' 
fout zijn, terwijl men dezelve in eene goed inge-» 
rigte gewone logarithmus- tafel zonder berekening 
van evenredige deelen , dadelijk naauwkeurig tot in 
tientallen van feconden kan vinden. Deze tafels I. 
en II. zijn overigens geen bijzonder voordeel van 
H's manier, daar men bij de gewone trigonometri- 
fche oplosling insgelijks eene tafel gebruiken kan, 
welke dadelijk den boog SS' en den hoek S'SP of 
SS'P geeft; hoedanig eene mendoza reeds gegeven 
heeft. Maar mendoza zelf heeft deze tafel weder 
weggelaten in de tweede uitgave zijner Zeevaart- 
kumiige tafels, omdat hij derzelver gebruik voor te 
wfcinig nuttig hield. Wil men die van H. toch be- 
houden , dan moet dezelve in allen gevalle beknop- 
ter ingerigt worden dan thans, en in plaats van den 
boog M S , moeten daarin log. cofec. en log. fee. 
van dien boog voorkomen , daar deze alleen in de 
volgende bewerking noodig zijn. 
Om daarentegen de formules van hazewinkel en 
'G 4 LO- 



C loo ) 

I 

LOBATTO ook te kunnen gebruiken , wanneer de 
declinatie in den tusfchen de waarnemingen verloo- 
penen tijd werkelijk verandert , is een tafeltje on- 
misbaar, hetgeen de daarvoor bcnoodigde verbete- 
ring der breedte geeft- Het is immers door delam- 
BUE bewezen, dat de fout in de breedte , welke uit 
het gebruik eener gemiddelde declinatie ontftaat, 
meer dan 3' kan bedragen. Hazewinkel zegt dus 
ten onregte op bl. 5 : „ dat dezelve flechts van eenen 
„ onbeduidenden nadeeligen invloed op de bercke- 
„ning kan zijn." Zulk een tafeltje nu vinden \xi} 
geheel berekend in de Verhandeling van den heer 
LOBATTO ; hetzelve bedaat in eene octavo verzame- 
ling, flechts 4 bladzijden. Met het berekenen van 
hetzelve heeft L. zich wezenlijk om de buitenmid- 
dagsbreedte verdienftelijk gemaakt. 

L. geeft in § VIL nog eene kleine vereenvoudi- 
ging , als op zee bijna altijd geoorloofd zijnde , te 
weten : men heeft niet noodig elk der gemetene 
hoogten afzonderlijk tot ware hoogte te herleiden, 
maar kan het halve verfchil derzelve voor het ware 
halve verfchil gebruiken, en alleen de halve fom 
met het gemiddelde fl:raalbreking - verfchilzigt ver- 
beteren. Men verzuimt dan bij het halve verfchil 
eene grootheid, gelijk aan het halve verfchil der 
ftraalbrekingen , tot de beide fchijnbare hoogten be- 
hoorende: dit verzuim zal ondertusfchen ongeoor- 
loofd zijn , zoo dikwijls de laagfte hoogte minder 
dan 25° boven den horizon bedraagt, en de hoogfte 
meer dan 15° met dezelve verfchilt. 



Cijv. 



C ïoi ) 

• Bijv. voor ' 

H = 24' is de ftraalbreking . . . . . = 2' 10" 
1-1' = 40° = i'io" 

verfcbil =1^°^ 
I verfcbil = 30" 
en hetzelve wordt nog veel grooter, wanneer de 
laagfte hoogte nog eenige graden minder is. Voor 
H =14° en H' = 32° vindt men dit halve ver- 
fcbil rz: i'8". Ondertusfchen is het een regel bij 
het waarnemen der hoogten , dat de laagde waarne- 
ming zoo na mogelijk aan den eerften verticaal , en 
dus in vele gevallen flechts weinige graden boven 
den horizon, moet gedaan worden. Men diende 
derhalve in elk geval eerst te onderzoeken , of men 
van de opgegevene vereenvoudiging gebruik mogt 
maken , en zoude hierdoor reeds meer tijd verliezen 
dan men door dezelve won. Als vereenvoudiging is 
dit dus niet aan te prijzen. 

Voor het opgeven van den algemeenen regel fpreekt 
HAZEw. in § 3 over de keus der tijden , tot de 
waarneming gefcbikt. Deze verklaring is met veel 
duidelijkheid gefield , en ik ftem met hem volmondig 
in ten opzigte van den rnad , dien hij op bl. 7 en 
elders aan zijne mede -zeelieden geeft, om zich meer 
dan tot nu toe gefcbied is aan naauwkeurigheid in 
het waarnemen te gewennen. Zoo wel hier als op 
andere plaatfen herkent men in H. den ervarenen 
zeeman , die de verfchillende manieren met oordeel 
onderzocht heeft. Men zie bijv. bl. 19 de aanmer- 
kingen over de breedtebepaling door twee gelijke 
(5 hoogten, bl. 35 over de tiitzonderingen op den 
regel, bl. 43 over de bruikbaarheid der manieren om 

Os ~ de 



C 102 ) 

de breedte door nershoogten te bepalen, enz. 

Minder duidelijk en ook minder juist is hetgeen bij 
bl. 24 en a8, omtrent de plaatsverandering van het 
fchip, tusfclien de beide waarnemingen zegt. Dit 
zoude korter en beter met behulp eener klootfche figuur 
kunnen verklaard worden. 

Behalve hetgeen tot het voorname prnbl erna betrek- 
king heeft, vindt men nog in het boekje van haze- 
winkel: a3.> - 

1°. De manier om de breedte en tijd te vinden 
door twee hoogten, die gelijk zijn , of weinig 
verfchillen : § 6—8, 

a". De manier om de breedte door déne hoogte 
te vinden, wanneer de tijd aan boord bekend is : §9. 
Dit voordel behoort tegenwoordig, federt de invoe- 
ring der Tijdmeters, in de zeevaartkundige werken 
meer opzettelijk dan te voren behandeld worden. 

3°. De manier om den tijd uit tvi'ee © hoogten te 
bepalen : § 16 (*) 

4". De manier om de breedte uit hoogtemetingen van 
twee verfchillende hemelligchamen , het zij te gel ijker 
tijd, het zij eenigen tijd na elkander gedaan , tebepalen: 
gi/envolgg. Hier gebruikt H. eene indirecte manier. 
Hij berekent eerst door de gegiste breedte den uurhoek 
van het eene hemelligchaam ; voegt daarbij of trekt 
er af den verloopenen tijd en het verfchil in Regte 
Opklimming; en vindt door dezen tweeden uurhoek 
en de tweede gemetene hoogte, de breedte der plaats. 

Daar 

(*) In de opgave van het bewijs, bl. 65, moet de laat- 
ste regel aldus verbeterd worden : 
Tang. L TPM =! Tang, T r Gosec Pr =: Tang. T r Sec. A. 



( 103 ) 

Daar tegen deze indirecte manier dezelfde aanmerkin- 
gen gelden als tegen die van douvves, zoude ik ook 
hier aan de regtftreekfche de voorkeur geven , al mist 
men hier het voordeel , dat de beide declinatiën zeer 
weinig verfchillen. — De tot deze manier behoorende 
tafeltjes III tot VI konden weggelaten worden, daar 
elk zeeman in den almanak of in de verzameling van 
tafels het noodige vindt. ■ 

Tot zoo verre over den inhoud van het werkje. 
Omtrent den vorm moet ik minder gunstig fpreken. 
Het is jammer, dat er zoo veel wanorde in het 
werkje heerscht. Waarom toch de bewijzen achter- 
aan geplaatst , daar dezelve vóóraf behoorden te gaan , 
en zonder dezelve elke regel een moeijelijk geheugen- 
werk, elk bijzonder geval een nieuwe regel, elke 
verandering • van + in — een fteen des aanftoots 
wordt? En waarom van de eene manier op de an- 
dere gefprongen , om daarna weder op de eerfte terug 
te komen. Op de volgende of eene dergelijke manier 
zoude H. veel kunnen verbeteren : § 20 moest voor- 
aan ftaan; daarna § 5, 3, 4, 10, 11, ii2, 15, i, 
2, 13 en 14, welke allen tot het voornaamfte vraag- 
üvk behooren ; vervolgens de 'overige manieren, 
§ 21 met § 6 tot 8 , § 9, 5 ^^ en i(5, ten floite 
§ IJ — 19, met bijvoeging van het bewijs der for- 
mule, uit welke deze regel afgeleid is. Wij ver- 
wachten, dat de heer H. hierop vooral letten zal 
bij eene 2.^" uitgave, welke na het gunstige beOuit 
van Z. M. omtrent het gebruik dezer Handleiding op 
de Landsfchepen , fpoedig noodig zal worden, en 
welke dezelve wegons de belangrijkheid van den in* 
hüud , allezins verdient. 

Ten 



( lo.! ) 

Ten flotte moet ik nog aanmerken, dat de vvan- 
fmaak, die in den druk van liet wcrivje aan den dag 
gelegd is, den uitgever schierbeek de grootüe 
fchande aandoet : vooral zijn de titels voor het boekje 
zelf en voor de verfchillende tafels ten hoogfte fma- 
keloos , en de figuren der plaat zoo lomp , dat 
de vervaardiger er wel vaorbedacbtelijk zijn' naam 
niet onder gezet zal hebben. 

I Fcbr. 1828. W. WENCKEBACH. 



i»— x« 



Verniewwde uitgave van douwes Zeemanstafelen ^ 
ofGi'OJidbeginfekn der dadelijke Zeevaartkimde, 
door JACOB swART. Te Amfterdam , bif de IFef. 

GERARD HULST VAN KEULEN. 



De 



'e heer jacob swart zegt op pag. 12 van zijne 
verzameling van wis- en zeevaartkundige tafelen : 
„Het past de nakomelingfchap , gedenkteekenen van 
„vroegeren tijd, indien er geene voorname redenen 
„ daartegen beftaan , onveranderd te bewaren." Voor- 
name redenen moeten hem dan ook hebben genoopt, 
om van de zeemanstafelen van cornelis douwes , 
laatftelijk uitgegeven door floryn, eene vernieuwde 
uitgave in het licht te geven, welke uitgave, vol- 
gens het voorberigt geenszins moet aangemerkt wor- 
den als een eenvoudige herdruk van dit gedenktee- 
ken van vroegeren tijd. 

Deze voorname redenen worden in het voorberigt 
niet ontwikkeld , doch men leest aldaar : „ Is er ooit 

„ een 



C 105 ) 

„een tijd geweest, dat ware kennis eene wezenlijke 
„behoefte voor vordering in de maatfchappij was, 
„dan voorzeker is liet deze tijd; is er ooit eene 
„wetenlchap geweest, waarin men dagelijks vordering 
„maakte, dan zeker is het in de kunst van zee te 
„bouwen." Deze wenk is genoeg om het doel van 
den fchrijver te bevatten, en offchoon nederig be- 
kennende, geen juist denkbeeld te kunnen iiiaken 
van hetgene verftaan moet worden , door vordering in 
de maaifchappij , moeten wij den Ichrij ver toejuichen , 
die ons ware kennis belooft, juist in een der zee- 
vaartkundige werken , die het meest algemeen ge- 
bezigd worden , en waarin men, tot heden toe, flechts' 
blootelijk werktuigelijke handelwijzen leerde. 

Dat het alles behalve eene aangename gewaarwording 
aan een' zeeöflicier verfchafFen moest, den naam van 
floryn; door eenen anderen van den titel verdron- 
gen te zien , zal wel niemand moeten verwonderen ; 
dan wij troostten ons met het denkbeeld, van nu 
eene grondige behandeling van de in het werk voor- 
komende regelen Je zullen bezitten, naar welke 
zoo velen met ons reeds lang verlangen. Immers 
ware kennis alleen is in ftaat den zeeman vertrouwen 
op zijn werk en waarnemingen in te boezemen , en 
hem de wijze, waarop hij zijne berekeningen op vele 
onvoorziene omüandigheden toepasfen kan, te leeren 
kennen. — Ware kennis wordt hier in het voorbe- 
rigt op den voorgrond geplaatst. Geen wonder dus, 
dat wij met ter zijde Helling van alle andere beden- 
kingen , en gretig naar den inhoud, met eene hoogge- 
fpannen verwachting ons haastten het veelbelovende 

werk 



C ioC ) 

wcik op te fiaan; en, groot was onze te leur fu'l- 
ling bij het bemerken, dat deze vernieuwde uitgave 
van de vorige verfcliilt door eene veranderde wïy/.t 
van voordragt, het weglaten van nuttige , door flo- 
RYN ingevoerde zaken, en andere tafelen. 

Deze tafelen nu dezelfde zijnde als de i8 eerden 
uit des fchrijvers verzameling , waaromtrent wij , ge- 
zamenlijk met den heer wenckebacii, bij eene vo- 
rige gelegenheid bereids ons oordeel hebben bekend 
gemaakt , zal het wel niet noodig zijn , daaromtrent 
hier iets meer te zeggen. Bij die gelegenheid heb- 
ben wij aanmerkingen gemaakt omtrent de volgorde 
der tafelen van die verzameling; doch waren toen 
onbekend met de vindingrijke wijze, waarop zij nog 
moesten dienen. Nu , daar wij het doel dier rang- 
fchikking kunnen inzien, moeten wij onze afkeuring 
daarover terug nemen, en bij dezen volmondig ver- 
klaroo, dat de rangfchikking van dat werk, volmaakt 
is; niet zoo zeer volmaakt voor het gebruik, dat wij 
in onze eenvoudigheid begrepen, dat van de tafelen 
moest worden gemaakt, door den zeeman; maar vol- 
maakt voor het doel van den vernuftigen boeken- 
fpeculateur. 

Het is dus alleen noodig den tekst dezer vernieuwde 
uitgave , met die der oude te vergelijken. 

SwART verdeelt het werk in vier afdeelingen , ten 
einde alles zoo veel mogelijk tot een zamenhangend 
geheel te brengen ; en voegt er nog een vijfde bij , 
geheel van hem zelven, handelende over de loga- 
rithmen- en finustafelen. 

In de eerflie afdeeling vindt men het verbeteren van 
de g^metene zonshoogte, en het vinden van dezons- 

de- 



( I07 ) 

dcclinatie in de tafelen; waarbij S. het vinden der 
middagsbreedte lieeft gevoegd. 

Hier voert S. het gebruik in van zijne higevoegde 
tafel 5, om de zons gemeten hoogte dadelijk tot de 
ware te brengen ; welker gebruik gewis veel gemak 
aanbrengt i als men niet veel naauwkeurigheid noodig 
heeft; doch wij deelen niet in het gevoelen van den 
fchrijver, dat deze tafel meer naauwkeurigheid geven 
zoude, omdat het verfchilzigt daarbij in acht genomen 
is: van oordeel zijnde dat, bij zeer naauvvkeurige 
waarnemingen , het ftukswijze in rekening brengen 
van al de correctiën , verre weg de voorkeur ver- 
dient; juist omdat men daarbij niet alleen het ver- 
fchilzigt, maar ook de verbeteringen van de ftraal- 
breking, kimduiking en zons halve middellijn met 
veel meer juistheid in rekening brengen kan. 

De manier om de gevonden declinatie in de tafe- 
len voor lengte en tijd afzonderlijk te berekenen , 
welke even langwijlig als ongepast en zelfs onjuist 
is , vinden wij hier weder op dezelfde wijze als 
altoos voorgedragen. — Hoe menigmaal vraagt zich 
de zeeman niet af: wat toch heeft mijne Ilandplaats 
op aarde gemeens met de declinatie der zon? — en 
toch wordt hem voorgefchreven , dat zijne lengte 
daarop eenen zeer merkbaren invloed heeft. — De 
declinatie moet immers voor de lengte ftellig niet 
worden gecorrigeerd, maar des waarnemers lengte 
moet dienen om te berekenen , hoe laat het ten tijde 
van zijne waarneming is op den meridiaan , waarvoor 
zijn declinatietafcl op den middag berekend is. Wij 
gelooven, dat dit den zeeman gemakkelijker zou kun- 
nen duidelijk gemaakt worden, dan hem de lastige 

en 



C io8 ) 

en Icwellende liandelwijze , die men tot lieden toe 
volgt , met al deszelfs bijzonderheden , zelfs maar 
werktuigelijk , kan worden geleerd. Wie dat inziet, 
zal ook niet zoo zeer , nevens S. , ingenomen zijn , 
met de belangrijke onderfcheiding , welke voor zoo 
ver hem bewust is , in geene vreemde werken ge- 
vonden wordt , dat twee zeelieden , offchoon zij op 
tegengeftelde wijzen derzelver lengte behaald heb- 
ben , toch op hetzelfde oogenblik , dezelfde zons- 
declinatie vinden. — Voor flechts een gedeelte van 
deze , NB. , keurige opmerking en teregtwijzing , wordt 
DOUWES , door S. , met den naam van diepdenken- 
den betiteld ; wij weten niet of het eene gepaste 
loffpraak is, iemand te roemen als over zoo iets 
diep te moeten denken. 

In de tweede afdeeling geeft S. eene bepaling van 
de miswijzing, en regelen om dezelve te bepalen 
door Amplitudo- en Azimuth-peilingen. — Gaaine 
hadden wij hier eene waarfchuwing gevonden tegen 
alle waarnemingen der hemelligchamen , in de kim 
of op geringe hoogten. — De Schrijver geeft ons hier 
cenen der trigonometrifche regelen voor de bepaling 
van het azimuth. Ingeval van afwijking van de 
Florynfche uitgave, zouden wij gewacht hebben, 
die van den heer a. bezemer , (geplaatst in het 
elfde ftuk van de Zeevaarikundige Berigten, pag. 98) 
te zullen aantreffen, als komende volmaakt overeen 
met de zoogenoemde Douwefche manier van werken. 

De derde afdeeling handelt over de breedte buiten 
den middag , en het bepalen van den tijd en zons- 
hoogte. Het meesterftuk van onzen beroemden 
landgenoot, de handelwijze om de breedte buiten 

den 



C 109 ) 

den middag op eene gemakkelijke en eenvoudige wijze 
te vinden , is in de meeste gevallen , waarin de zee- 
raan zich bevindt, eene even naauvvkeurige als ge- 
makkelijke bewerking ; er zijn echter gevallen moge-, 
lijk , dat deze handelwijze , in plaats van de ware 
breedte te benaderen, zelfs verder daarvan afwijken 
doet; en behalve dit, gaat dikwijls de benadering. 
zeer langzaam. Wij hebben dus veel te danken aan 
FLORYN, welke de verbetering, door brinkley in 
dat geval gegeven, in de vorige uitgave heeft ge- 
voegd , ten einde men voor die omftandigheden , den 
gewonen regel voor zijne berekening kunne blijven 
houden. S. laat dezelve weg! . . . Het is waar, niet 
iedereen maakte gebruik van de Brinkleyfche correc- 
tie; doch ware het niet beter, den zeelieden met 
den aard daarvan bekend te maken , en op het ge- 
bruik, in bepaalde omftandigheden , aan te dringen, 
dan dezelve weg , geheel en al weg te laten ? . . 
Mogelijk echter was dit bijvoegfel van floryn, zoo 
na verbonden met zijnen naam op den titel , dat bei- 
den hetzelfde lot volftrekt moesten ondergaan. 

S. geeft voorts eene kleine verhandeling over 
de declinatie, welke moet worden gebezigd, zoowel 
om den middagsafftand der zon van het toppunt te 
vinden, als om daaruit de breedte af te leiden. — 
Voor het eerfte zegt hij , dat, fchoon andere fch rijvers 
de gemiddelde declinatie tusfchen de waarnemingen ge- 
bruiken , volgens zijnen regel de middags-declinatie moet 
in rekening gebragt worden; maar dat dit echter wei- 
nig verfchil baren zou (vooral met zijne tafelen en 
manier van werken ! ). Maar het is, naar zijn oordeel , 
geheel verkeerd die gemiddelde declinatie op het 

' BIJDRAGEN, D. III. ST. I. H tWee- 



C no ) 

tweede gedeelte van het vraagftuk toe te pasfen; 
want (zegt hij) „Bepaal ik op eene plaat (s) A, de 
„ hoogten en den verloopenen tijd , zoo bereken ik , 
„ hoeveel op die plaats , op den middag de zons- 
„afdand van hel toppunt zal zijn, en derhalve moet 
„men alsdan, om de breedte te bepalen, geene an-f 
„dere dan de middagsbreedte gebruiken." Wij zijn 
van gevoelen , dat men bepaalt : hoe veel op den mid- 
dag de zonsafftand van top , niet zijn zal , maar zijn- 
zoude als de declinatie onveranderd bleef; of liever ,j 
zoo als deze afftand werkelijk is , op dat punt van 
denzelfden parallel , dat op het gemiddelde oogenblik 
tusfchen de beide waarnemingen middag heeft. Wij 
zouden dus, zoowel in dit, als in alle andere geval- 
len, voorfchrijven: om bij alle waarnemingen de de- 
clinatie te bezigen, van den tijd, waarop dezelve 
gedaan zijn. 

Zeer te regt heeft S. hier ingevoegd de handel- 
wijze, om eene der hoogten te corrigeren voor de 
ftandplaats , waarop de andere is waargenomen; wij 
leven in eenen tijd , in welken een paar minuten , eene 
fout kunnen worden genoemd; allenoodige correctiën 
moeten dus in het werk gefteld worden, en men mag 
zich niet meer vergenoegen met eene vrij ruwe nade- 
ring , zoo als dit wel eens het geval is , bij het [be- 
rekenen der buiten -middagsbreedte: men gebruikt 
namelijk de middags - declinatie ; corrigeert geene 
hoogten, voor de verfchillende breedten, waarop zij 
geobferveerd worden , evenmin als den tijd voor de 
veranderde lengte ; en befchouwt eindelijk de bere- 
kende breedte, als die, waarop men zich op den 
middag bevonden heeft! ! !. 

Bij 



( III ) 

Bij de berekening van den uurhoelc heeft S. nog 
eenen regel gevoegd, zijnde een^pr.g^l^qneifprgijules 
voor den finus - verfus. . *. . '.'■•... 

In de vierde afdeeling, handelende over de koers- 
en verheids - rekening , heeft de fchrijver al vrij wat 
verandering in de voordragt gemaakt , zonder echter , 
naar ons inzien, de zaken op eene betere wijze te 
behandelen; zelfs zouden wij voor ons, de oude 
voordragt de voorkeur toekennen. § 5S, luidende: 
„In de koers- en verheids -rekening naar het plat, 
„noemt men de lengte afmjking''' leert ons iets 
nieuws. Wij hadden te voren altoos gemeend , dat, in 
alle gevallen , lengte en afwijking grootelijks van 
elkander verfchillen. Deze % fchijnt aan S. daar als 
het ware onwillekeurig ontvallen te zijn ; immers er 
is in al het voorgaande , nog geen het minste onder- 
fcheid tusfchen de rekening naar het rond en naar 
het plat , opgegeven. 

De vijfde afdeeling is oppervlakkig, doch voldoen- 
de, zoo voor deszelfs oogmerk, als voor het werk, 
waarvan zij een gedeelte uitmaakt. 

Als wij dus alles te zamentrekken , moeten wij 
den fchrijver danken voor die dingen, welke hij in- 
gevoegd heeft; doch daarentegen niet minder afkeu- 
ren, dat hij ons berooft van het gene onze floryn 
voor ons gedaan had. De redeneringen, welke bui- 
ten den gewonen loop gaan, en door ons aangewe- 
zen zijn , ontfieren het werk , dat uit den aard der 
zaak wiskunsiig zijnde, eerder bewijzen dan meenin- 
gen diende vooruit te (lellen; zoodat wij niet fchro- 
men te verklaren, dat dit werk niet zoodanig is, als 
men uit het voorberigt met regt verwachten zou, en 

H 2 twij- 



( 112 ) 

twijfelen fterk of de wensch, door den fchrijver geuit : 
„dat hij zich gelukkig achten zou, iets te mogen 
„toebrengen tot nut van den zeeman, en dus ook 
„tot het algemeene welzijn van het vaderland;" eer- 
der zoude worden vervuld door deze vernieuwde uit- 
gave, dan door eenen blooten herdruk van de Flo- 
rynfche uitgave; daar toch, wel befchouwd, deze 
Grondbeginfelen der dadelijke Zeevaartkunde van ja- 
coB swART, ons wel met eenen titel, maar geens- 
'zins met een boek meerder verrijkt hebben. 

J. C. PILAAR. 



* 



Leerboek der Scheikunde , door F. van catz smal- 
LENBüRG. 1". flnk. Tc Leyden, bij honkoop, 
1827. 8vo. ^JS bladz. 



Al 



Jleen wegens gebrek aan plaats , hebben wij moe- 
ten verzuimen, om van dit werk eene breedvoeriger 
aankondiging te geven. Goede boeken mogen ook 
niet dan om voorname redenen met eene penneftreek 
aangekondigd worden; want men denkt dan al ligt, 
dat zij niet meer waard zijn. Het tegenovergeftelde 
meenen wij aan dit eerfle ftuk dezer Scheikunde ver- 
pligt te zijn, en doen dit thans gaarne. 

Het is voorzeker voor iedereen, die den voort- 
gang der wetenfchappen op prijs fielt , hoogst aange- 
naam , als hij in de landtaal goede hand- of leerboe- 
bueken ziet verfchijnen. Dit is ons te aangena-J 
mer, naarmate de wetenfchap , v(?aarover zulke boe- 
ken handelen, onder ons minder beoefend wordt, enj 

ech^ 



C 113 ) 

echter geheel onmisbaar is geworden: terwijl wij an- 
dere vollceren met zoo veel ijver deel zien nemen aan 
de bevordering derzelve. In het afgeloopene jaar 
heeft dan ons Vaderland het voorregt gehad, dat er 
oorfpronkelijke fcheikundige handboeken in hetzelve 
zijn uitgegeven : handboeken , die wij onbewimpeld 
iederen aanvangenden beoefenaar der nuttige Schei- 
kunde durven aanbevelen. Van het boek van den 
heer blankenbyl gaven wij vroeger eene befchou- 
wing, en wij aarzelen niet om veel van hetgeen wij 
hiervan gezegd hebben, op dat van den heer catz 
SMALLENBURG toe tc pasfeu. Zij hebben beiden 
iets , dat de fchrijvers doet kenmerken als ijverige , 
maar ook gelukkige beoefenaars der Scheikunde, 
Van deze twee handleidingen in de gronden der Schei- 
kunde, zullen wij dan ook weldra de vruchten onder 
die jonge lieden kunnen befpeuren , die door gebrek 
der taalkennis verdoken zijn , om buitenlandfche wer- 
ken te raadplegen. Vaderlandfche boeken hebben ook 
iets eigenaardigs, iets bijzonder aantrekkelijks, en 
wij durven er voor inftaan, dat zij groote prikkels 
tot beoefening, voorname middelen ter bevordering 
der wetenfchap onder onze landgenooten zijn. — Door 
deze prikkels en middelen geholpen , gelooven wij , 
dat onze artfenijmengers weldra degenen zullen wor- 
den, die ons land eindelijk ook eens het voordeel der 
verbazend toenemende Scheikunde zullen doen on- 
dervinden. Zij zullen, zoo als door fommige ande- 
ren, ook door de fchrijvers der beide handboeken 
voorgegaan, kunnen opmaken, dat het van hen zal 
afhangen , of zij der wetenfchap voordcelig zijn : want 

H q naar 



.1 



C 114 ) 

naar wij vernemen, is de heer catz smallenburg, 
artfenijbereidkundige te Leyden. 

De orde in dit leerboek gevolgd is die van schu- 
BARTH , Lehrhuch der Theoretifchen Chemie , waar- 
van in Berlin ook in het vorige jaar eene derde om- 
gewerkte en verbeterde uitgave is in het licht verfche- 
nen; waarin wij zeer veel vonden, dat aanbeve- 
ling verdient i hoewel de titel weinig met den in- 
houd overeenkomt. Eene theoreüfche Scheikunde ook , 
kennen wij heden nog niet , en weten niet wat men hier- 
onder te verftaan hebbe. Dit mogen wij dus de weten- 
fchap vooruitloopen noemen. Wij hebben de tweede 
uitgave van schubarth van 1824 thans niet onder ons 
bereik; doch schubarth fchijnt, indien het leerboek 
van CATZ SMALLENBURG dezelfde orde heeft, als dat 
van SCHUBARTH, in zijne derde uitgave die eenigzins 
veranderd te hebben. Hierom moet hetgeen c. sm. dien- 
dienaangaande zegt, waarfchijnlijk op de tweede uitgave 
betrekking hebben. Wij mogen ook niet nalaten , 
om op te merken, dat de behandeling der zaken 
veelal met die van schubarth overeenkomftig is en 
er dus meer dan alleen de orde van is nagevolgd, 
zoo als de heer catz in zijne Voorrede zegt. Eene 
enkele vertaling is het echter niet; vooreerst heeft 
catz er veel uit achterwege gelaten, ten andere 
heeft hij er veel wetenswaardigs bijgevoegd; b. v. 
over de verwantfchapskracht en de bepaalde evenre- 
digheden in fcheikundige verbindingen, het Bromium 
enz. Wij mogen het dus eene vrije vertaling van 
schubarth noemen. Dit neemt echter niets van 
het belang van het boek, of de waarde van hetzelve 

weg. 



C 115 ) 

weg. Maar wij hadden dit wel gaarne op den titel 
gezien, omdat uit dit eerfte ftuk te cordeelen, dit 
billijk ware geweest. Als schubarth dit eerfte ftuk 
dezer Scheikunde in handen krijgt zal hij er immers nog 
al eenige kennis aan hebben. 

Ware het ons voornemen van beide boeken een 
verflag te geven, wij zouden verpligt zijn ze met 
elkander te vergelijken , en dan zouden wij niet mo- 
gen nalaten om op te merken, in hoe verre de heer 
CATZ SMALLENBURG als oorfpronkelijk fchrijver ver- 
diende heeft, of in hoe verre hij met omzettingen 
het boek van schubarth vertaald heeft; doch thans 
zullen wij ons bepalen met eene befchouwing van 
het eerfle, omdat wij het Nederlandsch publiek met 
hetzelve willen bekend maken. Het bovenftaande 
zij dus genoegzaam om den heer schubarth regt 
te laten wedervaren; want de heer catz smallen- 
BURG houde het ons ten goede: wij houden van 
^ 'billijkheid. 

Vooral heeft ons regt bevallen hetgeen men in de 
inleiding en het overige gedeelte van het begin van 
dit eerfte ftuk vindt. Men kan de fcheikundige ei- 
genfchappen der ligchamen gemakkelijk uit die vele 
goede buitenlandfche fchriften opfporen , die er thans 
over Scheikunde beftaan; maar een blik te werpen 
op de geheele Scheikunde, het doel derzelver juist 
te doen kennen ; hiertoe is meer noodig dan vlijt en 
oplettend compileren. In vele fcheikundige handboe- 
ken misfen wij zoodanig eene inleiding, en het deed 
ons dus genoegen hierin ons bevredigd te zien. Wij 
erkennen den ichrijver hieruit als een beoefenaar der 
Scheikunde in den geest des tegenwoordigen tijds. 

H 4 Niet 



( li6 ) 

Niet zoo zeer dat wij verlangen , dat ieder een de 
heerfchende mode , om aan dit of dat gedeelte der 
wetenfchap bijna uitduitend waarde te hechten , zal 
moeten volgen , wil hij een goed beoefenaar derzelve 
in ons oog wezen ; maar het is niet te ontkennen 
dat de Scheikunde thans aanmerkelijke vorderingen 
maakt en in de laatfte jaren gemaakt heeft; dat deze 
vorderingen vooral dezen naam verdienen, omdat 
men naar wetten zoekt , die algemeen zijn en dus , 
met eenigen graad van waarfchijnlijkheid , blijvende 
zullen wezen. Zoodanig eene behandeling der Schei- 
kunde toch , kan men geene mode noemen , maar 
is eene ware aanwinst, en van de heerfchende ge- 
woonten zoo gemakkelijk te onderfcheiden , als het 
vaste van het wisfelvallige te onderfcheiden is. In 
de laatfte jaren is men niet meer tevreden, als men 
eene eenvoudigere , of goedkoopere wijze om de 
eene of andere zelfftandigheid te vervaardigen , heeft 
bekend gemaakt. Scheikundige te heeten , zegt thans 
oneindig veel meer. Zoo veel zelfs , dat er al zeer 
weinigen in ons oog beftaan , die goede fcheikundi- 
gen kunnen heeten en wij ons flellig overtuigd hou- 
den , dat weinigen , die thans met den omvang der 
wetenfchap min of meer bekend zijn , op den naam 
van fcheikundigen aanfpraak zullen maken. 

Wij gelooven, voor zoo verre wij meenen eenig 
denkbeeld van wezenlijke bevordering der Scheikunde 
te hebben, dat de fchets der algemeene Scheikunde 
van den heer catz, veel wetenswaardigs bevat en 
voor eerstbeginnende fcheikundigen van het grootfte 
aanbelang is. Zoo vinden wij juistere grenzen tus- 
fchen de zoogenaamde algemeene Natuurkunde en 

■ . Schei- 



C 117 ) 

Scheikunde aangegeven , dan men veelal vindt , of liever 
vrij juist bepaald, in welk eene verhouding, het onder- 
deel der algemeene Natuurkunde, de Scheikunde, tot 
het geheel (laat. Vrij juist, zeggen wij ; want geheel 
juist mogen wij dit niet noemen. Wat toch meent 
de fchrijver, met y er anderen van aard der ligcha" 
men door fcheikundige werking? Kunnen wij wel 
over den aard der ligchamen fpreken ? En al konden 
wij dit eens doen , is het dan niet eenvoudig veran- 
dering in vorm, eigenfchappen en zamenflelling , die 
aan de beide ligchamen door fcheikundige werking 
wordt te weeg gebragt; daar wij tot uit de veelvul- 
digfle zamenftellingen , toch hetzelfde ligchaam we- 
der kunnen te voorfchijn brengen, hetwelk in die 
verbindingen wel geheel andere eigenfchappen had 
aangenomen , doch onveranderd dezelfde eigenfchap- 
pen heeft behouden , wanneer hetzelve weder onder 
dezelfde omftandigheden wordt gebragt ? Wij voor 
ons zouden meenen , dat, hoewel dit veelal zoo 
wordt genoemd , echter dit hoogst verkeerd gefchiedt , 
en kunnen niets anders denken, dan dat een 
ligchaam niet meer hetzelfde, maar een ander zou 
zijn geworden , indien het van aard was veranderd ; 
hetwelk immers in zich zelve ftrijdig is, indien men 
van enkelvoudige ligchamen fpreekt. Bedoelt men 
echter zamengeftelde, zoo kunnen wij het woord 
aard weder geheel misfen en behoeven flechts van 
zamenflelling te gewagen, om fcheikundige werking 
uit te drukken. Bij deze bepaling van catz zouden 
wij nog bij de uitdrukking in'wendige aard moeten 
Ililftaan ; doch om ons niet van vitzucht te doen 
befchuldigen , Hippen wij dit flechts aan ; hoewel wij 

H 5 van 



( ii8 ) 

van gedachten zijn, dat liet op eene goede bepaling 
der wetenfchap , waarover een boek zal handelen, 
nog al aankomt. Wij kunnen echter hier niet af van 
op te merken , dat wij nog geene goede bepaling van 
Scheikunde kennen en ook niet gelooven, dat deze 
thans te geven zoude zijn. 

i'j-.De hoofdftukken over zamenhang , verwantfchap , 
flochiometrie , warmte , licht en electriciteit hebben 
wij , zoo als wij zeiden , met genoegen gelezen. Men 
vindt hierin eene naauwkeurige opgave van de he- 
dendaagfche aangenomene onderfcheidingen van al of 
niet fcheikundige vereeniging : de eerfte ook in eenige 
verhouding gebragt met het electrisch vermogen der 
ligchamen ; eene opgave van de verfchillende foorten 
van verwantfchappen , die men vroeger onderfcheidde , 
doch thans dienen vaarwel gezegd te worden; van 
het atomistisch ftelfel; eene korte verklaring van de 
voornaamfte eigenfchappen der warmte, van het licht 
en der electriciteit. 

Zoo doende naderen wij dan aan de bijzondere 
Scheikunde, Hier vinden wij vooreerst de nomen- 
clatuur verklaard en vervolgens de enkelvoudige, 
niet metaalaardige ligchamen, met hare verbindingen 
befchreven. Voor zoo verre wij dit gedeelte hebben 
nagegaan, kwam het ons doelmatig en naauwkeurig 
voor. Men vindt hierbij iets gefchiedkundigs , het- 
welk naar ons oordeel navol gens waardig is; overi- 
gens de vormen , waaronder de ligchamen voorkomen , 
en hoedanig zij in de natuur gevonden worden; de m 
wijze van bereiding, eigenfchappen, atomen-gewigt , 
zamenftellingen, en hiervan zoo welde eigenfchappen, 
als betrekking der hoeveelheden enz. opgegeven, op 

eene 



( "9 ) 

eené wijze, die ons niet doet aarfelen , 'dit boek ten 
gebruike aan te bevelen , en er eerstbeginnenden veel 
nut van te voorfpelkn. 

G, J. Mc 



is^e/fxyQ^e^tm ^ 



H. G 



u. WAARDENBURG, Commentatio de historia 
naturali animalium MoUuscorum regno Belgico 
indigenorum , praemio ornata. Lugduni Ba- 
tavoruni, apud s. et j. luchtmans, 1827. 
59 bladz. 4*°. 

JJe Prijsverhandeling van den heer waardenburg , 
over de Inlandfche Weekdieren, welke een gedeelte 
uitmaakt der Annahs van de Leydfche Hoogefchool, 
behoort in deze Bijdragen afzonderlijk vermeld te 
worden , daar zij niet alleen een goed antwoord op 
de voorgeftelde vraag, maar in hetzelve ook belang- 
rijke bouwftoffen voor de Nederlandfche Fauna geeft. 
Deze overweging en het genoegen, waarmede ik mij 
vroeger meermalen met het onderwerp dezer Verhan- 
deling had bezig gehouden, deed mij befluiten, van 
dezelve het volgende verflag op te maken, en daarin 
tevens het een en ander uit mijne aanteekeningen , 
over dit gedeelte der Natuurlijke Gefchiedenis onzes 
vaderlands, mede te deelen. 

Deze, in eenvoudig en duidelijk Latijn gefchre- 
vene Verhandeling is in fwee deelen gefplitst , waar- 
van het eerfie een overzigt geeft van de Natuurlijke 
Historie der Weekdieren (MoUusca) in het algemeen , 
het fvfeede meer bepaaldelijk handelt over die week- 

die- 



( I20 ) 

dieren, welke in ons vaderland gevonden worden. 
Beide deelen getuigen van des Schrijvers algemeene 
kennis, en het tweede vooral van zijn eigen onder- 
zoek in dezen, hetgeen aan dit tweede deel, raar 
mijn inzien, de meeste waarde geeft. Bij eene be- 
fchouwing van de natuurlijke gefchiedenis der week- 
dieren in het algemeen, is het natuurlijk verdienfte- 
lijk , dat men alle deze dieren niet zelf kunnende 
onderzoeken, uit de beste en nieuwfte bronnen putte , 
welken lof men den Schrijver inderdaad mag toeken- 
nen, daar hij cüvier, pfeiffer, eojanüs, ca- 
Rus, swAMMERDAM en anderen tot leidsleiden geko- 
zen heeft. Ik wil mij echter bij dit eerfte gedeelte 
niet ophouden, ten einde het tweede en voornaamfte 
deel, hetgeen vooral op eigene waarnemingen fteunt, 
met alle oplettendheid te kunnen nagaan. 

In de opnoeming der gedachten en foorten is hier 
voornamelijk cuvier, lamarck, pfeiffer en dra- 
PARNAüD gevolgd, terwijl hij met een kruisje die 
foorien heeft aangeteekend , welke hij zelf in ons va- 
derland heeft gezien. Ten einde nu te doen zien, 
hoe veel de heer waardenburg in onze inlandfche 
weekdieren heeft verrigt en tevens eenige bijdragen 
tot dit deel onzer Fauna te geven, wil ik zijne op- 
gave met dit deel der Nederlandfche Fauna in de 
Verhandelingen der Hollandfchc Maatfchappij van 
Wetenfchappen te Haarlem, Deel XV, (luk 2, en 
met eenige van mijne eigene aanteekeningen dienaan- 
gaande kortelijk vergelijken , ten einde een overzigt 
te geven van den tegenwoordigen ftaat onzer kundig- 
heden nopens onze inlandfche weekdieren, hierin de 
door waardenburg gevolgde orde aannemende: 

Van 



C lai ) 

Van het geflacht Baïanus geeft hij als inlandsch 
op : B. sulcatus , ovularis en miser , waarvan de 
beide eerde alleen in de Verhandeling der heeren 
BENNET en VAN OLiviER , in hct aangehaalde deel 
der Haarl. Maaifch. voorkomen. Als zeker in- 
landsch meen ik hier nog te kunnen bijvoegen : Ba- 
ïanus palmatus lariarck V. p. 394, welke ik aan 
het Noordzeeftrand te Breesaap , bij Vclfen , op Fu' 
cus nodofus vastzittende , heb aangetroffen. Ik bezit 
ook in mijne verzameling een exemplaar van Balanus 
tintinnabulum , hetwelk de te vroeg overleden beoe- 
fenaar der Conchyliologie , de heer g. j. a. haas , 
te Amflerdam , aan het ftrand omtrent Wijk aan 
Zee had gevonden , welligt echter van de kiel van 
een fchip afgefpoeld. — W. vermeldt bl. 27, Ana- 
tifa laevis gevonden aan de bodems der fchepen uit 
de Oost -Indien komende; waarbij ik echter opmerk, 
dat deze foort niet alleen aan zoodanige fchepen , 
maar ook aan drijvende ftukken hout enz. , zeer al- 
gemeen aan onze flranden voorkomt, gelijk zulks 
ook reeds door de fchrijvers der Fauna ^ bl. Ï09, 
te regt is opgegeven. 

Van het geflacht -<^jc/V/^, door lamarck, onder de 
Tunicata gerekend, telt W. alleen A. ampulla op, 
waarbij de Fauna , bl. 87 echter nog voegt : A. 
intestinalis L. — Teredo mivalis en Pholas cris- 
pata worden door beiden vermeld ; de Fauna voegt 
hier echter nog bij : Pholas teredula L. (onzeker 
of zij tot dit geflacht behoort, zie bl. iii), W. 
Ph. dactylus lam. Beiden fpreken ook van Solen 
filiqua en S. enfis , van welke laatfl:e ik ook de beide 
variëteiten, door lamarck V. p. 452 opgenoemd, 

aan 



( laa ) 

aan de Hollandfclic Itranden heb verzameld. W. 
vermeldt ook Solen vagina , welke hij echter niet 
zelf gevonden heeft. Van het geflacht M'^a wordt, 
en in de Fauna en bij W. , als inlandsch opgenoemd 
M. arenaria ^ welke eene van onze algemeenfte 
fchelpen fchijnt te zijn , daar ik dezelve niet alleen 
aan de Noordzeeftranden van Holland en aan de 
Zoutkamp in de provincie Groningen , maar ook aan 
het Zuiderzeeftrand bij Midderberg, Enkhuizen en 
zeer algemeen in het IJ , bij Amfterdam , heb aan- 
getroffen (*3. W. vermeldt ook te regt Mya trun- 
cata^ welke ik ook bij Zandvoort en Breesaap heb 
gezien. Ik kan ook de opgave van W. nopens Lu- 
traria compresfa bevestigen , terwijl ik van L. el- 
liptica ^ door W. in zijne Addenda vermeld, exem- 
plaren bezit van de ftranden hi] Zandvoort tn Brielle, 
De algemeene Mactra folida wordt zoo in de Fau- 
na , als bij W. opgegeven , de laatfte voegt er ech- 
ter ook teregt bij Mactra flultorum , welke ik zeer 
algemeen aan de Hollandfche ftranden gezien heb , 
en waarvan de heer eergsma mij ook exemplaren 
van het ftrand bij Rockanje , nabij Brielle , heeft me- 
degebragt. 

Van het eigenlijke geflacht Tellina wordt in de 
Fauna maar ééne foort opgenoemd, die namelijk, 
welige door baster (Natuurkundige Uitfpanningen , 
II. p. 78 pi. VIII. ƒ. 5—7) afgebeeld en befchreven is , 

en 

(*^ Ik lees in de Annales des Sciences Naturelles ^ Mars 
1825, p. 319—335, dat men het vleesch van deze Zand- 
gapers QMya arenaria') in hec begin van de kabeljaauw- 
vangst dikwijls toe lokaas voor deze visfchen gebruikt. 



( ïas ) 

en welke door de vervaardigers der Fauna ^ bl. 115, 
gerekend wordt waarfchijnlijk te beliooren tot Tellina 
bimacitlata L. et lam. , waarvan de foort van bas- 
ter. echter , naar mijn inzien , in allen opzigte ver- 
fchilt. De door W. , bl. 32-, opgegeven foorten 
Tellina tennis en T. folidula , zijn ook door mij aan 
de Hollandfche ftranden gevonden. Als eene derde 
inlandfche foort kan ik er met volledige zekerheid 
bijvoegen T. fabula lam. V. p. 526, welke zeer 
kennelijk is, doordien eene van hare fchelpen glad 
Cdat is effen , niet geftreept) de andere met fchuin- 
fche ftrepen , vooral aan de voorzijde voorzien is. — 
Door W. wordt bl. 32 opgenoemd Donax truncu- 
Itis, welke echter welligt tot D. anatinim lam. 
p. 552 zal moeten gebragt worden. 

Van het zoetwater - geflacht Cjclas , wordt in de 
Fauna alleen gefproken van Cyclas cornea (Tellina 
cornea L.) waarbij W. echter bijvoegt C. lacultris 
rivicola (in de addenda^ calyculata en nucleus (*). 
Ik heb de beide laatfte foorten niet in ons land ge- 
zien , doch wel C. cornea lacustris , bij Utrecht , 
en rivicola ^ bij Utrecht en in de rivier de Lek. 
In deze rivier komt ook voor Cyclas obliqua lam. 
P' SS9'> eene zeer fraaije en kennelijke foort, afge- 
beeld bij PFEIFFER, pi. V, ƒ. 19 en 20; de heer 
BERGSMA zag dezclve mede in den krommen Rijn 
bij Utrecht , en merkte op , dat zij , even als Cyclas 
cornea , inderdaad levendbarend {yiyipard) was. 

(*) Indien C-^clai micleus , zoo als ik gis , eene nieuwe 
foort is , door den heer waardenburg aldus genoemd , ware 
eene uitvoeriger befchrijving en afbeelding daarvan inder- 
daad wenfchelijk. • 



( 124 ) 

Cytheraea chione^ welke in de Fauna ^ bl. 255, 
onder de onzekere foorten flaat, wordt door W. 
ftellig opgenoemd. Ik voeg er bij Cytheraea lincta ^ 
LAM. p. 573 , te Zandvoori door den heer van den 
ENDE en mij verzameld. Van het geflacht Veniis 
wordt door W. alleen V. cingulatum genoemd. Van 
Cardiiim vinden wij in de Fauna alleen C edule , 
bl. 118, en onder de onzekere foorten C. echina' 
turn ; bij W, Cardium echinatum (waarvan ik ook 
exemplaren van Zandvoort van den heer van den 
ENDE en van Brielle bezit) C. serratum, nnticum 
en edule. Van het geflacht Unio^ in de Fauna al- 
leen Unio pictorum^ bl. 112; bij W. daarenboven 
U, margaritifera , rostrata.tn Batava, alle welke 
ik ook inlandsch bezit, U. Bataya is zeer algemeen 
in de Lek bij Finnen en elders. Van het geflacht 
Anodonta vinden wij geene fliellige foorten in de 
Fauna opgegeven, doch bij W. A. cygnea , inter- 
media ^ anatina^ ponder of a^ zeilen fis ^ en in de 
addenda A. Ventricofa. — Behalve de gewone My- 
tilus edulis , in de Fauna en bij W. vermeld , noemt 
de laatflie ook nog op Mytilus incurvatus en bl. 39 
Pectcn maximus, door W. aan het ftrand bij Noord- 
•wifk aan Zee gevonden. — Onder de Oesters vinden 
wij in de Fauna Ostrea edulis, doch bij VV. daar- 
enboven O. Hippopus , die, zoo ik mij niet be- 
drieg, dezelfde is, welke gewoonlijk onder den naam 
van kor -oester bekend is. 

Ziedaar de foorten , welke onder de eigenlijke Con- 
chifera van lamarck met genoegzame zekerheid be- 
kend zijn, en waarvan het grootfl:e deel door den heer 
WAARDENBURG het cerst als inlandsch is bekend ge- 
' maakt. 



C 125 ) 

Tnaakt. Onder de Tritomacea van LAMAacK worden- 
door hem en in de Fauna opgenoemd : EoUs Cuvierii , 
Tritonia arborescens en coronata (omtrent wier fy- 
nonyma echter eenig verfchil beftaat) en Doris fiel- 
lata^ volgens de vroegere ontdekkingen van onze 
landgenooten baster en bommè. In de Fauna wordt 
daarenboven , volgens bomme , vermeld Doris clavi- 
gera en pennata L. 

Onder de Calyptracea cuv. wordt in beide wer- 
ken genoemd Ancylus lacustris , welke ik ook in 
ftaande wateren op zeer vele plaatfen in ons land 
heb aangetroffen. De Fauna voegt hier echter bij 
Ancylus fluviatilis , te Leyderdorp gevonden. Ik 
kan het inlandfche van deze foort bevestigen , daar 
ik een exemplaar van dezelve bezit door wijlen den 
heer haas , bij Arnhem , in flroomend water gevon- 
den. Onder de naakte Jlakken vindt men in beide 
werken Limax rufus , agresiis , ater en cinereus , 
en daarenboven bij VV. , L. albus. Ik kan er eene 
zesde foort bijvoegen, Limax variegatus ^ van dra- 
PARNAUD en Dii FP^RüssAC , vvclke ik in vele kel- 
ders van de ftad Utrecht heb gevonden. — Vitrina 
beryllina van pfeiffer, is door "VV. , bl. 43, op- 
geteekend en ook door mij in de omftreken van 
Utrecht gezien. De heer bergsinia vond dezelfde 
foort bij ''sGravenhage, de heer haas in de om- 
ftreken van Velzen. 

Van het uitgeflrekte geflacht der flak - hoorns (//<?- 
//x) vinden wij in beide gefchriften genoemd: Helix 
pomatia , arbusiorum , ncmoralis , horten/is en «/- 
tida LAM. , alle welke foorten ik ook inlandsch be- 
zit, even als de door W. daarenboven opgetelde 
Bijdragen , D. UI. ST. 2. I foor- 



( 126 ) 

foorten H. adfperfa (bij Haarlem door den heer 
VAN DEN ENDE gcvonden) , H. cricetorum , van 
de duinen, cdlaria hispida ^ rotundata^ crystallina 
en pulchdla , alle in de omftreken van Utrecht ge- 
vonden en ook op meerdere plaatfen voorkomende. 
Ik bezit in mijne verzameling nog een paar andere , 
mij op dit oogenblik nog eenigzins twijfelachtige, 
foorten; doch de door W. opgenoemde 11. jiriata 
en glabella heb ik nog niet aangetrolFen. Ik kan 
daarentegen de opgave van W. , dat Carocolla lapi- 
cida op de bergen bij Namen gevonden wordt, met 
volle zekerheid bevestigen, daar ik exemplaren van 
dezen hoorn bezit, mij door den heer bergsma van 
genoemde plaats medegebragt. 

Pupa fragilis en mincoriim , worden in de Fauna 
bl. lap en 130 en bij W. bl. 47 vermeld. De eerst- 
genoemde foort is door mij rondom Utrecht dikwijls 
gezien; ook bezit ik er exemplaren van door den heer 
HAAS bij Velzen verzameld. W. fpreekt daarenbo- 
ven van P. unidentata ^ welke op de wallen van 
Utrecht voorkomt, en van Pupa pygmaca. W. 
telt ook onder de inlandfche foorten op Claufilia 
rugofa , welke ik te Sltjk - Ewtjk en Ochten , in de 
Betuwe, bij Utrecht en Vianen , en bij Haarlem en 
Overheen gezien heb. In de addenda fpreekt hij 
van CL ventricoja, welke na verwant is aan eene 
derde foort Cl. perverfa pfeiffer, welke ik op de 
wallen van Utrecht en te Shjk - E'wtjk , in de Èe- 
tuyae^ gevonden heb. De algemeene Bulimus lubri* 
cus komt ook bij W, bl. 48 voor , maar hij ver- 
meldt daarenboven de meer zeldzame Bulimus act- 
cula, welke ik nog niet had gevonden. 

Suc- 



C 127 ) 

Succwea amphibia komt in de Fauna bl. 146, 
200 wd als bij VV. bl. 48, voor. Er bedaat ech- 
ter nog eene tweede inlandfchefoort, Suceinea oblou- 
ga I.SU. VI, a p. 13-^ ,^e,kg i,, 3^^ ^^ ^^^^^^ 

der nvier de Lek en te Heikop bij Vianen , heb ge- 
vonden. In de Fau.a, bl. 129, komt voor de Cy. 
j^/ö«o«« degans lam., eene zeer fraaije foort, wel- 
ke ,k nog niet had gevonden , en die ook niet bij 
W. geboekt ftaat. In de Fauna en bij VV. wordt 
gewag gemaakt van Planorbh comcus , carinatus , 
margmatus, vortex m imbricatus {Fauna bl. i-^iy 
bil W. daarenboven PI. fpirorbis, contortus en 'nitl 
dus DRAP. Ik kan de naauwkeurigheid van deze op- 
gaven in zoo verre (laven , als ik alle deze foorten 
mede inlandsch gevonden heb , voornamelijk in de 
omftreken van Utrecht. PI. contortus fchijnt een 
zeer verfpreid dier te zijn , daar hij niet alleen overal 
in zoete wateren, maar ook in de brakke wateren bij 
Amfterdam , algemeen voorkomt. Eene nog als in- 
landsch onbekende foort is PI. hispidus lam. VI, 
2 p. 154, door mij in de flooten te Pleikop, bij 
Hanen, aangetroffen. 

Behalve Phyfa fontinalis , ook in de Fauna, bl. 
123 , opgenoemd en overal hier te lande te vinden , 
fpreekt W. ook nog van de meer zeldzame Phyfl 
hypnorum, welke bij Haarlem en Utrecht te vin* 
den is. Ook deze is mij door den heer haas uit 
den omtrek van Felzen medegedeeld. — Van het ge- 
nacht Lymnaeus(i\\izzxom niet Limnaeus, v^nAi,wyi, 
moeras?) worden in de beide werken, wier inhoud 
wij tot een overzigt trachten zamen te brengen , de 
volgende foorten geteld: L. JïaguaUs , palustris 

I 2 (;wel. 



( 1=^8 ) 

(welker fynonyma in de Fauna bl. 144. en 146 niet 
regt duidelijk zijn) , auricularius en minutus , en 
daarenboven bij W. , L, ovatus , vulgaris en ftis- 
cus. Ik meen ook alle deze foorten inlandsch te be- 
zitten , offchoon ik moet bekennen , dat het onder- 
fcbeid tusfchcn L. ovatus en vulgaris, en tusfchen 
L. palustris en fusciis , fomwijlen door tusfchenge- 
plaatfte vormen moeijelijk wordt» L. minutus is mij 
door den heer bergsma van bij Franeker, door den 
heer haas van de omftreken van Velzen medegedeeld. 
Ik kan hier nog twee door mij gevondene foorten 
bi.ivoegen, namelijk, Limnaeus pereger lam. en 
VFEIFFER , welke de bijzondere eigenfchap heeft van 
het water nu en dan te verlaten en die bij Utrecht 
en te Heikop bij Vianen , in de zoete wateren voor- 
komt. Zeldzamer doch dubbel fraai en merkwaar- 
dig is Limnaeus glutinofus van draparnaud of die , 
welke onder den naam van Helix glutinofa, door 
MATON en RACKETT bcfchrcven is in de Transacti- 
ons of the Linnaean Society , VlII. p. 222 , en die 
door eene gele, zeer brosfe en doorfchijnende fchaal 
ligtelijk te kennen is. Ik vond haar op de bladen 
van Nyjnphaea lutea , in de flooten te Heikop bij 
Vianen, en ook , hoewel zeldzaam , nabij Utrecht. 
Onder de Peristomiata vinden wij in de Fauna, 
bl. 139 en bij VV. p. 54, Valvata ohtufa pfeiffer, 
welke ik ook algemeen bij Utrecht en Haarlem heb 
waargenomen. Als eene tweede inlandfche foort kan 
ik hier bijvoegen Valvata cristata pfeiffer, (V. 
Planorbls drap.) bij Utrecht gevonden en, zoo mijn 
geheugen mij niet bedriegt, ook V. depresfa pfeif- 
fer, pi. IV, ƒ. 33, mede in den omtrek van 

Utrecht 



( 129 ) 

Utrecht gezien. — Onder de Pahidina's vermelden 
de beide werken P. vivipara impura en femilis ; 
W. daarenboven P. achatina (welke ik ook in den 
krommen Rijn bij Utrecht^ en in de rivier de Lek 
gevonden heb) en de heeren bennet en van oli- 
viER, bl. 149, P. viridls. Als eene zesde foort 
voeg ik er bij P. baUhica nilsson (^Historia Mollus- 
corum Sueciae terrestrium et flimatilium , Lundae 
1822, p. 91) welke welligt dezelfde is als P. muri- 
atica LAMARCK VI, 2 p. 175, en die in brakke 
wateren, en vooral in het IJ, bij Amfterdam ^ zeer 
dikwijls voorkomt. (*) 

Neritina fluyiatilis wordt in de beide werken ge- 
noemd : Natica Brittannica , alleen bij W. , Halio- 
tis tuberciilata en H. parva ^ daarentegen alleen in 
de Fauna ^ bl. 152 en 153. De beide laatfte foorten 
heb ik nooit gevonden ; doch Neritina fluyiatilis is 
in den krommen Rijn , bij Utrecht en in de Lek , 
Natica Brittannica leach, aan de Noordzeeftranden 
zeer gewoon. De algemeene Scalarla communis en 
Turbo littoreus zijn in de Fauna, zoo wel als bij 
W. , opgeteekend ; de laatfte voegt echter bij Turbo 
rudis en T. retufus laisi. , welke laatstgenoemde ik 
ook van de Hollandfche itranden bezit. — Tufiis an- 
tiquus en Buccinum undatum komen bij beiden en 

ook 

(*) Het door baster. Nat. Uitfp. II. p. 81 pi. VII. /?^. 
4 , befchreven en afgebeeld Drijfhorentje , in de Fauna h\. 
143 tot Helix ftagnorum L. gebragt, fchijnt mij toe tot 
het gedacht Limnaeus ie behooren , daar het gemis van 
een operculum he: van Paludina verwijdert. 

I S 



C 130 ) 

oük in mijne verzameling voor; bij W. daarenboven , 
Buccimim reticulattim en li, coccindla. — Onder 
de Ccphalopoda eindelijk fpreken beiden van Sepia 
officinalis en Loligo yulgaris lam. ; in de Fauna 
wordt daarenboven bl. 95 melding gemaakt van Lo- 
ligo fubulata , en bij W. , bl. 58 , van Loligo fe- 

piola LAMARCK. 

Men ziet uit deze befchouwing der Verhandeling 
van den heer waardenburg, zoo ik vertrouw, ge- 
noegzaam, met hoe veel ijver en met welk goed ge- 
volg hij zich op de kennis onzer Nederlandiche die- 
ren heeft toegelegd, en het zal niet noodig zijn hier 
iets meer bij te voegen. Zij , die in onze Fauna be- 
lang ftellen , zullen het mij ten goede houden, dat ik 
dit verflag tevens heb doen dienen tot eene opnoe- 
ming der tegenwoordig als inlandsch bekende 'iveek- 
dicren, waarbij ik uit mijne aanteekeningen dienaan- 
gaande, alleen die foorten bij de reeds bekende in- 
landfche gevoegd heb , waaromtrent ik genoegzame 
zekerheid meende te hebben; terwijl ik eenige, nog 
twijfelachtige foorten uit mijne verzameling voor als 
nog liever heb willen achterhouden , ten einde geene 
fchadelijke verwarring te veroorzaken. 

Een ieder, die met de werken der Duitfchers en 
Franfchen over de Mollusken bekend is, zalgereede- 
lijk inzien , dat er bij de thans reeds bij ons bekende 
foorten nog verfcheidene door naauwkeuriger onder- 
zoek znllen kunnen gevoegd worden, hetgeen een 
elk ten fpoordag moge verftrekken om ook dit ge- 
deelte onzer Fauna meer en meer tot volledigheid 
te brengen ! 

v, H. 



C 131 ) 

C. L. BLUME , Monographie der Oost -Indifchc 
P eper foor ten , in de Verhandelingen van het Ba- 
tayiaasch Genootfchap yan Kimflen en Weten- , 
fchappcn, Batavia 1826, Elfde Deel, bl. 137— 255.//^ 

De natuurlijke familie der Piperaceae of Peperge" 
wasfen , welke in onze Oost - Indifche Koloniën zoo 
rijk is, verdiende zekerlijk wel eene afzonderlijke be- 
fcliouwing, welke alleen door hem behoorlijk kon in 
het werk gefield worden , die in de gelegenheid was , 
om deze planten, met zoo teedere en moeijelijk te 
ontleden bloemen, op de plaats zelve hunner groei- 
jing nog levende te onderzoeken. De verhandeling 
van den heer blume bevat in de eerde plaats een 
overzigt der onderfcheidene kenmerken en voornaamfte 
eigenfchappen der groeiwijze van de Piperaceae^ wel- 
ke in den Indifchen archipel doorgaans küjnmende 
gewasfen zijn. Hij gaat in de eerfte plaats de Pe- 
pergewasfen ten opzigte hunner wortelen, (lengen, 
bloemen, vruchten en ontkieming, van bl. 143 — 157, 
in het algemeen na , waarbij mij inzonderheid van 
groot aanbelang voorkwam , hetgeen de fchrijver meldt 
nopens de ontkieming van Piper denfum , welke hij 
heeft waargenomen en op plaat VI naauwkeurig doen 
afbeelden. Bl. maakt (bl. 155) het befluit hier uit 
op , dat de Piperaceae tot de groote afdeeling der 
Monocotyledoncae zouden behooren, hetgeen echter 
onlangs is tegengefproken door ad. brongniarï 
(^Annales des fcienccs naturelles, Oct. 1827, XII. 
p. 223), die het deel, hetwelk bl. voor eene zaad- 
lob aanziet , befchouwt als eene foort van ejidosper- 
mium of albiimen , en dus niet behoorende tot den 

I 4 eigen- 



( 132 ) 

eigenlijken etnbryo , terwijl de -beide , door bl. be- 
Ichrevene zaadblaadjes (folia feminalia) , ncce zaad- 
lobben (^coty ledones') zouden ,zijn. Men moet inder- 
daad bekennen dat, naar deze nieuwe verklaring, de 
ontkieming der Pepergewasfen eenvoudiger en duide- 
lijker is, terwijl ik, in zoo verre men alleen uit de 
afbeeldingen mag oordeelen , ter bevestiging van het ge- 
voelen van BRONGNiART zoudc aanvoeren , dat het 
in de vooronderftelling van bl. moeijelijk is te ver- 
klaren , hoe eene zaadlob , die tot voeding der ont- 
kiemende plant moet flrekken en daarom op de 
, grondfchijf (j:ollutn) der plant of het jonge (lammetje 
is ingevoegd, zich juist bij die ontkieming in de Pe- 
perfoorten van het plantje zoude affcheiden. Daaren- 
boven is de vorm der eigenlijke bladen van Piper 
denfum ^ bij bl. ƒ. i8 afgebeeld, verfchillend van 
die der blaadjes , welke brongniart bij deze zelfde 
foort voor zaadlobben houdt. Ook zijn de bladen bij 
de Piperaceae doorgaans tegenovergefield (bl. bl. 
144) en mede in de verdeeling hunner aderen meer 
overeenkomflig met de bladen der Dicotyhdoneae, 
gelijk bl. bl, 156 dit zelf aanmerkt , zeggende: „Op- 
„ merkenswaardig blijft intusfchen de verdeeling der 
„vaten in de bladeren van vele Piperaceën op de 
„ wijze , welke wij flechts bij hoogere gewasfen ,ple- 
„gen waar te nemen, en waardoor onder anderen 
„jussiEU fchijnt bewogen te zijn geworden, om de 
^^ Piperaceën onder de Dicotyledonen tot de familie 
„der Urticeën te trekken. Ook kan ik niet onopge- 
„ gemerkt laten , dat de Piperaceën zelven eene , 
„fchoon verwijderde, verwantfchap bezitten meteeni- 
„ ge Dicotyledonen , en onder deze voornamelijk met 

« ChlO' 



( 133 ) 

^^Chhramhiis en Ascarind'' enz. Volgens brown en 
BRONGNIART t. 3. pi. , hccft het zaad der Pepcrge- 
-wasfen veel overeenkomst met dat der Nymphaea, 
zoo voortreffelijk ontleed en afgebeeld door brong- 
NIART , Ann. d. fc. nat. XII. pi. 39. 

Het genoemde algemeen overzigt der groeiwijze 
dezer planten, wordt opgehelderd door zes zeer 
goede platen, de deelen van bloera en vrucht aan- 
toonende. Voor het overige behoort tot deze mono- 
graphie nog eene opnoeming, korte kenfchetfing , 
opgave van groeiplaats en befchrijving van 31 eigen- 
lijke peperfoorten en 10 foorten uit de afdeeling 
der Piperomiae, wier erkenning gemakkelijker wordt 
door bijgevoegde omtrekken van alle de vermelde 
Iborten, naar gedroogde exemplaren vervaardigd. Al- 
les draagt blijken van den onvermoeiden ijver en 
geestdrift van den fchrijver, die door deze verhande- 
ling zoo wel als door zijne vroeger uitgegevene ge- 
fchriften der wetenfchap krachtdadig bevorderlijk is. 

Ik eindig met de opnoeming der foorten, welke 
BL. van bl. 157 tot 238 opgeeft , als door hem voor 
het eerst genoemd en kunstmatig befchreven. Zij 
zijn: Piper cekbicum ^ fulcatum ^ nigrescens ^ Lo- 
•wong^ Baniamenfe , mimaium , auriculatum ^ bac- 
catuniy recurvum, arcuatum ^ acre ^ fundaiciim, 
crasfum , albido -punctatum , denfum , maculatiim , 
majusculum , caninum , mucronulatum , muricatum , 
molUsfmum en onder de afdeeling der Piperomiae : 
Piper candidum , nervoso - venofum , laevifolitm , bi- 
lineatum , exiguum , pufdlum , recurvatum , ftibro- 
tundum en convexum ; een belangryk toevoegfel, 
voorzeker, tot eene tot dus verre zoo onvolledig be- 
kende planten - familie ! v h 

15 



WETENSCHAPPELIJK!: BEÏIIGTEN. 



137. De 



137. ±Je la rive heeft gezien, dat de draden van 
den galvanifchen toeftel electrisch waren gewor- 
den , en eene tegengeftelde electr. hadden verkre- 
gen aan die, welke zij volgens de plaatfing, aan 
den toeüel hadden. Deze draden , of derzelver ftuk- 
ken , bragten op den galvanometer zeer merkbare uit- 
werkfelen ie weeg. Geleiders der electr. worden dus 
zelf electrisch. VloeiftofFen echter worden dit niet. 
(Bibl. univ. Juin 1827 p. 92.) Hierop moet men bij 
het gebruik van galvanometers opmerkzaam zijn, en 
welligt nooit twee waarnemingen met denzelfden galva- 
nometer fpoedig op elkander laten volgen. Want de 
geleiders behouden deze electriciteit gedurende eeni- 
gcn tijd. (^Zie hierbij het ftuk van den heer v. beek , 
in het eerfiegedeehe van dit iV°.) c. j. m. 

138. Becquerel vond, door eene fchijf van kurk 
tegen een kristal, b. v. van IJslandfchefpath te druk- 
ken, dat de ontwikkelde electriciteit evenredig was 
aan de drukking. Hij deed, zonder het contact te 
veranderen, de drukking dan eens grooter, dan eens 
kleiner zijn, en vond de electriciteit evenredig aan 
de grootfte drukkingen. Hier hadden dus de mindere 
drukkingen, door de flechte geleiding waarfchijnlijk , 
geene verandering te weeg gebragt. — De onderlinge 
aaneenhcchting der platen van een kristal brengt dezelfde 
uitwerking voort als de drukking. Want door deze 

van- 



C 135 ) 

vaneen te feheiden ontwaart men dezelfde hocveel- 
lieid electriciteit, als welke waargenomen wordt in- 
dien men deze vaneengefcheiden plaatjes, tegen elkan- 
der drukt, om ze weder vaneen te brengen. (Ann. 
de Ch. et Phys. Nov. 1827.) g. j. m. 

139. Volgens waarnemingen van arago is het bui- 
ten twijfel, dat het noorderlicht invloed op de 
magneetnaald uitoefent ; ten minfte uit zijne waarne- 
mingen blijkt het genoegzaam , dat de magneetnaald 
merkbaar wordt aangedaan , wanneer er noorderlicht 
wordt waargenomen; want dat zij of door het noorder- 
licht zou aangedaan worden, is eenc gansch andere 
zaak en uit zijne waarnemingen niet op te maken. 
In de Globe, Jan. 1828, leest men, dat op den 29 
Maart 1826, des avonds tusCchen 8 en 10 ure, de 
magneetnaald van het Obfervatorium te Parijs , zeer 
onrustig was. Arago befloot hieruit, dat op dien 
tijd in het noorden noorderlicht moest gezien zijn. 
De Engelfchen , die tegen het gevoelen van arago 
zijn, waaronder vooral brewstër van Edimburg, 
dragen geene kennis van eenig noorderlicht op dien 
tijd, en trekken hieruit eenig bewijs tegen het ge- 
voelen van arago. Dalton intusfchen heeft het- 
zelve juist toen waargenomen , en hoewel het zich 
niet zeer boven den horizon verhief, zoo was er 
echter geen twijfel aan , of het was inderdaad noor- 
derlicht. — Uit deze waarneming moeten wij dus 
flechts alleen befluiten, dat de magneetnaald, ten 
tijde, dat er noorderlicht is, verandering ondergaat; 
doch geenszins , dat deze verandering door het licht 
worde voortgebragt. Er zoude veeleer hieruit vol- 
gen , dat dezelfde oorzaak , die noorderlicht voort- 

bragt , 



( 136 ) 

bragt, ook oorzaak van het hewcfjen der naald was; 
vooral indien waarnemingen bevestigden, dat er eene 
gelijktijdigheid tusfchen beider begin en einde be- 
ftond. G. j. M. 

140. ScoRESBY deelde aan de Akademie van Wet. 
te Parijs, gevolgen mede van het (laan van den blik- 
fem in een fchip, dat tusfchen Londen en New-York 
heen en weder vaart. Het fchip was met eenen af- 
leider voorzien. Deze werd door den blikfem ge- 
fmolten; zelfs viel de ijzeren conductor droppels- 
gewijs in zee. Een chronometer geraakte geheel en 
al van den gang, en naderhand vond men dan ook 
alle deelen van denzelven magnetisch. Een oud man , 
die federt drie jaren eene verlamming in de beenen 
had gehad , lag te bed , zeer digt bij de plaats , waar- 
heen de blikfemftraal toog. Deze fprong eensklaps 
op en was en bleef herfteld. Alle ijzeren en ftalen 
ftukken , die men onderzocht, vond men magnetisch. 
De kompasfen waren in dezelfde kamer geplaatst ge- 
weest. Sommige van deze waren verfterkt, anderen 
verzwakt ; bij fommige waren de polen omgekeerd , 
bij anderen vernietigd. (Globe, Jan. 1828.) 

G. J. M. 

141. De belangrijke electrifche eigenfchappen van den 
tourmalin heeft becquerel op nieuw onderzocht, 
en tot grootere duidelijkheid gebragt. In eene le- 
zing, den 7 Januarij 1828, in de Akademie van We- 
tenfchappen, te Parijs, gehouden, heeft hij eerst de 
gefchiedenis van deze electrifche verfchijnfelen , van 

THEOPHRASTUS af, tOt AEPINUS, PRIESTLEY Cn CAN- 

TON toe, doorgeloopen , en hierna zijne eigene bevin- 
dingen medegedeeld. Op 310 cent. is de elect. polari- 
teit 



C 137 ) 

teit zeer merkbaar , en deze houdt de tourmalin tot 
over 150% indien de temperatuur niet ophoudt toe 
te nemen. Want is zij een oogenblik dezelfde, zoo 
verdwijnt de polariteit en treedt elders te voorfclujn , 
zoodra de temperatuur begint te dalen; zoodat de 
pool, die eerst pofitief was , nu negatief wordt. Zoo 
lang de fteen electrisch is, neemt hij noch van an- 
dere omliggende ligchamen electriciteit af, noch deelt 
deze aan dezelve mede. De oorzaak van het gemeld 
verfchijnfel heeft dus hare plaats geheel en al in de 
molecules van den (leen. Wordt de fteen aan ééne 
zijde verwarmd, of neemt deze warmte wederom af, 
zoo heeft in beide deze gevallen deze zijde eene te- 
genovergeftelde electr. ; aan de andere zijde wordt 
ook geene electr. medegedeeld van de verwarmd ge- 
weest zijnde of nog verwarmd wordende eerde zijde. 
Zoo doende kan dan de tourmalin tot op eene ze- 
kere temp. verwarmd worden , zonder meer dan ééne 
electriciteit te bekomen; hetwelk tot heden toe het 
eenigfte voorbeeld van dien aard is. (Bulletin des fc. 
math. Fév. 1828.) — Hieruit zijn vele belangrijke 
gevolgen voor de electro- chemie op te maken, en 
wordt het geheel en al uitgemaakt , dat de molecules 
der ligchamen voortdurend electrisch zijn kunnen , 
hetwelk meer betwijfeld dan vooronderfteld is. 

G. J. M. 

142. Eenen regenmeter, die zoo wel de hoeveelheid 
regenwater , hetwelk in korten lijd , als dat hetwelk in 
een langer tijdvak gevallen is, aanwijst, heeft j. 
TAYLOR bekend gemaakt. De belchrijving van dei- 
zelven is te vinden in froiuep's Not. No. 419, 
Feb. i8a8, vyaarbij twee afbeeldingen gevoegd zijn, 

die 



C 138 ) 

die de uit- en inwendige zamenftelling van dcnzelvcn 
duidelijk voorftellen. Wij moeten onze lezers hier 
naar verwijzen , omdat wij zonder afbeelding moeije- 
lijlc liet werktuig kunnen doen kennen. Een trechter 
eindigt in eene enge buis, die het door den eerften 
opgevangen water brengt , op een , met kromme fchoep- 
jes voorzien waterradje. Dit rad wordt dus door het 
gewigt van het water bewogen , en zal naar mate der 
hoeveelheid water meer omgedraaid worden ; hetwelk 
door eenen index kan worden aangeduid. Dit is 
dus voor kleine hoeveelheden water voldoende. Brengt 
echter de trechter meer water aan , dan op eene der 
fchoepen kan geladen worden , zoo vervangt eene an- 
dere deze laatfte , en door middel van raderwerk en 
indices is men alzoo in ftaat het aantal omdraaijingen 
van het rad , dus de hoeveelheid gevallen regenwater 
in den trechter naauwkeurig te kunnen bepalen. — 
Deze regenmeter heeft twee voordeden : 1°. wijst 
hij zonder eenige bijzondere handgreep de hoeveel- 
heid water aan ; 2°. wordt er weinig water uit den- 
zelven verdampt. g. j. m. 

143. Door oxydum cupri heeft marcet amylum, 
hordeïnum , gluten en fermentum ontleed (Mém. de 
la Soc. de Phys. etc. de Genève, T. ap. apag. 217.) 
en er de volgende evenredigheid der beftanddeelen in 
gevonden. 

Carbonium Oxygen. Hydrog. Azotum 
Amylum . . • . 43,7 . 
Hordeïnum . . . 44,2 . , 

Gluten 55,7 . . 

Fermentum . . . 30,5 . , 



49,7 • 


. 6,6 . . „ 


47,6 . 


. 6,4 . . 1,8 


22,0 . 


. 7,8 . . 14,5 


57,4 • 


. 4,5 . . 7,6 




G. J. M. 




144. Bij 



( 139 ) 

144' Bij gelegenheid eener vergiftiging door rotten- 
kriiid, te Edimburg gelcliied, kwam voor de regt- 
bank de vraag voor , of liet rottenkruid al dan niet 
eenigen fmaak Iiad , en zoo ja , welken. Daar de gevoe- 
lens hierover verfchilden, en men bij fommige fchrijvers 
eenen zuren fmaak!, bij anderen eenen zoeten , bij ande- 
ren eene fmakeloosheid vond aangeteekend, werden er vijf 
heeren in commisfie gelleld, om den fmaak van rot- 
tenkruid te bepalen. Men deed , te dien einde , 
2—4 grein fijn rottenkruid op het midden der tong van 
deze heeren plaatfen, gedurende den tijd van § mi- 
nuut. Twee van de vijf meenden eenen zoeten fmaak 
waargenomen te hebben , de anderen hadden geenen 
fmaak waargenomen. Eene oplosfing van rottenkruid 
deed aan allen een' flaauwen zoeten imaak gewaar 
worden. (Journ. de Ch. IVIéd. Janv. 1828). Wij zou- 
den van meening zijn , dat de eerfte zeer gevaarlijke 
proef had kunnen befpaard worden. Want wij ge- 
looven , dat de verbeelding veel fterker in het enkel 
aanraken van een droog poeder, op de tong ge- 
plaatst , op den fmaak zal werken , dan dit poeder 
zelf. Smaken toch , indien dit goed zal gefchieden , 
vereischt oplosfing van drooge zelffl:andigheden in , 
of vermenging van deze met het fpeekfel , en vooral , 
indien de fmaak niet zeer fterk door hetgeen men 
proeft wordt aangedaan , drukken van de tong tegen 
het gehemelte , en verdeeling van de te proeven zelf- 
rtandigheid. Het drukken, om dezelfde zenuwtepeltjes 
Iterker, het tweede , om meer zenuwtepeltjes aan te 
doen. G. j. M. 

145' Uit barometrifche waarnemingen te Christiania 
<loor HANSTERN gedaan, gedurende den tijd tusfchen 

Nov. 



( Ho ) 

Nov. 1822 en April 1824, blijkt het, dat de dage- 
lijkfche veranderingen des morgens gemiddeld zijn ; 
o""', 533, des avonds o""", 396. Hansteen geeft 
op de volgende wijze den invloed der maan op den 
baromeierftand op : 

verandering des morgens, verandering des avonds. 

Eerfte kwartier .... 0,549 0,263 

Volle maan 0,963 0,121 

Derde kwartier .... 0,360 0,509 

Nieuwe maan 0,348 0,460. 

Deze getallen drukken het gemiddelde uit der ver- 
anderingen van den barometerftand , waargenomen op 
den dag der kwartieren en vergeleken met dien van 
den voorgaanden en volgenden dag. (Buil. des Sc. 
matli. Janv. 1828). g. j. m. 

146. De Groninger Courant van 25 Maart 1828 
deelt ons eene vergelijkende tafel mede van gelijktijdig 
(des morgens te 7 uren) hier te Lande gedane waar- 
nemingen met den thermometer van fahrenheit, 
waaruit bleek , dat het gedurende negen dagen te 
Groningen fteeds kouder was dan op Zwanenburg , en 
op Zwanenburg weder eenigzins kouder dan. te Haar- 
lem. De thermometer toch ftond 

te Groningen. Zwanenburg. Haarlem. 

10 Febr. ai gr 28 gr a8| gr. 

11 19 — 2oi — 2li — 

12 15 — 16 — 17 _ 

13 19 — 22^— 23f ^ 

14 15 — i6f — 19 — 

15 ^- 20 — 26^ ~ 28J — 

16 — • 21 — 27 — 29 — 

17 24 — 25I— 25§ — 

18 2o| — 23 — 23 — 

De windftreek was gedurende die dagen . nïeeren- 
deels noordelijk en oostelijk. v. h. 

147. Prof'. 



( 141 ) 

147» Prof', j. NÖGGERATH te Bonn, heeft on- 
langs een belangrijk berigt over het gedegen goud , 
dat men in de aan Pruisfen toebehoorende Moezel- 
ftreken vindt , medegedeeld. Het is van het ftof-goud 
in den Rhijn geheel verfchillend , en komt waarfchijn- 
lijk uit onderfcheidene kvvartsaderen van het Grau- 
wacke gebergte van den Hundsrücke, Een in No- 
vember 1826 gevonden ftuk bevestigt deze gisfing. 
Het werd in de beek, welke Grosbach heet, en die 
zich bij Enkirch in den Moezel (lort, gevonden. Het 
woog vier lood, was een' duim , 8 lijnen lang, 9 lij- 
nen dik , van buiten door afrolling gedepen , met 
verfchillende holten en gaten voorzien en met kleine 
kwart sjliikjes vergroeid. Kon men de goudvoerende 
aderen zelven opfporen, zij zoude gegronde hoop op 
grooten overvloed van metaal geven, daar men het 
in losgeraakte ftukken van vier lood gevonden heeft. 
(D'. j. s. c. scHWEiGGEa und D'. f. w* 

scHWEiGGER -SEiDEL , Jahrbuch der Chemie 

und Phyfik für 1827. Bd. 2. Heft. 3. S. 

257—263). J. V. D. H. 

148. Casaseca heeft een nieuw mineraal naar 
THENARD ThcnarcUte genoemd. De grondvorm is 
eene regte zuil met rhomboïdifche grondvlakte; de 
kristallen vertoonen ook eene octaëdrifche gedaante. 
De foortelijke zwaarte is 'o.^'j^. Het bcftaat uit ^^^i'i 
zwavelzure foda en aa deelen koolftofzure foda. Men 
vindt het bij Espartines , vijf mijlen van Madrid. 
Van het Glauberit is het zoo wel door fcheikundige 
zamenftelling als door krisialvorm ondeifcheiden. 

(Journal de Pharmacie et des fc. accesfoires 

1826, T. XII. p. 393). J. V. D. H. 

Bijdragen, D.ni. ST. 2. K 149. On- 



C I4Ü ) 

149. Onlangs heeft bertiiihr een nieuw mine- 
raal ontdeiit in de bruinfteenmijnen van het departe- 
ment van de Dordognc. Hij noemt het Nontronite, 
Het heeft de zelfftandighcid van kleiaarde , is ftroo- 
geel , wordt , in water gedompeld , doorfchijnend , 
en neemt bij calcinatie eene roestkleur aan. Deze 
delfrtof beftaat uit kiezelaarde , ijzertritoxyde , aluin- 
aarde, magnefia en water. Men kent geen ander 
:mineraal, dat er mede overeenkomt. De bleeke 
ijléur, die bij de donkerroode van het ijzertritoxyde 
fterk aflleekt, hangt ongetwijfeld van de groote hoe- 
veelheid water af, die een gewigtig beflianddeel de- 
zer delfilof uitmaakt. (Bullet. des Sc. nat, Aoüt 
1827. p. 428.) J. V. D. H. 

150. Een Amerikaansch Journaal (^Amcric, Journ. 
of fciences and arts) bevat een allerbelangrijkst be- 
-rigt der ontdekking van gedegen ijzer ^ in den berg 
■Canaan , in den Amerikaanfchen Staat Connecticut. 
De ontdekker, de Majoor burral, geeft, op dat 
hetzelve eene ader of dunne laag vormt in Glimmer- 
fchiefer. Het metaal heeft al de gewone kenteeke- 
nen van ijzer, en is zeer fmeedbaar. Dit is het 
eerfte voorbeeld van gedegen ijzer , niet luchtfteen- 
aardig in Amerika gevonden. Men bemerkt, dat des- 
zelfs vorming natuurlijk is aan deftrepen, welke deze 
Ibort van bergftofaders oplevert , en aan de kleine 
vlakken witte en witachtige kwarts , waarmede de 
masfa is doorweven. De Nickel, welk beftendig 
in het mcteorisch ijzer gevonden wordt , maakt geen 
deel der zamenftelling uit. Sheppard heeft de na- 
tuur- en fcheikundige eigenfchappen van dit gedegen 
ijzer bepaald. — Op het eerfte aanzien gelijkt het- 

zei- 



C 143 ) 
zelve veel naar gekristallifeerd potlood, omdat bet- 
zelve overdekt is met een dun huidje van deze delf. 
ftof, waardoor hetzelve tevens volkomen tegen ver- 
huring is bcfchermd. Het maakfel is duidelijk kris^ 
talvorm,g ; ten opzigte van hardheid en magnetifche 
e.genfchappen verfchilt het niets van het^gewone 
Ijzer; de (oortelijke zwaarte verfchilt van ^n toto 7- 
gedeelten van echt natuurlijk ftaal vindt^men foV- 
tyds in de masfa. De delfftof houdt noch koper 
noch lood in zich , waardoor dezelve verfchilt van 
I^et gedegen Sakfisch ijzer, in welk klaproth zes 
deelen lood en een deel koper heeft aangetroffen (*). 

VAN P.OSSEM. 

151- Op 

_ C) Bij het vermelden dezer ontdekking is het wel 
l.gc met onbelangrijk met een enkel woord te berig- 
ten dat zich in mijne verzameling eene delfftof be- 
vindt, welke mij en eenige delfftofkundigen , die dezelve 
zngen, hoogstmerkwaardig is voorgekomen. Het bedoelde 
ftuk ,s afkomftig uit de verzameling van den Predikant 
VAN EIK, van Loosdnynen, bij 's Hage , en door den- 
zelven aldus befchreven : , Herkomfdg uic het land der 
Caiters, bevat in zich eene roode verffcof als menie, welke 
door de Hottentotten als verf wordt gebruikt en de eenige 
IS, welke zij bezitten. De fteen is mij vereerd den' 7.Mei 
1797, door den heer sluyske, oud Gouverneur van de 
Kaap de Goede Hoop;" - dezelve behoort tot de klap- 
perfceenen (fer oxydé géodique). doch is merkwaardig 
door deszelfs buitengewone groqae, zijnde nagenoeg op 
h" langst ö duim, op het breedst 4 duim, heeft eene 
eivormige gedaante, de oppervlakte is ruw, de kleur 
paarsachcig, van binnen bevindt zich de zoogenaamde verf- 

. ftof, 

K 2 



C 144 ) 

151. Op Sumatra en Bantam heeft men, gelijk 
wij lezen in de Notizen van froriep, XIX. p, 10, 
rijke fteenkoolmijncn ontdekt , welke ontdekking zoo 
wel voor de Geologie van Azië als voor het ge- 
bruik van de bewoners dier ftreken van groot ge- 
wigt is. Welligt zal dit ook het gebruik der ftoom- 
vaartuigen in genoemde landen algemeener maken. 

V. H. 

152. De Mesfager des fciences et des arts van 
1827 , bevat eenige onderwerpen , die voor onze le- 
zers van nut kunnen zijn , doch waarvan wij tot dus 
verre toevallig verzuimd hebben , melding te maken. 
Uit eenen brief van den heer verminck , van Ype- 
ren , leer en wij : 

1°, Dat de fchors van de Larix bij eene goede 
behandeling beter tot leerlooijen gefchikt is, 
dan de eikenfchors , bl. i. 

2*. Dat het fchadelijk is Naaldboomen (Coniferae) 
te fnoeijen , omdat de inplanting van den tak 
in den ftam niet volkomen vastgroeit , als deze 
takken voor hunnen tijd worden afgehouwen, 
hetgeen wel gefchiedt als de tak zoo lang blijft 
groeijen , tot zij door ouderdom afvalt. 

3». Dat de witte Amerikaanfche Eschdoorn (Era* 
Me blanc d^ Amérique) ^ hem belangrijke reful- 
taten heeft opgeleverd, zoo voor de fnelbeid 

van 

fiof, welke volgens gedane ontleding beftaat uit ijzer- 
oxyde , met een groot deel Alumine of Kleiaarde, — Men 
kan dezen fceen befchouwen als een' bal , welke uit ver- 
fchillende lagen op elkander is gevormd, en de gekleurde 
fcof , even als de fchaal de vrucht , orafluit. v. r. 



C H5 ) 

van haren wasdom als de fterkte van haar hout. 
Zijne proeven hieromtrent verdienen nagelezen 
te worden, bl. 3—9 en bl. 11— 15. v. h. 
153. In hetzelfde Tijdfchrift vinden wij bl. 15—39 
eene verhandeling van a. fee, over de namen der 
planten , waarin hij , na de algemeenfte fouten der 
thans beftaande nomenclatuur te hebben aangewezen, 
enkele verbeteringen aanraadt , van welke mij de bruik- 
baarfte toefchenen , die , welke wij bl. 35 aantreffen. 
Hij wil , namelijk , de namen van alle natuurlijke fa- 
niiliën uit de Acot'^jledoneae doen eindigen op / , b. v. 
Fuci ^ Fufigi, uit de Momcotyledoneae op //,. b. v. 
Gramina, uit de Dicotyledoneae op ae , b. v. Cru- 
ciferae, Myrtaceae enz., hetgeen zeker veel gemak en 
geene zwarigheden van belang zoude geven. Voorts wil 
hij alle nieuw te vormen geflachten der dicotyledoneae 
doen eindigen op umyder Monocotyledoneae op <z, der Di- 
cotyledoneae op us» Deze voorflag verdient navolging, 
vooral voor de namen der natuurlijke familien , welke 
alle op deze wijze behoorden veranderd te worden. 
De beftaande geflachtsnamen moesten, naar mijn ia- 
zien, blijven, de nieuwe konden op genoemde wijze 
gevormd worden , ten ware men het beter mogt oor- 
deelen om de namen der Monocotyledonifche geflach- 
ten niet te doen eindigen op a , maar b. v. op en , 
als in gramen , wanneer men dadelijk aan de flot- 
klank des woords hooren kon , of men den naam 
eener natuurlijke familie of van een geflacht bedoelde. 

V. H. 

154. De groote vermeerdering van Yai bedwelmend 
Raygras of Dolik (Lolium temulentum), welke in 
de prov. Luik , federt eenige jaren , plaats heeft ge- 

K 3 had 



C 140 ) 

had en veel fcliade veroorzaakt , wordt in 'neizellUe 
Tijdfchrift, bl. 151 — 157 toej^eCchrevcn aan eene 
verkeerde vruchtopvolging, waarbij men vele graan- 
oogften elkander laat opvolgen , zonder die met peul- 
vruchten enz. genoegzaam af te wisfelen. v. h. 

155. De gebroeders cappucino , papiermakers te 
Turijn, vervaardigen papier uit de fchors van Wil- 
gen , Populieren en andere boomen , zoo wel druk- >, 
Ichrijf- als pakpapier. London Journ. of Arts , Junij 
1827, p. 225 en Pol'^t. Journ. Oct, i3b7, p. 88. 

V. H. 

. / 156. In het Buil. d. Sc. nat. et de Geologie , 
J>ïov, 1827, p. 321 — 326, vindt men waarnemingen 
van LEBAiLLiF over de zonderlinge circulatie der 
fappen in de Charae, welke door den phyfioloogmet 
belangfiielling zullen gelezen worden. v. h. 

157. De beroemde agardh heeft in de Acta 
Acad. C. -L. Nat. Cur. XIII. p. 83 en volgg. > 
eene verhandeling geplaatst over de verdeeling der 
planten naar de Cotylcdones , en daarin onder ande- 
ren betoogd, dat de zaden der Monocotyledoneaé ^ 
over het algemeen , geen albumen bezitten , daar het- 
geen men tot dus verre daarvoor aanzag , met de 
kiem (embryo) zamenhangt en dus voor eene zaad- 
lob (cotyledon) moet gehouden worden. De zaad' 
lobben en het kiemwit (albumen), komen in zoo 
verre overeen , dat' zij beiden beftemd zijn om de kiem 
te voeden, doch de eerfte hangen daarmede zamen , 
het laatfte niet. v. h, 

158. In eene disfertatie te Upfal in 1824 ver- 
dedigd door E. c. THOLER , Examen Clasfis Gynan- 
driae , raadt thunberg het wegwerpen van de 

klas- 



C 147 ) 

klasfe Gynandria uit het fystcma fexuah aan , en 
het plaatfen der Orchideae in de eerfte klasfe, bij de 
Scitamineae ; terwijl ool< de overige geflachten der 
Gynandria, volgens hem, in andere klasien beter 
hunne plaats vinden. Zie het Bulletin^ Fdvr^ 182^}^ 
p. aoo. Ili merk bij deze opgave echter aan , dat 
THUNBERG Tccds in de voorrede zijner Flora Japo- 
nica , te Leipzig in 1784 uitgekomen, hetzelfde ge- 
voelen heeft geopenbaard , en dat dit onder anderen 
door HAENKE , in de achtfte uitgaaf der Genera 
plantarum is nagevolgd, v. h. 

"^^9' Op gelijke wijze heeft thunberg door 
wiNBERG en wiDMARCK, in 1825, te Upfal eene 
disfertatie laten verdedigen , onder den titel van Flo^ 
rula Javanica ; waarin hij berigt geeft van onder- 
fcheidene Botanifche exciirfiën, door hem op Java 
gedaan , en vele nieuwe plantfoorten doet kennen. Zie 
het Bulletin, Fdvr. 1828, p. 203. v. k. 

160. Wij hebben reeds vroeger nu en dan mel- 
ding gemaakt van de Linnaea , een Tijdfchrift voor 
de Plantkunde in haren geheelen wetenfchappelijken 
omvang , te Berlijn uitgegeven door den beroemden 
voN scHLECHTENDAL, die, als opzigter van het 
Koninklijk Herbarium aldaar, in de beste gelegen- 
heid is tot kruidkundige nafporingen. Dit Tijdfchrift, 
hetwelk voor eiken wetenfchappelijken beoefenaar 
der Botanie, zoo door oorfpronkelijke opdellen als 
door eenq bijgevoegde uitvoerige litteratuur der vooi^ 
naamfte volkeren van Europa van het hoogfte ge- 
wigt is, telt thans het derde jaar van zijn beftaan. 
Het eerde gedeelte des derden deels (Jan. 1828) is 
altiians niet minder belangrijk dan de beido vorige 

K 4 dee- 



C 148 ) 

deelcn. Het bevat i". eene verhandeling van ad. 
voN cHAMisso en van den uitgever zelve over de 
planten, in de reis rondom de wereld van chamisso 
verzameld. Deze verhandeling bevat in dit ftuk de 
Scrofularintac y Orchtdeac en Polygonae^ door vele 
belangrijke waarnemingen opgehelderd en met nieuwe 
foorten verrijkt. Vele andere natuurlijke familiën zijn 
reeds op gelijke wijze in vroegere (lukken van dit 
Tijdfchrift bearbeid ; 2°. eenige waarnemingen van 
CARL BOUCHÉ , over Cerastium vulgatnm , yiscofum , 
femidccandrum L. en Barbarea arcuata reich. , 
waarbij echter van Cerastium triviale link , door 
velen als Synonymon van C. yulgatum befchouwd 
(Zie Bijdr. III i , bl. 54 en 55), geen gewag wordt 
gemaakt; 3". een ftuk van l. c. treviranüs, 
over het infekt, dat in Opper -Italiën de wilde vijgen 
bewoont, met afbeelding van dit infekt en eenige 
ophelderingen en vragen over het nog altoos duistere 
punt van de Caprificatie der vijgen; 4°. eene aan- 
wijzing van de zeer talrijke verfcheidenheden der 
Ajuga genevenfis , door f. g. drees ; 5<*. ophelde- 
ringen nopens het gedacht Phragmidium link en 
Puccinia Potentillae^ door K. w. eysenhardt , met 
afbeeldingen. Eindelijk de tegenwoordige Botanifche 
Litteratuur (waaruit wij het een en ander hebben 
overgenomen) der Duitfchers , Franfchen , Engelfchen 
en Hollanders, (een uittrekfel namelijk uit onze Bij' 
dragen tot de Natuurkundige Wetenfchappen ^ over 
1826.) V. H. 

16 1. Yit \A2AtVi vm Angraecum fragrans ^ eene 
Orchidea van St. Mauritius , worden foms in de Ge- 
neeskunde gebruikt en in hun vaderland als thee ge- 

dron- 



C 149 ) 

dronken , zijnde zweetdrijvend en maagverfterkend , 
volgens A. RICHARD, in Journal deChimie médicalc 
etc. Paris 1827, KI. p, 180, v. h. 

162. De Cliinefche Tö/yti^'oöOT (Sedum fecoidesL.) 
is op St.Mauritius ingevoerd en aangebouwd. Men hoopt, 
dat dezelve daar de dierlijke talk zal kunnen vervan- 
gen. Zie FRORiEP, Notizen XIX. S. 25. v. h* 

163. Eene proef van thee^ in Brazilië gekweekt, 
is door den Braziliaanfchen gezant aan de Medico- 
Botanical Society gegeven, en bevonden gelijk te 
ftaan met de beste Hyfan-ihtt. Z\e frorirp. Noi, 
XIX. S. 202. v. H. 

164. De heer lorvoy cole , Gouverneur van Sr. 

. Mauritius , heeft een profesforaat gevestigd in de Bo- 
tanie, aan het Koninklijk College aldaar. Eene Flora 
van dat eiland wordt thans gefchreven door jonge 
Creolen , onder toezigt van m. w. boyer , Fransch 
Botanist van naam , die op Madagascar en Isle de 
France zich eenen geruimen tijd met de beoefening 
der Botanie heeft bezig gehouden. (Afiatic Journal , 
Jan. 1828, p. 66), w. d. h. 

165. Er beflaat te Groningen eene gewoonte, 
welke overigens , zoo ver ik weet , in ons Vaderland 
niet zeer algemeen is , dat men , namelijk , in het 
voorjaar in de maand April onderfcheidene planten 
of jonge uitfpruitfels in het wild opzoekt en gebruikt 
in groenten foepen , welke eene losmakende en eenig- 
zins diuretifchc kracht fchijnen te bezitten. Hiertoe 
gebruikt men voornamelijk het zoo gemeene als fcha- 
delijke onkruid, de Hanepoot (^Aegopodium Poda' 
grarid) hetwelk-, naar men mij verzekerd heeft, in 

K 5 de 



C 150 ) 

de Mcijerij van den Rnscli , onder den naam van 
mlde Geer, tot hetzelfde oogmerk zoude dienen. 
Voorts de bladen van Ficaria ranunciiïoidcs ^ Ru- 
in c'x Acetofa ^ Gkchoma hcderacca , de jonge bla- 
den van Urtica dioica^ van Sambucus lügra , (die 
cenigzins catharctisch fchijnt te werken) van Ribcs 
nigrum (welke diiuxlisch werkt) , van Kibes uva 
crispa , alle doorgaans van wilde of verwilderde plan- 
ten verzameld, waarbij men dan nog een weinig ker- 
vel, jonge ^o^r(?;^/too/- bladen en prei bijvoegt. Hoe 
menig nuttig gebruik zoude er niet nog van onze in- 
landfche planten kunnen gemaakt worden , indien de 
plantkunde eenc algemeen vcrfpreide wetenfchap wierd. 

V. H. 

166. Kort na de uitgave van mijne Verhandeling 
over de Hennepteelt , deelde de Hoogl. moll mij de 
belangrijke daadzaak mede, dat de hennep in Zwitfer- 
land op eene zeer groote hoogte boven de opper- 
vlakte der zee geteeld wordt. Te Obergestelen toch , 
omtrent 1300 meters boven de zee, waar de rogge 
onrijp wordt gefneden en op rekken gedroogd, en 
waar men in het laatst van Augustus nog geene nieuwe 
aardappelen kan hebben, wordt evenwel de hennep 
met goed gevolg verbouwd. Dit zelfde heeft ook el- 
ders in zeer hooge bergftreken in Zwitferland plaats C*). 

V. H. 

167. Als 
(*) Ik maak van deze gelegenheid gebruik, om eeue 
kleine misftelling in genoemde VerhandeÜDg , welke ligt tot 
verkeerde denkbeelden aanleiding zouden kunnen geven, 
aan te wijzen. Ik heb daar, namelijk op bl. 54 gezegd, 
dat de raapkoeken als voeder fchadelijk zijn voor het rund- 
vee,— 



( 15Ï ) 

167. Als een middel om oude vfiichtboomen , en 
bepaaldelijk appelboonien , weder vruchtbaar te ma- 
ken , wordt in liet Polytecfw. Join-n. 1827, B.XXVI 
S. 270 aangeraden , om eenig zout op eenen geringen 
afftand der boomen op den grond te ftrooijen. Ik mag 
er den raad wel bijvoegen , om fleclits eene zeer ge' 
Htjge hoeveelheid daarvan te nemen , daar anders het 
zout, gelijk bekend is, voor den wasdom der planten 
zeer fchadelijk is.- •"■■■" a-: .mVv .^...v^ ; V. h. 

168. Het XXVIIrt" deel Vaft'hét 'Potjttchn. Journ, 
bevat vatt bl. 200 tot 228 zeer vele lezenswaardige 
berigten, overgenomen uit het Bulletin de la Socicté 
ijidiistrielle de Mulhaufen N°. 3, nopens de teelt der 
meekrap en hare bereiding totverwlTof. Deze fliikken 
zijn te uitvoerig , om daarvan een volledig uittrekfel 
te geven , doch ik merk alleen aan , dat volgens 
KOECHLiN-scHouCH ald. bl. Sip de meekrap niet 
voor het einde van het derde jaar opgedolven moet 
worden , omdat in het eerde en tweede jaar van haren 
ouderdom de roode kleurdeelen minder, de gele of 
geelachtige daarentegen meerder in aantal zijn; en dat 
voorts in den wortel de fchors, die met den ouder- 
dom der plant dikker wordt, driemaal meer roode 
kleur bevat dan de houtachtige deelen. v. h 

1^9. In het Compte rendu des travaux de V Aca- 
demie des Sciences ^ pendant 1826, vindt men, p. 13, 
de opmerking , dat het den heer bonafous gelukt is , 

zij- 

vee. — Sommige landlieden verkeeren wel in dit denk- 
beeld, doch ten onregte, daar de raspkoeken in een grooc 
gedeelte van ons vaderland met goed gevolg aan het vee 
gevoederd worden. v. h. 



C 15a ) 

zijdcyforihen op te voeden met de Myagrtim fativtm , 
en dat hij dezelve, tot dit oogmerk, houdt voor het 
beste fiirrogaat der moerbeziëbladen. Zie Polytechn. 
Journ. XXVII. s. 240. Deze plantfoort wordt hier 
te Lande onder den naam van Hutuntut of Vlai- 
dodder , tot het winnen van olie aangekweekt op fom- 
mige plaatfen in Noord-Braband , Gelderland en de 
Veenkoloniën in de Prov. Groningen. v. h. 

170. In Ceylon worden thans, gelijk men ver- 
zekert, de olifanten voor den ploeg gebruikt. Zie 
FRORiEP, Not, XVIII. p. 346. v. H. 

171. Reeds federt eenigen tijd wist men uitFranfche 
journalen, dat magendie een weiachtig vocht in het 
kanaal der rugwervelen ontdekt had , hetwelk het rug- 
gemerg omgeeft. Ik heb echter gewacht melding van 
hetzelve te maken, tot dat ik het oorfpronkelijk be- 
toog zelf gelezen had. Hiertoe onlangs in de gele» 
genheid geweest zijnde, wil ik nu kortelijk zijne 
waarnemingen hieromtrent mededeelen. Dit vocht , 
Cephalo-rachidien genaamd, is tusfchen het zachte 
herfenvlies en het fpinnewebsvlies gelegen, wordt 
door de bloedvaten van het eerfte afgefcheiden , om- 
geeft het geheele ruggemerg en oefent met de vierde 
en dus ook met de overige berfenholten , door mid- 
del van eene opening, tegenover de calamus fcrip- 
torius gelegen, gemeenfchap. Deszelfs doel zoude 
zijn, het ruggemerg en de herfenen tegen uitwendige 
fchokken te befchermen; in deze deelen eene gelijk- 
matige temperatuur te onderhouden en hunne levens- 
verrigtingen door de drukking, welke het aan dezelve 
mededeelt, te bevorderen. 

Ik vergenoeg mij met deze korte opgave; vermits 

ei- 



( 153 ) 

eigene waarnemingen mij omtrent dit punt ontbreken , 
en ik derhalve die van magendie nocli ontkennen 
noch bevestigen kan. (^Zie Second mémoire fur Ie li- 
quide, qui se trouve dans Ie crflne et Tépine de 
Thomme et des animaux vertcbrés par m. magendie. 
Journ. de phyfiol. experiment, et pathologique. Tom. 
VII. V. num. 1827, p. 1 et fuiv. p. 66 et fuiv. 

w. V. 

172. In hetzelfde Tijdfchrift, Tom. VII. Avril 
1827, wordt eene vrouw vermeld, welke aan het 
midden en buitenst gedeelte der linker dij, eene derde 
mamfchijf , van tepel voorzien, bezat, in welke melk 
afgefcheiden werd, en door welke zij haar kind en 
een minnekind , hetwelk zij aangenomen had , zoog- 
de; terwijl daarenboven hare beide borften voortgin- 
gen eene aanmerkelijke hoeveelheid melk af te Ichei- 
den. vv. v. 

173. Over de ontwikkeling van het menfchelijk 
ei heeft de heer velpeau nafporingen bekend ge- 
maakt, uit welke hij eenige gevolgtrekkingen heeft 
opgemaakt, welke voornamelijk hierop neerkomen: 

1°. Dat het afvallend vlies van hunter door den 
prikkel der bevruchtiging , in de baarmoeder , reeds 
voor dat het eitje in dezelve gekomen is, gevormd 
wordt, en dat hetzelve alsdan de gedaante eener blaas 
zonder opening heeft, welke ten doel heeft om het 
eitje aan een bepaald punt der baarmoeder te be- 
vestigen. 

2». Dat de vlokken van het vaatvUes {chorion) 
geene vaten, maar flechts korrelachtige vezels zijn, 
iti welke zich later het vaatgeflel der moederkoek zal 
vormen. 

.q. Dat 



( 154 ) 

3"- I^^t '''^ï fchaapsvlics, in Iict eerst cJoor eenc 
naumcrkcïijke ruimte van het vaatvUcs gefcheiden 
is, welke ongevoelig van de eerftc veertien dagen tot 
•de derde of vierde maand der zwangerlcliap in grootte 
vermindert , en dat het zich in het eerst niet met de 
opperhuid der vrucht vereer.igt, maar wel later. 

4". Dat het nayelblaaije (yeficula iimbiUcalis') dient, 
om de vrucht gedurende hfi*«eerfl:e tijdperk zijner ont- 
wikkeling te voeden, tot zoo lang, namelijk, als de 
moederkoek en navelRreng nog niet gevormd zijn. 
Dit laatfte (Irijdt met het algemeencr en met meer 
grond aangenomen gevoelen, dat de placenta meer 
bepaaldelijk tot de ademhaling zoude dienen. Het na- 
velblaasje zoude derhalve met het vitellum van het 
ei der vogels te vergelijken zijn , met dit onderfcheid 
alleen , dat het laatfte bij deze blijvend is , terwijl 
het eerfte in de menfchelijke vrucht bij eene meerdere 
ontwikkeling verdwijnt. 

50. Dat de allantois in den mensch niet fchijnt te 
beftaan, maar dat een ander vlies tusfchcn het chorion 
en de amnios deszelfs plaats fchijnt te vervangen, 
hetwelk hij corps reticule noemt. Dit vlies bevat tot 
aan de vierde week der zwangerfchap eene witte flijm- 
achtige zelftlandigheid , welke hij meent, dat alsdan 
tot voeding der vrucht dient. (Zie Recherches fur 
l'oeuf humain, par m. a. velpeau, extrait. Annales 
.des fciences naturelles , Tom. XII. p. 172. 

w. V. 

^.,174. In de Notizen van froriep. Band XIX. 

S. 270 , is een merkwaardig geval overgenomen van 

seeii Iterk gezond man , van 34 jaren , die aan de 

beren van eenen verwoeden bijenzwerra blootgefteld, 

m 



C 155 ) 

in minder dan een kwartier uiirs omkwam. Moet deze 
plotfelinge dood aan de kraclit van liet venijn toege- 
fclireven worden , hetwelk op zoo vele plaatfen te 
gelijk aangebragt en door de opdorpende vaten in den 
bloedftroom gevoerd vi^as ? vv. v. 

175' Haulan heeft gemeend een hermaphrodiet 
Orang-Outang waargenomen te hebben, die behalve 
de gewone orgatja genitalia fe7ninina /«^erw/? , de uit- 
wendige van man en wijfje vereenigde, en ook boven- 
dien twee testes , echter zonder vafa dcferentia en ve- 
ficulae femitiales htzzx. Virey echter, die eene noot 
bij de befchrijving van deze wanfchapenheid gevoegd 
heeft, houdt, zoo als het mij voorkomt niet zon- 
der grond, dezen vermoeden hermaphrodiet voor een 
jong wijfje; hetgeen harlan voor een' ondoorboor- 
den penis aanzag, als een meer ontwikkelde clitoris 
befchouvmide , en aan de aanwezigheid van testes 
zonder de deelen , die bij dezelve behooren, niet 
hechtende; te meer, daar deze deelen te gelijk met 
de huid der fchaambeenftreek waren weggenomen. 
Misichien waren het ook wel flechts klieren. (Zie 
Description d'un Orang - Ontang , 'qui a vecu i Phi- 
ladelphie, par richard harlan , Buil. des fciences 
naturelles, N°. i. Janv. 1826'.; w. v. 

176. Hoe meer zich de dierkunde uitbreidt , hoe 
grooter de vorderingen zijn , welke in deze weten- 
fchap gemaakt worden , des te meer wordt men in de 
overtuiging bevestigd, dat alle dierlijke voortbreng- 
fels volgens een algemeen plan gevormd zijn, en 
overal punten van aanraking aanbieden , door welke 
alle gefchapene wezens zich zaraen verbinden en 
eene onafgebroken keten daarftellen. Om. zich hier- 
van 



( 156 ) 

van te verzekeren , behoort men echter niet alleen 
de reeds volwasfene volkomen ontwikkelde we- 
zens zamen vergelijken , maar ook de nog niec 
geheel ontwikkelde vruchten der volmaaktere met 
de reeds geheel ontwikkelde onvolmaakte dieren in 
verband befchouwen. Belangrijk mag in dit opzigt, 
de ontdekking van huschke geacht worden, die in 
de embryonen van vogels , kieuwen ontdekt en 
dus in dezelve den toeftand van fommige kruipende 
dieren en van de visfchen terug gevonden heeft. On- 
langs zetteden de voortreffelijke Natuuronderzoekers 
RATHKE en BAER deze nafporingen voort, en ontdek- 
ten ook in de menfchelijke embryonen, fporen van 
kieuwen. Dit gaf aanleiding, dat baer de zaak in de 
vogel -embryonen naauwkeuriger onderzocht en daar- 
door tot de volgende gevolgtrekkingen geraakte: 

„Uit de bulbus aortae komen bij de embryonen der 
„ vogels , allengs vijf paar vaatbogen , te voorfchijn , 
„welke zich van voren naar achteren begeven. Deze 
„vijf bogen zijn nooit te gelijk in werking. Tus- 
„fchen dezelve, vormen zich vier kienwfpleten , die 
„ echter ook niet alle te gelijk aanwezig zijn , en 
„vóór dezelve eene mond- of verhemelte-fpleet. Deze 
„fpleten fcheiden vier kieuwbogen van elkander af, 
„terwijl de vijfde met het overig gedeelte van het 
„ ligchaam zamenhangt. De voorfle dezer kieuvvbo- 
„ gen , welke in den oorfprong zeer met de overige 
„ overeenkomt , ontwikkelt zich , zoodra zijn vaat- J 
„ boog verdwenen is , met meerdere kracht en groeit 
„door toevoer van nieuwe (lof en nadere vorming 
„van kraakbeenderen en beenderen, tot eene onder- 
„ kaak uit. Van de vijf paren van vaatbogen verdwij- 

„nen 



( 157 ) 

„ nen fpoedig de beide . eerden en de vijfde der !in- 
„ kerzijde. De derde boog van elke zijde vormt zich 
„tot den genieenichappelijken ftam van hoofd- en 
„ armdagader (jriincus anonymus') ; de vierde der reg- 
„ter zijde lot den ftam der nederdalende aorta; de 
„ vi.jfde der zelfde zijde en de vierde der linker ver- 
„ anderen zich in de beide longflagaderen. De zeer 
„korte gemeenschappelijke ftam der beide longflag- 
„ aderen, zoo wel als de even zoo korte ftam van 
„al de flagaderen des ligchaams ontftaan, door dat 
„ de bulbtis aortae^ zich van eene onverdeelde holte 
„in twee gefcheiden kanalen verandert." Hieruit 
blijkt , dat zich in de vogel-embryonen declen voor- 
doen , die naderhand weder verdwijnen , en gelijk 
zijn aan de werktuigen, welke bij dieren, op cenen 
lageren trap van volmaking ftaande , gedurende hun 
geheel leven blijven beftaan. — Aan den anderen 
kant wordt door dezelve ook de oorfprong van het 
vaatftelfel opgehelderd. Wenfchelijk ware het , dat 
de Natuuronderzoekers, die hiertoe in de gelegenheid 
zijn , deze nafporingen herhaalden , en bij andere 
dieren voorzetteden. (^Zie Ueber den Kiemen und 
Kiemengefasfen in den Embryonen der Wirbelthiere 
von Prof. iiAER , Archiv für Phyfiol. von j. f. mec- 
KEL, Jahrg. 182.7. p. 556). w. V. 

177. Dat erbij de wijfjes van zoogdieren foms een 
grond tot het voortbrengen van monsters fchijnt te 
beftaan, is reeds meermalen opgemerkt, en ook door 
belangrijke daadzaken, waartoe vooral die, welke 
mijn hooggeachte Vader bijeenverzameld beeft, be- 
wezen, — De Heer ch. girou de buzasreingue , 
welke zich met zulk een goed gevolg aan diergel ijke 

Bijdragen, d. III. st. 2. L waar- 



C 158 ) 

waarnemingen overgegeven heeft, deelde onlangs een 
geval van vvanlchapenheid der jongen mede, waar- 
van de vermoedelijke oorzaak bij de moeder be« 
kend was. 

In 1807 kreeg een brakhond van het vrouwelijk 
geflacht , gedurende het befpringen , eenen geweldi- 
gen flag in de lendenen, waardoor zij, gedurende 
vele dagen , van achteren verlamd bleef. Zij kreeg 
echter zeven of acht jongen, welke, met uitzondering 
van eenen enkelen, die naar den vader geleek, alle 
gebreken aan het achterste gedeelte van het ligchaam 
hadden. De een bezat geene achterde ledematen , 
bij eenen anderen waren zij mager of kort; eenderde 
kon niet dan de voorlle bewegen, enz. (^Zie Ex- 
periences fur la reproduction des animaux domesti- 
ques, par ch. girou de buzasreingues. Journ.de 
Phyf. expérim. et pathalogique , par f. magendie , 
Tom. VII. Avril 1827, p. 42). w. v. 

178. Dat monsters bij dieren ook door vrees kun- 
nen ontdaan , is mij voor eenige jaren ten duidelijkfte 
gebleken. Toen namelijk, in het jaar 1820 een 
watervloed de Vijf Heerenlanden bedekte , werden al 
de koeijen op het landgoed van mijnen Vader, met 
fpoed, doch zonder dat haar door dringen of ftooten 
eenig letfel gefchiedde , op eenen zolder gebragt , 
welk ongewoon verblijf haar blijkbaar veel angst en 
fchrik veroorzaakte. Elf van deze koeijen moesten 
in het voorjaar kalven, en van deze bragten er zts 
(zoo mijn geheugen mij niet bedriegt) geheel mis- 
maakte kalveren ter wereld, waarvan ik tot mijn 
leedwezen, als toen verzuimd heb, naauwkeuriger 
aanteekcning te houden. v. h. 

179. Een 



C 159 ) 

179. Een hond van het vrouwelijk geflaclit van 
eene zeer groote geftalte , en tot het ras der honden 
van den berg ■5';. Bernard behoorende , was achter- 
volgens door eenen mannelijken hond van Terre- 
neiive en door eenen gewonen jagthond gedekt 
geworden. In Mei wierp zij elf jongen, waar- 
van er zes naar den jagthond en vijf naar den hond 
van Terre-neiive geleken. Deze laatfte waren alle 
van het mannelijk en de eerfte van het vrouwelijic 
geflacht. Deze daadzaak wordt vooral hierdoor be- 
langrijk, dat de hond van Terre-Neuve veel grooter 
er fterker dan de jagthond was ; waardoor zij zich 
aan de belangrijke waarnemingen van girou de bu- 
ZASRÉiNGUES aanfluit (*^ , welke door de eigenaars 
van groote kudden vee wel verdienden nagevolgd te 
worden. (_Zie Note filr un fait remarquable pour 
la theorie de la procréation des fexes. Annales des 
fciences natur. Aoüi 1827, p. 441. vv. v. 

i8o. J. G. MARTIN , heeft in een' volwasfen' 
hond van het vrouwelijk geflacht waargenomen , dat 
de uitwendige openingen der werktuigen tot de fpijs- 
verteeiing, de voortteling en de urinloozing, niet 
elk afzonderlijk aan het achterst gedeelte van het ligi- 
chaara uitkwamen , maar in eene gemeenfchappelijke 
;holte zamenvloeiden , w?!ke (lechts met ééne ope- 
ning naar buiten uitkwam. Deze wanrehapenheid 
ging van het gebrek aan ftaart en de hiermede za- 
menhangende onvolmaakte vorming van het ru^we- 
raerg vergezeld. Naar het mij voorkomt zijn beide 
alhier gelijktijdig plaatsgrijpende gebreken , te zamen 

ia 

(*) Ann. des fciences nat. Tom. V. p. 22. 

L 2 



C 160 ) 

in het naauwfte verband ; dat ten minfte eene ge- 
brekkige vorming van de werktuigen tot de voortte- 
ling en het gemis van de deelen tot de urinloozing, 
ook in andere gevallen door het gemis van het on- 
derde gedeelte van het ruggemerg bepaald werd , of 
ten minfte met hetzelve zamenhing, blijkt uit eene 
waarneming van maver (♦), ^Zie fur l'exiftence 
d'un cloaque obfervé chez un chien privé de queue 
par j. G. MARTIN, Annal. des fciences natur. Tom. 
XII. p. 5 en volgg. w. v. 

• ''.'!• 1 8 1. Uit eene mededeeling van den Bisfchop he- 
BER blijkt, dat men in fommige ftreken van Indien, 
de otters tot den vischvangst afrigt. Zoude iets der- 
gelijks ook niet met onze inlandfche otters te beproe- 
ven zijn? (Froriep's Notizen, Band XX, p. 38.) 

v/. v. 
• 18a. Gelijk bekend is bezitten de Cafuarius en 
\\t\. S7ieeuyihocn dubbele vederen, op eeneh enkelen 
fteel zittende. De naturalisten , die het fneeuwhoen 
alleen des winters hadden waargenomen, waren op 
het denkbeeld gekomen, dat het alleen des winters 
tot befcherming tegen de koude , deze dubbele ve- 
deren had en dezelve des zomers miste. Latere on- 
derzoekingen echter van maegillivray hebben ge- 
beerd dat dezelve het dier zoo wel des zomers als 
des winters eigen zijn ; en dat behalve de voornoem- 
de Cafuarius^ vele andere vogels, die in warme 
landen leven en derhalve des winters geene dergelijke 

be- 

(*) Befchreibung einer Misgeburt von Prof. mayer zu 
Bonn. Zeltfchrift für Phyfiol. Band II , Heft i , s. 36 
en volgg. 



C i6i ) 

befcherming noodig hebben, dezelve bezitten. Hier- 
uit ziet men op nieuw hoe gevaarlijk het is , uit 
eene afzonderlijk ftaande daadzaak eenig algemeen 
befluit op te maken. (JZie ueber das Kleid der Vo- 
gel zunachst in Bezug auf Befchreibung und ünter- 
fcheidung der Arten , Geflechter und Ordnungen von 

MARGILLIVRAY. FrORIEP's NotizCU , XX B. N°. 2. 

S. 18 en volgg. vv. v. 

183. Dat de eene oogzenuvv foms de andere door- 
boort, vond E. H. WEBER bij den haring op nieuw 
bevestigd. (Meckel's Archiv, Jahrg. 1827. S. 317). 

W. V. 

184. Prof'. E. H. WEBER heeft waargenomen , dat 
bij den Karper en bij meerdere foorien van het ge- 
flacht Cyprinus , er behalve vier kleine galbuizen en 
eens groote , welke uit de lever komen en zich tot 
eene galblaasbuis vereenigen, nog twee of drie. 
takken uit de lever ontdaan , welke zich tot eene ge- 
meenfchappelijke buis vereenigen , en naast de galblaas- 
buis zich in het bovenfte gedeelte der maag of liever, 
van het darmkanaal (want maag en darmkanaal zijn 
fchier niet van elkander gefcheiden) uitftorten. In 
deze laatfte buis vond hij geene gal, weshalve hij 
vooronderftelt , dat de vloeiftof welke door deze buis 
uit dezelve gevoerd wordt van de gal onderfcheiden 
moet zijn, en het hem waarfchijnlijk voorkomt, dat 
dezelve bij het alvleeschfap zal kunnen vergeleken 
worden. Hierdoor zoude derhalve de lever , zoo 
wel de verrigtingen der alvleeschklier, als zijne ei- 
gene uitoefenen. Hoe dit echter zamen kan gaan , 
begrijp ik niet. De proeven van tiedemann en 
GAiELiN immers hebben ons overvloedig geleerd, 

L 3 dat 



C 162 ) 

dat beide vloeiftofFen te veel van elkander verfcliillen , 
dan dat zij Jdoor een en hetzelfde werktuig zouden 
kannen afgefcheiden virorden. Het doel van beide is 
ook verfchillend. De gal is meer eene uitgeworpen 
ftof , welke tot behoorlijke menging van het bloed»' 
uit hetzelve afgefcheiden wordt , en eenen Hechts 
fecundairen invloed op de fpijsvertering uitoefent; 
terwijl het alvleeschfap , bepaaldelijk tot verdierlijking 
van bet chijlvocht werkzaam is. Het komt mij der- 
halve voor, dat beide moeijelijk door een en hetzelfde 
deel afgefcheiden kunnen worden. Zoude de^e twee- 
de buis 5 welke weber van de eigenlijke galblaas- 
buis gefcheiden vond, niet bij de leverbuis kunnen 
vergeleken worden , welke ik in de Kalman en Cha- 
meleon waarnam, dat zich niet met de galblaasbuis 
ïot eene gemeenfchappelijke galleider {ductus chole- 
dochus) vereenigt , maar door eene afzonderlijke ope- 
ning met het darmkanaal gemeenfchap oefent (*). 
(^ZU ueber die Leber von Cyprintts carpio , die 
zugleich die Stelle des Pancreas zu vertreten fcheint 
von E. H. WEBER, Meckel's Archiv. Jahrg. 1827, 
April. Junius p. 294. w. v. 

185. Over den bloedsomloop der Schaaldieren 
(Cruftacea) hebben v. aüdouin en h. milne ed- 
WARDs , een zeer volledig betoog geleverd , waaruit 
het voornamelijk blijkt, dat, behalve het hart, een 
volkomen ftelfel van aderen en flagaderen tot den 

bloeds- 

(*) Zie Opmerkingen bij de ontleding van eenen Kalman 
(Crocodilus fclerüpi.') Bijdragen, Deel I, p. 167, PI, III, 
fig. 1 ; en Natuur- en Ontleedkundige Opmerkingen over 
den Chameleoti, Amft. 1827. p. 57- 



C 163 ) 

bloedsomloop, in dezelve werkzaam is. Het bloed, 
door middel van flagaders , naar de verfchillende dee- 
len van het ligchaam gevoerd , keert door aders naar 
twee boezems, aan weerszijden van het ligchaam ge- 
legen en met het hart geene gemeenfchap oefenende , 
terug ; een vat , aan de buitenzijde der kieuwen ge- 
legen, voert het uit deze boezems naar de kieuwen 
van waar hetzelve den invloed der ademhaling on- 
dergaan hebbende, als flagaderlijk bloed, dooreen 
vat aan de binnenzijde der kieuwen gelegen , naar het 
hart terug gevoerd wordt , om daarna zijnen weg 
mar de verfchillende deelen van het ligchaam te ver- 
volgen. Wij kunnen hier niet dan de flotfom der 
waarnemingen van deze geleerden opgeven ; hen die 
eene uitvoeriger befchrijving der bloedvaten verlan- 
gen, naar hunnen lezingwaardigen arbeid zelven ver- 
wijzende. iZie Recherches anatomiques et phyfiolo- 
giqves fur la circulation dans les cruftacés par v. 
AUDouiN et MiLNE EDWARDs, Aun. dcs (cienccs na- 
turelles, Juillet 1827, p. 283 et Aoüt 1827, p. 352. 

w. V. 
18Ö. Hetgeflacht Ilaliotis ^ onder de fchelpdragende 
weekdieren , waarvan , gelijk bekend is , vele levende 
foorten beftaan , was nog niet in den fosfilen toeftand 
waargenomen. Marcel de serres heeft echter on- 
langs eene foort van hetzelve fosfiel gevonden en 
befchreven. 

ISIots , fur une espèce nouvelle d'Haliotis k 1'état 
fosfile, par M. marcrl de serres. Ann. des . 
fciences naturell. Tom. Xlf. Paris 1827, p. 309. 

w. V. 

L 4 187. Prof. 



C 164 ) 

187. Prof. L. iJÜMEFELD iii Grcifswaldc , heeft 
als een goed middel , om Mediifa aarita en andere 
dergelijke geleiachtige dieren te bewaren, het vol- 
gende opgegeven: Alkohol van 70 ;\ 80 per. wordt 
met keukenzout gedigereerd, dan gefiltreerd , en, na- 
dat het voclit geheel bekoeld is, wordt de nog le- 
vende Zeekwal er in geplaatst. Toen hij dit fchreef , 
verzekerde hij , dat zich eene op die wijze geprepa- 
reerde Zeekwal , na zeven maanden , nog geheel helder 
en frisch gehouden had. — Zie einigc Verfuche über 
die Confcrvation der Medufa aurita (^Ocyrrhoe rofea) 
und ahnlichcr Schldmthiere von Prof. l. hüne- 
FELD in Greifsy/alde. (Vooraf gaat eene optelling 
van mislukte proeven , welken wij onnoodig oordeel- 
den hier op te geven.) Jahrbucb der Chemie and 
Phyfik , herausgegeben von Dr. j. s. c. schweigger 
und Dr. F. w. schweigger-seidel. 1827. Bd. I. 
Heft. 2. s. 205—210. j. V. D. H. 

188. Ik ontving voor de verzameling van 's Rijks 
Mufeum van Natuurlijke Historie, in de loop 
van het vorige jaar, uit Cayenne, onder den 
naam van Mouches Végetantes , eene foort van 
Epipone latr. (Vespa lin.) op welke de Cla- 
varia entomorhriza zich gevestigd had. In swa- 
ving's Reizen en Lotgevallen, Deel II. pag. 183 — 
doelt de volgende zinfnede op deze Paddeftoel of 
Champignon: „ th. alwood maakte onder anderen 
„gewag van eene vlieg, die zich zelve in den 
„grond begraaft en fterft, waarna er uit deszelfs lig- 
„chaam eene kleine plant te voorfchijn komt, welke 
„ veel overeenkomst beeft met eenen jeugdigen koffij- 
„boom, met dit onderfcheid alleen, dat liet hoofd, 

•., liet 



( 165 ) 

„het ligchaam en de pootjes van dit infekt even zoo 
'i, natuurlijk onder aan den flam blijven zitten, alsof 
„de vlieg er nog fpringlevend aan vast zat." 

W. DE HAAN. 

189. De Sipunculus (^Syrinx van bohadsch). die 
men tot de ftekelhuiden gebragt heeft, zoude, vol- 
gens het ontleedkundig onderzoek van delle chiaje, 
lot de Ringwormen behooren. (Bullet. des Sc. nat. 
Janv. 1828, p. 141.) — Zoo lang ons echter deze 
ontleedkundige nafporingen onbekend zijn, gelooven 
wij grond genoeg te hebben , om dit gedacht onder 
de Echinodermata te laten , waarmede het in vele 
opzigten overeenkomt en waarin het zonder eenigen 
dwang geplaatst kan worden. j v. d. h. 

190. Volgens opgave van den heer westerman 
(jzie Germ. Magas. IV. p. 420) zoude Papilio Pa- 
mnion en Polytes ééne foort en de eerfte het man 
netje zijn. Eveneens meldde de heer D'. boie , 
in eenen zijner brieven, dat Papilio Achates het 
mannetje zoude ziin van Papilio Memnon : welke 
foorten ook in copuld zijn gevonden door de heeren 

D'. KUHL en VAN HASSELT. 

Hoewel aan de waarneming van deze heeren niet 
te twijfelen is , zoo kunnen gezegde foorten evenwel 
niet voor onderfcheidene kunne van eene foort ge- 
houden worden , wijl in de verzameling van 's Rijks 
Muieum van Natuurlijke Historie, zoo wel ^ als 2 
van Papilio Patnnion en Memnon voorhanden zijn. 
Deze omftandigheid bevestigd door de eijeren, die bij de 
wijfjes voorhanden zijn , is derhalve zeker bewijs, dat het 
flechts toevallige verbindingen zijn geweest, zoo als 
Rossi waargenomen heeft, tusfchen Cantharis mcla- 

L 5 nu- 



( 166 ) 

nttra en Elater nigcr, muller tusfclien Chryfomela 
polka en Chrysom. graminis. (,Zie germar et zuc- 

KEN 1. C. IV. p. 404,), en OCKSENHEIMER tUSfcIlCn 

onderfcheidene foorten van Zygizna's. {Zie ochsen- 
HEiMER, Die Schmetterlinge ven Europa. Band II. 
Einleitung.) w. d. h. 

191. E. H. WEBER deelt ons eene merkwaardige 
inftinktmatige handelwijze eener fpin mede, welke 
twee fteunpunten vindende , om de draden harer vceb 
aan te hechten , en een derde misfende , zich van een 
fleentje bediend had , hetwelk zij met hare draden had 
omwonden, en aldus in de lucht zwevende hield, 
om hetzelve als tegenwigt voor de beide overige pun» 
ten te doen dienen. (Ein Beitrag zu den Beobach- 
tungen über die Kunsttriebe der Spinnen von e. h. 
WEBER, meckel's Archiv. Jahrg. 1827, S. 209. 

Wé V. 

192. Het is genoegzaam bekend, dat men fteeds 
moeijelijkheden vindt in het aannemen van de omge- 
keerde rigting der beeldjes , die van de voorwerpen op 
het netvlies gemaakt worden. Want hoe zien wij dan 
de voorv/erpen regtftandig? De H'. rumball heeft 
de volgende proeven in het werk gefteld , die de aan- 
dacht waardig zijn, doch naar ons inzien niet alles 
bewijzen. Hij fneed het achterfte gedeelte van de 
bekleedfelen van den oogbal, juist op de plaats, waar 
het beeldje gemaakt v/ordt, weg! Toen drukte hij 
het oog een weinig te zamen, zoodat er een weinig 
van het glasvocht naar buiten kwam. Een voorwerp 
voor het oog gehouden deed een omgekeerd Deeldje;ziené 
De as van het oog was toen een weinig langer. Hij fneed 
dit gedeelte glasvocht weg en drukte het oog niet weer , 

hier- 



C 167 ) 

hierdoor was er eene zekere uitholling veroorzaakt en de 
as korter gemaakt. Toen zag hij het beeldje regtftan- 
dig. Hieruit beduit hij nu , dat in den gewonen toe- 
(land van het oog juist het midden tusfchen beiden 
plaats heeft en dus hti focus op het netvlies valt, en 
noch een regtftandig , noch een omgekeerd beeldje op 
hetzelve wordt geworpen. (Phil. Mag. Nov. 1827 en 
FRORiEP , Noc. N". 406. Nov. Dec. 1827). Hoewel, 
het bij het lezen van deze proeven mogt opkomen 
dat wij een beeldje op het netvlies moeten aannemen , 
om den indruk van een voorwerp te kunnen hebben , 
zoo gelooven wij echter, dat dit onjuist befloten is. 
Want al zien wij met onze oogen geen beeldje , wanneer 
wij het focus der lichtftralen zien , zoo volgt hieruit 
nog niet , dat wij door ons netvlies geenen indruk 
van een voorwerp zouden kunnen hebben , wanneer 
er juist het focus en geen beeldje op valt. Maar het- 
geen wij tegen deze proeven meenen te kunnen aanvoe- 
ren is: vooreesrt het zamendrukken van hetoog; doch 
vooral het gemis van de bepaling hoe groot het uit- 
puilende gedeelte glasvocht, en hoe groot de hol« 
ligheid na het wegnemen van dit is geweest. Zon- 
der overtuigd te 2ijn , dat beiden even groot waren , 
mogen wij niets uit deze proeven befluiten. Want 
het is immers mogelijk , dat beiden ongelijke grootte 
hadden , en in dit geval kan het wezen , dat het 
beeldje inderdaad omgekeerd op bet netvlies worde 
geworpen en de aangenomene waarheid niei wordt we- 
derfproken. 

G. J. M. 



193, Hand- 



C IÖ8 ) 

193. Handleiding tot de werkdadige Meetkunst , 
bevattende de onderfclieidene wijzen van bet opmeten 
van landen, het vervaardigen van topographirdie kaar- 
ten, en hetgeen verder bij dit onderwerp behoort, 
voorafgegaan door eene berchrijving der voornaamfte 
Landmeters- werktuigen, door f. p. gisius nan- 
king, Luit.-Ingen. , i«. deel met platen. Delft bij 
p. DE GROOT, 1828, in 8°. 

194. Beginfelen der Meetkunst, ontworpen naar 
haren tegenwoordigen ftaat van vorderingen, i«. deel 
over de vlakke en ligchamelijke figuren , door j. de 
GELDER, 3«. geheel omgewerkte en veel vermeer- 
derde druk , 's Grav. en Amfl. bij de Gebroed, van 
CLEEF, 1828. 

195. Verhandeling over het waterpasfen , en het 
gebruik van den Barometer tot het meten van hoog- 
ten , door G. A. VAN KERKWYK , eerden Luitenant 
Ingenieur, 's Grav. en Amfl:. bij de Gebr. van 
CLEEF , 1828 , in 8°. 

196 Proeve van eene Handleiding tot de kennis 
der Zeeartillerie , door j. c. pilaar, Luitenant ter 
zee*. Delft bij b. bruins , 1828. 

197. Recherches fur la fommation de quelques 
feries trigonomeiriques , par r. lobatto , Delft chez 

P. DE GROOT , 1828. 

198 Lettres fur la phyfique, par bertrand , 2", 
édit. 2 vol. 8". Paris 1827. 

199. Gemaelde der phyfifchen Welt, von j. o. 
SOMMER , 2«. Ausg. I". Theil , Praag. 1827. 

200. Traite de phyfique appliquée aux arts et me- 
tiers, par j. j. V. GOUiLLOUD, orné de 160 fig. 

201. Die Oelreinigung , nach cinera leichten und 

fchnel- 



C ^^9 ) 

fchnellen Verfahren fowohl im Kleinen als im Grös- 
fen» anzuvvcnden , und diirch Abbildungen erlautert, 
von j. PH. CHR. MUNTs , Ncuftadt bei Magner. 1827. 

202. Lecons de Chiraie appliquée a. la médecine 
pratique et k la médecine legale , par m. orfila , 
nouvelle édition, Bruxelles 1828. 

203. Handbuch der Tlieoretifchen Chemie von 
.GMELIN. 8". 1454 pag. Frankfort 1827. 

204. Handbuch der Cameralchemie , zum Gebraucbe 
bei feinen Vorlefungen und zum Selbflunterricht, für 
Cameralisten , Oekonomen , Technologen , Forstman- 
ner etc. von pestinari. Heidelb. 1 827. 1'. Theil 
Theoretifche Chemie. 8°. 1023 pag. ■ . ■ 

205. Ueberficht der wichtigften Erfahrungen im 
Felde der Toxicologie, von e. witting. Theil I. 
Hanover 1827. Hahn. 

<- ao6. Recherches fur l'emploi du chlorure de chaux 
et du chlorure de foudc, par j. g. robin. Thèfe. 
Paris I 827. 4". 

207. Meteorological Essays and Obseryatiom by 
j. F. DANiELL, part 2. Londoti 1827. Het eerfte 
deel hiervan is in 1823 verfchenen. 

208. A Tabu l ar View of Fok ante phaenomena , 
comprising \a list of the b timing mountains that 
have been noticed at any time since the commence- 
meut of historical records. By charles daubeny. 
London 1827. 

209. Précis de mineralogie moderne , précédé d'une 
introduction historique et fuivi d'une biograpbie et 
d'un vocabulaire, par j. odolant desnot. Paiis 
1827. 8". 

210. An 



( 170 ) 

. 20I. An Esfay on the Art of boring the Earth 
for the Obtainmeut of a spontaneoiis Flow of Wa- 
ter enz. 8°. Nnv-Brtinsmck 1828. 

2X1. Voyage métalliirgique en Angleterre, ou Re- 
ceuil de Mémoires fur Ie gifement, Texploitation et 
Ie traitement des minerals d'étain , de ciiivre , de 
plomb , de zinc et de fer dans la Grande-Bretagne , 
par M. M. dufrénoy et elie de beaumont, ] 
Paris 1 827. ; : ' . 

2J2. Clasfification et caract'ères minëralogiqiies des 
Roches homogènes et hetérogènes, par al. saoN- 
GNURT, Paris 1827. 

213. Zeitfchrift für Mineralogie vom Geheimenrath 
und Profesfor von leonhard, bey j. c. b. mohr. 

214. R- couRTOis , Récherches fur la flatistique 
pbyfique, agricole et médicale de la Province de 
Liège. Tom. I. Verviers 1828. — Het eerfte Deel 
van dit werk bevat al hetgeen ten opzigte van lig- 
ging en grond , wateren en liichtgefteldheid van de 
Provincie Luik , voor Natuurlijke Gefchiedenis en 
Statistiek, door den volijverigen Schrijver heeft kun- 
nen verzameld worden. Een tweede Deel zal over 
de planten en dieren handelen. 

215. Enuraeratio plantarum Javae et infularum ad- 
jacentium minus cognitarum vel novarum ex herbariis 

REINWARDTII , KUHLII , HALSELTII et BLUMII. Cu- 

ravit c l. blume , M. D. Naturae nuper investigator 
in Coloniis Belgicis Indiarum Orientalium etc. etc. 
Fasciculus I. Lugduni Batavorum , apud j. w. van 

LEEUWEN 1827. 

216. De la theorie actuelle de la fcience agricole 

et 



{ '171 ) 

et des améliorations , dont elle est fusceptibk; ou- 
vrage préfentant iin mode d'enfeignement pratique et 
formant trois parties distinctes , savoir : L'ecole de 
Botanique, celle d'horriculture et celle de culture 
forestière, par e. klynton , ancien Ingenieur civil , 
agronome et architecte, l'un des membres fondateurs 
de la nouvelle Société d'horticukure de Paris etc. etc. 
(Volume I. l'école de Botanique.) Gand , chez 

L. MESTRE , 1828. 

217.' LoiSELEUR DESLONGCHAwPs, Flota gallica, feu 
Enumeratio plantarum in Gallia fponte nascentium , 2 
vol. 8°. — Deze fweede veel vermeerderde uitgave 
ziet thans te Parijs het licht. 

ai8. Ehrenberg en t^iEMPRicH, Natiirgefchicht- 
liche Reizen in Nord • Africa : Dit werk zal in 
twee gedeelten uitkomen, waarvan het eerfte het reis- 
verhaal door Egypte, Syrië, Arabië en Abysfinië 
met Geognostifche, Natuur- en Aardrijkskundige waar- 
nemingen doorvlochten; het tweede gedeelte befchrij- 
vingen en afbeeldingen der ontdekte dieren en plan- 
ten zal bevatten. 

aip. h.. G. ROTH , Enumeratio plantarum Phane- 
rogamarum fponte nascentium. Pars I, Sect. i (Clas- 
fis I— V) Lipfiae 1827. — Behalve het Compendium 
Florae Germanicae van bluff en fingeuhuth en 
de meer uitvoerige en lYaaije Detitschlands Flora van 
MERTENS en KOCH , vond de beroemde roth het 
noodig nog eene andere Flora van Duitschland te ge- 
ven , waaromtrent echter in de Linnaea (III , i) ge- 
klaagd wordt, dat de groeiplaatfen oVer het algemeen 
niet met genoegzame naauwkeurigheid zijn opgegeven. 

220. H. 



C 172 ) 

• ri^cso. H. R. GOEPPERTy dc acidi liydrocyanici vi 
in plantas. VVatislaviae 1827, 8». Deze verhandeling 
bevac vele naauwkeurige proeven over de werking van 
acidum hydrocyamciim op de planten. Uit dezelve 
bleek , dat het blaauwzuur ook doodelijk werkt op 
die planten, welke in hunne zauienflelling zelve blaauw- 
zuur bevatten , offchoon deze bij hun leven landere 
planten door hunne uitwafemingen niet behadeelen* 
Het is opmerkelijk , dat de werking van dit vergit 
fneller is bij helder licht en bij verhoogde tempera- 
tuur , terwijl men in de gedoode planten , blaauwzuur 
door fcheikundige middelen kan ontdekken (Zie Lin~ 
naea III , Litt. p. 5—6. v. ir. 

221. G. F. jaGER , ueber die Pflanzen-Verdeine- 
rungen , welke in dem Bau - Sandftein von Stutt- 
gard vorkommen. Stuttgard 1227 , 4°. mit 8 Stein- 
drucktafelen. 

222. Abbildung und Befchreibung aller in der 
Pharmacopoea Borusfica aufgeführten Gewachfe. Her- 
ausgegeben von g. guimpel ; Text von d. f. l. 
voN scHLECHTENDAL , Berlin 1827. — De geringe 
inteekeningsprijs van 15 grofchen voor iedere afleve- 
ring van 6 gekleurde platen en 1* blad befchrijving , 
zal, benevens de bekendheid der uitgevers, dit nut- 
tig werk zeker veel koopers doen vinden, daar vele 
andere afbeeldingen van artfenijgewasfen of te kost- 
baar of op eene te groote fchaal aangevangen zijn, om 
in aller handen te kunnen komen. 

223. John frost , Remarks on the Mintard 
Tree mentioned in the tiew Testament , mth a co- 
loured Plate. London 1827. 

. 224. TnERr. 



C 173 ) 

221. Thom. LESTïBouDOis, Botanographic Bclgi- 
que OU Flore du Nord de la France, 2 vol. 8°, 
Lille 1827. Deze derde veel vermeerderde en omge- 
werkte uitgaaf der Botanographic Belgiqiie ^ door 
FR. j. LESTÏBOUDOIS (vadcr van dezen) in 1781 uit- 
gegeven , mag ook der oplettendheid van de beoefe- 
naars onzer Nederlandfche Flora wel worden aanbevolen. 

222. A. L. S. LEJEUNE et R. COURTOIS , Com- 

pendium Florae Belgicae , Tom I. Leodii, 1828. — 
Het eerfte deel van dit Compendium der Flora van 
geheel het Koningrijk der Nederlanden, bevat de vijf 
eerfte klasfen van het Linnaeaanfcbe ftelfel, waarnaar 
deze Flora gerangfchikt is. Het werk is voor den 
wetenfchappelijken toeftand der plantkunde in ons 
Vaderland van zoo veel belang, dat wij een breeder 
verflag van hetzelve hopen te geven. v. h. 

223. A. B. KUYPER VAN WaSCHPENNING , tWecdc 

naamlijst van zigtbaar bloeijendc planten , welke in 
de omftreken van Breda gevonden worden, Breda 
J828. — De heer kuyper van wascHPENNiNG gaat 
voort met de Flora van Breda met allen ijver te on- 
derzoeken , en geeft hier eene lijst van 116 plant- 
foorten , ten vervolge op eene eerfte lijst der Breda- 
fche planten, door hem in 1826 medegedeeld ("Zie 
Bijdragen^ d. I, St. 2, bl. 228). Ook deze lijst bevat 
onderfcheidene voor de Nederlandfche Flora zeer be- 
langrijke planten , als: Isnardia palustris, Lyfima- 
chia nemorum , AnagaUis tenella , welke ook door 
mij in het afgeloopen jaar te Valkenswaard nabij 
Eindhoven is aangetroffen , Campanula patuia , Jun- 
cus capitatus , Juncus tenuis , Alisma natans , ook 
door mij te Valkenswaard gevonden , Pyrola inuflora , 
Crataegus oxyacanthoides. Kubus fprengelil ^ Geum 
Bijdragen, d. III. st. 2. M ri' 



:i)H 



C 174 ) 

rivale, Lobelia Dortmanna , Kobitiia pfeiidacacia y 
welke ik ook te Viigt , bij 's Hertogenbosch zoo al-. 
gemeen opgedagen zag, dat men dezelve wel voor 
genattiralifeerri zal kunnen aannemen, Aster ptini- 
ceus^ Centaurca calcitrapay Neottia fpiralis en Phy- 
teuma Rapunciilus pers, , welke in het Compendium 
Florae Germanicae van bluff en fingerhuïh I. 
p. apa, als eene verfcheidenhcid van Phy teuma fpi- 
cata aangemerkt wordt. Ph. Kapunculus komt even 
min als Rohinia pfeudacacia voor in mijne Flora 
Belgii feptentrionalis , naar welke dit werk gerang- 
1'chikt is. Ook Stipa tortilis is voor eene nieuwe 
indigena te houden, doch de fchrijver kan dit nog 
jiiet met volledige zekerheid opgeven, daar hij van 
dezelve flechts eenige weinige exemplaren in het Ul- 
venboutbosch vond. Bromus rigens eindelijk, welke 
hier bl. 7 vermeld wordt, komt mij zeer twijfelach- 
tig voor, gelijk dit ook door humortier, j^grosto- 
graphiae Belgicae tentamen, 1823, p. xi6, is opge- 
geven. — Met verlangen zien wij het vervolg van 
dit werkje te gemoet. v. h. 

a24. J. B. VAUCHKR , Monographic des Oroban- 
chesy Genève et Paris 1827, avec 16 pi. lithogr. — 
Wegens het eigenaardige parafitifche karakter dezer 
zonderlinge planten , raadt de beroemde fchrijver aan , 
om den foortelijken naam derzelve te nemen naar de 
planten , waar zij op groeijen , b. v. Orobanche Can- 
nabis fativae, Trifolii pratcnfis enz. Zie het Bul' 
lain Dec. 1827, p. 379—382. v. h. 

225. E. H. F. MEYER, de Houttuynia atque 
kS'dryri/rmRegiomonti 1827. Deze kleine, doch hoogst- 
gewigtige verhandeling, bevat onderfcheidene bijzon- 
derheden nopens de Houttuynia cordata thunb. , 

wel- 



C 175 ) 

welige door den fchrijver in de Triandria trigynia 
van LINNAEUS en te gelijk met Saunirus , Spathi- 
iim en Jponogeton]^ in de natuurlijke familie der 
Saiirureae^ welke zeer na verwant is aan de Pipera- 
ceae , geplaatst wordt , van welke laatfte natuurlijke 
familie, meyer eene naauwkeurige kenfchetfing op* 
geeft, bl. 9—11, welke verdient vergeleken te word- 
den met die welke blume , in de Verhandelingen 
*9an hei Bataviaasch Genootfchap , XI. bl. 142 en 
volgg. gegeven heeft, van welken fchrijver meyer 
bl. 37 en volgg. verfchilt, doordien hij de Plpera- 
ceae tot de Dicotyledoneae en niet zoo als blume 
tbt de Monocotyledoneae rekent. Zie hieromtrent 
onze Boekbefchouwing ^ bl. 131 — 133. De verwant- 
fchap der Piperaceae met Chloranthus hebben beide 
fchrijvers, zonder iets van elkander te kunnen weten, 
opgemerkt ; terwijl meyer , nog daarenboven , eene 
meer verwijderde verwantfchap dcrzelve met de Po' 
lygonea aangewezen heeft. v. h. 

' 9.26. Getreue Darftellung und Befchreibung der 
Thiere, die in der Arzeneimittellehre in Betracht kom- 
men, Von D'. J. P. BRANDT, Und J. F. C. RATZE- 

BüRG, Berlin i'8i7. Heft I. en II. 

Onder dezen titel wordt te Berlijn een werk uitge* 
geven, hetwelk eene befchrijving bevat der dieren , 
die voor de artfenijmengkunde van eenig belang zijn. 
Het wordt door platen opgehelderd, vi^elke, behalve 
flen uitwendigen vorm der dieren , de deelen vertoonen , 
welke van dezelve tot geneeskundig gebruik dienen. 
De befchrijving der dieren is met vele zaakkennis op- 
gemaakt en bevat, behalve den uitwendigen vorm 
en de opgave der kenmerken , ook nog de hoofdpun- 
ten hunner bewerktuiging. Uit deze twee eerfte af- 

M 2 Ie- 



C 176 ) 

leveringen te oordeelen , fchijnt dit werk mij toe zeer 
geCchikt te zullen zijn, om als leidraad te dienen, 
voor de lesfen in de natuurlijke gefchiedenis, welke 
aan de onlangs opgerigte Clinifclie fcholen moeten 
gehouden worden. Deze twee afleveringen bevatten 
de befchrijvingen en afbeeldingen van de civet- en 
zibethkat, den bever, den eland, de mofchus mofchi- 
ferus, het hert, het fchaap en den buffel. w. v. 

227. Fr. voN DEN BRiNCKEN, Bemerkungen ucbcr 
das Englifche Pferd, desfen verfchiedene Ra^en und 
die Pferdezucht im AUgemeinen. Weimar 1827. 
ovo. m. K. 

228. Récherches lur les osfemens fosfiles des ca- 
vernes de Lunel-Viel, par M.M. marcel de ser- 
res, DUBREUIL , P. G. JEAN JEAN Ct ALPH. MÉ- 

NARD. Montpellier 1827. 4°. 

229. BLAiNviLLE, Mémoirc fur les Bélemnites 
confidérées zoologiquement et geologiquement. Paris , 
I vol. 4°. 1827. avec 5 pi. lith. 

230. J. F. BLUMENBACH, Dccas VII Craniorum 
4*°. Gottingae. dieterich. 

231. C. G. carus , von den Urtheilen des Kno- 
chen und Schalen Gerüstes. Mit 12 Kupfern. Folio. 
Leipzig, fleischer. 

232. Desi'en Grundzüge der vergleichenden Anato- 
mie und Phyfiologie. 3 Bd. 8°. Dresden , hólscher, 

233. G. ehrenberg, Beitrage zur Natur-Ge- 
fchichte, gefammelt aiif Reifen in Aegyten, Dongala, 
Syrien , Arabien und Habesfinien von Hemprich und 
Ehrenberg. Zoologifcher Thdl. Fol. Berlin mittler. 

234. C. g. ehrenberg, Naturhistorifche Reifen 
m Aegypten u. s. w. von 1820—1825. Mit Charten 
und Anfichten. Uistorifchcr Theil. i Theiles I^ Abch. 
gr. 4». dafelbsr. 235. A. 



C 177 ) > 

235. A. voN humboldt's Relfen nach den Aequi- 
iloctial Gegenden des neuen Continents. 6'. Bd. 8". 
Stuttgart, coTTA. 

236. HuBERT, über den Schwarzen Kornwurm 
(Curculio granarius') und über desfen radikalen Ver- 
tilgiing. gr. 8°. Potsdamm. 

237. Jahresbericht der Schwedifchen Academie der 
Wisfenfchaften über die Fortfcliritte der Naturge- 
fchichte. Anatomie und Pliyfiologie der Thiere und 
Pflanzen. Aus d. Scliwed. mit zusatzen von joh. 
MULLER. 1^' Jahrg. 8°. Bonn. maucus. 

238. Maximilian Prinzen von wied Abbildun- 
gen zur Naturgefchichte von Brafilien. 1 2". Liefer. 
Imp. folio. Weimar. 

239. E. PFEIFFER, Naturgefchichte Deutfcher Land- 
und Süfswasfer-Mollusken, 3». Abtheil. Mit 8 Taf. 
gr. 4". Weimar. 

240. Reife durch das Innere von Brafilien in 1817' 
von V. spix u. V. MARTius 2'. Theil. mit Atl; von 
4 Karten u. 24. Abbild. — Leipzig, fleischer. 

241. Nordifche Ornithologie von j. e. c. walter. 
Mit Deutfchen u. auch mit Danifchen Texte is — 2s 
Heft. Folio. Coppenhagen , gyldendal. 

242. K. A. rudolphi , Grundr. d. Phyfiologie, 
a". Bd. 2^ Abth. gr. 8°. Berlin , dümmler. 

243. Reife im nördl. Africa, Atlas. i% Abth. 
Zoölogie 6s. u. 7*. Heft. Folio. Frankf. a. M. 

244. J. B. DE SPIX, Testacea fluviatilia, quae in 
itinere per Brafiliam fuscepto collegit, defcriplit j. a. 
wagler. c. tab. XXIX color. Folio. Monachii. 

245. Sturm, Deutschlands Fauna in Abb. 3». Abth. 
Araphibien 5 s. u.6s. Heft. Befchlufs m. Abbild. 16. 
Nürnberg. 

M 3 245. Thie- 



( 178 ) 

246. Thienemann , Lehrbiich der Zoölogie. Berl. 

RÜCKER. 

247. G. R. TREviRANus, Beitfagc zur Anatomie 
u. Phyfiol. der Sinneswerkzeuge des Menfciien u. der 
Thiere. i«. Heft. die Gefichtswerkzeuge m.4Kupfert. 
Folio. Bremen , heyse. 

248. J, wAGLER, Amphibien i Fase. Mit illum. 
Kupf. Folio. Stuttgart, cotta. 

249. J. R. wiLBRAND. , Handb. d. Naturgefch. 
des Thierreichs. gr. 8°. Giesfen. 

.,,250. Ueberficlit des Thierreichs nach natürlichen 
Abftufungen undFamilien, in i Tabelle. Fol. 

251. C. ZENKER , das thierifche Leben und feine 
Formen. gr. 8°. Jena, crökeu. 

252. Hercüle straus-dürckheim , Confidéra- 
tions générales fur l'anat. comp. des anim. articulés, 
aiixquelles on a joint l'anatoniie du Melolantha vul- 
garis. Avec 19 pi. gr. 4°. Strasbourg*, levrault. 

253. F. w. hoeninghaus , Beitrag zur Monogra- 
phie der Gattung Crania. Crefeld i 828. 

254. Onder den titel van Ichneumonologia EU' 
ropaea , zal Prof. gravenhorst , te Breslau in 
Silefiën , eene monographie der Ichneumoniden, bij 
inteekening uitgeven. Dezelve zal de befchrijving 
van I2CO foorten en van een aanzienlijk aantal varië- 
teiten bevatten. 

255. Traite de Taxidermie, ou l'art de conferver- 
et d'empailler les animaux , par m. dupont , in 80. 
de 114 p. avec 4 pi., prix 3 fr. 50 cent. Paris 1827* 

256. Complement des oeuvres de buffon ou hi- 
ftoire naturelle générale et particuliere de tous les 
animaux rares et précieux, découverts par les natura'< 

256. Com- 



C 179 ) 

listes et les voyageurs depuis la iport de buffon, 
par R. p. LESSON , lo vol. in 8°. , avec un atlas de 
120 planclies, publiées en ao livraifons ; prix 3 fr. 
50 cent. Ie vol. Une livraifon de l'atlas en couleur 
5 fr, en noir a fr. 50 cent. Baudoin frères. 



257. De beroemde bridel, te Gotha, die zich 
vooral door zijne gefchriften over de Mosplanten be- 
kend gemaakt heeft , is den 7 Januarij 1828 overleden. 

258. De beroemde bonpland is, volgens de laat- 
fte berigten (frorikp Not. N°. 418. Feb. 1828.) 
niet in eenen zoo geheel treurigen toefland , als men 
wel eens van hem heeft medegedeeld. Naar Europa 
terug te keeren is hem wel voor als nog onmogelijk , 
doch zijn landleven en zijne bedrijven hebben hem 
van genoegzame middelen van beftaan verzekerd ^ ja 
zelfs, zou hij zich reeds een zeer aanzienlijk vermogen 
verfchafc hebben. Maar niet geheel betreurens- 
waardig mag hij toch om deze reden niet genoemd 
worden. c. j. m. 

259. Vragen^ door de Leydfche Hoogefchool int- 
gefchreven , "waarop de antwoorden vóór den 
eerflen Nov. i 828 gezonden moeten 'worden aan 
den Hoogl. g. wttewaal. 

1. Tuborum opticorum exponatur Theoria Mathe- 
matica. 

2. Concinriè explicetur Historia Barometrorüm atque 
Theoria Phyfica et Mathematica. 

3. Quum obfervationum Astronomicarum funda- 
mentum in accurate temporis notitid maxime fit posi- 

tum , 



C iSo ) 

tum; qiiaeritur, ut praccipuae methodi , quibus tem* 
pus exacte definiatur, perlpicuè explicentur , et aptis 
exemplis, inprimis vero obrervationibus, ab ipfis 
commentationum aiicioribus inftitutis, illustrentur? 

4. Exponatur Historia naturalis et chemica mine- 
rarum i'erri; dein ejusdem metalli excocti et ad ufuni 
parati genera et diverfitates describantur. 

5. Systematicè enumerentur fpecies indigenae Rep- 
tilium ex Ordine Batrachiorum ^ additd unius faltetn 
fpeciei anatome et praefertim osteographift accurate, non 
ex alioruni fcriptis deCumta , fed ab ipfa Naturd petiid. 



260. Vragen , door de Utrechtfche Hoogefchool uit- 
gefchreven^ waarop de antwoorden vóór den 
tienden Jan. 1829 gezonden moeten worden aan 
den Uoogl. b. f. süerman. 

1. Exponantur atque exemplis illustrentur methodi , 
quibus liniarum, fuperficierum atque corporum centra 
gravitatis cakulo definiantur. 

2. Quaeritur Analyfis chemica comparata carnis 
bovinae, vitulinae, ovinae et porcinae, ut inde effi- 
ciatur, quaenam praecepta in fingulis bis carnibus , 
live integris, five illarum extracto, diu atque etiam 
per itinera longa, confervandis , fint fequenda. 



Drukfouten in Deel III, N". I. 
Wef. Beriglen bl. 66 staat: Vacchiium Myrtillus? lees: Fac- 

ciniura Myrtillus, L. 
— — bl, 68 staat: spreagler , lees: sprebgei. 



BOEKBESCHOUWING. 

Dis/ertatio Phyfica de lege Repulfionis Ekctricae^ 
quant Praefide p. j. uvlenbroek ad publicam 
disceptationem proponit j. j. ermerins , L. Bat. 
1827. 4°. 54 pag. 



D= 



'e heer ermerins, broeder van den Franeker 
Hoogleeraar , heeft het hier aangekondigde (luk onder 
het praefidium van den Hoogleeraar uylenbroek ver- 
dedigd. Den tijd, die hem van zijne ftudie in de regten 
overblijft, is hij , volgens zijne voorrede, gewoon 
aan de beoefening der natuurkunde te wijden, en 
onder deze oefeningen was in de laatfte dagen het 
onderzoek van de balans van coulomb en het nemen 
van proeven met dezelve eene hoofdzaak. 

Wij achten het van belang , dat d'it ftuk bekend 
worde, en geven dus gaarne een verdag van hetzelve, 
niet twijfelende, of men zal met ons het werk van 
den heer ermerins eene bijzondere aandacht waardig 
keuren. 

Het ftuk is verdeeld ïn drie hoofdflukken , waar- 
van het i«. handelt over de wijze, die verfchillende 
Natuurkundigen hebben gebezigd, om de wet van 
electrifche afflooting te bepalen : het 2«. geeft proeven 
op, door den fchrijver genomen, om het beginfel, 
waarop de balans van coulomb fteunt, duidelijk te 
maken : het s". doet andere proeven kennen , waar- 
door de fchrijver de beftaande denkbeelden over de 
waarfchijnlijke wet van afftooting opheldert. 

BIJDRAGEN, D. III. ST. 2. N lo 



( i8i ) 

In het eerrte vinden wij dus aangegeven, dat cou- 
LOMB eigenlijlv het eerst dit onderwerp meer opzette- 
lijk heeft behandeld. Door den door hem uitgedach- 
ten toeftel vond coulomb: dat de gelijknamige elec- 
triciteiten elkander afftooten in de omgekeerde reden van 
de vierkanten der afftanden. — De Berlijn fche Hoog- 
leeraar siMON herhaalde de proeven van coulomb. 
Door eenen anderen toeflel , in dit (luk insgelijks 
befchreven , vond simon de wet van coulomb niet 
bevestigd, maar de afftooting omgekeerd evenredig aan 
de afftanden , en niet zoo als coulomb , aan de vier- 
kanten derzelve. Simon had intusfchen in zijne proe- 
ven eene dwaling doen influipen , door onjuiste af- 
ftanden op te geven. Dit toonde egen aan , en vond 
dan ook een gering verfchil tusfchen de uitkomsten 
der proeven van coulomb en simon, na de noo- 
dige correctie , aan de proeven des laatften aangebragt 
te hebben. 

Maijer nam op eene andere wijze nieuwe proeven 
en vond de wet bevestigd, dat de electrifche afftoo- 
ting, in de omgekeerde reden der enkele afftanden, 
werkt. — Hiertegen verklaarde zich intusfchen egen, 
bewerende, dat de proeven van ma^er niet naauw- 
keurig waren genomen, dat integendeel de wet van 
coulomb voor waar moest gehouden worden. — 
Parrot nam eerst proeven met de balans van coulomb 
en kreeg uitkomsten , die de wet van dezen laatften 
bevestigden. Doch hiermede niet tevreden, beproef- 
de hij door den toeltel van zamboni de wet van elec- 
trifche afftooting te bepalen, en vond die van coulomb 
bevestigd, doch wantrouwde nu ook zijne eigene 
proeven, en ried den Natuurkundigen aan, de wet 

van 



C 183 ) 

van siMON voor waar te houden. De redenen , waaf- 
om de proeven van parrot met den toeftel van zam- 
BONi niet beliooren voor goed gehouden te worden 
heeft EGEN dan ook uiteengezet. ' 

Na PARROT heeft nog von yelin proeven met den 
toeftel van zamboni genomen, die door müncke 
teregt zeer worden afgekeurd. Met de balans van 
coüLOMB heeft vervolgens kaemtz nog proeven in 
het werk gefteld , die zoo wel uitkomsten verkreeg 
welke aan de wet van coülomb , als aan die van 
SIMON tegenovergefteld waren. Eindelijk heeft egen 
nog onlangs nieuwe proeven genomen met den toe- 
ftel van simon, waardoor hij de wet van coulomb 
op nieuw bevestigd vond. 

Dit is de inhoud van het eerfte hoofdftuk , dat eene 
korte doch volledige fchets van de genomene proe. 
• ven bevat. 

Het tweede hoofdftuk geeft eerst proeven op, om 
de wet van omdraaijing Qex torflonis) door coulomb 
bepaald, te toetfen, daar deze proeven door niemand 
na COULOMB zijn herhaald. Hiertoe werd door den 
fchnjver ook eene balans van cot;LOMB gebruikt 
door DUMOTiEz in Panjs gemaakt, van welke in de' 
Verh. eene korte befchrijving wordt gegeven. De me- 
talen draden , die tot onderzoek moesten dienen wa- 
ren meestallen o», 61 lang, en werden, aanbeten- 
derfte gedeelte van den micrometer opgehangen , met 
cilmders of naalden bezwaard , en door omdraaijing 
van het bovenfte gedeelte van den micrometer in eene 
draaijende beweging gebragt. Indien wij den zin des 
fchrijvers (bl. 20) wel gevat hebben, zoo werden 
de tijden van flingeringen waargenomen, ophetoogen- 

NV blik. 



( 184 ) 

blik , dat de naald weder op de plaats terug kwam , 
vanwaar dezelve reeds eenmaal was afgedraaid ; zoodac 
dus de eerfte flingering verwaarloosd werd , maar de 
tweede het eerst werd opgeteekend. Wij moeten in- 
tusfchen bekennen , dat deze zin niet zeer duidelijk 
is. Ermerins vond hierdoor , dat , hoe groot ook 
de Hingeringen waren, de tijden van flingeringen de- 
zelfde waren. Men vindt in de eerfte tafel , achter de 
Verh. gevoegd , deze proeven voor zilver- , koper- 
en ijzerdraad vermeld , en hierbij de dikte der draden , 
het gewigt derzelve , twee meters lang zijnde , de 
lengte , die van dezelve gebezigd is , en het gewigt , 
hetwelk zij konden dragen, eer zij gebroken werden, 
opgegeven; vervolgens worden de ftoffen der gebe- 
zigde cilinders, om de draden mede te bezwaren, der- 
zelver gewigten en diameters opgegeven , eindelijk 
de tijd van vvaargenomen flingeringen , de waarde van 
de ftandvastige grootheid, door de formule te vinden, 
de tijd van flingeringen volgens de formule, en 
het verfchil tusfchen de berekening en de proeven 
medegedeeld. — Hieruit is het niet onduidelijk de 
overeenkomst tusfchen de ondervinding en theorie op 
te maken , en alzoo de wet van coulomb bevestigd. 
Voor zilverdraad waren er intusfchen afwijkingen , 
die ERMERINS afleidt van de mindere elasticiteit van 
het dunne zilverdraad, hetwelk met zware gewigten 
beladen , welligt eenige verandering in de onderlinge 
aaneenhechting der deeltjes heeft ondergaan. — Om 
dit te onderzoeken , heeft de fchrijver andere proe- 
ven met dit zilverdraad genomen , die in de twee- 
de tafel zijn vermeld , en waaruit het genoegzaam 
'blijkt, dat dit verfchil aan de te zware gewigten moet 

toe- 



C 185 ) 

toegefchreven worden : zoodat hij dan voor de onder- 
zochte metaaldraden (mits het zilver met geen te 
groot gewigt bezwaard werd) de wet van coulomb 
bevestigd heeft gevonden : dat de hoeken van om- 
draaijing , aan de krachten , waarmede de draden wor- 
den omgedraaid, evenredig zijn. 

Het derde hoofdftuk bevat de proeven over de electri- 
fche afftooting. Hier wordt eerst de befchrijving opgege- 
ven van bijzonderheden , bij deze proeven op te merken,, 
dus eene naauwlieurige befchrijving van dedeelenvan 
den gebezigden toeftel. Daarna wordt het moeijelijke 
van de wijze van waarnemen aangeduid, wanneer 
men, door aan ligchamen medegedeelde electriciteit , 
de afftooting door de doorloopene ruimte vanden index 
wilde bepalen , om de wet van coulomb te onder- 
zoeken. De flingeringen van den index maken dir 
bijna onmogelijk. Ten einde echter van de waarne- 
mingen zeker te zijn , werd de afftand der met elec- 
triciteit bedeelde bollen vooraf bepaald , en hierdoor 
werden die flngeringen van den index voorgekomen. 
Doch ook in deze wijze blijft iets onnaauwkeurigs 
over. Want door de ftingerende beweging van den 
index gaat er onder elke proef eenige electriciteic 
verloren, daar men onmogelijk de met electriciteit 
bedeelde ligchamen eenigen tijd geheel geïfoleerd kan- 
houden. Hierdoor neemt dus de electriciteit door 
verfchillende omftandigheden ah Hierop moest men 
dus vooral in deze proeven opmerkzaam wezen , het- 
welk vroegere Natuurkundigen na coulomb , in het 
zoeken naar de wet van afftooting, hadden verwaar- 
loosd, en het verdient dus de bijzondere aandacht,, 
dat de heer.ERMERms hierop opmerkzaam is geweesf 

N 3 en 



C i8ó ) 

en de hoeveelheid van verlorene electriciteit onder de 
proeven heeft bepaald. 

Hierdoor worden dan van zelve twee hoofddoel- 
einden van deze proeven daargcfteld , het eerfte om 
de hoeveelheid van electriciteits-vermindering te bepa- 
len , het tweede , om de wet van afftooting eerst daar- 
na op te maken. 

Voor het eerfte doel werden barometer- en ther- 
mometer- (land, tegelijk met de vochtigheid van den 
dampkring opgeteekend. Jammer is het, dat de ba- 
rometer niet van eene betere foort was. Want iedere 
barometer , die geen vast punt voor het nulpunt der 
fchaal oplevert, en waarvan de wijdte der buis niet 
bekend is , kan geene goede waarnemingen opleveren. 

Wij zijn dus van een geheel tegenovergefteld gevoe- 
len, als de Weleerwaarde heer a. stolker, die in 
zijne Verh. over het doen van meteorologifche waar- 
neming en , bij het Bat. Genootfchap verleden jaar be- 
kroond, zegt, dat dit niets van belang zal afdoen. 
Naar onze meening zou het ten hoogfie nadeelig voor de 
wetenfchap zijn , indien deze denkwijze algemeen werd. 
Want het is niet de lengte van eene zekere kwik- 
kolom die wij noodig hebben ; maar van die , die de 
drukking der dampkringslucht doet kennen, dus de 
•ware lengte van de kwikkolom in den barometer. 

Ook vinden wij door den heer ermerins niet opge- 
geven , dat er een thermometer van den barometer 
(thermometer in het kvvikbakje geplaatst) aanwezig 
was, zoodat er ook geene correctie voor de temp. 
van het kwik, dan door eenen thermometer, in^ 
de lucht hangende, heeft kunnen gedaan worden; 
hetwelk wel eenigen graad van naauwkeurigheid , 

doc'^ 



C 187 ) 

dodi niet de gewenschte geeft. — Wat het niet be- 
kend zijn van de wijdte der buis en het hierdoor na- 
laten van correctie voor capillariteit aangaat, zou- 
den wij meen en , dat het toch eenige meerdere naauw- 
keurigheid geeft , van de ruwere wijze , om de wijdte 
der buis door eenen pasfer te bepalen , gebruik te 
maken , en zoo na mogelijk de correctie te doen ^ 
dan deze geheel na te laten. 

Van de gebezigde thermometers vinden wij in de 
Verh. een onderzoek opgegeven , waaruit het op nieuw 
blijkt, hoe onmisbaar toch zulke onderzoekingen van 
inftrumenten zijn. Want zoo als de gebrekkige voort- 
gang der natuurkunde in vroegere jaren voor een ge- 
deelte van de onvolmaaktheid der werktuigen afhing * 
zoo is dit heden nog hetzelfde. Waarom wij ook 
fteeds meer en meer tot mistrouwen van getallen ge- 
dwongen worden , die anders , omdat zij iets bepaalds 
aangeven , onbepaald geloof moesten verdienen. Een 
thermometer van dumotiez bleek niet onduidelijk aan 
ERMERiNS eene conifche buis te hebben. 

De heer ermerins heeft bij zijne bepaling van de 
vochtigheid de dampkrings, van den hygrometer van 
DE sAussuRE gebtuik gemaakt , na dezen met dien 
van DANiELL vergeleken te hebben. Wij voor ons 
zouden wenfchen den laatften te bezigen , daar men 
hierdoor van geene wrijving van den index of ver- 
fchuiving van denzelven afhangt, daar men ook dan 
niet den invloed van den waterdamp op een menfchen- 
haar als middel noodig heeft, om de hoeveelheid 
vochtigen damp te bepalen, maar uit de vatbaarheid 
der lucht om damp op te nemen en te bevatten, tot 
derzelver hoeveelheid meer juist kan befluiten. Het 

N 4 is 



( i88 ) 

is ons om déze redenen altijd vreemd, dat men in 
Frankrijk nog zoo veel waarde aan den hygrometer 
van DE SAUssuRE hecht , nadat men dien van daniell 
bezit. Wil men eenen hygrometer van menfchenhaar 
bezigen, zoo zouden wij dien, die babinet ons heeft 
leeren kennen, boven dien van de saussure verre 
verkiezen. 

In de Verh. volgen nu de proeven , over het ver- 
lies van eleciriciteit en derzelver afflooting genomen. 
Uit dezen volgt, dat het verlies van electriciteit in 
het algemeen aan derzelver denfiteit evenredig was. 
Dit is dan ook voor waar aangenomen , in de proeven 
over electrifche afftooting ; hoewel de vermindering van 
electriciteit niet altijd conftant was , maar ook wel 
eens langzamerhand afnam. Dit meende ermerins 
dan vooral waargenomen te hebben , indien hij de 
balans eenige dagen onaangeroerd had moeten laten. 
Ook uit deze proeven blijkt niet onduidelijk , dat er 
eene zekere overeenkomst is, tusfchen den graad van 
vochtigheid des dampkrings en het verlies van elec- 
triciteit. — Doch hetgeen vooral is op te merken ; de 
proeven van ermerins bevestigen de wet van cou- 
LOMB , dat de electrifche afftooting in de omgekeerde 
reden is van de vierkanten der afftanden. 

Dit is dan hetgeen wij over dit (tuk hebben mede 
te deelen. Wij moeten hier nog bijvoegen, dat wij 
hetzelve met groot genoegen lazen, het voor eene 
aanwinst der tegenwoordige wetenfchap houden en 
er vele naauwkeurigheid in aantroffen. Wij wenfchen 
voor de wetenfchap, dat de heer ermerins zal 
voortgaan, met zijne ftudiën in de regten ook die der 

na- 



C 189 ) 

natuur te verbinden, op die wijze, waarop hij dezelve 
heeft aangevangen. 

G. J. M. 



>«»« 



Handleiding tot de beoefening der Artfenijbereidkun" 
dige Scheikunde , of grondbeginfelen der Phar- 
maceutifche Chemie , door D. blankenbyl , 
a' ftuk , i« gedeelte , in 8vo. , van ^(i<^ — 526 bladz. 
Dordrecht, blussé en van braam, 1828. 

JLn deel II, (luk 2, blz. 6-j van deze Bijdragen, 
hebben wij het eerfte ftuk van deze Handleiding aan- 
gekondigd, en er den hoofdzakelijken inhoud van 
medegedeeld. Met genoegen ontvingen wij dit ftuk, 
daar ons de vlijt en kennis van den fchrijver ge- 
noegzaam waarborgden, dat dit ftuk met het eerfte 
gelijke onderfcheiding zou verdienen. Wij lazen dan 
dit ftuk wederom met genoegen en pasfen er op toe, 
wat wij van het eerfte gezegd hebben. 

De heer blankenbyl heeft zijn plan moeten laten 
varen , om eene Artfenijbereidkundige Scheikunde in 
twee ftukken te geven, van uitgebreidheid zoo als 
het eerfte. Het tweede ftuk heeft hij nog eens in 
twee onderdeden gefplitst, en van deze verfchijnt 
thans het eerfte. Hierdoor is eene verandering ont- 
ftaan, die bij de groote uitgebreidheid van de weten- 
fchap, niet dan nuttig kan wezen. Beknoptheid te 
bevorderen, mag ook nooit ten koste der zaken ge- 
fchieden, en zoo ondoelmatig als wij het vinden, dat 
de heer comet de Elémens de Chimie van orfila, 

N 5 in 



( 19° ) 

in miniatuur gaat uitgeven , zoo doelmatig vinden wij 
het plan van den heer blankenbyl om zijn werk 
uit te breiden. Die miniatuur-boekjes , cncyclope- 
dietjes, enz. geven zeker nog meer miniatuur-be- 
oefening der vvetenfcliap. Wij weten het dan ook 
van nabij , dat ergens in ons land dit boekje van 
ORFILA, door coMET verfnippcfd , zeer behulpzaam 
is in het voorbereiden tot een examen in fcheikunde. 
Wij hopen echter niet , hetgeen wij gehoord hebben, 
dat dit boekje in onze taal overgebragt zal worden. 
Sommigen mogen meenen hieraan genoeg te hebben, 
om fcheikundige kennis op te doen; den apothekers- 
leerling bevelen wij liever een ander, ook in onze 
taal gefchreven handboek aan; hoedanige wij er thans 
meer dan een bezitten. 

In dit ftuk dezer handleiding van den heer blan- 
kenbyl wordt de behandeling der enkelvoudige lig- 
chamen eerst voortgezet, en in het 13" hoofdftuk 
over metalloïden , in het 14^ over metalen in het al- 
gemeen, en in het 15^ over metalen in het bijzonder 
gehandeld , die den Artfenijbereidkundigen noodig zijn 
te kennen: goud, zilver, platina, kwik, ijzer, koper, 
tin , lood , zink , bismuth , fpiesglans , arfenik , man- 
gaan; van deze metalen wordt eerst eene korte be- 
fchrijving gegeven , daarna de verbinding met andere 
enkelvoudige ligchamen aangeftipt, atomengewigt me- 
degedeeld en het pharmaceutisch gebruik eenigzins 
uiteengezet. 

De derde afdeeling handelt over de belangrijkfte 
onbewerktuigde zamengeftelde ligchamen, en van de- 
zen worden alleen de tweeledig zamengeftelde ligcha- 
men in dit ftuk afgehandeld. Hiervan behandelt de 

fchrij- 



C 191 ) 

fchrijver alleen de ziiurftof-, ftikftof-, vvaterftof- en 
zwavelverbindingen. De zuurftofverbindingen worden 
in 5 onderdeden ontvouwd ; waarvan de eerfte , zoo 
als voor, elk nieuw onderdeel, in het algemeen de ver- 
bindingen befchouwt, de tweede over niet metaalaar- 
dige verzuurfels , de derde over metalloïde verzuurfels, 
de vierde over metaalverzuurfels , de vijfde over zuren 
handelt. Men vindt hier eerst eene befchrijving van 
den aard der verbindingen , de eigenfchappen derzel- 
ve , bereidingwijze, toelichting der bereiding, ato- 
mengewigt , en kenmerken van echtheid. Dit alles 
wordt zeer beknopt voorgedragen , zonder oppervlak- 
kig te zijn. 

Het zal misfchien fommigen bevreemden , en het heeft 
dit reeds gedaan , dat dit tweede ftuk minder uitvoerig 
is, dan het eerfte; inzonderheid minder uitvoerig dan 
de algemeene fcbeikundige befchouwingen , in het eerfte 
ftuk voorkomende; doch wij voor ons gelooven, dat 
de heer blankenbyl dit met de inzage gedaan heeft, 
om eens betere denkbeelden , aangaande den toe- 
ftand der wetenfchap te verfpreiden, dan veelal onder 
de onzen in omgang zijn; en wij vinden dit zeer 
doelmatig. 

G. J. M. 



Fer- 



C '9^ ) 

Verhandeling ^ inhoudende eene Bcfchrijving van 
de Hennepteelt in Nederland en eene aanwijzing 
van haar nut in den Landbouw en andere be- 
drijven; door H. c. VAN HALL, Med, Doct.^ 
Hoogleeraar te Groningen. Groningen , 1 828 , 
60 bladz. in gr. 8vo. 

X oen in het midden van de laatfte helft der vorige 
eeuw, de beroemde Landhuishoudkundige f. home 
klaagde, dat er zoo weinig in het vak van landhiiis- 
houdkunde gedaan en gefchreven werd, offchoontoen 
reeds de voortreffelijke werken van zijne Landgenoo- 

ten EVELIJN, TULL, MORTIMER, CROVVELL, ELLIS, 

LAWRENCE en anderen over deze wetenfchap befton- 
den, konjoHANN christoph wöllner , hem reeds, 
te regt , op fcheepsladingen met Duitfche werken 
over landhuishoudkunde uitnoodigen! Sedert dien 
tijd, heeft zich het getal van werken, over deze 
wetenfchap niet alleen in Engeland, en bovenal in 
Duitschland, verbazend vermenigvuldigd, maar ook 
in andere landen , als Frankrijk , ja zelfs in Rusland 
zag men de reeds beftaande werken , over het bedrijf 
des Landmans , in de laatfte jaren met een' groot ge- 
tal vermeerderen; onder welke er onderfcheidene ge- 
vonden worden, welke derzelver fchrijvers niet alleen 
tot eer verftrekken , maar waardoor zij zich zelfs eenen 
onfterfelijken naam bij het nageflacht verworven heb- 
ben. Hoe veel er dan ook , in vroegere en latere 
tijden, in onderfcheidene landen over landbouw en 
veeteelt, de zekerfte en duurzaamfte fteunpilaren van 

elk 



C 193 ) 

elk welingerigt Staatsgebouw , gefchreven moge zijn , 
zoo heeft echter , tot op dit oogenblik zelfs , onze 
vaderlandfche Landman de regtmatige klagt kunnen 
aanheffen , dat in Nederland bijna geheel geene wer- 
ken aangaande zijn bedrijf in bet licht verfchenen. 
En inderdaad, indien men alle landhiiishoudkundige 
werken , welke fede'rt kaerle stevens en jan li- 
BAUT*s Veltboww ofte Lantwinninge , dat een der 
vroegften en nog maar eene vertaling is (*), tot op 
het voor ons liggend werkje over de Hennepteelt in 
ons Vaderland zijn in het licht verfchenen, nagaat, 
en het gering getal van losfe verhandelingen , welke 
in de werken van eenige iVIaatfchappijen en geleerde 
Genootfchappen verfpreid gevonden worden (de ver- 
talingen niet mede gerekend), dan wordt het over- 
blijvende getal van oorfpronkelijke werken uiterst 
gering, ja, nietsbeduidend in vergelijking van andere 
landen; en de niet ongunstige toeftand, waarin onze 
vaderlandfche landhuishouding reeds zeer vroeo- ver- 
keerde , moet dus noch aan eene bijzondere ijven'o-e be- 
oefening der Landhuishoudkundige Wetenfchapp^'en in 
ons land, noch aan bijzondere begunstiging en aan- 
moediging der landhuishouding van Gouvernements- 
wege worden toegefchreven , maar moet deels gezocht 

wor- 
(*) Te onregt toch worden deze fchrijvers en gevolge, 
lijk ook hun werk door j. le francq van berkhey in zijne 
Natuurlijke Historie van het rundvee in Holland. Leyden 
1805. St. I. bl, ip7 en 198 , en in navolging van hem ook 
door Prof. uilkens in zï]Xi Handboek van Vaderl. Landhuis 
houdkunde. Groningen 1819. bl. 94. §. 312, als een voort, 
brengfel van ons Vaderland opgegeven. 



C 194 ) 

worden in onzen uitgeftrekten handel en verkeer met 
andere volken; deels en wel voornamelijk, in de bij- 
zondere gunstige natuurlijke gefteldheid van ons va- 
derland voor landbouw en veeteelt , zoo als in eenige 
hoofdtrekken door den Hoogleeraar kops is aange- 
toond geworden C*). 

Bij eenen dusdanigen toeftand van zaken moet het 
elk regtgeaard Vaderlander ten uiterfte aangenaam 
zijn , indien hij het een of ander werk op onze va- 
derlandfche landhuishouding, die nog voor zoo vele 
en zoo groote verbeteringen vatbaar is, betrekking 
hebbende , ziet in het licht verfchijnen , en wel te 
meer wanneer het van eene gehalte is , gelijk aan die 
van de onderhavige Verhandeling. 

Door bijdragen toch , welke even als dit werkje in een' 
echt praktifchen geest gefchreven zijn , en zoo wel voor 
den werkdadigen Landbouwer , als voor den meer be- 
fpiegelenden beoefenaar dezer wetenfchap van groot 
belang zijn ; zullen wij eenmaal in ftaat worden ge- 
field eene volledige befchrijving van onze vaderland- 
fche landhuishouding te erlangen ; en daardoor niet 
alleen den Landman de gelegenheid ' verfchaiFen om 
zijnen gezigtskring te vergrooten , zijn* fluimerenden 
geest op te wekken , punten van vergelijking en aan- 
leiding tot nader onderzoek en beproeving te kunnen 
vinden, en alzoo de verjaarde handelwijze van vader 

en 

(*) Zie JAN KOPS, Redevoering over den Noord-Neder* 
landfchen Bodem, als meer gefchikt voor den landbouw 
dan die van vele andere Landen van Europa ; voorgedragen 
in de openbare vergadering der eerfte klasfe van het Ko. 
ninklijk-Nederlandsch Infticuut, op den 19 October 1821. 



( 195 ) 

en grootvader tegen betere , meer doelmatige en meer 
winstgevende te verwisfelen; maar ook zal daardoor 
de beoefening der landhuishoudkunde, eene weten- 
fchap thans nog , helaas ! in ons land , bij velen , 
welke zelfs aanfpraak op geleerdheid en befchaving 
maken , naauwelijks bij name bekend , hoe langs hoe 
meer in bloei toenemen, en éénmaal aan het Vader- 
land die zoete vruchten fchenken , welk men , met 
regt, van eene vlijtige en grondige beoefening dezer 
wetenfchap kan verwachten ! 

De Hoogleeraar van hall dan ook volkomen 
overtuigd zijnde, dat er in ons land dringende be- 
hoefte beftaat aan een werk , in hetwelk onze vader- 
landfche landhuishouding in al deszelfs deelen befchre- 
ven wordt , leverde deze verhandeling over de teelt 
der hennep als toekomstige bouwftof voor zoodanig 
ons, tot nu toe, nog geheel en al ontbrekend werk, 
en, naar het ons voorkomt, is hij zeer gelukkig in 
zijne poging geflaagd , en heeft de op zich genomene 
taak op eene allezins loffelijke en navolgenswaardige 
wijze volbragr. 

Na eene beknopte inleiding, waarin hij kort de 
redenen opgeeft , welke hem tot het zamenftellen van 
dit gefchrift bewogen hebben, en het een en ander 
omtrent de hennep-plant zegt, maakt hij ons in de 
eerfte § bekend met de plaatfen , alwaar de hennep 
hier te Lande verbouwd wordt. De tweede § levert 
ons eene befchouwing van den grond, welke voorde 
teelt van dit gewas het gefchiktfte is. De derde § leert ons 
de plaats kennen, welke de hennep in de vruchtop- 
volging bekleedt. In de vierde § wordt over de grond- 
bewerking en bemesting, welke de hennepteelt vor- 
dert, 



C ï96 ) 

dert, gehandeld. § 5 befchrijft ons de zaadbeftelling 
en het een en ander, hierbij in aanmerking Icomende. 
Met de verdere behandehng van den hennep-akker, 
worden wij in de zesde § bekend gemaakt , terwijl 
wij hierin tevens opmerkzaam gemaakt worden op de 
rampen , welke deze teelt te duchten heeft. In § 7 
vinden wij de wijze van inoogsting en verdere be- 
werking van den hennep opgegegeven ; terwijl de 8""=S 
eindelijk een overzigt van de opbrengst en het nut- 
tig gebruik van lint en zaad bevat. 

Wij moeten ons met deze korte opgave van den 
inhoud vergenoegen , en kunnen niet in bijzonder- 
heden treden, daar dit zoo zaakrijk, duidelijk en 
voor ieder verftaanbaar gefchreven werkje, niet 
wel voor eenig uittrekfel vatbaar is. Wij hebben 
het met groot genoegen gelezen en herlezen, en 
daarbij het een en ander aangeftipt, waarop onze 
aandacht ftuitte. Wij hopen , dat de kundige 
Schrijver het niet euvel zal opnemen, indien wij 
deze geringe bedenkingen en weinig beteekenende 
aanmerkingen hier mededeelen , en vertrouwen , dat 
zij hem tot een blijk zullen verftrekken van de 
groote belangftelling , waarmede wij zijn gefchrift 
gelezen hebben. 

Het volgende hebben wij dan bij de lezing aan- 
geftipt; 

Op blz. 7 wordt gezegd, dat men in Engeland 
veel werk van den hennep , die uit Chineesch zaad 
voortkomt, maakt, en dat deze foort in de jaren , 
1821 — 1823 ook in ons Vaderland, doch met een >j 
ongunftig gevolg, is beproefd geworden. Zoude het 
dan voor onze hennep-boeren niet raadzaam zijn, ora 

zaai- 



C 197 ) 

zaaizaad uit Engeland te ontbieden, hetwelk het vo- 
rige jaar aldaar gewonnen en van Chineesch zaad 
was uitgezaaid geworden ? 

De Schrijver had op blz. ro en n , alwaar over 
den grond, voor de hennepteelt het gefchikfle , gehan- 
deld wordt, de landbouwers in de Provincie Gronin- 
gen , welke in dezen als leerlingen moeten befchouwd 
worden, zeker meer voorgelicht, indien hijdegrond- 
foorten, waarop de hennep, met goed gevolg ge- 
teeld wordt, met die van onze Provincie had vergele- 
Iv-en. De losfe kleigronden , op de polderlanden van 
den Dollart, worden flechts door hem voorgeflagen, 
als welligt voor deze teelt de meest gefchikte in 
deze Provincie. Wij gelooven echter , dat er hier 
veel meer plaatfen zullen gevonden worden , welke , 
200 niet beter , dan toch even goed voor den hennep- 
bouw zullen gefchikt zijn, als de polderlanden aan 
den Dollart. Zoo zullen, onder anderen, vele ftre- 
ken van het zoogenaamde lage land, welke wegens 
vochtigheid veelal niet anders dan voor de teelt van 
zomergewasfen,en wel bepaaldelijk voor haver, gebruikt 
worden , en eenen vruchtbaren humusrijken kleigrond 
bezitten, bij uitftek bekwaam zijn, om een goed 
gewas van hennep voort te brengen. Hetgeen in de 
3^" 5 gezegd wordt, aangaande de vruchtopvolging, 
komt zeer wel overeen met het gebruik in deze Pro- 
vincie, ten aanzien der vlasteelt. Veelal zaait men 
hier ook tarwe na vlas , die dan ook meestal zeer 
wel gelukt , dan of dezelve ook fchielijker uitfpruii;, 
na op vlasland gezaaid te zijn , is hier mogelijk min- 
der bekend, als ook, dat zij langzamer opkomt na 
klaver. Wat het zoo veel langzamer opkomen der 
Bijdragen, D. III. sT. 2. O tar- 



( 198 ) 

tarwe na klaver betreft, dit verfchijnfel is zeker 
hoogst merkwaardig! — doch het opkomen kan wei 
a of 3 dagen verfchillen, zonder dat men daarom 
juist gehouden is om op de klaverlanden zoo veel 
vroeger te zaaijen; want indien het verlchil flechts 
gelegen is in het ontkiemen, zonder invloed op den 
verderen groei en ontwikkeling te hebben , zoo kan 
dit de zaaitljd , weinig of geheel niet , doen veran- 
deren , althans niet meer als het vroeger of langza- 
mer ontkiemen bedraagt. Ook komt het mij voor, 
dat , indien er werkelijk eene langzamere opkoming 
der tarwe, op klaverland gezaaid, plaats heeft, zich 
zulks ook alleen bepaalt tot het langzamer ontkie- 
men, maar geen' verderen invloed op den groei en 
ontwikkeling in het vervolg heeft, daar de tarwe, 
^^' hier ten minste, op klaverland, in den herfst zeer 

wel groeit, ja zelfs fterk van plant wordt. •— Doch 
ik geloof, dat, ten aanzien van het langzamer op- 
tomen der tarwe na klaver, en het hierom zoo veel 
•^yroeger zaayen derzelve, den Hoogleeraar eene 
kleine vergisfing uit de pen is geflopen: immers hij 
zegt op blz. 13: „terwijl zij (de tarwe) integendeel 
„ na de klaver , wegens het langzamer opkomen ,' 
y, veel vroeger moet gezaaid worden." Hierbij wordt 
j, N. voN SCHWERZ, AnUitung zum praktifchen 
Ackerbau. Siuttgart und Tübingen^ 1825, lï. s. 82 
aangehaald, doeh schwerz zegt daar ter plaatfe 
niet, dat de tarwe na klaver langzamer opkomt, en 
daarom vroeger moet gezaaid worden » maar hij zegt , 
dat de tarwe op klaver, volgens de ondervinding der 
Elfasfers, ligt doof wordt (dat is doove, meellooze 
korrels krijgt), indien men ze niet 2—3 weken 

vroe- 



( 199 ) 

vroeger dan de andere zaait ; zie hier zijne eigene 
woorden op s. 83 boven aan: „Kleeweiizen mll 
„ 2 — 3 Wochen vor jedem andcrn gesaet feyn , ohne 
y,\velches er, nach der Erfahrung der Elf as f er ^ 
y^leicht taub wird.^^ Wat overigens het bouwen van 
tarwe na klaver betreft, zulks is hier zeer weinig in 
gebruik , en ook , om meer dan ééne reden , niet aan 
te raden , waarom ook de ervarene Landhuishoud- 
kundige brown (*) zegt : « dat tarwe na klaver te 
„bouwen, bij deze graanfoort, met één woord, het 
„ allergewaagdfte is." 

Blz. 15, Moet het land vaker dan ééne keer ge- 
fpit worden, even als zulks, volgens opgave, met 
het ploegen het geval is, of is ééne keer voldoende? 
Ook op blz. 50 wordt aan het omfpitten de voorkeur 
gegeven , doch niet gezegd hoe vaak dit gefchieden moet. 

Op blz. 16 komt in eene noot voor, dat becker. 
als den besten zaaitijd voor den hennep opgeeft, wan- 
neer de eiken uitgeloopen zijn, omdat er dan weinige 
koude nachten meer te vreezen zijn. Zoodanige tijds- 
bepaling houdt de Schrijver , in het algemeen , voor 
den landbouw veel doelmatiger, dan die naar de dag^ 
teekening in den Almanak, omdat, bij voorb., bij 
langdurige voorjaarskoude de eiken ook later uitloo- 
pen, daar de tijdsbepaling in den Almanak altijd de- 
zelfde blijft. Tegen eene zoodanige Natuur- of Plan - 
tenkalender, welks gebruik in de Landhuishouding 
ouder is dan de Astronomifche , zoude zeer veel in het 
midden kunnen gebragt worden, doch voordat de 
hierover beflaande bouwftofFen, welke hier en daar 

ver- 

(*) Broww, Treatise on Rural /Iffiairsy in voce wheat. 

O 2 



^1 



( 2O0 ) 

vcrfprcid gevonden worden (*), zich aanzienlijk ver- 
meerderen, en eindelijk een ecnigzins volledig ge- 
bouw daarftellen , zal cene beftrijding daarvan zeker 
overbodig zijn (f). En , wat in het bijzonder de 
zaaitijd van den hennep aangaat , hiervoor zoude ik eene 
tijdsbepaling (natuurlijk onder wijziging) in alle ge- 
vallen beter houden dan het uitloopen der eiken, 
daar deze boomen, niet in al die ftrcken gevonden 
worden , in welke men hennep verbouwt of zoude 
kunnen verbouwen , en er bovendien eene zoo groote 
en in het oog "loopende verfcheidenheid in den tijd 
van uitlooping bij de eiken plaats vindt, gelijk aan 
ieder bekend is. Zoo zag ik hier onder anderen 
den 2.^"'^ Mei dezes jaars reeds een' eik uitgeloopen , 
en in blad (offchoon wij in de laatfte helft van Mei 
nog aanmerkelijke nachtvorsten kregen), terwijl ik 
den ^s''"" Mei, in de woiidftreek dezer Provincie 
zijnde, onderfcheidene eiken zag, welke hunne bla- 
deren pas begonnen te ontrollen, en tusfchen an- 
dere, reeds blad volle eiken, in Honden. Naar welke 
moet de Landman zich dan rigten? Overigens zijn 
onze Landlieden , hier ten minste , niet zoo onkun- 
dig 

.(*) Becicmann, welke aan eenen Natuurlijke- of Plan • 
tetitenkalender de voorkeur geeft, voert eenige fchriften 
aan, in welke men bouwftofFen voor eene zoodanige tijds- 
bepaling kan vinden in zijne Grundfcitze der Teutfchen Land- 
v/irthfchaft , Gdtt. 1806. S. 125 § 67. 

(f) Onder de nieuweren , welke het volgen van eenen Plan- 
tenkalender, maar niet zoo ruimfchoots toeftemmen, be- 
hoort ook j. c. LOUDON, Encyclopadie der Landwirthfchaft 
etc, Weimar 1827, IP« Liefermg, S. 352 § 162. 



C 201 ) 

dig of onopmerkzaam , dat zij Inm werk niet fchib- 
ken naar de weêrsgefteldheid en andere invloeden j 
zij zijn gewoon hunne landelijke werkzaamheden naar 
wêr en' wind ^ zoo als zij dat noemen , te wijzigen 
en te regelen , zoo als dan ook nog dit voorjaar, bij 
de zaadbeaelling der zomervruchten, op eene in het 
oog vallende wijze, gebleken is. 

Op blz. 19 wordt gezegd , dat , als er zware re- 
gen valt, ten tijde dat de nmdermest (is dit met an- 
dere mestfoorten ook bet geval?) nog uitgefpreid 
over den akker ligt, dan zoodanig land, ten opzigte 
van de hennepteelt, voor 2 of 3 jaren geheel bedor- 
ven is. Is die waarneming algemeen en dus geldig ? 
zoo ja — welke mogen dan toch wel de redenen 
geacht worden te zijn van dit zoo zonderling en op- 
merkingswaardig verfchijnfel ? Hierover hadden wij 
gaarne het een of ander nader vermeld gezien ! 

Op dezelfde blz. lezen wij dat korte, wel verrotte 
mest of dong voor den hennepbouw de beste is. — 
Gelijk wij over het geheel de bemesting en de ver- 
fchillende foorten van mest gaarne wat meer uiteen 
gezet hadden gezien , wenschten wij wel bepaalde- 
lijk , dat de Schrijver' zich, met een paar woorden 
Hechts , wat nader omtrent de dong verklaard bad ; 
en wel te meer, daar vele der nieuwere Landhuis- 
houdkundigen thans de oude leer , aangaande de mest- 
bereiding , en den ftaat , in welke zij moet worden 
aangewend, verlaten, en nu nieuwen , onverrotten mest 
op den akker willen gebragt hebben. Zoo beweer- 
den kortelings toch de H'. coke, eengroot Land- 
huishoudkundige, en de H^ davy, een groot Schei- 
kundige , met zoo veel gezag, dat de mestltofFeji 

O 3 on- 



( 2oa ) 

ougerot moesten gebruikt worden, dat g. w. hall 
het naauwelijks durfde wagen, om het tegendeel te 
beweren , hetwelk hij echter , naar ons oordeel , op 
ecne voortreffelijke wijze gedaan heeft (*). Ook heeft 
GiusEPPE LAMBRUSCHINI, iu Zijne onlangs bckroondc 
Prijsverhandeling over de mestftofFen (f), geplaatst 
in de Atti deW I. R. Accademia dei Georgofili di 
Firenze, en met hem vele nieuwere, inzonderheid 
Duitfche Schrijvers, dit ftelfel van coke en davy 
verdedigd. Offchoon wij dan 's Hoogleeraars gevoe- 
len in dezen, uit het werkje, niet mogen ontwaren, 
komt het ons echter voor, dat hij hier te regt aan- 
raadt, den hennepakker ten minste, met dong te be- 
mesten , juist niet zoo zeer uit vrees , dat bij eene 
bemesting met onverrotten mest , de in den akker 
overblijvende kracht der mestftofFen, gedurende den 
winter , vergaat (zie blz. 20 boven aan) , doch deels 
omdat de plant zich dan fchielijker ontwikkelt , vroeg 
reeds veel voedfel uit den dampkring trekt, en zijne 
vijanden (zie blz. 26) ontwast, deels doordien de 
losfe klei- en humusrijke hennepgrond, door vermen- 
ging met niet verrotte mestftofFen (inzonderheid wan- 
neer deze veel ftroo of andere plantendeelen bevat) 
minder bindend wordt, en eene al te groote, en dus 
fchadelijke losheid of poreusheid zoude verkrijgen; 
iets , hetwelk men , federt eenigen tijd , in Engeland, 

tot 

(•) Polytechn, Journal, Band IV, Heft I, S. 32 u. f. 

(t) Een kort uittrekfel dezer Verhandeling vindt men 
in whiszenborn's Neues und Nutzbares aus dem Gebiete 
der Haui' und Landwirthfchaft etc, fVeimar 1825, Band I» 
S. 283. 



( 203 ) 

tot groot nadeel der ondernemers, bij de teelt van 
knollen of Turnips (^Brasfica rapa) , door ondervin- 
ding geleerd heeft, op losfe en veel humus bevat- 
tende kleigronden , het geval te zijn. Overigens heeft 
de ondervinding, ten opzigte van het gebruik vaa 
nieuwen , onverrotten mest , duidelijk geleerd , dat de 
jonge planten, na deszelfs aanwending, zeer lang- 
zaam wasfen, dat zij langen tijd in eenen hoogst 
zwakken en zelfs twijfelachtigen toeftand verkeeren, 
en dat zij zelden in gewone jaren eenen goeden oogst 
opleveren, zelfs dan nog niet, wanneer mén den 
akker met dubbel zoo veel frisfchen mest voorzien 
had , als men anders gewoon was , met goed ver- 
rotten mest te doen (*). .._..;.^ a.i. 

Blz aa. Moet men fmalle of breedé alikei^ Vööi- 
de hennepteelt hebben? of heeft men mogelijk geheel 
geene akkers, om, zoo doende, de vochtigheid van 
den grond , een voornaam vereischte bij de teelt van 
dit gewas , te bevorderen ? De hennep in rijen be- 
telen, waarover op dezelfde bladzijde gefproken 
wordt , is door miller , D'. hill en young voor*, 
geflagen en aangeprezen! ,:■;;•. i 

Op blz. 24 komt voor, dat de proef, welke'Weil 
bij fommige zaden bezigt, om hunne meerdere of 
mindere deugdzaamheid, naar het zinken of blijven 
drijven van dezelve in water , te beproeven , bij den 
hennep , natuurlijk van geen nut kan zijn , omdat 
zgne zaden alh, gelijk meer andere olieachtige za- 
den , 

(*) Vergelijk j. c. loudon, Eticyclopadie der Land' 
wirthfchaft etc. IVeimar 1828 , II. Band ^ 4'^ Lieferung, 

s. 145, § 4584. 

O4 



C 204 ) 

den, in het water blijven drijven. Doch wij geloo- 
vcn niet, dat het drijven der hennepzaden in water, 
aan de olieachtige deelen , welice zij bevat , moet 
worden toegefchreven , daar wij vele zaden kennen , 
zoo als b. voorb. het lijnzaad, radijszaad, raapzaad, 
aveelzaad , mostaardzaad , enz. , welke evenveel , ja 
meerder olie , in gelijken omvang van ftof bevatten , 
dan de hennep, en evenwel in water zinken! 

Wij hadden op deze zelfde bladzijde, § 6, voor 
het woord kippen liever hoenders gelezen, daar wij 
ons overtuigd houden, dat de meeste landlieden in 
de Provincie Groningen , hierbij eerder aan Drentfche 
varkens, welke men hier algemeen kippen, ook wel 
eens fteilooren en fcherpriiggen noemt, dan aan 
hoenders zullen denken. Indien men aan alles geloof 
mogt flaan, wat er thans, inzonderheid in het nabu- 
rig Duitschland, in het vak van landhuishoudkunde 
al gefchreven wordt, dan zoude ik den henneptelers 
en in het algemeen allen landbouwers, welke door 
hoenders, musfchen, of ander gevogelte gekweld 
worden, ten fterkfte aanraden, om bij de zaadbeftel- 
ling, de zaaijing des avonds te doen, het zaad des 
nachts onbedekt te laten liggen, opdat de dauw er 
op zoude kunnen werken , en het dan den volgenden 
morgen , vóór of met zonnenopgang onder te eggen , 
by welke handelwijze, hoegenaamd geen pluim- 
gedierte, zich aan het zaad zoude wenfchen te 
verlustigen: — immers in de Oeconom. Neuigk. 
und Verhandl. 1 827 , N". 82 , wordt , behalve eene 
menigte andere voordeden, ook deze opgeteld, als 
met eene zoodanige wijze van zaadbeftelling , welke 
evenwel altijd aan vele zwarigheden onderhevig blijft , 
gepaard te gaan. Blz. 



C 205 ) 

BIz. 26. Met rollen zoude ik eerder aanraden 
(echter op het oogenblik, wanneer het zaad opkomt) 
dan het opzoeken der flakken , aangezien het laatftc 
te veel werk en moeite zoude vereifchen, indien de 
teelt eenigzins van belang was. Ook fchijnt het mij 
toe , dat men van de flak , wanneer het land a of 5 
malen geploegd wordt (hetwelk toch bij de hennep- 
teelt het geval is , zie § 4) , weinig of in het geheel 
niet te vreezen heeft. Buitendien ziet men dezelve 
in onze ftreken wel in den herfst, doch zeer weinig 
in het voorjaar. Het rollen kan , behalve dat , ter- 
flond na de zaaijing, zeer wel dienftig zijn, en met 
goed gevolg worden in het werk gefteld, daar het 
zaad er vroeger door opkomt, en den grond alsdan 
minder uitdroogt; waardoor de jonge plant beter en 
fchielijker kan voortgroeijen , en alzoo niet alleen 
zijne vijanden ontwast, maar ook tevens doodt. Bo- 
vendien kan het rollen niet fchadelijk zijn aan den 
grond , om die minder los te hebben ; want , offchoon 
zij de hovende oppervlakte wel eenigermate indrukt , 
zoo heeft dit , blijkens de ondervinding , echter geen' 
invloed op den dieperen grond, en kan dus ook bij 
de hennepteelt niet fchadelijk zijn. Zie ook blz. 21. 
Wat verder het knakken der jonge ftengen door het 
rolblok (zie blz. 27 boven aan) aanbelangt , ik twij- 
fel er aan, of de jonge planten daardoor wel zoo 
veel zullen lijden en zoo gemakkelijk zullen geknakt 
worden , daar young (*) zegt: „ Dans eet état (name- 
y,lijk, als zij nog jong zijn) on ne doit pas craindre que 

„ les 
(•) Voyage agronomique etc. traduit de 1'Anglais , par 
M. DE FREViLLE. Parls 1775, II, p. 320, 321. 

O5 



( 206 ) 

„les pieds des farcleurs rendommagent ; on peut 
„même y pasfer Ie rouleau." 

Onder de rampen , welke de teelt van dit gewas 
kunnen treffen , worden , op blz. a/, ook de padden 
gebragt, zoo deze in te groote menigte aanwezig 
zijn; doch deze worden veelal niet menigvuldig in 
het veld gevonden ; echter gefield, dat derzelver getal 
eens zoo groot ware , het is mij niet bekend, dat zij 
aan het een of ander plantgewas gewoon zijn zich te 
vergasten. — Ook vinden wij , onder de rampen , op 
dezelfde blz. eene groote hoeveelheid ratten , die te- 
gen de planten opklimmen tot die hoogte, dat dezelve met 
den top naar beneden bogen , en zij dus doende , gele- 
genheid hadden , om het zaad , en gedeeltelijk ook 
de fteng , op te eten of te vernielen ; hetwelk al een 
zonderling verfchijnfel voor onze landlieden moet zijn, 
daar hunne veldvruchten nimmer door deze vernie- 
lende gasten bezocht, veel minder vernield, worden; 
waarom wij wel gewenscht hadden dat hier het een 
of ander van dit geval , als de foort van ratten , enz. 
nader was vermeld geworden. 

De nachtvorsten worden door den fchrijver op 
blz. 29 ook onder de rampen opgeteld; doch de aan 
landbouwkundige ervaring zoo rijke burger (*J , zegt: 
„ Er (de hennep) ist zwar für die Kdhe nicht fehr 
s^empfindlich, und gemhnliche Rcife fchaden ihm 
„nicht.'''' Welke Helling door trautmann fchijnt 
bevestigd te worden, daar hij de zaaitijd omftreeks 
het midden van April, na welken tijd er zich veelal 

nog 

(*) Zie j. BURGER, Lehrbuch der Land^^irthfchaft y a»« 
Auflage. Wien 1824. Band II. S. 158. 



( ao7 ) 

nog nachtvorsten vertoonen, bepaalt (*). Bedisfend 
vinden wij dit bevestigd , in eene mededeeling van den 
Hoogleeraar moll aan den fchrijver dezer verhande- 
ling, geplaatst in deze bijdragen (f); daarin wordt 
immers gezegd: dat te Obergestehn ^ omtrent 1300 
meters boven de zee, waar de rogge janrijp -wordt 
gefneden en op rekken gedroogd ; en waar men in 
het laatst van Augustus nog geene nieuwe aardap' 
pelen kan hebben, evenwel de hennep met goed gevolg 
verbouwd wordt. 

Blz. 32. Over het afdorfchen Cwordt het ook wel 
niet eens gerepeld (S)?) benevens het zaad fchoónen, 
wordt zeer weinig gezegd, en het komt ons voor, 
dat de Landman , hier uit het oogpunt van leerling 
befchouwd, alle reden heeft, om over al te groote 
beknoptheid in dezen te klagen. 

Blz. 34. Is het droogen boven vuur inderdaad wel 
zoo noodig , indien men het hier gezegde vergelijkt 
met dat, hetwelk op blz. 39, regel 1—5 voorkomt? 
te meer, daar er zoo ligtelijk brand door verwekt 
zou kunnen worden ? — Ook vonden wij op die blz. 
dat, indien er regen op den hennep valt , dezelve dan 
geheel verdikt. Wat moet men hier door dat verdik- 
ken verdaan? 

Op blz. 35 mogt over den fcUlhennep wel een 
enkel woordje meer gezegd zijn geworden, daar er 
zich bij de lezing hiervan , de eene en andere vraag bij 

ons 

C*) Cf. L. TRAUTMANN, 0. C. f. I48. § I28p. 

(t) III Dl. N . 2. blz. 150. 

($) Trautmann, 0. c. f. 148. § 1291. geeft zulks ten 
minste op. 



( 2o8 ) 

ons opdeed , welke wij in liet werkje niet beantwoord 
vonden. — Het rooten in de lucht wordt ook op deze 
zelfde blz. afgekeurd, en daarentegen vonden wij op 
blz. 31 , dat in de Franfchc Comté door deze han- 
delwijze fraaije, fijne hennep gewonnen wordt. 

Bij de berekening van uitgaven en ontvangsten van 
een Rhijnl. morgen hennep , voorkomende op blz. 43, 
komt ons de uitgave van dorfchen, rooten en braak- 
loon bijzonder laag voor, in vergelijking der andere 
uitgaven: — het fchijnt ons toe, dat er in dezen eene 
te groote onevenredigheid beftaat! Het ware zeker 
beter en, meer doelmatig geweest, indien men hierbij 
had opgegeven hoe veel tijd één man tot een gege- 
ven werk, b. V, plukken, rooten, braken, enz. enz., 
noodig had , en hoe hoog aldaar de dagloonen waren , 
om er alzoo beter toepasfing van , op onze ftre- 
jken te kunnen maken. De dagloonen toch verfchil- 
len niet alleen grootelijks in onderfcheidene provin- 
ciën, maar zelfs in onderfcheidene naast elkander 
gelegene gemeenten. Eene zoodanige gefpecificeerde 
uitgave dus , had de Landman ook in onze en andere 
provinciën tot maatftaf kunnen verftrekken in het op- 
maken zijner berekening, terwijl de hier opgegevene 
voor hem geheel van geene waardeis. De zuivere op- 
brengst van 0,8516 Nederl. Bunder , wordt hier op- 
gegeven f67'.- te bedragen , weshalve het ons toe- 
fchijnt , dat de Landman voordeeliger zal handelen , 
indjen hij van tijd tot tijd granen en andere veldvruch- 
ten verbouwt, en dezelve nu en dan met hennep af- 
wisfelt, dan wanneer hij zich uitiluitend bij de 
Hennepteelt bepaalt. In de landen van Waas en 

Den" 



( 209 ) 

Dendermonde zijn , volgens van aelbróeck (*) , 
daarom ook velen zeer genegen tot het zaaijen van 
hennep, niet zoo zeer wegens de groote voordeeleri 
der opbrengst van dit gewas , als wel bijzonder om- 
dat het land er zoo zeer door verbeterd wordt en 
voordelige oogsten van andere veldvruchten oplevert. 
Wij gelooven dan , met van aelbróeck (f), dat men- 
de teelt der hennep alleen daarom in het bijzonder 
kan aanraden , omdat de grond voor de teelt van en- 
dere vruchten er door verbeterd en van onkruiden 
gezuiverd (§j wordt, en prijzen onze landlieden deze 
plant dus bepaaldelijk als wisfelvrucht- aan. 

Blz* 47 boven aan. De klagt, waarvan hier ge- 
fproken wordt , zoude verholpen worden , indien de 
Burgemeester van elke Gemeente, ahvaar men weirk 
van de hennepteelt maakte, eene Prijs Courant inliet 
Gemeentehuis openlijk voor ieder ter inzage nederlegde , 
waardoor de landlieden met den marktprijs van den 
hennep bekend konden worden. Op dezelfde blz. le- 
zen wij , dat in de Provincie Utrecht , een koop- 
man eene partij van loo ponden hennep niet aan- 
neemt, dan tegen een gewigt van 102 ponden, het- 
welk mede in den Alblasferwaard en de aangren- 
zende deelen van Zuid - Holland , gezegd wordt, het 
geval te zijn. 

De Schrijver noemt met de Commisfie van Land- 
bouw aldaar, deze handelwijze 'wederregtehjk ; doch, 
het fchijnt ons toe, dat in deze handelwijze niets 

we-f 

(*) Zie VAN AELBRÓECK, a. W. blZ. 232. 

(t) Zie dezelfde blz. een weinig lager. 
(§) Vid. YOUNG , 0. c. p. 320. 



( 210 ) 

wederregtelijks of onbillijks gelegen zij , daar het eene 
algemeene en aan ieder in die ftreken bekende bepa- 
ling is, naar welke de verkooper zich dus bij den 
verkoop kan rigten. Indien ik, bij voorb, looo ® 
boter naar Amflerdam verkoop , doch vooraf weet , 
dat men aldaar gewoon is , bij eenen koop van looo 
ponden, 1500 ponden te ontvangen, dan is het zeer 
natuurlijk, dat ik daarnaar bij den verkoop de prijs 
ftel, en heb alsdan geene reden, dit gebruik weder- 
regtelijk te noemen. Voor eénige jaren handelde men 
hier op gelijke wijze , ten aanzien van den wolhandel , en 
nog onlangs, voor de invoering der nieuwe Neder- 
landfche maat, was ieder landbouwer, welke aan de 
Groninger markt 100 mudden haver verkocht, ver- 
pligt, om bij de dadelijke ontvangst iio mudden te 
leveren, terwijl de koopman 100 mudden gekochte 
garst niet onder 105 mudden wilde ontvangen. 

Met de boter handelt men hier, nu nog, op ge- 
lijke wijze , daar op ieder vierendeel door den koop- 
man één pond gekort wordt. Veeleer hebben onze 
landlieden te klagen, dat men bij de ontvangst der 
granen altijd het gewigt derzelve, volgens de kleine 
koom- of liever graanfchalen bepaalt, in plaats dat 
er altoos een geheel mud diende gewogen te wor- 
den , ten minde , ingeval er omtrent derzelver zwaar- 
te verfchil beftond. De voorloopige weging , bij den 
verkoop, kon daarom evenwel met de kleine fchaal 
gefchieden , om zóó het gewigt voor den koop te be- 
palen, doch bij de ontvangst dienden dezelve nim- 
mer gebruikt te mogen worden , daar , door eene 
enkele handgreep, hetzelfde zaad in kleine fchalen 
wel 10 ponden en raeer, zwaarder of ligter kan ge- 

wo- 



wogen worden. — Doch offchoon wij de handelwijze 
ten opzigte van den hennephandel niet wederregtelijk 
willen genoemd hebben, zoo keuren wij met den 
Schrijver deze en dergelijke koopmanskunstenarijen 
echter geheel en al af , en hopen , dat eens toch. 
de tijd zal komen , dat men in Nederland dergelijke 
misbruiken niet meer zal gedogen! 

Blz. 50. Wat verftaat de Schrijver hier doorOos- 
terfchen hennep ? Doelt hij mogelijk ook op Oostzee- 
fche , dat is , hennep , welke in de Oostzeefchen lan- 
den geteeld is? 

Blz. 51. Men rekende in 1731 dat te Krommenie, 
Westzanen, Wormer en Uitgeest, jaarlijks 60,000 
rollen zeildoek gemaakt werden, waarvan men te 
Krommenie alleen, meer dan de helft fabriceerde: 
doch hoe veel ellen gaan er op dusdanige rollen; en 
hoe veel wordt daar thans gefabriceerd? Daar er nu 
nog al wat aan de ftatistiek gewerkt wordt, had 
men, ten minste het laatfte, wel kunnen opgeven, 
daar het zeker geen onbekend iets , en evenwel van 
belang is. 

Blz. 54. „Raapkoeken ," wordt daar gezegd , „ zijn 
„voor het rundvee fchadelijk , doch worden met de 
„ hennepkoeken , voor paarden beter gefchikt gehou- 
„den." — In de Provincie Groningen worden raap- 
koeken als een zeer goed en gezond voedfel gehou- 
den voor het rundvee, en worden daarom, hier zoo 
wel als elders , veel aan de runderen gegeven ; ech- 
ter worden dezelve niet zoo hoog gefchat als lijn- 
koeken. Hennepkoeken worden algemeen meer aan 
paarden gegeven. Deze dwaling, onder het fchrijven 
ingeflopen, is den Schrijver evenwel dadelijk na het 

af. 



C ai2 ) 

afdrukken van het werkje , in het oog gevallen (♦) ; 
hetwelk ook noodwendig bij de herlezing moest vol- 
gen , daar men , zoo ver mij bekend is , overal de 
raapkoeken voor het rundvee, als gezond en voedend 
befchouvvt. 

Ziedaar het een en ander dat door ons , bij de le- 
zing dezer Verhandeling over de hennepteelt, is aan- 
geftipt geworden. Wij hopen, dat dit werkje in veler 
handen raag komen, en met die belangftelling en op- 
lettendheid zal gelezen worden, welke het zoo zeer 
verdient: wij moedigen deszelfs kundigen Schrijver 
ten fterkfte aan, om het Nederlandsch publiek meer 
dergelijke rijpe vruchten zijner ftudiën in het ver- 
volg aan te bieden; en durven hem verzekeren, in- 
dien ons oordeel in dezen eenigzins geldig mag zijn, 
dat hij , zoo voortgaande , daardoor bouwftofFen tot 
eene volledige Vaderlandfche Landhuishoudkunde zal 
leveren , welke in al deszelfs onderdeelen zóó be- 
werkt zijnde, als deze Verhandeling, voor geen bui- 
tenlandsch werk van die foort , in het een of ander 
opzigt zal behoeven te wijken, maar integendeel, 
verre weg de meeste , ja mogelijk alle , thans be- 
ftaande, in volledigheid en praktifche naauwkeurig- 
heid zal overtreffen. 

Warffum^ r. westerhoff, 

i\ Junij 1828. M. D. 

(*) Zie deze Bijdragen III. D. N°. 2, biz. 150, in de 
noot. 



Na- 



C 213 ) 

Natuur' en Ontleedkundige Opmerkingen over den 
Chameleon , door w. vrolik , Med. Doet, , Lid 
van het Provinciaal Utrcchtsch Genootfchap , 
{ie Société d''Histoire naturelle te Parijs, de 
Senkenbergifche Naturforfchende Gefellfchaft te 
Frankfort , en de Société d"" Èmulation te Luik. 
Met platen. Amfterdam, bij p. meyer war- 
NARS, 1827. 8vo. ^6 blz. 



Ge 



reene gelegenheid , om door eigen onderzoek zijne 
kennis uit te breiden , en de refultaten van dat on- 
derzoek aan het publiek mede te deelen , is mijn 
waardige vriend vrolik gewoon ongebruikt voorbij 
te laten gaan. Aan dien ijver hebben wij thans we- 
der een belangrijk werkje over een dier te danken , 
hetwelk in zoo menig opzigt de aandacht van den 
Natuurkenner niet alleen , maar van het algemeen tot 
zich trekt. 

De Schrijver had op het einde van 1826 gelegen- 
heid eenen kameleon levend waar te nemen (J^ha- 
maeleon carinatus , merr.), gedurende eenige we- 
ken in het leven te houden , en de proefnemingen, 
aangaande de kleurverandering van dit dier, waar- 
omtrent zoo veel gegist en getwist was , in het werk 
te (lellen. Dezelven leerden duidelijk, dat die kleur- 
verandering afhangt van het licht; dat het dier met 
de eene zijde aan het daglicht blootgefteld , weldra 
aan die zijde donker gekleurd en met paarfche vlak- 
ken geteekend werd ; terwijl de andere zijde eene ge- 
lijkmatige, geelachtig aschgraauwe kleur vertoonde. 

Bijdragen , d. III. st. 2. P wel- 



( 214 ) 

welke die van liet geheele dier was, wanneer het 
eenigen tijd van het licht was afgefloten geweest. 
MuRRAY had reeds overeenkomftige refultaten beko- 
men, gelijk VROLiK naderhand uit froriep's Noiizen 
zag. Vrolik heeft dit verfchijnfel echter in nader 
verband gebragt met hetgeen ontleedkundig onderzoek 
hem leerde, dat, namelijk de maag, het geheele 
darmkanaal en het tongbeen eene zwarte kleur heb- 
ben , welke zich aan de vingers mededeelt. De prik- 
kel van het licht veroorzaakt verfnelden bloedsomloop, 
hetgeen ook de verhoogde warmte aantoont, wellie 
volgens MURRAY, bij de in kleur veranderde dee- 
len wordt waargenomen. Er fchijnt dan een zwart 
vocht of pigment tusfchen huid en opperhuid , door 
middel van de flagaderen te worden uitgeftort: — 
hetzelfde, hetgeen de inwendige deelen kleurt, en 
door de aderen kan worden opgeflorpt. De waarne- 
ming , dat het dier , als het voedfel tot zich nam , 
mede donkerder gekleurd werd , bevestigt dit gevoelen. 

En zie daar dan nu een, zoo het fchijnt op zich 
zelf (laand, verfchijnfel met andere bekende verfchijn- 
fels in de bewerktuigde natuur in verband gebragt. 

Het licht is de oorzaak van de levendige kleuren, 
waarmede in tropifche landen , planten en dieren ver- 
fierd zijn ; het verfchil van licht in zomer en winter , 
is de oorzaak van het verfchil in zomer- en winter- 
kleed van vogels en zoogdieren. Wij mogen bij de 
voorbeelden, door den Schrijver bijgebragt, vooral 
dat der pleuronecten voegen. Deze visfchen zwem- 
men met de eene zijde naar omhoog , met de andere 
naar beneden. Gelijk nu bij de overige visfchen de 
rugzijde, omdat zij naar het licht gekeerd is, ge- 
• .. . kleurd. 



C 215 ) 

kleurd , de buik witachtig is , zoo heeft ook bij dit 
visfchen-geflacht , de eene helft des ligchaatns eene 
donkere, de andere eene witte kleur. Die twee fcha- 
lige fchelpen , welke met de eene zijde aan rotien 
vastgehecht zijn , vertoonen ons hetzelfde verfchil in 
de kleur der fchalen ; de mantel , welke de fchalen 
affcheidt, wordt door den prikkel van het licht, tot 
het voortbrengen van een pigraentum opgewekt. Mogt 
eens iemand de kleuren van het dierenrijk uit een 
zoölogisch, geographisch en phyfiologisch oogpunt 
door alle klasfen, orden en familiën heen, aan een 
vvetenfchappelijk en omvattend onderzoek onderwerpen! 
Het zonderlinge der kleurverandering bepaalt zich 
dus bij den kameleon alleen tot het plotfelijke van het 
verfchijnfel , en zulks wordt door de kleurflof , waar- 
mede de inwendige deelen bedekt zijn , veroorzaakt. 
Mijn hooggefchatte vriend c. mulder , Hoogleeraar 
te Franeker, (die mij over den kameleon, in een' 
brief, waarvan hij mij heeft toegeftaan gebruik te 
maken , belangrijke opmerkingen heeft medegedeeld) 
fchreef mij, dat hij in 1826 gelegenheid had, een 
dier van dezelfde foort , als die van den H'. vrolik , 
te ontleden , en daarin niet flechts het darmkanaal en 
tongbeen zwartachtig gekleurd vond, maar ook aan 
de regterzijde van de onderkaak en de linkerzijde van 
de bovenkaak twee, met eene dergelijke blaauw- 
zwarte, tot eene zekere diepte doordringende ftof 
bedekte, plekken waarnam. — Hij zag, bij onder- 
ioek , dat hier beenbederf plaats had. In de onderkaak 
was de carieufe plek in het os dentairc van cuvier 
vlak beneden de drie achterfte tanden en een weinig 
meer achterwaarts. In de bovenkaak ftrekte zich het 

P 2 been- 



C <^i6 ) 

beenbederf tot meerdere beenderen uit, en is wel 
uitwendig het eerst zigtbaar in het bovenkaaksbeen, 
van het neusgat af tot onder het voord-e gedeelte 
des ooghols, de achterfte tandjes wegnemende; van 
onderen was de plaats tusfchen het voorfte verhe- 
melte's gat (vrolik , PI. II , fig. 3 x) en het groote 
gat (g bij vrolik) voor een groot gedeelte wegge- 
vreten , zoodat er gemeenfchap tusfchen gemelde ga- 
ten was, ter plaatfe , waar anders de naad tusfchen 
het ligchaam van het wiggebeen en het bovenkaaks- 
been loopt. Eveneens was er gemeenfchap tusfchen 
het groote gat Qq') en het gat vooraan in het ooghol. 
Dit bewijst, zoo als mulder teregt aanmerkt, dat 
de affcheiding van het zwart pigment door vreemde 
prikkels vermeerderd wordt. 

Hoezeer nu de proeven van vrolik bewijzen, dat 
het licht op de kleurverandering van den kameleon 
grooten invloed heeft, zoo toonen zij echter nog 
niet, zoo als mulder, mij al verder fchreef , dat de 
kleur van de ftof , waarop het dier zit, of waardoor 
hetzelve omgeven is, geen' invloed op de kleurver- 
andering heeft. Reeds ondervond vrolik het onder- 
fcheid van den invloed van kunstlicht en zonlicht; 
mag men dan niet reeds a priori veronderftellen, dat 
regtftreeks invallende onontlede lichtftralen een' an- 
deren invloed kunnen en welligt zullen hebben dan 
die, welke van verfchillend gekleurde ftofFen terug- 
gekaatst worden? Zal men alzoo ook niet mo- 
gen veronderflellen , dat de kameleon aanhoudend 
in groene bladen verkeerende, van kleur veran- 
dert, als hij zich bij voorb. op eenen boomtop 
aan de zon blootftelt, en omgekeerd? Het zij zoo 

het 



C 217 ) 

het wil , het komt mij van belang voor, dat men le- 
vende kameleons eens in verfchillend gekleurde hok- 
jes onderhield, enz. 

Doch keeren wij na dezen uitftap tot het voor ons 
liggend werkje weder. Vroliic heeft het dier meel- 
wormen en vliegen doen doorzweigen , zij werden 
echter onverteerd weder uit het darmkanaal geloosd. 
Het dier, dat buitendien traag is, fchijnt in eene 
zekere foort van kwijning verkeerd te hebben. Na 
deszelfs dood is het ontleedkundig onderzocht, en 
dit onderzoek maakt het andere gedeelte van des 
Schrijvers opmerkingen uit. De orde, hierin gevolgd , 
is deze: de herfenen, zintuigen, ademhalingswerk- 
tuigen, het hart, het darmkanaal , de werktuigen tot de 
chijlvorming, de nieren, de voorttelingswerktuigen , 
de beenderen, de fpieren. Over deze orde zullen wij 
met den Schrijver niet redetwisten; wij twijfelen 
geenszins of vrolik zoude, zoo het zijn voornemen 
geweest was, eene geheele ontleding van den ka- 
meleon te geven , eene andere gevolgd hebben. — 
Maar dit was en kon zijn oogmerk niet zijn; daartoe 
werden meerdere voorwerpen gevorderd. 

Het zou ons te verre voeren en dit verflag al te 
zeer rekken , zoo wij in deze ontleedkundige befchrij- 
vingen den fchrijver op den voet wilden volgen. Het 
zou daarenboven een noodelooze arbeid zijn , daar het 
werkje van den heer vrolik niet uitgebreid zijnde, 
zeker door elk , die de kennis van dieren en derzelver 
ontleding ter harte gaat, in ons Vaderland reeds ge- 
lezen is. In zoo verre onze ftem iets mogt kunnen 
bijdragen tot de meer algemeene verfpreiding van dit 
belangrijk werkje , geven wij er gaarne het gering 

P 3 ge- 



( 2i8 ) 

gewigt van onze aanprijzing aan. Vooral mogen wij 
niet verzwijgen, dat liet maakfel der tong en de fpie- 
ren van dit deel hier met eene naauwlceurigheid en 
uitvoerigheid befchreven zijn , die weinig te wenfchen 
overig laten. 

Hier zouden wij derhalve ons verflag kunnen af- 
breken, was het niet dat wij den fchrijver nog een 
paar aanmerkingen wilden mededeelen, welke wij met 
alle befcheidenheid aan zijn eigen oordeel onderwer- 
pen. Vooreerst bevreemde het ons eenigzins bij de 
benoemingen van de fchedel - beenderen geen gewag 
te zien gemaakt van de benamingen, die bojanus aan 
dezelven gegeven heeft. De fchrijver volgt hierin 
cuviER geheel en al. Zonder ons hier dadelijk voor 
het een of ander gevoelen te verklaren , willen wij 
echter gaarne bekennen dat wij de onderzoekingen 
van BOJANUS niet met de wilde droomen eener ver- 
hitte verbeeldingskracht gelijkdellen , maar voor de 
beste refultaten eener natuurphilofophie houden, die 
toch ook iets goeds te weeg heeft gebragi; en dat 
VROLIK over dergelijke philofophifche inzigten overi- 
gens niet ongunstig denkt , blijkt uit hetgeen hij op 
het voetfpoor van tiedemann over de herfenen van 
den kameleon zegt, die hij als het beeld der herfenen 
van eene menfchelijke vrucht van ongeveer drie maan- 
den befchouwt, blz. 28, 29. — Hoe het zij, in het 
groote werk van cuvier over de Visfchen , dat wij 
met ongeduld verwachten, zal men mogelijk eene we- 
derlegging der osteologifche inzigten van bojanus 
vinden. — Eene andere opmerking (echter van weinig 
gewigt) is, dat vrolik de uitvinding der benaming 
Nussgelenk , bl. 81 , aan meckel fchijnt toe te fchrij- 

ven 



C 219 ) 

ven , terwijl het toch de gewone Duitfche benaming is ' 
voox Enarthrofis, en als zoodanig bij vroegere fchrijvers, 
b. V. bij söMMERRiNG, herhaalde malen voorkomt. 

De afbeeldingen zijn wij gewoon van vrolik goed 
te ontvangen. Wij moeten echter erkennen, dat wij 
op PI. I. fig, 7, 8 , het eigene van eene fpier niet 
vonden uitgedrukt , hetgeen mogelijk aan den graveur 
te wijten is , die overigens een zeer net werk 
geleverd heeft ; jammer alleen , dat enkele letters op 
de platen fchi^jnen te ontbreken , terwijl ook in de 
verklaring der afbeeldingen 8 en 9 van de tweede 
plaat eene vergisfing plaats heeft, daar de rugvvervel 
niet van voren maar naar achteren een bol geledings- 
hoofd heeft, zoo als ookblz. 81 gelezen wordt, en 
even als bij de flangen het geval is. 

Meent eindelijk iemand , dat wij deze aanmerkingen 
uit vitkist nederfchreven ; wie dit meenen moge, 
het zal mijn vriend vrolik zeker niet zijn. Hij is 
hoop ik overtuigd, dat ik hartelijk deele in zijn werk ; 
dat ik niets vuriger wensch, dan dat er onder ons 
en de overige jeugdige beoefenaars der natuurlijke 
gefchiedenis in ons Vaderland fleeds de beste verfland- 
houding blijve beflaan, en dat ik, zoo veel ikflechts 
kan , hoop mede te werken aan het bevorderen van 
eene liberale en gemeen fchappelijke gezindheid, die 
het werk van elk in het bijzonder befchouwt als eene 
bijdrage tot een algemeen allen dierbaar eigendom, 
Geene wetenfchappelijke beoefening, die tot klein- 
geestige zelfzucht voert, kan dunkt mij immer de 
ware zijn; en allerminst kan zulks bij wetenfchappen 
het geval zijn, waarvan zoo met vollen nadruk se- 
meca's woorden gelden : Nondum at occupata veri- 

P 4 tas. 



tas. Voor hen echter, die mij minder kennen, wi-I 
ik hier ten flotte nog bijvoegen, dat ik het geluk 
hebbende met den heer vrolik nader bekend te zijn , 
dikwerf in de gelegenheid ben geweest met zijne ont- 
leedkundige kennis mijn voordeel te doen, en ook 
thans zijne natuurkundige opmerkingen over den ka- 
meleon met groot nut voor mij zelven gelezen heb. 

Maart 1828. j. v. d. hoeven. 



Considérations générales sur F anatomie comparée 
des Animaux articulés, auxquelles on a joint 
Panat. descriptive du Melolontha vulgaris(//ö«- 
neton^ , donnée comme exemple de rorganisa- 
tion des Coleoptères. Par hercule straus 
DÜRCKHEiM. Ouvrage coitronné en 1824, par 
rinstitut Royal de France , et accompagné d^tin 
uitlas de 19 planches. Paris et Strasbourg chez 

P. G. LEVRAULT , 1828, 4*». (434 pag). 



Or 



Fnder de takken der vergelijkende Ontleedkunde , 
die thans bijzonder beoefend en dagelijks door nieuwe 
ontdekkingen verrijkt worden, behoort bovenal de 
ontleding der Infekten. 

Tot op het einde der vorige eeuw waren als hoofd- 
werken over dit gedeelte de Bijbel der Natuur van 
onzen swammerdam, en de verwonderingwaardige 
ontleding van de Wilgenhout Rups van onzen 
LYONET te befchouwen — en zij zijn het nog. Doch 
toen waren dit bijkans de eenige werken , die over 

In- 



. ( 221 ) 

Infekten-Anatomie handelden. Thans hebben , behal- 
ve CU VIER zelf, die een der grondleggers is van den 
hedendaagfchen bloei der vergelijkende ontleedkunde, 
vele andere Geleerden onze kennis door hunne 
onderzoekingen uitgebreid. Het zij genoeg uit de 
lange rij audoüin, dufour , gaede, herold, 

J. F. MECKEL , J. MULLER, NITZSCH, PÖSSELT , 
RAMDOHR, STRAUS en G. R. TREVIRANÜS tC nOC- 

men. Doch bij deze namen fmert het ons te zien, 
hoe eene wetenfchap , wier eerfte grondlegging hoofd- 
zakelijk aan Nederlanders te danken is , thans als het 
ware verhuisd is, en onder onze Franfche en Duit- 
fche naburen verdeeld wordt. Het is meer dan tijd, 
dat ook wij Nederlanders in deze wetenfchappelijke 
bemoeijingen deel nemen, en zoo wij den voorva- 
derlijken roem van onzen swammerdam niet kun- 
nen handhaven , althans aanvangen met wetenfchap- 
pelijke onderzoekingen hoog te fchatten, wier ver- 
•waarloozing fl echts van onze onkunde of bekrompen- 
heid kan getuigen Het is uit innige overtuiging van 
het belang der zaak, dat ik voorgenomen heb aan 
dit doel ook zoo veel mijne geringe vermogens toe- 
laten , mede te werken ; en ik haast mij daarom in 
deze Bijdragen een overzigt van het werk te geven, 
hetgeen voor weinige weken het licht zag, en welks 
titel aan het hoofd van dit Verflag fraat. 

Men verwachte echter geene beoordeeling; zij zou 
noch met mijne geringere ervaring, noch met de be- 
trekking ftrooken, die mij met den Schrijver verbindt , 
aan wiens goedheid ik de eerfte teregtwijzingen^ te 
danken heb , waardoor ik tot het ontleden van infek- 
ten geraakt ben. — Ik zal mij vergenoegen met eene 

P 5 op- 



C a22 ) 

opgave der belangrijkfte zaken, en hier en daar 
eenige aanmerking of vergelijking van andere Schrij- 
vers er tusfchen voegen. 

Behalve eene inleiding, waarin de Schrijver zijn 
gevoelen omtrent de rangfchikking der gelede dieren 
ontvouwt, en de aieening uit, dat dezelve onmid- 
dellijk op de gewervelde dieren moeten volgen , het- 
geen vooral door de Duitfche Zoölogen vrij algemeen 
wordt aangenomen , behalve deze inleiding beftaat het 
geheele werk uit zeven hoofddeelen : I. over het 
huidftelfel; II. over het fpierftelfel ; III. over het 
■fpijsverteeringftelfel ; IV. over de voortplantingswerk- 
tuigen; V. over het adémhalingftelfel ; VI. over het 
bloedvatenftelfel , en VII. over het zenuwftelfel. Elk 
hoofddeel is wederom in twee afdeelingen gefplitst, 
waarvan de eerfte algemeene aanmerkingen bevat op 
de gelede dieren, en bijzonder op de fchildvleu gelige 
infekten toepasfelijk , de tweede daarentegen, de bij- 
zondere ontleedkundige befchrijving van den meikever 
bevat. De afbeeldingen zijn alleen van de ontleding 
des meikevers ontleend. Zij zijn in uitvoerigheid en 
fchoonheid met die van lyonet te vergelijken. 

I. De bekleedfels der infekten beftaan uit eene 
opperhuid, huid en kleurftof. Deze kleurftof is uit 
twee zelfftandigheden te zamengefteld , waarvan de 
eene in vi^ijngeest oplosbaar is. Bij de fchildvleuge- 
ligen bedekt deze in wijngeest oplosbare kleurftof als 
een dun vernis de opperhuid, waarvan men het met 
fcherpe werktuigen ligtelijk kan affchrappen. Bij ve- 
len bezit het een' metaalachtigen glans. Het in wijn- 
geest onoplosbare gedeelte der kleurftof is gemeenlijk 
zwart of bruin , en nooit uitwendig op het ligchaam 

ge- 



( aas ) 

geplaatst, maar in het weeffel der huid, en vooral 
der opperhuid, vervat. De opperhuid maakt bij de 
fchildvleugeligen de tweede laag der omkleedfels uit, 
is dikker dan het daarop liggende kleurvernis, hoe- 
zeer zelve ten uiterfte dun , en onderfcheidt zich van 
de huid, die bleekkleurig is, door hare meest bruine 
of zwarte kleur. Zij vertoont geene vezels , en be- 
zit vele poren , welke dikwijls door haren doorboord 
worden, welke van eene verfchillende gedaante zijn, 
doch fteeds uit een' wortel ontfpringen , die uit twee 
boven elkander geplaatfte bolletjes beftaat , van wel- 
ken het onderfte half kogelvormig is , het tweede de 
gedaante van een fchijfje heeft. De huid eindelijk 
beftaat uit onderfcheidene lagen , welke zelve wederom 
uit vezels zijn zamengefteld. 

Bij andere infekten , wier huid mindere hardheid 
aanbiedt, zoo als bij de fprinkhanen en libellen (ook 
koornbouten genoemd) , is de kleurftof geheel naar 
binnen verplaatst, en vormt eene dikke laag van 
flijmweeffel onder de huid, terwijl deze, gelijk ook 
de opperhuid, ongekleurd en doorfchijnend is, even 
als glas. In die deelen dcsligchaams, wier omkleed- 
fels daarentegen harder zijn, of wier kleur fterker 
is , ontbreekt het flijmweeffel , en zijn de bekleedfels 
op de wijze der kevers gevormd. 

Bij het geflacht Limuhis en bij de Arachniden is 
het met kleurftof vervulde flijmweeffel onder de huid 
geplaatst. Hetzelfde is het geval bij de pisfebedden 
{Oniict) , bij welke de opperhuid en huid niet meer 
te onderfcheiden zijn en eene harde fchaal vormen. 
Dit laatfte is mede het geval bij de tienpootige fchaal- 
dieren (bij voorb. de kreeft) , doch de kleurftof is 

bier 



C 224 ) 

hier in de buitenfte laag der bekleedfels geplaatst. 
Tusfchen de geledingen zijn opperhuid en huid zeer 
duidelijk van elkander afgefcheiden , maar er is geen 
fpoor van kleurftof aanwezig. 

De gewoonlijk harde bekleedfels der gelede dieren 
veroorzaken, dat zij niet kunnen groeijen zonder te 
vervellen. , 

Bij de ringwormen bepaalt zich deze vervelling tot 
de opperhuid, bij die, wier bekleedfels harder zijn, 
wordt tevens de huid afgeftooten. De deelen van de 
bekleedfels, welke zich van binnen tusfchen de fpic' 
ren voortzetten , en door hare plaatfing niet wel 
kunnen worden afgeworpen, worden alleenlijk week 
gemaakt door de opflorping der kalkaardige ftof, 
welke zij bevatten. Zij kunnen daardoor groeijen, 
en verharden wederom op nieuw, gelijktijdig met de 
inwendige bekleedfels. 

Wat de fcheikundige zamenftelling betreft, beftaan 
de bekleedfels , volgens de proeven van lassaigne 
en ODiER , uit eiwitftof; eene in water oplosbare 
extractiefftof ; eene in potasch oplosbare , in wijngeest 
onoplosbare , bruine dierlijke ftof; eene gekleurde in 
wijngeest oplosbare olie; eene bijzondere doorfchij- 
nende , kleurlooze ftof, die in potasch onoplosbaar 
is, en den grond uitmaakt der fchilden en vleugels 
{Entomeiline , lassaigne , Chitine , odier j ; uit 
onderkoolftofzure potasch, phosphorzuren kalk, phos- 
phorzuur ijzer en phosphorzure magnefia. De Ento- 
meillne of Chitine heeft, volgens odier, de vol- 
gende kenmerken : onoplosbaar in potasch ; oplosbaar 
door middel der warmte in zwavelzuur; wordt door 
falpeterzuur niet geel gekleurd; brandt zonder te 

fmel- 



( 225.) 

fmelten, bevat geéne ftikftof. — De in wijngeest op- 
losbare kleurftof der fchildvleiigeligen bevindt 2ich op 
de oppervlakte der bekleedfels, terwijl de bekleed- 
fels inwendig door de bruine dierlijke ftof gekleurd 
zijn, juist zoo als het ontleedkundig onderzoek 
leert. 

De fchaal der kreeften en krabben mist de onder- 
koolftofzure potasch ; de koolftofzure kalk daarente- 
gen is er in groote hoeveelheid aanwezig, en ver- 
oorzaakt hoofdzakelijk derzelver hardheid. 

De Schrijver befchouwt vervolgens de fchikking 
der bekleedfels en de algemeene gedaante des lig- 
chaams bij de gelede dieren. Op zijne theorie der 
monddeelen hopen wij elders terug te komen. Aan- 
gaande de veranderingen , die het vliegen in de orga- 
nifatie te weeg brengt , merkt hij aan , dat het lig- 
chaam korter wordt , de borstfegmenten meer omvang 
verkrijgen , om de fpieren der vleugels te kunnen 
bevatten , en op elkander weinig of niet beweegbaar 
worden. 

Vervolgens befchouwt straus de verfchillende foor- 
ten van geledingen , welke de (lukken der bekleedfels 
bij de hardhuidige gelede dieren aanbieden. 

De tweede afdeeling van het eerfte hoofddeel han- 
delt over de zamenftelling der fchaal bij de Mclolontha 
vulgaris. Wij kunnen hiervan zonder afbeeldingen 
geen denkbeeld geven. Het belangrijkfte is , dat 
straus ook bij de meeste fchildvleugeligen eene 
galea heeft ontdekt, welke men tot nog toe alleen 
aan de onderkaken der regtvleugeligen en van eenige 
peesvleugeligen had waargenomen. Eenvoudige oogen 
(ocelli^ zijn volgens straus bij de fchildvleugeligen 

niet 



C aaó ) 

niet aanwezig; althans bij de geflachten AnthophU' 
gus, Omalium en Pamfus, waaraan men ze had 
toegefchreven , heeft hij dezelve te vergeefs ge- 
zocht. 

II. De fpieren der gelede dieren beflaan grooten- 
deels, even als die der vertebrata , uit twee zeer 
onderfcheidene deelen , waarvan het eene alleen con- 
tractiliteit bezit, het andere de pees vormt. 

De pezen zijn zeer vast en bezitten eene zekere 
hoeveelheid kalkachtige zelfftandigheid , van waar zij 
op het eerfte gezigt eene groote overeenkomst met 
de bekleedfels aanbieden. In fommige gevallen zijn 
de uiteinden der pezen in de huid vervat , en wor- 
den , in zekeren zin , uitwendig. Zij bezitten dan 
dezelfde kleur en hetzelfde zamenftel als de harde 
deelen der bekleedfels, doordien de huid er in der 
daad een gedeelte van uitmaakt. 

De fpieren der infekten en van bijkans alle overige 
gelede dieren verfchillen vooreerst van die der gevver- 
velden door mindere vastheid; zij zijn week en bijna 
geleiachtig. De zamenftellende vezels zijn altijd ge- 
heel regt, dikwerf vrij, en de fpieren ontdaan ge- 
meenlijk niet uit pezen , hoewel zij met pezen ein- 
digen , en zich daarmede op de deelen , die zij be- 
wegen , vasthechten. Elke fpiervezel heeft eenen ge- 
leden vorm en beftaat uit fchuins op elkander lig* 
gende plaatjes. Bij den arend zou de fpiervezel den- 
zelfden vorm hebben, en volgens straus waarfchijn- 
Ujk bij alle dieren , doch deze zou alleen door het 
aanhangend cellenweeffel minder duidelijk zijn. 

De tweede afdeeling bevat eene befchrijving der 
fpieren van Mclohntha vnlgaris in het bijzonder. 

Eene 



C 227 ) 

Eene derde afdeeling handelt uitvoerig over de bewe- 
ging der infekten. De fchildvleugelige infekten lig- 
ten nimmer de pooten van hetzelfde paar gelijktijdig 
op , of zetten die gelijktijdig neder ; doch voor het 
overige is er gewoonlijk geene orde in de opeenvol- 
gende beweging der pooten. Het fpringen is vooral 
zorgvuldig door den Schrijver behandeld, en met 
bijgevoegde afbeeldingen opgehelderd. Het vliegen 
gefchiedt niet door het buigen en uitftrekken, maar 
door het optillen en nederdrukken der vleugels , het- 
geen vooral de Libdlitlae bewijzen, wier vleugels 
fteeds zijn uitgeftrekt. 

III. De onderfcheidene foort van voedfel wordt bij 
de infekten meer door de monddeelen dan door den 
vorm van het darmkanaal aangewezen. Het darmkanaal 
der gelede dieren , wier ligchaam uit gelijke ringen 
bestaat, is regt en maakt flechts weinige kronke- 
lingen. Bij deze dieren {Ringwormen ^ Duizcndpoo- 
ten) is het ligchaam gewoonlijk zeer lang, en het 
darmkanaal dus lang genoeg, terwijl het regt vaa 
den mond naar de anus loopt. [Dit is ook het ge- 
val bij de Larven']. Bij de gelede dieren , wier rin- 
gen ongelijk zijn, is het ligchaam korter, en die dee- 
len , welke meer omvang hebben , zoo als de buik- 
holte , omvatten verfchillende kronkelingen van het 
darmkanaal. Dez3 zelfde opmerking had reeds tre- 
viRANus gemaakt, doch eenigzins anders uitgedrukt: 
„ Onder de infekten vindt de regel plaats , dat de 
„ lengte der voedingbuis in eene omgekeerde , de 
„ wijdte derzelver in eene regte verhouding tot bet 
„getal deF geledingen ftaat." Biologie I. S. 363. 
ÏV- S. 395. De vorm van het darmkanaal hangt dus 

in 



C 228 ) 

in de ecrjle plaats van dien des ligcbaams af. Hierbij 
voegt zich , als mcede oorzaak , de verfchillende 
foort van voedfel , welke de dieren gebruiken , zijnde 
het darmkanaal enger en korter bij vleesch etende , 
dan bij plantenvoedfel gebruikende infekten. 

Het darmkanaal heeft drie vliezen. Het inwendig 
vlies is een flijravlies , eene voortzetting der huid in 
het darmkanaal , vooral zigtbaar in den flokdarm , de 
maag en den regten darm. Dit vlies is het, hetwelk 
den toeftel der maag vormt, die tot de vermaling 
der fpijzen dient. Het wordt bij de vervellingen en 
bij de gedaanteverwisfeling van masker in nimf te- 
vens vernieuwd , althans voor de deelen bij den mond 
en aars , hetgeen ook anderen beweren , waaronder 
ik DUTROCHET behoor te noemen, maar dat daarente- 
gen door GEROLD wordt ontkend (^Enfwickehingsge- 
fchichtederSchmetterlingei^is. S. 34 , 35,40). Het 
tweede vlies is een eigen vlies , wit , gewoonlijk 
dun, dikwijls met kleine korrels in dwarfe rijen be- 
zet, welke maagklieren genoemd worden. Het derde 
en buitenfte is het fpiervlies , hetwelk flechts op 
fommige plaatfen van het darmkanaal gevonden wordt. 
De vezels vormen meest dwarfe ringen ; hieruit ont- 
ftaan fluitfpieren (^fphincteres^. 

Er is geen buikvlies aanwezig. De luchtbuizen 
alleen bevestigen bij fpinnen en infekten door hunne 
menigvuldige takken, de niasfa der ingewanden op 
hunne plaats. 

-..,,De affcheidende klieren, die tot de fpijsvertering 
betrekking hebben, worden bij de infekten door va- 
ten vervangen. Er zijn twee , vier , zes of meer 
lange vaten , die zich in het darmkanaal inplanten , 

of 



( aap ) 

of digt b^ de maag , of bij den aars ; in het eerfte 
geval lioudt straus dezelven voor galvaten, in liet 
tweede voor pisvaten. Chevreul heeft in de ftof 
dezer vaten potasch , ammoniak en acidum uricum 
gevonden. (Vergel. de analyfe van würzer , die 
urai ammoniae , phosphas en carbonas calcis in de- 
zelve gevonden heeft , in meckel's Arch. f. Phyfiol. 
IV. Bd. S. 213—215). 

De tweede afdeeling van dit hoofddeel handelt over 
de fpijsverteringwerktuigen bij den meikever. Het 
darmkanaal heeft eene lengte van 0,150™., terwijl 
het ligchaara van den mond tot den anus flechts 
0,027™. l^iig is. De flokdarm is kort. Er is eene 
dubbele maag. De voormaag of krop maakt in de 
buikholte vele kronkelingen. Derzelver eerde derde 
deel is door dwarfe ringplooijen verdeeld. Aan der- 
zelver einde is een kleine zijdelingfche zak , waarop 
zich het eene uiteinde der galvaten inplant, terwijl 
het andere uiteinde daar tegen over op den krop in- 
geplant is. Er is geene peristaltifche beweging, 
dewijl er geen fpierrok is. De tweede maag is twee- 
maal wijder , van binnen met zes rijen van driehoe- 
kige uitfteekfels voorzien en met eenen uit twee la- 
gen beflaande fpierrok bedekt. Aan den onderften 
maagmond hechten zich de pisaffcheidende vaten. Het 
overige darmkanaal is kort , en klimt weder naar bo- 
ven, met den regten darm in de cloaca eindigende. 
Vooral de maag en de darmen ontvangen groote en 
talrijke luchtbuizen, maar die van den flokdarm zijn 
klein. — Er zijn twee galvaten. De analogie fchijnt 
aan te toonen , dat er vier zijn, en dat zij flechts 
met hun uiteinde aan elkander zijn verbonden. In 

BEDRAGEN, D. III. ST. 2. Q het 



( 230 ) 

het midden van hun verloop hebben zij kleine zijtak- 
jes , even als tanden van eenen dubbelen kam ; aan 
beide einden zijn zij eenvoudig. Ook de pisaffchei- 
dende vaten zijn twee in getal. Zij zijn zeer ge- 
kronkeld , loopen over de tweede maag en den reg- 
ten darm , en gaan in zulke fijne uiteinden over , dat 
STRAus derzelver regte inplanting niet juist heeft 
kunnen nagaan. De helder witte kleur van derzelver 
wijder gedeelte is aan deafgeicheideneftof toe tefchrij- 
ven, welke daarin bevat is. 

IV. Straus verwerpt het gevoelen van trevira- 
Nus over de voortplantingwerktuigen der fpinnen , en 
meent, dat men in de aanhangfels der voelertjes 
(palpi) de roede te zoeken heeft, gelijk vroeger 
werd aangenomen. Het komt ons echter voor dat 
hij hiertoe geenen genoegzamen grond heeft , daar hij 
zelve fchrijft: ^^Lesindividiis qiiefai examiné^ayant 
été dans un assez mam ais état , je n'ai pas pit sui- 
vre les canaux excréteurs des testicules jusqu^h leur 
orifice ; mais je ne doute aiicunement que les orga- 
nes qui se trouvent dans les palpes ne foient réellc' 
ment les penis de ces animaux" p. 286. 
' Aan de fcheede der infekten hechten zich gewoon- 
lijk twee zijdelingfche zakken. De groote fcheedezak 
dient tot ontvanging en bewaring van het zaadvocht, 
hetgeen geene nieuwe opmerking is, maar reeds door 
MALPiGHius beweerd werd. De kleine zak dient 
ter bevochtiging van den eijerleider. 

De tweede afdeeling handelt over de voortplanting- 
werktuigen bij Melolontha viilgaris , en wel eerst 
over de mannelijke, daarna over de vrouwelijke. 
Deze dealen komen geheel overeen met die van den 

neus- 



C 231 ) 

hoornkever (Oryctes nasicornis'), waarvan swari- 
MERDAM ons cenc afbeelding gegeven heeft, (^Bijbel 
der Natuur, Tah. XXX. fig. VIII en X, en welke 
door ROESEL is overgenomen , Nai. hist. d. Inf. II. 
Scarab. terrestr. Cl. I. Tab. IX. fig, 6, 7). (*) 
Wij onthouden ons dus te eerder van derzelver be- 
fchrijving , doch merken alleen aan , dat de lang? ka- 
nalen (bij SWAMMERDAM, fig. VIII. ƒ , ƒ, A, O, 

welke SWAMMERDAM zaadballctjes noemt , doorsTRAUs 
vaisfeai/x fpermatiques genoemd worden , terwijl hij 
daarentegen testiculi noemt, hetgeen door swam- 
MERDAM onder den naam van „ fes feer aardige klier- 
kens" vermeld wordt, (ib m, n. o.\ De ftructuur 
der mannelijke voortplantingwerktuigen verfchilt ove- 
-rigens zeer bij de onderfcheidene fchildvleugeligen, 
doch minder dan in andere orden van gekorvenen. 

V. De luchtbuizén oefenen bij de infekten ge- 
meenfchap met de buitenlucht door ten hoogde acht- 
tien openingen oï fiigmata. Uit elk fligma ontftaat 
eene dikke , gemeenlijk korte luchtbuis {tranchéc d'ori- 
gine). Uit elke oorfpronkelijke luchtbuis ontftaan een 
of meer takken , die naar het volgende ftigma loo- 
pen, en dus aan wederzijde des ligchaams de in de 
lengte loopende luchtbuizén vormen. Daarenboven 
ontdaan er dwarfe rakken uit de oorfpronkelijke lucht- 
buizén, welke met die vandeoverdaande zijde gemeen- 

fchap 

(*) In het voorbijgaan merk ik aan , dat reeds gaeoe 
eene afbeelding van de geflachtsdeelen van Mei. vufgarit 
gegeven had, doch kleiner en minder uitvoerig. Beytrage 
uur Anatomie der Infekten. Altona 1815. 4to. Tab. IL 



( 33» ) 

fchöp oefenen. Kleinere takken eindelijk, begeven 
zich naar de onderfcheidene organen , en ontflaan uit 
de genoemde hoofdkammen. 

Infekten kunnen zeer lang in verdunde lucht le- 
ven. Men weet dat lyonet hun daarom de adem- 
haling geheel ontzeide; dit befluit is zeker eenigzins 
voorbarig. Men weet ook van elders hoe taai het 
leven der infekten is. Uit de proeven van den Schrij- 
ver , vooral met de Mei. vulgaris genomen, blijkt, 
dat zij in water ondergedompeld , fpoedig alle bewe- 
ging verloren , en fchijndood waren ; doch na 84 uren 
weder in het leven terugkeerden, wanneer zij in de 
lucht opdroogden. In de klok van de luchtpomp 
verloren zij, toen het kwik van den verkh'kker tot 
5 millimeters gedaald was , ten eenenmale hunne be- 
weging; doch keerden, na vele uren in dien ftaat te 
hebben doorgebragt, in het leven terug, wanneer 
men de lucht weder in de klok liet. In de ftikftof- 
lucht leefden zij verfcheidene dagen zonder hunne 
beweging geheel ie verliezen. In zuiver ammoniak- 
gas kwam de Mei, vulgaris in eene halve minuut 
om, zonder tot het leven terug te keeren. Andere 
fchadelijke gasfoorten onderdrukten wel het levensbe- 
ginfel, maar bluschten het niet uit. 

De luchtbuizen beftaan uit drie vliezen. Het mid- 
delfte is , volgens den Schrijver , de ftevige hoornach- 
tige fpiraalvormig gewonden draad , waarin hij met 
cuviER iLeg. d'An. Comp. IV. 437, 438) en he- 
ROLD QEntwickelungsgefch. d. Schm, 87) overeen- 
ftemt. Volgens lyonet daarentegen {Traite de la 
chenilh^ 102, 103) is de fpiraaldraad het binnenfle 
der drie vliezen , terwijl sprengel eindelijk flechts 

twee 



C a33 ) 

twee vliezen aanneemt, waarvan de fpiraaldraad het 
binnenfte uitmaakt (^De partib. quihus infecta fpi-^ 
ritum ducunt. % 12. p. 15). Op dit verfcliil der 
onderfcheidene fclirijvers hopen wij nader terug te 
komen. 

. De draad van de takken der luchtbuizen is geene 
voortzetting van dien van den flam. De fpiraaldraad 
ontbreekt bij de luchtzakken. Het binnenfte vlies is 
eene zeer dunne voortzetting van de uitwendige be-. 
kleedfels, die door de fligmata dringt, en, zoo al 
niet alle luchtbuizen , ten minste de hoofdftammen 
bekleedt. Dit vlies is zeer zigtbaar bij de maskers 
ten tijde der vervelling. 

Bij de fligmata van den buik zijn twee driekante 
hoornachtige plaatjes aanwezig, die de daar ontfprin- 
gende luchtbuis drukken, en dus den toegang der; 
lucht affluiten kunnen. Straus noemt dezelve, 
ftrotklepjes (Jpiglottes), 

De tweede afdeeling handelt over de luchtbuizen' 
bij de Md. vulgaris. Wij kunnen daarbij niet ftil 
ftaan; doch betuigen gaarne zelden iets fchooners ge-> 
zien te hebben dan de zevende plaat, waarop dit 
adembalingftelfel met eene uitvoerigheid is afgetee- 
kend, waarop het oog zich bijkans blind ftaart. 

VI Bij de Crtiftacea is flechts eene flagaderlijke. 
hartekamer aanwezig, door een hartoor, even gelijk 
een hartezakje, omgeven. De hartekamer biedt ter 
zijde vele paren van openingen aan , van welke elk' 
met twee naar binnengaande randen voorzien is,, 
die de verrigting van mijterklappen uitoefenen , oot, 
het bloed den terugkeer tot het hartoor bij de fystoh 
te beletten. 

Q 3 Het 



( a34 ) 

Het hartoor verdwijnt bij de infekten en myriapo- 
den. Het ligchaam zelf neemt er de plaats van in. 
Eene enkele flagader is alleen overig, welke het 
bloed naar het hoofd (luwt, waar hetzelve wordt uit- 
geflort en in de buikholte terugvloeit, om in het 
hart door vele paren van hartoorkamer-gaten terug te 
keeren , welke aan die der Cruftacea gelijk zijn. Dit 
is eene geheel nieuwe ontdekking , waarover wij reeds 
elders handelden. De bloedsomloop in de infekten is 
gevolgelijk beperkt tot eene afwisfelende uitflorting 
van het bloed uit de hartekamer in de holte van het 
ligchaam, en uit deze in de hartekamer. Bij de in- 
fekten ontfpringt uit het hart eene flagader, die door 
de borstholte en het hoofd loopt. Straus heeft bij 
geene der foorten, door hem onderzocht, zijtakken 
van deze flagader gezien , dan alleen bij Scolopendra , 
waar drie paren zijtakken uit haar ontfpringen. 

Deze takverdeeling bewijst den hoogeren trap , 
waarop zich de myriapoden , ten aanzien der overige 
infekten, bevinden. In niet één infekt, dat straus 
onderzocht , heeft hij kunnen bepalen , hoe de flag- 
ader eindigt , en hij is van denkbeeld , dat dezelve 
zich in het hoofd opent, en dat het bloed, hetwelk 
zich daar ophoopt, door de ophooping zelve naar 
de buikholte terugfl:roomt. Uit deze komt het weder 
in het hart enz. 

De Schrijver kent den infekten eene eigene warmte 
toe, doch brengt hiertoe ten onregte, naar ons oor- 
deel, de waarnemingen van huber en spallanzani 
over de warmte der bijenkorven, terwijl zijne ove- 
rige gronden niet veel meer aantoonen , dan dat het 
leven der infekten alleen binnen zekere grenzen van 

tem- 



C »35 ) 

temperatuur beftaanbaar is, eene eigenfchap der le- 
vende ligchamen , die van eigene warmte geheel ver- 
fcliilt. 

De tweede afdeeling handelt over het bloedsomloop- 
llelfel bij Mei. vulgaris. Het hart is een groot regt 
vat , hetwelk in de lijn van het midden des ligchaams 
geplaatst is, en in eiken ring ter zijde twee openin- 
gen heeft , waardoor het bloed uit de buikholte in 
hetzelve dringt. De achterrand van elk dezer acht 
paren openingen , is met een halvemaanswijs klapvlies 
voorzien, hetwelk fchuins binnen in het hart dringt, 
en zich bij de fystole op de opening aanlegt , om het 
bloed de wederuitvloeijing te beletten. Aan den 
voorrand dezer zelfde openingen is een ander klap- 
vlies gehecht, hetgeen naar voren gerigt en grooter 
is, en tot midden in de hartkamer dringt, zoodat de 
vrije rand zich tot het tegenoverftaande vlies uit- 
ilrekt. Hierdoor wordt het hart in acht op elkander 
volgende kamers , welke in het midden wijder zijn , 
verdeeld. Daar de buik zich verkorten en verlengen 
kan, komt elke kamer, door middel eener plooi, in 
de voorgaande, om bij de verwijdering der ringen 
zich te kunnen verlengen. — Het buitenfte vlies van 
het hart is dik, vezelachtig, zeer digt, en, door zich 
in de hartekamergaten om te vouwen , vormt het de 
daar geplaatfle laag. De flagader is, fchoon niet 
fpierachtig, echter veerkrachtig; bij haren oorfprong 
is zij even wijd als het hart , maar in de borst wordt 
zij enger, om zich in het hoofd weder een weinig 
te verwijden. 

VII. Het zenuwftelfel der infekten heeft men om 
deszelfs plaatfing aan de buikzijde vrij algemeen met 

Q 4 de». 



( 536 ) 

den nerviis /ympathicus bij de gewervelde dieren ver- 
geleken. Men kan hier echter met grond tegen in- 
werpen , dat de nerviis fytnpathicus aan de organen van 
het plantaardig leven is toegewijd, terwijl uitdezenuw- 
ftreng der infekten, vooral de zenuwen des dierlij- 
ken levens ontfpringen. Er is daarenboven een ze- 
nuwftelfel van het organisch leven aanwezig, het- 
welk op den flokdarm ligt, reeds door swammer- 
DAM en LYONET was opgemerkt , en door onzen 
Schrijver met den nervus fympathicus vergeleken 
wordt, een gevoelen, bijkans gelijktijdig ook door 
j. MULLER voorgedragen (Ueber ein eigenthümliches , 
dem Nervus fympathicus analoges Nervensystem der 
Einge'weide bei den Infecten, Nova Acta Phyf. 
Med. Acad, Caef. Leop, Car, N. C. T. XIV. P. I. 

Het aantal , de plaatling en de grootte der zenuw- 
knoopen van de buikftreng hangen af ten eerfte van 
de algemeene gedaante des ligchaams, en vooral van 
die van den buik, en ten tweede van de verfchil- 
lende organen , welke elke ring draagt. Zonderling 
is het, dat, wanneer de buikfegmenten te zamenge- 
groeid of weinig bewegelijk zijn , er geene herhaling 
Tran knoopen in de buikholte plaats heeft, en dat de 
fegmenten van den buik hunne zenuwen ontvangen 
"iit een groot paar knoopen in het voorde gedeelte 
van de ingewandsholte of in de borst zelve geplaatst. 
De ftrengen van het ruggemerg verlengen zich dan 
tot aan het einde des ligchaams , van elkander ge- 
fcheiden en zonder knoopen. De Mei. vulgaris zelve 
levert hiervan een voorbeeld op. 

De Schrijver handelt in deze afdeeling tevens over 

de 



( m ) 

de werking van het zenuwftelfel en over het inftinct, 
waarbij wij hem niet volgen kunnen. 

De tweede afdeeling handelt over het zenuwftelfel 
van de Mei. vulgaris ; de derde afdeeling over de 
zintuigen. Straus houdt de fprieten voor de zit- 
plaats van het gehoor; een gevoelen, dat reeds door 

SULZER, SCARPA, SCHNEIDER Cn BORKHAUSEN WaS 

geopperd. De tegenwerping, dat de fpinachiige die- 
ren hooren, zonder dat zij fprieten hebben, tracht 
hij op te losfen door de vooronderftelling , dat bij hen 
het zintuig wel inwendig geplaatst kan zijn, en dat, 
welke ook de zin zij , die in de fprieten hare zitplaats 
hebbe, er bij de fpinachtige dieren een ander werk- 
tuig wezen moet , dat er de plaats van bekleedt , daar 
het onwaarfchijnlijk is , dat deze zin aan zoo volko- 
men bewerktuigde dieren zoude ontbreken. Ik weet 
echter niet , of hij de waarnemingen , dat na het weg- 
fnijden der fprieten, het gehoor echter overblijft, 
ligtelijk zou kunnen verklaren. 

Deze is de hoofdinhoud van dit belangrijk werk, 
welks voornaamfte verdienfte vooral in de naauwkeu- 
rige monographie des meikevers beftaat, welke als 
een point de départ voor volgende onderzoekingen 
dienen kan. — Wij eindigen met des Schrijvers eigene 
woorden : 

^^U étude des animaux articuUs est surtout d'un 
grand intérêt poiir Ie Physiologiste , cette partie du 
règne animal offrant tm plan d''orgamsation tout 
particulier , et la maniere dont les fonctions s^exer- 
cent ■ étant beaucoup plus variée que dans aucun 
autre embranchement ; on y trouve des exemples de 
la plupart des conditions que peut présenter un or- 

Q 5 gane 



~ 338 — 

gane ou unc fonction , et la nature sembh y avoir 
épuisé presque torn les moyens qu'elle avait il ia 
disposition; aussi ^ sam la connaissance dei inver- 
tébrés , Ie PhysiologisU ne iaurait s''élever è des 
conceptioni génirales , ne pouvant aaeoir iei raiion- 
nemen i que sur lei fait! pen nombreux^ que lui 
offrent rhomme et les animaux supérieurs." Prd- 
face, p. XVII. 

J. V. D. HOEVEN. 

WETENSCHAPPELIJItE BERIGTEN. 



261. 0\ 



'ver den aard der electrifche ftroomen heeft 
NOBiLi in de Bibl. Univerf, , Févr. 1828, p. 118, 
belangrijke opmerkingen medegedeeld. Hij onderfcheidt 
dezelve in twee voorname klasfen, in ftroomen, zon- 
der met of fcheikundige werking. De eerden onder- 
fcheidt hij in vieren. Het zijn dezen , die doorgaans 
thermo-electrifche genoemd worden. 1°. Met een 
enkel metaal verkregen , b. v. door het eene uiteinde 
van den draad des galvanometers warm te maken, en 
eensklaps met het andere koude uiteinde in aanraking 
te brengen. 2°. Met meerdere metalen., b. v. , door 
aaneen gefmolten metalen op de plaats hunner ver- 
eeniging warm te maken. 3". Met vloeibare gelei- 
ders , b. V. , door van twee cilinders klei er een te 
warmen , daarna met elkander in aanraking te brengen. 

40. Ma 



C 139 ) 

4». Met metalen en vloeibare geleiders ,' b. v. , doof 
de verfchillend verwarmde uiteinden van den galva- 
nometer beiden in koud water te dompelen. 

De ftroomen, met fcheikundige werking, zijn: 
1". de ftroomen der ecrfte klasfen, voortgebragt door 
metalen, gedompeld in eene vloeiftof, die ten minfte 
op een derzelve fcheikundig werkt. Nobili doet 
hierbij eene gansch andere wijze van de fcheikundige 
electriciteit te bezien , ontdaan. De rigting en kracht 
van den ftroom, zegt hij, hangen niet af van den aard 
der metalen , die in aanraking zijn , maar van het 
verfchil in werking van den vochtigen geleider op 
beide metalen. Van ieder metaal gaat er een droom 
naar het vocht toe, en de droom die merkbaar wordt, 
is het verfchil dezer droomen, dat van het meest- tot 
het minst aangedane gaat ; het overige vernietigt elk- 
ander in den geleider. Nobili meent, dat niet zoo 
zeer het aanvreten der metalen in de galvanifche ko- 
lom , oorzaak van den droom is , maar , dat hierdoor 
verfchil in temperatuur wordt daargedeld , en dit eenen 
electrifchen droom zou opwekken. a°. Stroomen van 
de tweede klasfe. Deze worden voortgebragt door 
het contact van vochtige geleiders. De kracht der- 
zelve is niet evenredig aan de fcheikundige werking, 
maar wel aan de warmte, die hierdoor ontwikkeld is. 
Bij de dubbele ontbinding hebben of geene droomen , of 
een zeer zwakke plaats. — Volgens nobili zijn dus elec- 
trifche droomen, droomen van warmte, en deze droo- 
men vindt men nergens , of er moet verfchil in tem- 
peratuur bedaan, (Bulletin des Sc. Math. , Mai i8a8). 

G. J. M. 

262. 



C 240 ) 

fi^a. Onder andere zaken, die ons wederoi» 
van proeven van becquerel, over de electrici- 
teit des tourmalyns (Buil. des Sc. Math. , Mai 
1828) zijn medegedeeld , vinden wij vooral deze be- 
langrijk , dat de electrifclie werking toeneemt met het 
afnemen der grootte. Tourmalynen van o™, 06 lengte 
zijn niet electrisch ; op de helft doorgebroken , be- 
ginnen zij electrisch te worden. Een ftukje van eenen 
fteen afgeflagen, levert veel fterkere electrifche ver- 
fchijnfelen op, dan de geheele fteen. Indien men 
hieruit tot de veel kleinere deeltjes mag befluiten, 
zoo kan hierdoor de leer van electrifche polariteit der 
deeltjes van fcheikundig vereenigde ligchamen , veel 
opgehelderd worden. 

o. J. M. 

263. Despretz heeft over de geleidbaarheid van 
fommige metalen en eenige andere ligchamen weder 
proeven genomen , door ftaven aan het eene einde te 
verwarmen, hierin op o™,! afftand thermometers te 
plaatfen, en de ftaven met hetzelfde vernis te bedekken. 
(Ann. de Ch. et Phyf. Déc. 1827). De gebreken van 
deze wijze van handelen zijn meer dan eens opgegeven, 
en wij deelen daarom de uitkomften zijner proeven 
niet mede. Wij nemen deze gelegenheid waar, om 
op eene Verhandeling van böckmann over dit onder, 
werp opmerkzaam te maken, geplaatst in D. VI, 
St. I der Nieuwe Verh. van het Bat. Genootfchap, 
Men vindt hier zeer vele belangrijke proeven, over 
dit onderwerp genomen met bollen , die binnen in 
hunne eenigzins uitgeholde zelfftandigheid eenen ther- 
mometer-bol bevatten, terwijl de fchaal, van glas 

zijtt- 



( 241 ) 

i^nde, buiten de bollen uitfteekt, en tevens dient 
om het geheel op te hangen. g. j. m. ' 

264. In hufeland's Journal der praktifche Heil- 
kunde ^ JiiHj 1827, vinden wij eene analyfe van urin 
van een kind, 16 jaren oud, dat aan diabetes leed. 
Twaalf oneen werden onderzocht, en in dezelve vond 
men eene vette, olieachtige flof, fporen van acidum- 
uricum en ureum, een korrelachtig poeder met hydro- 
chloras en phosphas-ammoniae en hydrochloras-fodae 
246 grein , gomachtige extractiefftof met acidum-lacti- 
cum , fulphates , hydrochlorates , phosphates , lacta- 
tes van foda, ammonia, en in kleine hoeveelheid 
van potasch en kalk 260 grein, vast geworden flijm 
van de blaas 12 grein, water 5442 grein; te zamen 
5760 grein = 12 onc. g. j. m. 

265. Nees von esenbeck heeft een atheroma , 
op de groote borstfpier van een' man gezeten, en 
hiervan weggenomen, chemisch ontleed, en hierin, 
nadat het gedroogd was , gevonden : zuivere ftearine 
23 grein, osmazome 12 grein, dierlijke flijm 11 grein, 
droog albumen 23 grein , phosphas calcis 19 grein , 
carbonas calcis 2 grein, carbonas magnefiae i\ grein i 
eenige elaïne en acetas fodae, verlies 3| grein; het 
geheel woog 95 gr. (KSstner, Archiv für die ge- 
fammte Naturlehre, Th. i2,St.4, 1827, S. 460). 

G. J. M, 

266. In bloed , uit eene ader getapt , van iemand , 
die gedurende eenigen tijd met unguentura iödii was 
ingewreven, vond bennerscheidt, door amyliim, 
blijken van iödium; er was echter eene te geringe 
hoeveelheid van aanwezig, dan dat hij deze zelfftan- 

dig- 



( 342 ) 

digheid zuiver kon daarftellen. (Buil. des Sc. Méd. 
Mai 1828, p. 25). G. j. M. 

267. De door robtquet ontdekte cantharldine is 
door BRETONNEAU in eene menigte andere infekten 
gevonden. Men vindt een rapport over zijne ont- 
dekking en de wijze, waarop hij de cantharidine 
afzonderde , in Buil. des Sc, Méd., Mai 1828, p. 92. 

G. J. M. 

268. Door kalfs- of koeijen-blazen heeft ons soem- 
MERiNG geleerd, alcohol fterker te maken. (Bulletin 
des Sc. Math. , Mai 1828). Men laat de blazen in 
water weeken, wascht ze uit, blaast ze op, ontdoet 
ze van het vet en andere aanhangfels; men bindt de 
beide ureteres zeer digt af, en keert de blaas om, 
ten einde het inwendig aanhangende flijm beter te 
kunnen wegnemen. Daarna wordt de blaas op nieuw 
opgeblazen en gedroogd, en inwendig met ééne laag, 
uitwendig met twee lagen vischlijm bedekt. Dan is 
de blaas bereid. Men vult dezelve niet geheel met 
alcohol, fluit haar goed digt, en hangt haar op bo- 
ven een zandbad of bij eene kagchel. De alcohol 
wordt zeer fpoedig veel fl:erker, en hierdoor bereidt 
men zelfs zulken fi:erken alcohol, als door eenig an- 
der middel kan bereid worden. Men kan de, op ge- 
melde wijze toebereide blazen meer dan 100 maal ge- 
bruiken. G. J. M. 

269. Dat van gewonen alcohol bij overhaling de 
Iterkere alcohol eerst overgaat en daarna de flappere, 
is iedereen bekend. De heer soemmering heeft aan- 
getoond, dat bij zeer fterken alcohol, het juist om- 
gekeerd is. Hier gaat eerst flappe alcohol over en de 

fter- 



C 243 ) 

llerkere blijft terug. Er zijn dus grenzen voor het 
overhalen, die bepaald behooren te worden. (Buil. des 
Sc. Math., Mal 1828). g. j. m. 

070. Van de lever was nog geene chetnifche ont- 
leding gemaakt. Fromherz en gugert hebben dit 
thans gedaan. In 100 deelen van de zelfftandigheid 
van de lever, hebben zij 61,79 d* water en 38,21 d. 
vaste ftof gevonden. — 100 d. gedroogde lever be- 
llonden uit 71,28 d. oplosbare en 28,72 d. onoplos- 
bare ftof. In 100 d. gedroogde lever waren 2,634 d. 
zouten. — Men vindt er in albumen voor de grootfte 
hoeveelheid , cafeum , materies falivaris , osmazome , 
en princ. refinofum , materies febacea en oleofa , vrij 
acidum febacicum en oleïcum, fibrinum, hydrochlo- 
ras en phosphas potasfae, phosphas calcis, een wei- 
nig carbonas calcis en oxydum ferri. (Jahrbuch der 
Chemie und Phyfik , 1827, St. 5, p. 66^. g. j. w. 

271. In de Götting gel. ^nzeigen., Sept. 1827, 
en in het Buil. des Sc. Nat., Fév. 1828, vindt men 
eene opgave van den inhoud eener Verhandeling : 
De origine f axoriim , per Gerrnaniae Septentrionalis 
regiones arenofas disperforum , auct. hausmann , 
voorgelezen in de Koninklijke Göttingfche Sociëteit, 
25 Aug. 1827, De Schrijver meent, dat deze ftee- 
nen, bij ons onder den naam van keijleenen be- 
kend , en in de heuvels bij Amersfoort en elders me- 
nigvuldig, maar vooral in het Noorden van Duitsch- 
land te vinden, op deze plaatfen, door eene geweldige 
omwenteling van het noordelijk gedeelte der aarde 
zijn aangebragt. De verfcliillende meeningen , hierom- 
trent voorgedragen , worden verworpen. . Hiertoe be- 

hoo- 



C 344 ) 

hooren de volgende: dat zij op de plaats, waar zQ 
gevonden worden , zouden ontflaan zijn ; dat zij over- 
blijffelen van eenen bergketen zouden wezen, die 
zich vroeger op die zandrijke plaatfen zou bevonden 
hebben; dat vulkanen dezelven zouden uitgeworpen 
en zoo verfpreid hebben; eindelijk, dat zij van an- 
dere hemelfche ligchamen tot onze aarde zijn geko- 
men. Alleen de nieening, dat zij van andere ber- 
gen, meer of min ver afgelegen, zouden afkomftig, 
en naar elders vervoerd zijn , houdt hij voor de ware. 
Hij zoekt tevens te bewijzen , dat deze fleenen van 
het noord-oosten naar het zuid-westen gerold zijn. 
Deze bewijzen hebben wij in de uittrekfelen kort op- 
gegeven gevonden , en deelen dezelve daarom niet 
mede. — Men vergelijke intusfchen over deze fleenen , 
in ons Land gevonden, de Disfertatie van den heer 
H. c. VAN DER BOON MESCH dc Granitc aan het 
einde, en de plaatfen, daar aangehaald, g. j. m. 

a72. In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika 
heeft men den 27 en s8 Aug, 1827 zeer fchoon 
noorderlicht waargenomen. Dat van den 27"*° be- 
flond uit eenen — dat van den 28"^° uit twee bo- 
gen , die een gemeen middelpunt hadden. (Froriep , 
Not., April 1828, N°. 434). c. j. m. 

273. John murray heeft in zeewater, hetwelk 
een helder licht van zich gaf, weekdieren gevonden, 
als de Bcroe fulgens ^ Medufa fcintillam ^ door 
welke dit licht voortgebragt werd. De beroemde von 
HUMBOLDT fchrijft ook het lichten der zee foms aan 
lichtgevende weekdieren toe, als aan de Nereis noc- 
tiluca y Medufa pelagica var. /S. en de Monophora 

noc- 



C 245 ) 

noctiluca (*). Deze weekdieren echter zijn niet altoos 
oorzaak van dit verfchijnfel ; vermits , volgens von 
HüMuoLDT, de zee foms licht van zich geeft, 
zonder dat er eenigc fchijn van weekdier in dezelve 
kan waargenomen worden. — In dit geval moet het- 
zelve aan de rottende vezelen van weekdieren worden 
toegefchreven , welke incn bij doorzijging in menigte 
in het zeewater aantreft. Even als von humboldt 
reeds had waargenomen, verhaalt ook murray, da^ 
een ftorn) meestal door eene vermeerdering in den 
glans der zee voorafgegaan wordt. (Zie john mur- 
ray, Experiment, researches , ib'aö, p. 80 en volg.) 

w. V. 

274. MiRBEL heeft in de Mémoires du Mufés 
d" histoirc naturelle^ 1827, T. XIV, p. 341, een 
overzigt gegeven van de geographifche verfpreiding 
der phanerogamifche planten in de oude wereld. Vroe- 
ger had hij reeds van enliele natuurlijke familiën in het 
bijzonder de geographifche verfpreiding opgegeven , 
en wij gelooven met de redacteurs van het Bulletin 
des Sciences Nat. ^ Avril 1828, p. 407, dat hij 
meer nut voor de wetenfchappen zoude gefticht heb- 
ben, indien hij bij deze vroegere, meer monogra- 
phifche^ wijze van werken gebleven was, daar dit 
nieuwe werk nog geenszins volledig is. v. h. 

•275. De gewone Larix (Pinus Larix, L.) ver- 
toont, volgens de waarnemingen van d. don (Edin- 
burgh nevv philof. Journal, Oct. and Dec. 1827, p. 43), 
een fraai verfchijnfel van prikkelbaarheid in deszelfs 

ftem- 

(*) A. VON HUMBOLDT, AnGchtcn der Natur, zweite 
verbesferte nnd vermehrce Ausgabe. Stuttgart und Tubin- 
gen 1826, B. II, S. 65. UDC. 5. 

Bijdragen 5 D.IIf, st. 2- R 



( 246 ) 

(lempel {fligma)^ waarvan de beide kapvormige ver- 
lengfels aan den voet van het vruclitbeginfel bij de 
rijpwording opcnftaan , en van binnen met talrijl<e 
kleine lepeltjes bezet zijn. Deze kapjes vullen zicli 
geheel met het overgebragte ftuilmeel, en trek- 
ken dan regelmatig zamen, tot zij geheel en al in- 
cengekrompcn zijn , welke flerke zamentrekking wcl- 
ligt voor de uitftorting van den lluifmecldamp {ai/ra 
femitmlis) van nut is. v. h. 

276. Over de beweging van de bladen éaxMimofa 
pudica hebben h. i\[ayo en g. curket , in Enge- 
land , weder proeven genomen , welke men vertaald 
vindt in froriep's Notizen^ XVIII, S. 337— 341. 
Dezelve worden in verband gebragt met de vroegere 
van LiNDSAY (1790), en die van dutrochet (1824). 
Zij leeren bijzonder den invloed van het benedenPcc, 
knotachtig verdikte gedeelte der bladflelen , bij de 
bewegingen der bladen en blaadjes, kennen. M— r. 

277. In de Organographie Végétah van decan- 
DOLLE, I, p. 181, vinden wij de merkwaardige op- 
merking , dat , in zeer oude cikenboomen , de dikte 
der jaarkringeti in het hout regelmatig vermeerdert 
tot den ouderdom van 30 of 40 jaren , van dien tijd 
tot het 5o't6 of 60*'® jaar eenigzins vermindert; dat j 
eindelijk van het so'*" of 60**^ jaar af de jaarkringen 
zeer regelmatig, en aan elkander gelijk blijven , waar- 
fchijnlijk tot den dood toe. Decandolle had dit 
ten minste op deze wijze opgemerkt in verfcheidene 
boomen van 200 en 300 jaren , en zelfs op eenen van 333 
jaren oud. Volgens hem, nemende eiken van het 20''"= tot 
het 30'*^ jaar het meest in dikte toe, welke opmerking 
voorzeker van praktifchetoepasfing kan zijn. v. h. 

278. In hetzelfde .werk , I , p. 361 , worden ons 

her- 



( 247 ) 

herinnerd de fraaije proeven van knight, vol- 
gens welke de beweging der takken eens booms den 
omloop der fappen en den wasdom van den hoofd- 
flam bevordert, hetgeen welligt mede onder de rede- 
denen behoort, waarom boomen met grootc bladen, 
over het algemeen fpocdiger grocijen , dan boomen 
met kleine bladen. v. h. 

279. Vele korsimosfen {Lic/icns), zijn aan harde 
rotfen zeer naauw verbonden , zoodat zij daarin als 
geïncriistcerd zijn. Decandolle (t. a. pi. , I, p.379) 
vermoedt, dat deze plantjes vocht aan hunnen voet 
uitvvafemen , waardoor de (leen eenigermate wordt op- 
gelost, en deze naauwe vereeniging plaats vindt. Op 
deze wijze verklaart hij , hoe fommige Lichens (b. v. 
Verrucaria rupestris) dieper in de kalkrotfen indrin- 
gen, naarmate zij in ouderdom toenemen. v. h, 

280. Het leven dezer korstmosfen kan , even als 
van vele andere cryptogamifche planten , eenigen tijd 
zonder voedfel en zonder eenig uitwendig blijk van 
leven blijven beftaan, waardoor het mogelijk wordt, 
dat zij , ook bij groote droogte en warmte in den 
zomer , nog in het leven blijven , en eenen aanmer- 
kelijken ouderdom bereiken. Vaucher heeft reeds 
federt vtjf en veertig jaren hetzelfde individu van 
Lob aria piilmonaria , op dezelfde plaats eens boom- 
ftams vastgehecht , waargenomen. (Zie decandolle 
t. a. pi. I, p. 381). V. H. 

28 1. Het is bij de meeste Botanifche Schrijvers 
reeds als bewezen aangenomen , dat de naveljireng 
{_fumciilus ambilicalis') der zaden, of dat draadvor- 
mig ligchaam , hetwelk, aan het naveltje der zaden 
vastgehecht, deze met het zaadhtdfel {jpericarpium) 

R 2 ver- 



( ^48 ) 

verbindt , beftaat uit tweederlci vaten of vezels , 
waarvan bet eene {Ie cordoti pistillaire), uit het flijlije 
herkomstig, waarfchijnlijk de bevruclitendc vloeiftof 
van den llempel naar de eitjes van bet vruchtbegin- 
fel overbrengt , het andere (/d cordon nourricicr')^ 
van den bloemfteel oorfpronkelijk , tot voeding der 
rijpende zaden zoude ftrekken. Beide vaten zijn ge- 
woonlijk in écne navelflreng vcreenigd, doch decan- 
DOLLE (t. a. pi., II, p. 15, pi. 59, fig. 13) vermeldt 
de zeldzame vorming van Statice Jrmerla, waarin 
beide vaten gefcheiden blijven , waarin namelijk bet 
voedingsyat van den grond des vruchtbeginfels op- 
rijst, het bevriichtingsvat daarentegen van deszelfs 
top nederdaalt , en beide , elk op zich zelf, het 
zaad bereiken. v. H. 

282. Merkwaardig is ook de waarneming, door 
den heer heyland aan decandolle (t. a. p. , H, 
bl. 71) medegedeeld , van twee onderling zamenge- 
groeide zaden van Aesculus Hippocastanum. Hoe 
dikwijls men ook andere plantendeelen, en voorname- 
lijk ook vruchten zamengegroeid heeft gezien , zoo 
was het zamengroeijen der zaden zelve , nog weinig 
of niet waargenomen ; en decandolle vraagt niet 
geheel zonder grond, of men aan zoodanige zamen- 
groeijing niet zoude moeten toefchrijven het voorko- 
men van meerdere kümcn {embryones) ^ in een en het- 
zelfde zaad, waarvan bij meerdere fchrijvers (en ook 
bij onzen reinwardt) enkele voorbeelden worden 
opgegeven. v. h. 

283. Voor Planten-phyfiologie lezen wij in fro- 
RiEP's Not. XIX, S. 186, eene merkwaardige 
waarneming nopens eenen muskaatnootenboom op het 

ei- 



C 249 ) 

tihnd Trinidad^ die in 1824 mannelijke, en in \%o.6 
alleen vrouwelijke bloemen voortbragt. Men heeft 
in den Botanifchen tuin , op genoemd eiland , gezien, 
dat deze boom zeer wel door afleggers kan worden 
voortgeplant , hetgene van belang is , daar de verme- 
nigvuldiging door zaden, zeer onzeker is, omdat er, 
onder 30 tot 50 jonge boomen , naauwlijks één vrou- 
welijke boom gevonden wordt. v. h. 

284. Zaden van Lycopus europaeus , van dezelfde 
plant herkomftig, en op verfchillenden grond gezaaid, 
gaven op vochtigen bodem het aanzijn aan planten 
van eene bleekgroene kleur, met van onderen rood- 
achtige fteng en onbehaarde bladen , waarvan de on- 
derfte vindeelig ingefneden { pinnatifida) , de ove- 
rige bijna vindeelig ingefneden waren ; terwijl dezelfde- 
plant op droogen grond, donkergroen van kleur 
werd , met bladen , die allen zachtharig waren , en 
waarvan de bovenfte zich eirond-lancetvormig en ge- 
tand vertoonden. Men ziet dus den ouden regel be- 
vestigd, dat men op de meerdere of mindere behaard- 
heid eener plant , bij foortehjke onderfcheidingen , niet 
al te naauwkeurig moet toezien. l.marchand. 

285. Zaad van Lycopodiam clavatum in hei-aarde 
gezaaid, is wel opgekomen. l.marchand, 

286. Leontodon taraxacum is door mij gevondea 
met een blad aan deszelfs bloemfteng. l. hjarcuand. 

287. Het dubbelworden der bloemen levert foms 
opmerkelijke verfchijnfelen voor Planten-phyüologie op. 
Zoo zag ik onlangs Philadelphus inodorns ^ waarvan 
de meeldraden eerst in bloembladen veranderden , verr 
volgens ook de kelk ; eindelijk veranderde ook de 
ftamper ipistillum^ in meeldraden, en deze op hunne 

R 3 beurt, 



( 250 ) 

beurt, in bloembaden- Iets dergelijks nam ik ook 
waar bij Fritillaria imperialls^ welke eerst de helm- 
knopjes (jantherac) verloor, waarna de helmdraden' 
(^filamenta') langzamerhand breeder werden, eerst 
eenigzins ingefneden zich vertoonden, en eindelijk in 
gewone bloembladen overgingen. De ftamper onder- 
ging dezelfde verandering, maar veel langzamer. Men 
ziet dus, dat de deelen der bloem in oorfpronkelijke 
natuur meer overeenkomst hebben , dan velen gewoon 
zijn te gelooven; waaromtrent verdient nagelezen te 
worden de Organographie Végétale van decandol- 

LE , I,p. 545 — 547. L' MARCHAND. 

288. In 1827 had ik in den tuin een exemplaar 
van Verbascum Thapfus met geheel onverdeelde fteng 
en heêrloopende bladen. De zaden hiervan in 1828 
in gelijken grond gezaaid , hebben mij opgeleverd eene 
meer dan 7 voeten hooge en fterk getakte plant, met 
ovale of eironde wortelbladen , langwerpige fpitfe (en 
de bovenfte zeer gefpitRe) ftengbladen. De geheele 
plant was met een digt vilt bedekt, behalve boven 
op de fchutblaadjes {bracteae) , die geheel onbehaard 
waren. De bloemen waren geel , twee der helmdra- 
den onbehaard, behalve eene rij witte haren op der- 
zelver binnenzijde, terwijl de drie overige helmdra- 
den bedekt waren met gele haren , welke ik echter 
in fommige bloemen ook wel paarsch of wit van 
kleur, waarnam. Hoe ligt zoude men deze plant, 
zoo men die in het wild ontmoet had, voor eene 
andere foort dan F. Thapfus , bij voorb. voor F. Thap- 
foides ^ of eenige andere al te fijn onderfcheidene 
foort, begroet hebben. l. marchand. 

289. Dat de door deszelfs groote ooren zoo op- 

mer- 



( 251 ) 

merkelijke Canis zerda ^ zich door zijne geheele be- 
werktuiging aan de vosfen aanfluit, liecfc D"". a. si- 
GiSM. LEUCKART, in ccH afzonderlijk betoog op nieuvv 
bevestigd. — Hij vergeleek het geraamte van den C<7wj 
zerda uit het Frankfortfche mufeum , met een vosfen- 
geraamte, en vond flechts geringe blijken van onder- 
Icheid, welke meest in een gering en weinig karakte- 
ristisch verfchil van grootte in Ibmmige deelen be- 
ftond. Belangrijk kwam mij hierbij de grootte van 
de blaasvormige uitfteeklels van het flaapbeen bij den 
Canis zerda voor , welke zeer zeker met de zoo 
buitengemeen groote ooren van het dier in verband 
is. (Vergel, Ueber den Canis zerda VQwXy^.'^.'&iGX^^i. 
LEUCKART, in de Ifis vaniQKEN. B*'. XXI, Heft III 
und IV" , S. 296). w. v. 

090. In den winter van dit jaar is in de omftre- 
ken van Caen (Départem. du Calvados), de fraaije 
Chineefche eend QAnas galericulata') gefchoten , en 
.te Caen op de markt verkocht. Waarfchijnlijk is de- 
zelve van het eene of andere fchip gevlogen, en heeft zij 
zich gedurende eenigen tijd in het veld opgehouden. 
Om ten minste te vooronderftellen , dat op dien ver- 
fchrikkelijken afftand, het dier flechts verwaaid zoude 
zijn, komt mij uiet den heer lesson zeer onwaar- 
fchijnlijk voor. Men zoude dit geval bij diegenen 
kunnen voegen , waarvan de heer temminck in de 
voorrede van zijn Maniiel d'' Ornithologie melding 
maakt. (^Zie Bulletin des Sciences Naturelles , N°. 5 , 
Mai 1828, p. 118, w. V. 

291. De beroemde f. tiedemann, die, gelijk 
bekend is , reeds meermalen nafporingen omtrent de 
gefteldheid van het zenuwftelfel in misgeboorten , . in 

R 4 het 



( 252 ) 

lict licht gaf, heeft deze onlangs in een afzonderlijk 
betoog voortgezet, en daarbij bepaaldelijk het verband 
nagegaan , hetwelk er tiiGfchen de gebrekkige ontwik- 
keling van het zenuwftelfel en de misvorming der 
deelen, welke van hetzelve takken ontvangen, plaats 
grijpt. In een voldragen kind van het vrouwelijk 
geflacht , hetwelk weinige dagen na de geboorte ge- 
ftorven was, en in plaats van bovenfte en onderde 
ledematen , fl echts zeer gebrekkige ftompjes bezat, 
waren het ruggemerg , zoo wel als de armvlecht, de 
lenden en heiligbeenszenuwen , zeer dun en teeder. 
Deze waarneming bewijst derhalve , dat , als het rug- 
gemerg en deszelfs zenuwen gebrekkig ontwikkeld 
zijn , de deelen , die er takken van ontvangen , in 
deze gebrekkige ontwikkeling deelen. Zijne overige 
waarnemingen daarentegen toonen aan , dat , als de 
herfenen en hare zenuwen bovenmate ontwikkeld zijn , 
hieruit ook eene bovenmatige ontwikkeling in de dee- 
len, welke tot hen in betrekking ftaan , voortvloeit. 

In den kop van eene pas geboren kat van het vrou- 
welijk geflacht , welke als het ware de kiemen van 
eenen tweeden kop in zich bevatte, zoo als uit een 
derde oog , dat uit twee fcheen zamcngefmolten te 
zijn , en eenen tweeden fnuitvormigen neus bleek , vond 
hij ook in de herfenen eene tegennatuurlijke ontwik- 
keling. Er waren drie halfronden in de groote her- 
fenen , drie herfenfchenkels en drie yoorjie vicrdub^ 
helde ligchamen. Elk halfrond beftond uit eene ge- 
zigtsbedding , een geftreept ligchaam en een voor- en 
zijwaarts , naar binnen en achteren omgeflagen ge- 
welf. Ook waren er drie zijdelingfche holten aanwe- 
zig. Uit het overtollig halfrond kwam eene groote 

ge- 



C 253 ) 

gezigtszenuw te voorfchijn , welke zich tot het derde 
oog begaf. Reukzenuvv was er in hetzelve niet aan- 
wezig, vermits de derde neus flechts uit een fnuit- 
vormig verlengfel zonder kanaal beliond. Zijne ove- 
rige waarnemingen bepalen zich voorts of tot geheel 
of tot gedeeltelijk dubbele raonfters, in welke allen 
hetzelfde verband tusfchen de verdubbeling der dee- 
len en de vermeerderde ontwikkeling van het zenuw- 
ftelfel waargenomen werd. Dezelve alle hier op te 
geven, laat het bedek van ons tijdfchrift niet toe. 
Wij vergenoegen ons dus den lezer tot de oorfpronkelijke 
verhandeling zelve te verwijzen, en geven hierbij 
alleen de flotfom op, door tiedemann uit deze 
waarnemingen opgemaakt. Dezelve komt hierop neder 
dat het zenuwflelfel en bepaaldelijk het rug^emero- 
als het eerst in de vrucht gevormd wordende, zoo 
als uit de waarnemingen van malphighius, wolff 

J. F. MECKEL , BRERA , PANDER , HOME , PREVOST 

en DUMAS blijkt, ook met waarfchijnlijkheid gezegd 
kan worden , de ontwikkeling der overige deelen te 
bepalen, en als het ware het beginfel te zijn, uit 
hetwelk de dierlijke bewerktuiging zich regelt en 
vormt (^das regelnde und formende Princip der thie- 
rifchen Bildung). Hierdoor wederlegt hij zelf een e 
vroegere door hem opgeworpen vooronderfle]ling(*; 
waarbij dezelfde invloed bij uiifluiting aan het 
bloedvatenftelfel toegefchreven wordt, (^Zie Beobach- 
tungen ueber die BefchafFenheit des Gehirns und der 
Nerven in Misgeburten von tiedemann. (Zeirfchrift 
für Phyfiologie , III. B. I, H. p. i en volgg). w v. 

292. 

(*) Anatomie der Kopflofen Misgeburtea. 

R5 



( 254 ) 

2()2. Behalve cenige andere bijzonderlieden , welke 
voor geen uittrcklel vatbaar zijn, vond g. r. trKvi- 
RANUS in de iierienen van een Diddphis oposfnm een 
bijzonder deel, tusfchen het achterfte der vierdubbelde 
ligchamen en de kleine herfenen gelegen, hetwellc 
hem toeicbijnt tot de zonderlinge voorttelingvvijze 
dezer dieren in verband te zijn. Verdere onderzoe- 
kingen echter , zullen moeten leeren , of deze bijzon- 
derheid aan alle overige Marftipialia eigen is. {Zie 
Zeitfchrift für Phyflol. B. III, H. i, p. 51.) w. v. 

293. Vele oncleedkundigen zijn van meening, dat er 
in de longaders geene klapvliezen zijn. Prof. maijer, te 
Bonn, echter, heeft onlangs in de longaders van de 
koe en den mensch de klapvliezen zeer duidelijk vs^aar- 
genomen. Er is namelijk, altoos een klapvlies op de 
plaats, waar een bijtak onder eenen icherpen hoek in 
den grooteren ilam der longader inmondt. Hoe fcher- 
per deze hoek is , des te duidelijker is ook het klapvlies. 
Er zijn echter geene klapvliezen op die plaatfen der 
longaders , waar de bijtakken onder eenen regten hoek 
zich in denhoofdftam inmonden. (Z/V Ueber die Klap- 
pen in den Lungenvenen von Prof. imayer , in Bonn , 
Zeitfchrift für Phyfiol. III B. I H. 171. p. 155. w. v. 

294. De cellen , welke men in de eerfl:e en tweede 
maag der kameelen en Lama's vindt , werden vroeger, 
vooral door perrault, voor vergaderplaatfen van wa- 
ter gehouden, waarvan de kameel eene groote hoe- 
veelheid tegelijk inzwelgt, en welke hem aldus, voor 
den dorst, gedurende zijne lange togten in de dorre 
woestijnen zouden bewaren. W. rapp, beeft echter 
onlangs geleerd, dat dit nut niet aan dezelve kan toe- 
gefchreven worden, maar dat zij even als de valvulac 

con- 



C 255 ) 

conniventes van den dunnen darm bijden niensch, de 
langwerpige plooijen in liet darmkanaal van den bruin- 
visch , de vlokken in hetzelve bij vele zoogdieren , 
flechts de oppervlakte ter affcheiding van het maag- 
fap, en ter opdorping van het reeds opgeloste chym 
vermeerderen, i^Zie heusinger , Zeitfchrift für die 
Organifche Phyfik, Tom. I, Heft. 4. Oct. 1827, p. 449. 
en Bulletin des Sciences Naturelles, N°. 5. Mai 1828 , 

p. III. w. V. 

295. BiANCiNi heeft over de gemeenfchap tusfchen 
de bloedvaten der baarmoeder en die der placenta 
eenige proeven genomen, welke fchijnen te bewij- 
zen dat er tusfchen beide, een werkelijke overgang 
plaats grijpt. Het vaatgeltel eener vrouw, die gedu- 
rende de verlosfing geftorven was, en bij welke de 
placenta nog aan de baarmoeder vastzat , opgefpoten 
hebbende, vond hij de ingefpotene masfa in het fchaaps- 
en vaatvlies. De flangvormige flagaders der baarmoe- 
der onderzoekende, bemerkte hij, dat zij in het weeffel 
der placenta' indrongen, zich over de vliezen ver- 
fpreidden, en de ingefpotene masfa in de door hun- 
ter. en MECKEL befchreven cellen afgezet hadden. 
Bij eene jonge vrouw , die acht dagen na de verlosfing 
geftorven was, en bij welke nog een (luk der pla- 
centa met de baarmoeder zamenhing, drong de injec- 
tie, welke in de flagaderen van de uterus gedaan 
was, niet alleen uit de baarmoeder in het met dezelve 
zamenhangend ftuk van de moederkoek , maar ftortte zich 
ook door de verfcheurde uiteinden der bloedvaten, in 
de baarmoeder uit. Ook vond hij , dat het bloed on- 
middellijk uit de vrucht in de baarmoeder terugflroora- 
de. Fliertoe fpoot hij de naveladers van een kalf met 

kwik 



C 256 ) 

kwik op , en 2ag het metaal in Hangvormige lijnen 
door de baarmoeder , de drie vliezen van het ei en 
negen korte cylindrifche takken onmiddellijk in de 
uterus dringen en de aders van dit werktuig opvul- 
len. Hij noemt deze vaten yena -placenta- uterina, , 
terwijl hij aan de eerstgemelde den naam van vafa 
utero-placentaria geeft. Men brenge deze waarne- 
mingen in verband, met die, welke de heer wil- 
LiAMS, over denzelfden zamenhang tusfchen de bloed- 
vaten der moeder en die der vrucht gedaan en mede- 
gedeeld heeft. Ik heb dezelve in het $« nommer van 
het a" (luk des P" deels dezer Bijdragen , Wet. Ber. 
N°. 23, opgeteekend. (^Zie froriep's Notizen, XII 
B, N». 3, p. 38.) w. v. 

296. CüviER had reeds in het mannetje van den 
fchildpad, van weerszijde van het corpus cavernofum 
penis y een kanaal gevonden, hetwelk blind in den 
penis uitloopt en van boven in de buikholte met het 
peritonaeum gemeenfchap oefent. De hceren tsid. 

GEOFFROY ST. HILAIRE en J. G. MARTIV, hebbCH 

dezelfde ontdekking bij het wijfje gedaan, met dit 
onderfcheid alleen , dat hier het kanaal zich in het 
corpus cavernofum cUtoridis opent; zoodat er der- 
halve eene onmiddellijke gemeenfchap tusfchen het jö^- 
ritonaeum en de clitoris bertaat. Bij den crocodil 
beftaat eene dergelijke inrigting ; hier echter gaan de 
kanalen van het peritonaeum (canaux peritoneaux) 
onmiddelijk in de cloaca over. Wat het doel dezer 
gefteldheid zij , is moeijelijk te bepalen ; dezelve 
fchijnt aan den eenen kant met de werking van liet 
peritonaeum , aan den anderen met die der geflachts- 
deelen in verband te zijn. {Zie Recherches Anatomi- 

ques 



C 257 ) 

ques fur deux Canaux , qui mettent la cavité du peritoine 
en coramunication avec les corps cavernenx chez la 
Tortue femelle et fur leiirs analogiics chez Ie Cro- 
codile etc. par M. isidore geoffroy st. hilaire 
et j. G. MARTIN, Ann. des Sciences naturelles, Tom. 
XÜI, p. 153. w. V. 

297. Verfchillende waarnemingen op de Lampyris 
noctiluca , Elater tioctilucus en ignitiis genomen , 
hebben john biurray geleerd, dat de lichccnde ftof, 
onder eene doorfchijnende plek van de huid, in twee 
-elliptifche zakken gelegen is. Dezelve wordt door celwijs 
weeffel omgeven , hetwelk zich even als eene gordijn 
om dezelve heen kan flaan , om aldus het licht gedu- 
rende eenigen tijd te onderfcheppen. Mürray fchrijft 
-ook aan de eijeren dezer infekten eene lichtgevende 
hoedanigheid toe. Bovendien is het hem gebleken , 
dat de lichtgevende ftof geen phosphorus inhoudt; 
dat dezelve noch door het zuiverst oxygenium in hel- 
derheid toeneemt , noch door hydrogenium en gas 
acidum carbonicum uitgedoofd wordt; maar dat eene 
al te hooge warmtegraad aan dezelve fchadelijk is ; 
terwijl dezelve na den dood nog voortgaat te blinken. 
Dat echter het lichtgeven een verfchijnfelvan het dier- 
lijk leven is , en als zoodanig van eenen zenuvvprikkel 
afhangt, leert eene belangrijke proef van von hum- 
BOLDT , die eenen ftervenden Elater noctiluciis fter- 
ker licht van zich zag geven, door den zenuwknoop 
aan het voorfte been, met zink en zilver aan te ra- 
ken (*). (Z/e Experimental refearches of the ligtht 

and 

(*) A. voN HüMBOLDT , Anfichtcn der Natur , !!«' B. 
1826, p. 72. not. 5. 



C 158 ) 

and Uiminnus matter of the glovv worm etc. , by joiin 

WURRAY , 18126, W. V. 

298. De beer magendib deelt eene waarneming 
mede van een beursgezwel , berwelk op de plaats der 
doorkruifing van de oogzenuwen , deze zoodanig bad 
zamengedrukt, dat zij aldaar geheel vernietigd- waren , 
en dat er tiisfchen het voorde of oogholtegedeelte en 
bet achterste of herfengedeelte geene andere gemeen- 
fchap , dan door middel der wanden van bet beursge- 
zwel, beftond; ook was het voorfte gedeelte, even 
als elk deel , dat buiten werking geraakt , vermagerd. 
Daar in weerwil dezer vernietiging, het gezigt op bet 
laatst van bet leven in eenen vrij goeden ftaat was , 
maakt magendie hieruit het befluit op, dat de oog- 
zenuwen, hier buiten werking zijnde, niet tot het 
behoud van bet gezigt hebben kunnen dienen, maar 
dat hetzelve aan zijn geliefkoosd vijfde paar moet 
toegefchreven worden. 

Wij wachten echter met hem nadere bevindingen 
ter bevestiging van deze vooronderftelling af. (Bul- 
let. des Sciences niédic. N°. 4, AvriliSaS, p. 324.) 

w. V. 

399. Dr. FERG heeft aan de vereeniging der Na- 
tuuronderzoekers , welke in het voorleden jaar te 
Munchen heeft plaats gegrepen, eene waarneming be- 
kend gemaakt, welke bij reeds in den jare 1798, aan 
boord van een fchip voor Sinnamori geankerd, deed. 
Op bet dek ftond een pot met den eijerleider van eenen 
Testudo mydas , welke den dag te voren gedacht 
was. Hij meende waar te nemen , dal , als de zon 
dit werktuig befcheen, er eenige eijeren uit hetzelve 
gedreven werden. — Hij fchrijft dit verfchijnfel aan 

den 



C ^59 ) 

den prikkel toe , welke de zonneftralen op de fpiervc- 
zels van den eijerleider zouden uitoefenen. Het op- 
pervlakkige der waarneming fchijnt mij echter toe te 
verbieden , een dergelijk beÜait uit dezelve op te maken. 
Is misfchien de geheele zaak niet Hechts een gevolg 
der rottende ontbinding , welke niet dan door de 
warmte der zon heeft kunnen verfneld worden ? (Zie 
oken's Ifis, B. XXI, H. V und VI). w. v. 

300. Volgens de waarnemingen van robert e. 
GRANT blijkt het, dat de eijeren van vele Zoöphyta, 
zoodra zij van het moederlijk ligchaam afgefcheiden 
zijn , het vermogen bezitten , van zich in het v^'ater 
op te houden , door middel van haartjes , welke op 
hunne oppervlakte geplaatst zijn , en dat zij zich zoo 
lang voort bewegen , tot dat zij eene gefchikte plaats 
lot hunnen groei vinden, in welke zij hunne ligcha- 
men , in de best mogelijke rigting tot de aanftaande 
ontwikkeling hunner deelen ftellen. Zie Obfervations 
sur les mouvemens fpontanes des ocufs de plusieurs 
Zoophytes , par robert e. grant, , Annales des 
Sciences Naturelles, par audouin, ad. brogniart 
et dumas. T, XIII. Paris 1828, p. 52. w. v. 

30 1. De bekende Vogelkundige brehm, heeft 
bij drie foorten van vledermuizen , zijnde Vespertilio 
auritiis , proteriis kuhl en Bechjieinii eene belang- 
rijke indinktmatige handelwijze waargenomen, hierin 
beflaande, dat na de bevruchtiging , de zwangere 
wijfjes zich in een meerder of minder groot aantal 
vereenigen, om in één hol te gaan zamepwonen, uit 
hetwelk de mannetjes geweerd worden. Het fchijnt 
dat deze fcheiding duurt , tot dat de jongen groot en 

fterk 



( aCo ) 

flerk genoeg zijn , om de moeder niet meer noodig te 
Il ebben. Ornis ^ No. 3, 1827, p. 17. w. v. 

30a. Volgens eene mededeeling in de Notizen 
van FRORiEP , B. XX, No. 21, zoude het blijken, 
dat door de kunstmatige bebroeijing van eijeren in 
ovens , de hoenders , wier moeders en overgrootmoe- 
ders, op deze wijze zijn uitgebroeid , eindelijk de 
inftinktmatige drift om hunne eijeren uit te broeijen , 
verliezen. vi^. v. 

303. Een moor met eene blanke vrouw te Berlijn 
getrouwd, heeft vier blanke jongens en zeven zwart- 
cichtig bruine meisjes voortgebragt. (Froriep's Not. 
B. XX, No. 16. Ap. 1828, p. 250. w. v. 

304. Over de aflcheiding der gal beeft D'. simon 
van Metz, eenige proeven genomen, welke te regt be- 
langrijk mogen genoemd worden. In de eerftc plaats 
behoort hiertoe , dat na onderbinding der beide gal- 
buizen , in duiven , hij waargenomen heeft , dat 
alsdan de nieren de levensverrigting van de lever 
fchenen over te nemen , dat is , uit de bloedmasfa de 
gal affchcidden, welke daarna door de pisleiders op- 
genomen en in de cloaca uitgeflort werd. Deze 
daadzaak , welke op zich zelve reeds belangrijk is , 
wordt zulks nog meer, als men dezelve met de na- 
fporingen van tiedemann en gmelin over de fpijs- 
vertering in verband befchouwt. Zij bevestigt immers 
het refultaat, door deze uitftekende geleerden verkre- 
gen, dat de gal bepaaldelijk als eene zelfftandigheid 
behoort befchouwd te worden , welke uit de bloed- 
masfa afgei'cheiden wordt, om in dezelve die menging 
te onderhouden, welke tot het in ftand blijven der 
levensverrigtingen in de verfchillende deelen noodza- 

ke- 



C =6i ) 

keiijk is. De twee overige refultaten , welke D^ si- 
MON uit zijne proefnemingen verkreeg, bepalen zich 
tot de vraag , of de affcheiding der gal van de lever- 
flagader of van de poortader afhangt. Na het onder- 
binden der flagader ging de galaffcheiding haren gang , 
terwijl zij na het onderbinden der poortader ophield; 
waaruit derhalve genoegzaam blijkt , dat dezelve be- 
paaldelijk van de poortader afhangt. ^/<j Expériences 
sur la secretion de labile, par simon de Metz. D.m. 
Annales des Sciences Naturelles. T. XIII. Paris 1828. 
p. 108. vv. V. 

305. Het verband tusfchen de kleur en de ge- 
daante der vederen van vogels en hunne geflachts- 
deelen , was federt lang bekend , en onlangs ook nog 
door waarnemingen van isidore g. de st. hilaire 
bevestigd , die bij oude hennen van faifanten , welke op- 
gehouden hadden te leggen, de vederen in die der 
hanen zag veranderen (*). Nadere waarnemingen van 
M. w. YARRELL Icercu cchter, dat deze verwisfeling 
in eiken leeftijd kan plaats grijpen, en door eene ge- 
brekkige of ziekelijke ontwikkeling der geflachtsdee- 
len voortgebragt worden. Bij jonge hennen, name- 
lijk van faifanten , die het gevederte der hanen had- 
den gekregen, vond hij de werktuigen der voortte- 
ling ziekelijk aangedaan. De eijerftok was klein , rood 
en hard , de eijerleider misvormd en aan zijn boven- 
einde gefloten. Ook kan men volgens zijne waarne- 
mingen, door kunstmatige misvorming der geflachts- 
deelen, eene dergelijke verandering in het gevederte 
daarftellen. Zie Sur les changemens de Plumage de 

quel- 

(*) Bijdragen, Deel I, Wet. Ber. No. i8. 

Bijdragen , d. UI. st. 2. S 



( 26a ) 

quelques faisans fcmclles, par ri. vv. yarrell , 
Annal. des Sc. Nat. T. XIII, p. 71. w. v. 

306. De heer le comte heeft den 25'"=" Februari] 
1828 aan de Franfche Academie eene verklaring voor- 
gedragen , van de reden , waarom de regter arm altoos 
meer kracht dan de linker bezit. Volgens hem, zoude 
dezelve in de plaatfing der vrucht in de baarmoeder 
gelegen zijn. In de meeste gevallen is deze immers 
aldus , dat de linker fchouder en de geheele linker- 
zijde tegen de beenderen van het bekken gedrukt 
worden; waaruit eene vernaauwing der bloedvaten 
en eene foort van atrophie van de geheele linkerzijde 
zoude voort vloeijen. Ik vergenoeg mij met deze korte 
opgaaf, aan hen, die meer dan ik in de gelegenheid 
zijn, de plaatfing der vrucht in het moederlijke lig- 
chaara na te gaan , de bevestiging of wederlegging 
dezer mechanifche theorie overlatende. Zie froriep's 
Not, N».425, XXB, No. 7. 1828, p. 104. w. v. 



307. Application de 1'arithmétique au commercc 
et è. la banque d'après les principes de bezout, par 
j. B. juviGNY, 3®. edit. 8 vo, 420 p. Paris 1827. 
...308. G. simons Disfertatio de dilatatione liquidorum 
per calorem , 4to , 78pag. Tr. adRhen. 1828. 

309. Manuel de Physique par bailly, avec des 
notespar richard , 4*. édit. in 24""°. 321 p. Paris 1S28. 

310. Electro-magnétisme ou faits principaux dé- 
couverts jusqu'ji présent dans cette Science , par 
GREEN. i2mo. Paris 1828. — Vertaald uit het Eng. 

311. Tableaux Synoptiques, ou abrégé des carac- 
tères chimiques des bafes salifiables, par laügier et 
KRAMER. 8vo. 20 pag. ct 8 tablcaux. Paris 1828. 

3ia 



( 263 ) 



312. Essai geognostique sur les environsdeSt. Pe- 
tersbourg, parA. engelspath-larivière, Svo.Brux. 

313. Essai sur les modifications apportëes a la 
conformation de la terre depuis sa création , par jo- 
SEPH j. D. 8vo. 80 pag. Paris 1828. 

314. , Histoire des végétaux fossiles, ou recherches 
botaniques et géologiques sur les végétaux , renfermés 
dans les diverses couches du Globe, par a. bron gniart. 
i«. 11 V. 4to. Paris 1828. 

315. Histoire et description des champignons ali- 
mentaires et vénéneux qui croissent aiix environs de 
Paris , par j. b. l. letellier. Paris. 

316. Voyage autour du Monde, fait de 1817 i 
1820, sous les ordres du Capit. freycinet, Partie 
Botanique, par m. charles gaudichaud, 6^ li- 
vraison. Paris 1828. Deze zesde aflevering bevat eene 
Verhandeling over den bouw en de rangfchikking der 
Filices , welke laatfte veel overeenkomst heeft met 
die van kaulfuss. Van deze zelfde klasfe heeft 
DESVAUx in de Annahs de la Société Linnéenne de 
Paris ^ vo/. VI, Mai etjuilht 1827, e.tnProdromus 
gegeven , waarvan wij een uittrekfel vinden in het 
Bulletin des Sc. Nat.^Avril 1828, p. 420 — 423. 
Eindelijk heeft ook wikstrom {zie h&t Bulletin t.a.-p. 
p. 423) in de Verhandelingen der Zweedfche Akade- 
mie vaji Wetenfchappen , eenige nieuwe foorten van 
Varens bekend gemaakt. v- h. 

317. A. p. DECANDOLLE, Prodtomus fystematis 
naturalis regni vegetabilis. Pars III, Parifiis 1828. — 
Deze met onbegrijpelijken ijver voortgezette onderne- 
ming bevat in dit Deel de genera en fpecies van de 
volgende natuurlijke familiën: Cal^cantheae , Gra- 

S 2 na- 



C 264 ) 

nateae , Memecyleae , Combretaceae , Fochyfieae , 
lihizophoreae , Onagrariae , Halorageae , Cerato- 
phylleae , Lythrarieae , Tamariscimae , Melasto- 
maceae, Alangieac^ Philadelpheae^ Myrtaceae, Cii- 
curbitaceae^ Pasjlfloreae, Loafeae^ Turneraceae, 
Fouquicraceae , Portulaceae , Paronychicae , Cr^?^- 
fulaceae, Ficoideae ^ Cacteae en Grosfularieac. Wg 
VCTheugden ons te zien , dat men in dit werk van 
de nieuwfte ontdekkingen onzer landgenooten , rein- 
WARDT en BLUME , een doorgaand gebruik heeft ge- 
maakt. Jammer evenwel , dat het opzoeken der genera 
zoo moeijelijk is , daar eene clavis generum voor elke 
familie ontbreekt. ' v. h. 

318. A- p. DECANDOLLE, Collection de Mémoitcs 
poiir servir ï. l'histoire du règne végétal. Paris 1828. 
Deze nieuwe arbeid van den onvermoeiden Schrijver 
dient tot nadere verklaring van hetgeen in den Pro- 
dromus flechts kortelijk was opgegeven. Elke Ver- 
handeling over eenige natuurlijke familie zal ook af- 
zonderlijk verkrijgbaar zijn. v. h. 

319. Florae ficulae Prodomus, five Plantarum in 
Sicilia ulteriori nascentium Enumeratio fecundum fys- 
tema Linnaeanum , auct. j. güssone , vol. I. Neapoli 
1827. Deze met zorg bewerkte Flora van eene nog 
niet genoeg bekende landftreek leert ons vele nieuwe 
plantenf oorten kennen , en bevestigt de groote over- 
eenkomst van de vegetatie in al de landen , aan de 
Middellandfche zee gelegen. v. h. 

320. Voor de Flora van het Zuiden van Europa 
mag ook van groot belang gerekend worden de Ver- 
handeling van j. CAMBESSÈDES over de Planten , welke 
hij op de Balearifche eilanden gevonden heeft, met 

ve- 



( 265 ) 

vele aanteekeningen over min bekende of geheel 
nieuwe foorien ; zie Mémoires du Mufée d'histoirc 
naturelle^ XIV. p. 173, en het Bulletin^ MaiiBzB. 
p. 88. V. H. 

321. Flora Javae nee non infularum adjacentinm , 
auctore c. l. blume med. doet. etc. etc, adjutore 
j. B. FiscHER med. et chir. doet. cum tabulis lapidi 
aerique incifis. — Een profpectus van dit werk, het- 
welk al de ontdekkingen nopens het plantenrijk op 
Java en aangrenzende eilanden, zoo van den Schrij- 
ver zelven , als van de heeren reinwardt , kuhl 
en VAN HASSELT , zal bevatten , ziet thans het licht. 
Men berekent, dat van hetzelve ongeveer hotiderd 
afleveringen, elk van zes platen in folio, met den 
noodigen tekst in het Latijn daarbij, zullen uitkomen. 
De prijs van elke aflevering met gekleurde platen, 
bedraagt /" 5 : — , met ongekleurde platen ƒ 4 : — 
Mogt deze Vaderlandfche onderneming alomme fteun 
en aanmoediging vinden! v. h. 

322. Natuurkundige Verhandelingen van de Hol- 
landfehe Maatfehappij der Wetenfchappen te Haarlem. 
Zestiende Deel, Eerfte ftuk. Haarlem 1828. — Be- 
halve het historifche berigt en de naamlijst der leden 
van de Maatfehappij, bevat dit ftuk : 10. eene Ver- 
handeling van den heer a. f. goudriaan , over de 

I 'middelen, om de wellen, bij het funderen van diepe 
fluizen ontftaande, te bedwingen; 20. van den heer 
j. c. OBERDiEK, over de nadeelige gevolgen van den 
ftrengen winter 1822— 1823, op boomen en planten, 
en de beste middelen, om zoodanige nadeelen van 
de vorst, in het vervolg eenigermate te voorkomen; 
30. eene lijst van Nederlandfche infekten , door den 

S 3 heer 



( a66 ) 

heer n. anslyn, en 40. ecne lijst van andere onge- 
wervelde dieren , door den heer w.p. van den ende , 
beide ter aanvulling van de Nederlandfche Faum , 
in vroegere Deelen dezer Verhandelingen geplaatst.- 

323. Vrijmoedige gedachten op het rapport, aan 
Zijne Majefteit den Koning, uitgebragt doordeKom- 
raisfie tot onderzoek der beste rivier-afleidingen , door 
c. DE BEER , Ingenieur van den Waterftaat (met eene 
kaart). Dordrecht 1828. 

324. Inftructions populaires sur Ie calcul des pro- 
babilités, par a. quetelet. Bruxelles 1828. 

325. Résumé du cours de mineralogie et de bota- 
nique, donné au musée des sciences et lettres de 
Bruxelles , par j. kickx , Professeur k l'école de mé- 
decine etc. Bruxelles 1828. 

326. Algebra of Stelkunst, in zamenfpraken, door 
p. VAN OCHTEN. Eerfte Deel. Utrecht 1828. 

327. Aanmerkingen op het ontwerp van afleiding 
van den Rijn , langs den IJsfel en door de Provincie 
Overijsfel. Deventer 1828. 

^ 328. Jacob vosmaer's Apothekers-woordenboek. 
Tweede Deel, eerfl:e gedeelte, met platen. Na des 
Schrijvers overlijden vervolgd door claas mulder, 
Med. et Ph. D. Hoogl. te Franeker. Zutphen 1828. 

329. Memorie van het Kollegie van den Lekdijk 
bovendams, over het rapport aan Zijne Majefteit den 
Koning , uitgebragt door de Kommisfie tot onderzoek 
der beste rivier-afleidingen. Utrecht 1828, 

330. De Meetkunst op de kunsten en ambachten 
toegepast, door j. f. lemaire , buitengewoon Hoogl. 
aan 's Rijks Hoogefchool te Gent. Gent 1828. 

331. Zee-Alraanak over 1829. 'sHage ter Alge- 
meene Lands-Drukkerij , 1828. 

332. Handleiding tot de verificatie der Inhouds- 
maten, met verfcheidene bijzonderheden en twee pla- 
ten daartoe betrekkelijk, door j. p. bourjé , uitge- 
geven op last van den Koning, 's Hage , ter Alge- 
meene Lands-Drukkerij, 1828. 

333. A Geological Memoir of a Part of Western 
Sussex , illustrated with a Map and three sectioiial 
plates , bij p. j. martin , 4to. London 1 828. 

235- 



( 267 ) 

334- An analytical systera of conic sections , de- 
signed for the use of Students in the University of 
Cambridge , by the Rev. h. p. hamilton , M. A. F. 
R. S. etc. 8vo. London rivington, 1828- 

335. An Introduction to Geology, by robert 
BAKEWELL. Third Edit. with newplates, a coloured 
Map and Cius. 8vo. London 1828. 

336. Botanical Miscellany , by w. j. hooker , 
L. L. D., F. R. S. and L. S. etc. To be publisbed 
in Parts, Quarterley. 4to and 8vo. N". I, published 
on the i'' of June , murray. London 1828. 

337. W. KiRBY and w. spence , an Introduction- 
to Entomology. New Edition 1818. — longman, 
rees, orrie, brown and green. 

338. The Magazine of narural History and Journ. 
of Zoology , Botany , Mineralogy, Geology and Me- 
teorology, conducted by j. c loudon. 8vo, No. i. 
Price 3 S. 6 d. Longman, rees, orme , brown 
and green. 

339. Tlie Operative Chemist, consisting of a full 
practical Display of ManufacturingChemistry, and of 
its detailed Applications to every Branch of Manu- 
factures, by s. f. gray, London hurs & change 
and Comp. I. Vol. 8vo. with nearly 100 engrav. i. 1. 
II s. 6. d. boards. 

840. D^ joannes wacler, Defcriptio et Icones 
amphibiorum. Onder dezen titel , geeft D'. wagler , 
reeds voordeelig door zijn Sysiema ayiiim bekend, 
een amphibiologisch werk uit , waarvan de eerfle af- 
levering reeds in het licht is verfchenen, en volgens 
de verzekering der Redactie van de Ifis ^ zeer fraaije 
afbeeldingen moet bevatten. 

341. Latreille's natürlicbe Familiën des Thier- 
reichs, mit Anmerkungen und Zufatzen, überfetzt 
von D'. A. A. berthold, Privat - Docent zu Göt- 
tingen. Weimar 1827, 8vo. 

342. Ostéographie de la Baleine échouée a l'est 
du Port d'Oscende Ie 4 Novembre 1827, précédée 
d'une notice sur la decouverte et la dissection de ce 
céiacé, par a. dubar , Chirurgien etc. Brux. 1828. 

Onder dezen titel zoude men eene volkomene os- 
teologifche befchrijving van den Walvisch, die zoo 

veel 



( 268 ) 

veel opgang gemaakt heeft, verwachten. Men vindt 
echter niet dan eene opgave van eenige bijzonderhe- 
den, tot M^ier opmerlung de oppervialddgfte befchou- 
wing van het geraamte voldoende zoude zijn. Dertien 
lithographiTche platen , door bossuet geteekend en 
door jOBARD in fteendruk gebragt, zijn "bij het werk 
gevoegd. Men kan echter aan dezelve meer den lof 
van pittoresque uitvoering dan van anatomifche naauw- 
keurigheid geven. w. v. 

343. M. j. WEBER , die Zergliederungs Kunst des 
menschlichen Körpers, 2^^ Abtheil. 1828. Bonn. 



' 344. De Wetenfchappen hebben een groot ver- 
lies geleden, door den dood van den beroemden Plant- 
kundige j. e. smith , die als Schrijver van de Flora 
Britannica ^ en later van de EngUsh Flora en van 
vele andere geachte werken zeer veel ter bevorde- 
ring der Plantkunde heeft toegebragt. Hij was bezit- 
ter van het Herbarium van linnaeus , en heeft van 
dezen fcbat op eene waardige wijze gebruik weten te 
maken. " v. h. 



345. Vragen , door de Gentfche Hoogefchool aan 
de Studenten voorgefleld ^ om bear oord te "oorden 
voor den 1^^^^ ]umj 1829. 

1. Exponere accurate quid hucusquw ^x analyfi ma- 
thematica et experientia circa dilatationem , opec^loris, 
fubftantiarum aëriformium, nee non vaporis aquei, 
deductum fuerit. 

2. Veram principii scytodepfici tam naturalis , quam 
artificialis, indolem investigare. 

3. Quaeritur Libellulae qualiscunque in ftatu Larvae, 
Nymphae et Infecti perfecti descriptie anatomica. 

Drukfouten, Ill^e Deel i=t»Stuk. 
pag. gS , reg. 3 van bov. •s'aa/; voorwiels , Zees; voerwiels. 
— 102 — 4 > ö > 7 en 8 van ond. staat : hengel , lees : heugel. 

Ibid. a'ls Stuk. 

pag. i56, reg.3 vanbov. , staat: zamen vergelijken, lees: zamen 
te vergelijken. 
In het Vorige Noinmer , in het stuk van den heer van beek, 
staat: zwart ijzer proioxide en rood ijzer - deuioxide f lees: 
zwart ijzer-deutoxide en rood ijzer-tritoxide. 



BOEKBE SC HOUWING. 

is wof^^^^aoina' 

Disfertatio Phyfica de dilatatione liquidorum per 
calorem , quatn pro gradu magisterii et doctor a- 
tus , fummisque in mathefi et philofophia natu- 
rali honoribiis ac privilegiis , in Academia Rheno- 
Trajectina publico et folemni examini fubmittit 
GERARDus SIMONS. Traj. ad Rhenum apud 

J. ALTHEER 1828. 4°. 78 püg. 



H. 



Letgeen de Hoogleeraar moll op blz. 2 der Voor- 
rede voor het i"°Deel dezer Bijdragen zeide : „In ons 
„klein Land, waarin het gering getal Beoefenaars der 
„ Wetenfchappen , perfoonlijk met elkander bekend 
„ zijn , wordt het moeijelijk elkanders werk naar bil- 
„lijkheid te waarderen", heb ik reeds meermalen on- 
dervonden en of '^"vind het nu insgelijks, nu ik wenschte 
van eene Vi.^i^^jiideling van mijnen vriend g. simons 
een v.E?flag te geven. Vrienden immers prijzen elkan- 
der niet in het openbaar. Intusfchen zijn er velen , 
die bij een verflag van een ftuk , hetwelk bijzondere 
onderfcheiding verdient, nieenen loffpraak te moeten 
vinden , en jde waarde van zulk een ftuk afmeten , 
naar de bijgevoegde goedkeuringswoorden , die tus- 
fchen, voor en na het verflag gevonden worden. De- 
zulken vinden zich hier bedrogen. Aan de hand van 
onzen Leermeester moll begon ik met mijnen vriend 
de beoefening der Natuurkundige Wetenfchappen en 
zette die met hem onafgebroken voort. Met hem 
Bijdragen , D. III, ST. 2. T deel- 



( a/o ) 

deelde ik langen tijd het vöorregt van in onze ftudiën 
zeer geholpen en geleid te worden, en wij hebben 
dus elkander in de wetenfchap zien opgroeijen. 

Het is om deze reden, dat ik flechts een eenvou- 
dig verflag van zijne Disfertatie over de uitzetting der 
druipbare vloeiftofFen door de warmte , voor diegenen 
zal mededeelen, die deze Verhandeling zelve niet 
bezitten, om zelfs niet in de verte den fchijn op 
mij te laden een cafus pro amico gefchreven te 
hebben. 

In een exordium wordt een blik geworpen op het- 
geen over de uitzetting der ligchamen door geleerden 
van rang is gedaan en medegedeeld, dat men nog niet 
zoo naauwkeurig de uitzetting der druipbare vloeiflof- 
fen heeft nagegaan, als de wetenfchap dit tegen- 
woordig verlangt. Deze onnaauwkeurigheid is minder 
in de vlijt en onvermoeide nafporing der wetten ge- 
legen, volgens welke zij worden uitgezet, dan in 
de moeijelijkheden, die het onderwerp zelve oplevert, 
om deze wetten te bepalen, daar de uitzetting der 
vloeiftoffen nooit op zich zelve kan bepaald , maar altijd 
in vereeniging moet waargenomen worden , met andere 
veel vermogende oorzaken. Men is dus buiten de mo- 
gelijkheid , om tot zuivere uitkomften te komen, maar 
men is verpligt op vele andere inwerkingen aandachtig 
te zijn, en hiervan de waarde te bepalen; in^welke 
bepaling echter gebreken kunnen overblijven, en on- 
vermijdelijk moeten overblijven; zoodat hierdoor de 
ware wetten van uitzetting zeer gewijzigd worden. 

De Heer simons fluit dit exordium met een be- 
klag , dat de beginfelen der wetenfchap nog met zoo 
vele onvolmaaktheden vermengd zijn, die in meer 

van 



il 



C 271 ) 

van deze beginfeJen verwijderde, fcboon moeijelijke 
zaken niet zoo gevonden worden , en past hierop de 
woorden van den beroemden biot toe: „L'isolement 
„des réfultats Jaisfe partout des vides, et, sem- 
„blables k un riche malaise, qui n'a point d'ordre , 
„au milieu de nos théories les plus brillantes, nous 
„raanquons souvent du plus simple nécessaire." Ie- 
dereen, die weet van hoe veel belang de kennis der 
uitzetting van druipbare vloeiftofFen is, zal ook het 
gemis van dit simp/e nécessaire met hem betreuren 
en de Schrijver heeft dus een goed werk gedaan, met 
hetgeen over deze uitzetting bekend is, te toetfenen 
in orde en verband gebragt , mede te deelen. 

In het eerfte hoofdftuk worden hiertoe de methodes 
uiteengezet, door welke de uitzetting der vloeiftof- 
fen kan bepaald worden. Deze verdeelen zich aldaar 
in tweeën: in die wijze, welke door dadelijke meting 
de uitzettmg door toenemende warmte zoekt aan te 
geven, en in die, welke door weging zoekt op te 
fporen, hoedanig de foortelijke zwaarte van eene en 
dezelfde vloeistof door vermeerdering in vvarmtegraad 
vermindert..- ■;,■:■) 

Naar de eerfte wijze bezigde men thermometers, van 
verfchillende vloeiftofFen gemaakt, en mat men de uit- 
zetting door de verdeeling der buis; of mennam ther- 
mometerbuizen, vulde deze geheel en al met de vloei- 
ftofFen, en na ze warmer gemaakt te hebben, en zoo 
doende, bij een bekend verfchil van temperatuur, een 
gedeelte der vloeiftof uit de buis gedreven te heb- 
ben, berekende, men naar den ftand der vloeiftof in de 
buis, bij eene lagere temperatuur, de uitzetting der- 
?e}ve. 

T - Naar 



( a72 ) 

Naar deze zelfde wijze maakte men gebruik van 
fleschjes , om de f. zwaarte der vloeiftoffen te bepalen, 
vulde dezen met de te onderzoeken vloeiftoffen , woog 
dezelve , maakte ze warmer , woog ze weder en be- 
rekende uit het verfchil in gewigt en warmtegaad, 
de uitzetting. 

De tweede wijze van bepaling der uitzetting van 
druipbare vloeiftofFen , gefchiedt door weging van een 
en hetzelfde ligchaam in dezelfde vloeiftof , die ver- 
fchillend warm gemaakt wordt. Hoe meer de uitzet- 
ting is der vloeiftof door de warmte , hoe minder het 
vaste ligchaam van zijn gewigt zal verliezen, wan- 
neer het in de vloeiftof gewogen wordt. 

Bij de opgave van deze methodes worden de formu- 
les , hierbij vereischt , opgegeven. Zij allen hebben 
moeijelijkheden en bezwaren , die in de Verhandeling 
worden opgegeven. Deze worden vooral gevonden 
in het bezigen van areometers tot dit einde, welke 
wijze, omdat zij zoo eenvoudig en voor ruwere be- 
paling in gewoonte is , insgelijks wordt uiteengezet* 

Eene andere wijze , door boyle voorgeflagen , be- 
rust op het beginfel , dat vloeiftofFen van verfchillende 
f. zwaarte, in buizen, die met elkander gemeenfchap 
hebben , tot hoogten ftaan , omgekeerd evenredig aan hun 
f, gewigt. Indien nu aan eene vloeiftof, die met 
eene andere in eene tweemaal regthoekig gebogen e 
buis bevat is , eene hoogere temperatuur wordt mede- 
gedeeld, zoo vermindert het f. gewigt en de hoogte 
der vochtkolom verandert insgelijks; waaruit dus de 
cubieke dilatatie der vloeiftof berekend kan worden. 
Van deze eenvoudige wijze hebben dulong en petit 
in hunne proeven gebruik gemaakt en hiertoe een 

werk- 



' C 273 ) 

werktuig doen vervaardigen, waarvan men de be- 
fchrijving in, en de afbeelding achter de Verhande- 
ling vindt. 

Het tweede hoofdftuk handelt over de uitzetting der 
vloeiftoiFen in het algemeen , door verfchillende Na- 
tuurkundigen opgegeven. Hier vinden wij vooreerst 
de opgave der uitzetting van eene menigte verfchil- 
lende vloeiftofTen, door achakd bepaald, en deze in 
eene tafel bijeengebragt , van o» - 65" reaum. van 
5—5 graden. Deze bepalingen zijn door thermome- 
ters, uit deze verfchillende vloeiftofFen vervaardigd, 
door ACHARD gedaan. 

Door middel van eenen areometer van fahrenheit, 
volgens eene opgave van schmidt door ciarcy ver- 
beterd , heeft de Heer schmidt van fommige vloei- 
ftofFen de uitzetting bij verfchillende temperaturen be- 
paald. Thomson bepaalde, door thermometers van 
zwavelzuur, falpeterzuur , en terpentijn - olie te ver- 
vaardigen, de uitzetting van deze drie vloeiftofFen. 
Op deze zelfde wijze bepaalde dalton de uitzetting 
van kwik, alcohol, en eenige andere vloeiftofFen! 
Voor water, alcohol, fulphuretura carbonii , aether 
fulphuricus, heeft gay-lussac de inkrimping bepaald 
door vermindering van temperatuur. Het kookpunt 
dezer vloeiftofFen ftelde hij = o", bij 0^,75 drukking, 
en nam alzoo de vermindering in omvang waar , bij 
vermindering in warmtegraad. Uit de overeenkomst 
in contractie van fulph. carbonii en alcohol, bij de- 
zelfde temperatuur-vermindering, meende gay-lussac, 
dat er eenige overeenkomst zoude beftaan tusfchen de 
uitzetting der vloeiftofFen door de warmte en de foor- 

T 3 te. 



( 274 ) 

telijke zwaarte vanderzelver dampen. Dit gevoelen wil 
SIMONS niet tegenfpreken , maar geeft de gronden op, 
waarom het befluit van gay lussac van allen fteun 
ontbloot is , daar er in de proeven zelven , onnaauw- 
keurigheden zijn ingeflopen. 

De LUC heeft insgelijks proeven over de uitzetting 
van druipbare vloeiftoffen gedaan, ten einde hij zou 
kunnen opmaken, welke vloeiftof ter vervaardiging van 
den thermometer de beste was. Hij vervaardigde hier- 
toe van eenige vloeiftoffen , thermometers van dezelfde 
foort van glas , met bollen van nagenoeg denzelfden 
inhoud. Uit deze proeven heeft biot gemeend de 
uitzetting dezer vloeiftoffen te kunnen berekenen, 
zoo wel als uit andere proeven van blagden en gil- 
piN. Doch de wijze , waarp biot hierin is te werk 
gegaan , houdt simons voor onjuist , en toont dit voor 
iedereen ten duidelijkfte aan. Die deze Verhandeling 
bezitten , kunnen op blz. 44 zien , welk eene moeite 
zich de fchrijver gegeven heeft, om zijn onderwerp 
niet oppervlakkig te behandelen; integendeel; met 
hoe veel zorg hij alles, hetwelk hierop betrekking 
had, heeft willen onderzoeken. Wij deelen dit mede, 
omdat wij ongaarne het gevoelen van den Schrijver met 
hem willen deelen, (blz. 4), dat hij zijne Disfertatie , zoo 
als dezelve is , niet fchreef , om anderen te leeren , maar 
om flechts te toonen wat hij vermogt. Dit moge het 
doel des Schrijvers geweest zijn; doch dit doel zal 
zonder opzet verder ftrekken. Hij heeft er ons door 
geleerd, en doet dit ook voorzeker vele anderen. 
'■ et derde en laatfte hoofdftuk handelt over de uit- 
zetting van kwik, alcohol en water. Deze drie vloei- 
ftof 



C =75 ) . 

ftofFen toch zijn het meest onderzocht geweest, en 
de kennis van derzelver uitzetting wint het ook in 
belangrijkheid boven vele andere vloeiftolFen. 

Voor kwik is de uitzetting dan alleen onregelmatig , 
indien de temperaturen zeer verfchillen. Tusfchen 
fmeltend ijs en kokend water is de uitzetting aan de 
temperatuur evenredig. Dit hebben de luc , cas- 
Bois en ROY door eenen barometer zoeken te doen, 
die verfchillend werd warm gemaakt, terwijl de druk- 
king der lucht dezelfde blijft. Want zoo doende hangt 
men niet af van de uitzetting van het glas. Blijft dus 
de drukking dezelfde, zoo zijn de hoogten omgekeerd 
evenredig aan de f. zwaarte van het kwik. Doch 
SIMONS toont van deze wijze de voornaamfte bezwa- 
ren aan. Schuckburgh , c. cavendish, delisle 

en LALANDE, LAVOISIER CU LAPLACE, HaLLSTRÖM , 

DULONG en PETiT hebben andere wijzen gebezigd. 
Aan deze laatften hecht simons de meeste waarde. 
Tusfchen o" en ioo° is deze uitzetting ^,5- , tusfchen 
100° en 2oo°5-|,3^, tusfchen 200° en 300° ^. 

Voor den alcohol is deze uitzetting niet zoo be- 
paald aan te geven. Want men weet nog niet juist 
te zeggen, wat zuivere alcohol zij. Men moet zich 
dus vergenoegen met de opgave der uitzetting van 
alcohol , die verfchillende f. zwaarte heeft. Eene me- 
nigte Geleerden hebben hieraan deel genomen en wor- 
den in de Verhandeling genoemd. De beste proeven 
zijn die van blagden, gilpin en tralles, en de- 
ze worden breedvoeriger uiteengezet. De Heer si- 
mons zou zich gaarne getroost hebben de moeite te 
nemen , om eene tafel uit deze proeven op te ma- 
ken , voor den areometer der Pbarmacopoea dienftig, 

T 4 in-^ 



C 276 ) 

indien deze areometer niet weldra vervangen werd 
door eenen honderddeeligen , bij eene wet van 2 Aug. 
1822 bepaald. Ik moet insgelijl<s met simons (in de 
noot ^ blz. 51) inftemmen, dat ik niet inzie, waarom 
men eenen honderddeeligen thermometer en areome- 
ter noodig heeft , als wij den meter en de hiervan af- 
geleide maten en gewigten bezigen; veel minder nog 
de overeenkomst begrijp, die er tusfchenhet metrieke 
ftelfel en de verdeeling van de thermometer- en areo- 
meterfchaal gezegd wordt te beftaan. De verdeeling 
van de thermometerfchaal van 0° — 212°, van iemand, 
die in ons land eenigen tijd gewoond heeft, laten 
wij, vasthoudende Nederlanders, zoo ligt niet varen; 
deze heeft immers ook voordeden; en de areometer, 
die thans in gebruik is, is tiendeelig. 

De Heer simons bepaalt, wederom met de ulterfte zorg, 
hoe veel het punt van grootfte digtheid daalt voor groo- 
tere hoeveelheden alcohol , die er in het mengfel van 
alcohol en water (fterkere alcohol) voorkomen , en 
roemt hierbij de groote naauwkeurigheid der proeven 
van BLAGDEN en gilpin. De uitkomften der proe- 
ven van TRALLES worden in eene tafel medegedeeld. 

De uitzetting van het water is , om twee redenen , 
merkwaardig, en, om deze twee redenen, ook zeer 
naauwkeurig onderzocht. Het zer zich, zoo als alle 
vloeiftofFen , uit, maar het heeft nog een punt van 
grootfte digtheid , onder hetwelk het insgelijks wordt 
uitgezet. Dit punt te bepalen, is dus ook onvermij- 
delijk geweest, en hierdoor is de uitzetting van het- 
zelve in het algemeen ook beter onderzocht gewor- 
den. Simons handelt eerst over de uitzetting van het 
water in het algemeen , en deelt de proeven , hierover 

door 



• c 277 ; 

YOUNG, KIRWAN, BLAGDEN CU GILPIN gcnomeil , 

mede , waarvan die der laatften door HaLLSTRÖM bjj- 
zonder onderzocht zijn, en insgelijks met die van 
DALTON door SIMONS onderzocht worden. — Ook heeft 
Prof. CHARLES hierover proeven genomen, waarvan de 
uitkomflen worden medegedeeld. Doch vooral meent 
de Schrijver aan de proeven van hüllström de 
meeste waarde te moeten toekennen. Die deze proe- 
ven dan ook kent , zal gereedelijk met hem inttemmen , 
dat het moeijelijk te bepalen is , of men meer de han- 
digheid en vlijt des proefnemers, of wel de helder' 
heid van zijnen natuurkundigen blik moet bewonderen. 
Ten flotte vindt men in de Verhandeling de tempe- 
ratuur van grootfle digtheid des waters behandeld. 
Onder alle proeven, die hieromtrent genomen zijn en 
medegedeeld worden , houdt simons die van le fèvre 
GiNEAu en HJiLLSTRÖM voot dc bcstc. De eerde 
bepaalt dit punt op 4°,44 c. Het is de uitkomst der 
proeven , waarbij trallbs insgelijks aanwezig was , 
die zij als leden der Metrieke Commisfie namen , om 
de zwaarte van het kilogram te bepalen. Zij bezig- 
den hiertoe eenen hollen , koperen cilinder , die in 
gedestilleerd water gewogen werd. HSllström heeft 
door eenen hollen, glazen bol, met zand bezwaard, 
doch gefloten , in het water te wegen , dit punt van 
grootfle digtheid met alle naauwkeurigheid trachten te 
bepalen, en hiervoor 4°,io8 + o%3o5 c. opgegeven. 
De rekenwijze, van welke simons voor de proeven van 
GAY'-LussAc; voor biot's opgave van die van de luc ; 
voor de bepaling van het punt van grootflie digtheid; 
voor het verfchil in hoeveelheid alcohol met water 
vermengd; met HaLLSTÖM in het nagaan der proeven 

T 5 van 



C 278 ) 

van BLAGDEN cn GiLPiN ovcr de uitzetting van het 
water , en voor de proeven van dalton over hetzelfde 
onderwerp , gebruik heeft gemaakt , is de regel der 
kleinfte quadraten (methode des moindres carrés). 

Deze is de inhoud der Verhandeling. Doch deze 
inhoud is flechts gebrekkig opgegeven , omdat wij , 
zelfs de voomaamfte ftukken, flechts met een woord 
hebben kunnen aanftippen. Men zal dus deze Ver- 
handeling niet naar waarde uit dit verflag kunnen be- 
oordeelen. Dit hebben wij ook niet, met hetzelve 
ter neder te fchrijven , beoogd ; wij hebben alleen 
gewild , een middel daar te (lellen , waardoor men 
zou kunnen trachten deze Verhandeling zelve naar 
waarde te beoordeelen : wij hebben tot de bekendma- 
king derzelve willen medewerken. 

Mijnen vriend wensch ik bij voortduring dien lust 
en die gelegenheid toe, waarmede hij thans zijne ftu- 
die voortzet , en mij zelven die helderheid en dat oor- 
deel, hetwelk mijnen vriend simons zoo gelukkig 
onderfcheidt. g. j. m. 

— - — j-s^cce<^^^)<K)» j- 

Flora Javae necnofi Infuldrum adjacentium auctore 
CL. BLüME, Med, Doct.^ Naturae nuper in- 
vestigatore in Coloniis Batavis Indiae orientalis 
caet. , adjutore j. b. fischer Med. et Chir. Doet. 
cum iabulis lapide aereque incifis. Bruxellis , 
fumtihus Ubrariae j. frank, f^jpis h. remy 1828. 
Fascicuïus I et II. X en 24 blz, in fol. met zes 
uitflaande platen. 



Wi 



ij mogen ons verheugen , dat de eerfte en tweede 
aflevering van de Flora van Java en aangrenzende Ei- 

lan- 



( '^19 ) 

landen nu reeds het licht ziet, en vooral, dat zij het 
licht ziet op eene wijze, die het voortreffelijk onder- 
werp in allen deele waardig is: dat zij verfchijnt in 
eene taal, die alle Botanisten in Europa en andere 
werelddeelen verdaan ^ waardoor men gegronde hoop 
mag voeden , dat de vruchten van deze kolosfale on- 
derneming de eigendom der geheele geleerde wereld 
zullen worden. Het werk zal in befchrijving en af- 
beelding al de planten bevatten , welke reinwardt , 
KUHL , VAN HASSELT en BLUME zelf iu den rijken 
Indifchen Archipel gevonden hebben , terwijl de Or- 
chtdeae en Asclepiadeae van kuhl en van Has- 
selt, die de Hoogleeraar van sreda bezig is, uit 
te geven , mede in dit werk zullen worden opgeno- 
men, in zoo verre echter, dat de platen van het 
werk van den Hoogl. van breda niet op nieuw uit- 
gegeven, maar alleen aangehaald zullen worden, met 
bijvoeging van die aanteekeningen , welke blume uit 
zijne waarnemingen daarbij meent te kunnen voegen 
biz. IX. — Hetgeen ik in de gelegenheid geweest 
ben te zien,, van de rijke planten-verzameling door 

REINWARDT, KUHL CU VAN HASSELT te LcydeU gC- 

bragt en van het uitgeftrekt herbarium van blume 
zelve , geeft mij de volkomenfte overtuiging , dat 
deze Javaanfche Flora in volledigheid niet zal be- 
hoeven te wijken voor eenige Flora van zulk eene 
ver afgelegene landftreek. Wat de fchoonheid der uit 
te geven afbeeldingen betreft, dit waarborgen mij de 
uitmuntend -gedroogde exemplaren derjavaanfche plan- 
ten , die ik gezien heb, de menigte, op de plaats 
zelve vervaardigde, teekeningen en vooral de voor- 
treffelijke uitvoering der platen van deze eerfle afleve- 
ringen. De 



C 280 ) 

De orde, in het geheele werk te volgen, zal zijn 
die der natuurlijke familiën , voorzeker voor zooda- 
nigen arbeid, de meest gefchikte. Elke natuurlijke 
familie zal echter met doorloopende bladzijden uitko- 
men , waardoor iedere afgewerkte familie , en als een 
gefloten geheel , en als een deel van het ganfche 
werk kan befchouwd worden ; terwijl men niet alleen 
eene naauwkeurige befchrijving der geflachten en foor- 
ten , met dtïztXvtv fynonyma^ verwantfchappen en geo- 
graphifche verfpreiding , maar ook vele aanmerkingen 
over het nut of nadeel der planten, benevens de in- 
landfche namen derzelve , in dit gefchrift zal aan- 
treffen. 

De natuurlijke familie der Rhizantheae, door blume 
het eerst opgefleld , geeft ons hiervan een voorbeeld. 
Reeds vroeger had de Schrijver in deze onze Bijdra- 
gen (IF^ Deel , 1^ Stuk , blz. 419—423) de kenmer- 
ken van het geflacht Kafflejia van brown en van het 
geflacht Brugmanfia blume , welke te zamen zijne 
Rhizantheae zamenftellen , vermeld , zoodat het voor 
onze lezers niet noodig fchijnt , deze hoofdkenmerken 
hier te herhalen. Met groote naauwkeurigheid en 
prijzenswaardige uitvoerigheid worden deze beide ge- 
flachten in de Flora Javae befchreven, en de Raf- 
flefia Patma bl. in de drie eerflie, de Brugmanfia 
Zippelii bl. in de drie laatfte platen in al hunne ver- 
fchillende gedaanten op onderfcheiden leeftijd en met 
eene fraaije ontleding der deelen afgebeeld. De vijf 
eerflie platen zijn in (leendruk , de laatfte , welke de 
inwendige vorming van Brugmanfia Zippelii voor* 
ftelt, op koper gegraveerd. 

Deze beide eerfl:e afleveringen maken dus een geheel 

uit , 



C 281 ) 

uit , waarin de zoo zonderlinge familie der Khizan- 
theae ^ die als het ware tusfchen de plantae Acotyle- 
neae en Cotyledoneae geplaatst fchijnt , geheel afge- 
handeld is. Druk en papier laten niets te wenfchen 
overig, en de platen zijn inderdaad voortreffelijk. 

Ik twijfel niet , of de Heer blume zal dit zoo wel 
aangevangen werk op gelijken voet voortzetten en al- 
zoo een waardig gedenkftuk leveren voor de edelmoe- 
digheid, waarmede onze Regering de Wetenfchappen 
in het algemeen onderfteunt , en waardoor zij , vooral 
voor de kennis onzer Oost-Indifche Bezittingen, zich 
zoo vele opofferingen getroost. Mogten alle Neder- 
landers, die in de Wetenfchappen en in de Eer van 
hun Vaderland belang (lellen , deze onderneming , door 
algemeenen bijval, en, zoo hunne omftandigheden dit 
toelaten , ook door dadelijken aankoop onderfteunen , 
en alzoo toonen, dat de wetenfchap hier nog fteun 
en aanmoediging genoeg vindt , om , even als in vroe- 
ger dagen , werken het licht te doen zien , die ware 
kennis en verlichting bevorderen , en het Vaderland 
alzoo tot duurzame eer verftrekken ! v. h. 



»«e€€)®€)C)4)e< 



Compendium Floriü Bélgkze. Conjtmctis ftudiis edi- j^ 
derunt a. l. s. lejeune, Med, Doet. plur foc, 
litterar. fodalis , et r. courtois, Med. Doet, 
Horti Botanici Academiae Leodienfis directioni 
adjunctus. Tom. I. Leodii 1828. 

Xlebben de Heeren lejeune en courtois reeds 
meermalen belangrijke Verhandelingen over onze In- 
land- 



C 232 ) 

landfche Planten in deze onze Bijdragen geplaatst, 
zij maken zich niet minder verdienstelijk door het 
fchrijven van onderfcheidene werken, waarvan het ons 
aangenaam is, doorgaans een gunstig verflag te kun- 
nen geven. 

Men weet (*) , dat deze beide ijverige Botanisten 
in hunne Choix de Plantes de la Belgique bezig zijn, 
om onze inlandfche gewasfen, in gedroogde exempla- 
ren uit te geven. Reeds zijn er 550 plantfoorten op 
deze wijze door hen bekend gemaakt, en voedt men 
gegronde hoop , dat deze verzameling eerlang eene wen- 
fchelijke volledigheid zal bereiken. Met deze verza- 
meling van gedroogde planten, ftaat deze Flora van 
het gelieele Koningrijk der Nederlanden in verband , 
daar beide werken, door dezelfde Geleerden bearbeid, 
elkander wederkeerig ophelderen en de namen der 
planten zelve, aldus tot meerdere zekerheid gebragt 
worden. 

De Schrijvers der Flora , welke wij thans aankon- 
digen, zijn vooral, in dat opzigt, te prijzen, dat zij 
met zorgvuldigheid de,, ontdekkingen van anderen mede- 
gedeeld , en zoo wel van de Schrijvers uit de Zuide- 
lijke , als uit de Noordelijke Provinciën gewag gemaakt 
hebben. De planten , welke ik in mijne Flora Belgii 
Septentrionalis opgenoemd heb , zijn dan ook in dit 
nieuwe werk bijna allen overgenomen, en, offchoon 
ik het afzonderlijk behandelen der Noordelijke Gewes- 
ten ,' wegens derzelver geheele overeenkomst in lucht- 
ftreek en gronden , niet geheel kan afkeuren, moet ik 
echter bekennen , dat het Compendium van lejeune 

(*) Zie deze Bijdragen II, 2, blz. 139— 144. 



C 283 ) 

en couRTois het volledigfte is , wat wij tot dus verre 
over dit onderwerp bezitten, indien ten minste de 
volgende deelen , op dezelfde wijze, als dit eerfte 
deel , worden afgewerljt. Dit eerfte deel bevat de vijf 
eerfte klasfen van het Linnaeaanfche fystema, en be- 
helst , behalve de mlde planten , ook eenige der voor- 
naam fte gekweekte planten , als de granen , de aard- , 
appelen , de voornaamfte èoofien-i'oorten enz. , waar- /^ 
omtrent ik echter zoude aanmerken, dat men , een-' 
maal vreemde gewasfen in eene Flora opnemende, 
geene fcherpö grenslijn meer kan trekken, welke foor- 
ten men al of niet zal vermelden, daar de meerdere 
of mindere algemeenheid eener gekweekte plant, moei- 
jelijk te bepalen is. 

Na de Voorrede , waarin de verfchillende Beoefenaars 
onzer Vaderlandfche Plantkunde worden opgenoemd 
en het plan des werks opgegeven, volgt eene lijst 
der voornaamfte uit- en inlandfche gefchriften, die in 
dit werk aangehaald worden. Vervolgens komt een 
fleutel der klasfen en rangen van de rangfchikking 
van LiNNAEUs, terwijl ook voor elke klasfe een fleu- 
tel der daarin voorkomende ge/lachten gevonden wordt. 
Dit alles is met orde en duidelijkheid behandeld. 

Ook de foorten zijn over het geheel met zorgvul- 
digheid bewerkt, en offchoon er hier en daar, naar 
mijn inzien , welligt wat al te veel foorten zijn on- 
derfcheiden , zijn er echter ook elders vele vroegere 
foorten met regt alleen als verfcheidenheden opge- 
noemd. Dit laatfte geldt ook vele vroeger door i^^ 
jEüjjE zelven opgeftelde foorten , bij voorb. Veronica 
fpadana, limofa enz., welke openhartige herftelling 
van vroegere misvattingen allen lof verdient. 

On- 



( 284 ) 

Onder het lezen fluitte ik op de volgende punten : 
Utricularia minor ^ blz. 19, is nooit in Holland, maar 
alleen te Harderwijk en Velp in Gelderland gevonden. 
Scirpus miilticaulis wordt in dit werk flechts op eene 
plaats, in de Provincie Limburg, opgegeven, niette- 
genftaande zij in mijne Flora , blz. 43 , ook als her- 
komilig van Nijmegen en de Bild voorkomt. Ook 
Scirpus Tabernaemóntani is door mij , blz. 715, op 
meer dan eene plaats in onze Noordelijke Gewesten 
vermeld. Hetzelfde geldt van Sc. triqueter en Sc. 
compresfas , P. , v^^ welke laatfte in mijne Flora , 
blz. 37, onderfcheldene groeiplaatfen worden opgege- 
ven. Het gezegde eindelijk, hetgeen hier, blz. 46, 
nopens Schoenus mucronatus aan mij wordt toegefchre- 
ven , is door mij gezegd van Sch. glomeratus , daar 
Sch. mucronatus bij de gorter, niet voorkomt. — 
Eriophorum vaginatum, blz. 46, komt ook in onze 
Gewesten op vele plaatfen voor. 

De zoo zeldzame als belangrijke Alopecurus bul- 
bofus , blz. 58 , is door mij in den afgeloopen zomer 
in menigte wedergevonden op de zilte gronden aan 
de Linde bij Oldemarkt in Overijsfel. Op dezelfde 
plaats en langs den geheelen zeedijk van daar naar de 
Lemmer , vond ik ook Poa maritima op aangefpoelden 
kleigrond-, op welken ik dezelve altoos gezien heb en 
niet op zand, gelijk lej. en court. , blz. ^6 ., ver- 
melden. Hetzelfde geldt ook van Chenopodium mari- 
timum^ blz. 212, en Atriplex littoralis , blz. 220. 
Van Poa distans zag ik dit jaar een exemplaar , zeer 
ver van zee , gevonden nabij Utrecht door den Heer 
Med, Stud. g. broers. 

Bij Potamogeton rufescens , blz. 151 , hadden wel 

me- 



C 285 ) 

mede mogen opgenomen worden de groeiplaatfen uit 

de Noordelijke Provinciën. Ook verdiende het aan; 

teekening, dat Aspcrugo procumbens ^ blz. \6^ ^ in de 

Noordelijke Gewesten , vooral groeit op de duinen aan 

den zeekant. Kibes alpinum, blz. 197, is door mij 

in de heuvelachtige (Ireken van Rheede bij Arnhem 

en ook op den geheel vlakken grond van Utrecht 

aangetroffen (zie mijne Flora, blz. 203), waardoor 

de bijnaam alpinum wel ligt minder gepast is. De 

aanhaling van de gorter bij Cynanchum Vincetoxi- 

cum , blz. 206 'j is onjuist , daar deze plant het eerst 

in mijne Flora, volgens den Heer beucker an-, 

DREAE, als inlandsch is opgegeven. 

Het zoude niet moeijelijk vallen meerdere voor- 
beelden van dergelijke onnaauwkeurigheden aan te ha- 
len, doch. deze zijn alle van gering aanbelang in ver- 
gelijking van de veelvuldige verdiensten van het voor 
ons, liggend werk. Wij wilden er de Schrijvers flechts, 
opmerkzaam op maken, ten einde bij de bewerking 
der volgende ftukken van deze Flora van eenig nut 
te zijn. Alleen mag ik niet voorbijgaan aan te mer- 
ken, dat de Schrijvers niet fchijnen bekend te zijn 
met de laatfte afleveringen der Flora Batava , welke 
de Hoogl. KOPS thans met mij uitgeeft, en \Afaarvan 
reeds de 79»*^ aflevering, tot plaat 410. icgefloten, 
het licht ziet. Bij eene bewerking onzer inlandfche 
planten dient althans wel het eenigfte plaatwerk, 
hetwelk wij over onze Flora bezitten, mede in aan- 
merking te komen. De vroegere afbeeldingen wor- 
den geregeld aangehaald, doch waarom de afbeelding 
der Veronica fcutellata bat. 286, alhier, blz. 16 

BEDRAGEN , D. III , ST. 2. V met 



( 286 ) 

met een vraagteeken en dus twijfelachtig vermeld 
wordt, is mij niet regt duidelijk. 

De nette uitvoering en -het gemakkelijl?e formaat van 
dixx. Compendium ^ benevens deszelfs groote innerlijke 
waarde , zullen dit werk voorzeker in veler handen 
dóen komen. Ik meen het ook aan onze Noord- 
Nederlandfche beoefenaren der Plantkunde wel te mo- 
gen aanbevelen, daar het ook onze Noordelijke plan- 
ten bevat, en door vergelijking met de Flora, welke 
ïk zelve van onze 'Noordelijke Gewesten uitgegeven 
heb, tot nuttige leering kan ftrekken. Ben ik, ten 
opzigte van de bepalingen der foorten, het niet op 
alle punten met de Heeren lejeune en courtois 
eens, zoo moet ik ook van den anderen kant vol- 
mondig bekennen , dat men enkele fouten , die ik be- 
gaan heb , in dit werk herfteld zal vinden. Dwalin- 
gen geheel te vermijden, is in het uitgeftrekte vak 
der Plantkunde bijna onmogelijk , doch met wederkee- 
rige hulp en gemeenfchappelijke beoefening van dit 
vak , zal men toch der waarheid al zeer nabij komen. 

Volgens hetgeen de Schrijvers, blz. 20, zeggen, 
fchijnen zij ook de Cryptogamie te zullen behande- 
len. — Wij hopen , dat zij daarmede gelukkiger zullen 
zijn, dan men tot nu toe met de Cryptogamie van 
ons Vaderland geweest is ! 

V. H. 



müd- 



C 287 ) 



Handboek- der Dierkunde of Grondbeginfclen der 
Natuurlijke Gefchiedenis van het Dierenrijke 
door j. VAN DER HOEVEN, K Dcel 1^ Stuk. 

, Delft, 1827.. 



He 



.et is eene aangename gewaarwording, dat bij dq 
meer en meer aanwakkerende zuclit tot de beoefening 
der naiLiurkundige wetenfchappen , het aantal oor- 
fpronkelijke werken in die vakken, zich ook in ons 
Land meer, en meer vermenigvuldigt. liet onderha- 
vige werk moge deze, {telling bevestigen. Reeds lang 
was. hetzelve eene behoefte voor ons geweest. Se« 
deüt ,de vertaling. VRn blumenbach's Handboek der 
Dierkunde , hetwelk na de groote vorderingen , welke 
de, fWetenfchap in de laatfte jaren gemaakt heeft , in 
het geheel niet meeir bruikbaar is, was er immers geen 
Systematisch Hollandsch Handboek der Zoölogie in 
het licht verfchtnen. Behalve dat hierdoor diegenen, 
welke, minder, met de Franfche, Duitfche en Engel- 
fche talen bekend waren, belet werden de Dierkunde 
te beoefenen , zoo was het ook voor de meer befchaafde 
Dierkundigen fchier onmogelijk geworden, zich in de 
yaderlandfche taal, over het een of ander onderwerp 
dier ftudie te onderhouden. Zonder vele Franfche 
woorden toch in het gefprek of in de fchrijfftijl in te 
lasfchen, ging dit niet. Wij verheugen ons derhalve, 
met dit werk onze Hollandfche Kunstfpraak of Ter- 
minologie vastgelleld te zien en vertrouwen, dat 
reeds in dit opzigt alleen hetzelve genoegzame waarde 

Va heeft. 



k 



C 288 ) 

heeft. Dovcndien heeft het echter nog meerdere vcr- 
dicnflen, welke wij in onze befchouwing kortelijk 
zullen opnoemen. 

De Dierkunde niet dan de wetenfchap zijnde, 
wÈlke ons de dierlijk bewerktuigde wezens der 
natuur, in hunne verfchillende hoedanigheden doet 
kennen , behoort eene bepaling van het woord natuur 
vooraf te gaan. Deze bepaling leidt ons van zelfs tot 
de verdeeling in oribewerktuigde en bewerktuigde lig- 
charaen; waarvan de laat (Ie zich weder in planten en 
dieren onderfcheiden. De kenmerken van beide wor- 
den vervolgens opgegeven, en hierbij meer de min 
volmaakte dieren en planten, door welke beide rij- 
ken, als het ware in elkander overgaan, dan de vol- 
maaktere zamen vergeleken. Deze vergelijking brengt 
Van der hoeven tot de volgende definitie van het 
dierlijk ligchaam. 

' „Een bewerktuigd ligchaam met een gemeenfchap- 
„pelijk middelpunt van voeding, hetgeen prikkelbaar- 
„ heid bezit , van een géleiachtig weeflel is en wiens 
„ fcheikundige menging hoofdzakelijk uit zuur, kool, 
„(lik- en waterdof als verwijderde grondbeginfelen is 
ii zamengedeld. " ■ 

^"Niets is welligt moeijelijker dan eene definitie. Of 
deze wel geheel en al aan het doel beantwoordt, durf 
ik niet bepalen. Zoo als de Schrijver zelf bekent , 
komt een gdeiachtig weeffel aan fommige planten toe; 
en of men onder het denkbeeld van dit weeffel, wel 
alle die verfchillende weeffels kan verftaan, uit welke 
hét ligchaam der meer volmaaktere dieren beftaat, weet 
ik niet. Kan men ook wel zoo algemeen als van 
DER HOEVEN het doct , de prikkelbaarheid aan de 
planten ontzeggen? ""•• 



( 289 ) 

Het dierlijk ligchaam bepaald zijnde-, worden des- 
zelfs naaste beflianddeelen en de levensverrigtingen , 
welke het uitoefent, befchouwd^ daarna esnige 
oogenblikken bij de ontwikkeling der dieren verwijld 
en de vraag beantwoord , wat men onder volkomen 
en onvolkomen dieren te verftaan hebbe. . ov 

De fystematifciie verdeeling der dieren volgt "hierop 
als van zelf. Van der hoeven klimt van de on-» 
volkomen tot de volmaaktere dieren op, en neemt.afc 
dus vier hoofdafdeelingen aan. , r!;,'::ri 

I. Geleiachtige dieren {animaHa gelatinofa , firaah 
dieren volgens cuvier)* [[is 

IL Gelede dieren (^animalia articulata).- 'ih!i-j3 
IIL Weekdieren (animalia molluscd). ■dXj-;Jo7 
IV. Gewervelde dieren (^animalia vertebratay»> " * 
•Eer- wij verder gaan, zullen wij een oogenblik bij 
deze verdeeli»g ftilftaan. De Heer van der hoe- 
ven wijkt hierin, van cüvier af^ die van dtn mensct? 
en de volmaaktere dieren tot de onvolmaaktere afdaalt* 
Zijne handelwijze komt mij zeer doelmatig voor. Hei 
is immers meer geleidelijk van het eenvoudige tot het 
zamengeftelde op te klimmen , dan eenen tegeno vergeftel* 
den weg te volgen. Bovendien heeft deze verdeeling het 
voordeel , dat de min volmaakte dieren nief zoo ligt 
over het hoofd zullen gezien worden, als zulks vroeger 
plagt te geschieden. Het ware misfchien niet otidoelrfiatig 
geweest , zoo van der hoeven bij deze verdeeling ^ 
die, welke meckel in het eerde deel van zï]n System 
der vergleichende Anatomie voorftelt, in het oög ge- 
houden had. Vitz^ toch fcheidt en naar mijn inzien , 
met allen grond de Mollusca cirripeda en cephalopoda 
van de overige weekdieren af en vormt van beide 

V 3 eene 



( 290 ) 

eene eigene afdeeling , waarvan de eerflie als ■ over- 
gangsvorm van de fcliaal- tot de weekdieren; de twee- 
de van de laatfte tot de visfchen behoort aangemerkt 
te worden. Deze affcheiding, welke geheel op ana»- 
tomifche gronden berust, komt mij zeer doelmatig 
voor, vermits, de cirripeda en vooral de cephalopoda^ 
te veel van de overige weekdieren verfchillen , om tnet 
dezelve in ééne afdeeling gebragt té worden» Ook 
kan men de cephalopoda , wegens hun reeds zoo vol» 
maakt, hoewel kraakbeenig geraamte, niet zoo uitflui- 
t'end tot At ongewervelde dieren hrengen. Wat hiervan 
zijn moge , wij geven deze bedenking ' aan dén geëerden 
Schrijver, in overweging en vervolgen ons verflag. 
Volgens de voorheen gezegde wijze van zien, moes- 
ten derhalve ook in dit werk., . de geleiachtige of ge- 
fchaalde dieren: het/eerst befchouwd worden. Zij ver- 
vallen in vijf klasfen: .1°. da. afgieifeMerijes {InfiU 
foria); 2.°, veelvoeten (Poljpt) ;:^°.zeenetéls (^Aca" 
lephae; 4". ingewandswormen. (^Entx)zod); 5** fiekel* 
huldigen (Echinodermata). < :.-;.' 

Eene algemeene befchouwing' van den oorfprongj 
ontwikkeling en bewerktuiging der dieren, uit welke 
de klasfe beftaat , gaat de opnoeming en befchrijving 
der gedachten en foorten vooraf. Om het ontftaan 
der afgietfeldievtjes te verklaren, neemt van der hoe- 
ven de generatio fpontanea feu aequivoca te baat, 
en fteunt zich grootendeels op de alles afdoende proe- 
ven van NEEDHAM cn FRAY. Hij noemt deze wijze 
van ontftaan , toevallige voortplanting. Deze naam 
komt mij niet zeer gelukkig voor. Toevallig kan 
niets in de natuur genoemd worden. Ook fpreekt de 
verklaring zelve, welke hij van deze voortplanting 

geeft , 



1 



( 291 ). 

geeft, den naam tegen. Zoude eigenmagtige voorts 
planting niet beter zijn? 

::ijOp deüe algemeene en uitvoerige befchouvving van 
elke klasfe, volgt eene korte , ingedrongen , fystema-? 
tifche bepaling van derzelver kenmerken, welke even 
als die der ordes, familiën en geflachten in de La- 
tijnfche taal is gefield. De befchrijving der foorten 
volgt dan weder in het Hollandsch. Deze handel- 
wijze, hoewel aan den eenen kant, om der beknopt- 
beitj wille doelmatig, heeft echter aan den anderen 
kant het nadeel, dat de fystematifche bepaling alleen 
door diegenen verdaan kan worden, welke de Latijn- 
fche taal magtig zijn. Daar echter bij den in ons 
Land meer en meer aangroeijende ijver voor de na- 
tuurkundige wetenfchappen , ook velen , die de La- 
üjnfche taal niet verdaan , zich op de Dierkunde zul- 
len wenfchen toe te leggen, komt het mij ,yooi;^ 
dat , zal dit werk zijn doel niet gedeeltelijk misfen, , 
eene Hollandfche vertaling . dezer zinfneden , .in de 
volgende (lukken er bij behoorde gevoegd te worden , 
even als lamarck zulks in zijne Histoire naturelle 
des animaux sans vertébres %téziLïi heeft. De wensch 
om het loffelijk doel van dit werk te bevorderen , 
heefl mij deze aann^erking doen ter nederfchrijven. 
Ik vertrouw, dat de Heer van der hoeven mij de- 
zelve ten goede zal honden. Alle overige klasfen , 
derzelver orde's en geflachten worden op dezelfde wijze 
behandeld tot aan ^t Annulata toe, met welke dit 
eerfle fluk eindigt. Bij de ingev/andswormen merkte 
ik in de befchrijving van den Èothriocephali/s latus 
op, dat VAN DER HOEVEN zegt , geen voorbeeld te 
kennen, dat iemand te gelijker xx^di ttx^Tamia foUum 

V 4 en 



( ^92 ) 

en Bothrioccphalus latus bij zich gehad heeft. Van 
swiETEN echter getuigt reeds , dat van den lintworm 
foms twee foorten, tegelijk in denzelfden perfoon 
worden aangetroffen , hetgeen de Hoogleeraar th^ssen 
dooi* zijne ondervinding heeft bevestigd gezien, daar 
Hj de 'Taenia lata en cucurbitina of foliüm in het 
jaar 1821 , na het gebruik van verzoet kwik met 
varenwortel in eenen negentienjarigen jongeling heeft 
ontlast gezien (*). Bovendien verhaalt hij rag , in 
Ï820 Bothriocephalus latus en Taenia folium gezien 
të hebben, welke D'. boon toen methet NoufFerfche 
middel , bij een meisje van 15 jaren verdreven had. 
Ook herinner ik mij, in de beroemde verzameling 
van den grooten rudolphi te Berlijn opgeteekend te 
hebben, dat deze beide foorten gelijktijdig in het 
darmkanaal eener vrouw gevonden waren (f); Einde- 
lijk kan ik bij al deze waarnemingen nog een geval 
voegen , hetwelk mij onlangs, door mijnen vriend 
HORSTOK , Geneesheer aan de Kaapftad , medegedeeld 
werd, die na het gebruik van Cortex Radic. Punic, 
granat. bij een veertienjarig meisje, beide foorten 
gelijktijdig afdreef, welke zich nu ook in de verza- 
meling van mijnen vader bevinden. ' 

Hier 

«oh. ; 
(*) Van SWIETEN, ad Aphor. 1373. Tom. IV, p. 725 

et 739. H. F. THYSSEN , Gcfchiedkundige Befchouwing der 
Ziekten ia de Nederlanden. Amft. 1824, blz. 403. 

(f) In de tweede afdeeling van het tweede deel, blz. 
239 zijner Grundrifs der Phjfiologie , welke pas uitgekomen 
is , geefc rudolphi deze waarneming met een paar woor- 
den op , maar noemt dezelve ook het eenigst geval , het- 
welk hij met eenige zekerheid kent. 



( 293 ) 

Hier zoude ik mijn vlugtig verflag van het i« ftuk 
van dit veel bevattend werk kunnen eindigen, zoo 
niet aan vorm en ftijl de lof behoorde toegekend te 
worden , welken dezelve in volle mate verdienen. De 
zuivere Hollandfche ftijl verheft zich meermalen bo- 
ven het onderwerp , zoo als onder anderen , in de be- 
fchrijving der madreporifche omkorstingen der Stille 
Zuidzee. Druk en papier zijn alle aanbeveling 
waardig. w. v. 



' Tabula regni animalis, additis clasjium ordinum- 
que characteribi'S , quam edidit in iifum audi' 
torum j. VAN DER HOEVEN. Lugd.Batav. apud 

J. C. CYFVEER, 1828. 

■ÏJ eb er Jicht des Thierrcichs nach natürlichtn Abjlu- 
fungen und Familièn zum Gebraüche bei Vor- 
lefungen von j. b. wilbrand. Giesfen 1828. 
Driick und Verlag von o. f. leijer. 

Xk vereenig deze beide tafels in mijne befchouwing, 
omdat beide in verfchillende landen, bijna op den- 
zelfden tijd en tot hetzelfde doel uitgegeven , zoo 
zeer in bewerking en weten